<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<root>
<folder name="Algemeen">
<verordening name="Algemene plaatselijke verordening" url="verordening-d0c5d4661c0c5e38011dae92e5ed015b/versie-d0c5d46634b01e1a0134c1b164f400a5.html">
	<tekst>
	&#239;&#187;&#191;ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING GEMEENTE GROOTEGAST 2008

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen 
In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:
a. Weg:
1. de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;
2. de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;
3. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;
4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.
b. Openbaar water: alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.
c. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet.
d. Rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.
e. Voertuigen: alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a en onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van:
1. treinen en trams;
2. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.
f. Vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten.
g. Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd.
h. Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
i. Gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
j. Vee: dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage II, behorend bij artikel 55 van de Meststoffenwet.
k. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. 
l. Bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.


Artikel 1.2 Beslistermijn
1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
2. Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.
3. Voor specifieke aanvragen kan het college afwijkende termijnen vaststellen. 
4. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.5.1, derde lid, artikel 2.1.5.2 of artikel 4.3.2.

Artikel 1.3 Indiening aanvraag
1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken v&#195;&#179;&#195;&#179;r het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.
2. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.
3. Aanvragen die te laat worden ingediend, worden niet in behandeling genomen. Specifiek zal hierbij worden gekeken naar vastgesteld beleid, zoals ten aanzien van kledingcontainers, collecteaanvragen etc. 

Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen
1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 

Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 
De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.. 

Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:
a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;
e. indien de houder dit verzoekt.
f. overigens wordt in dit kader verwezen naar de rechten en verplichtingen als bedoeld in de Awb (Algemene wet bestuursrecht).

Artikel 1.7 Vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd 
Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

Artikel 1.8 Weigeringsgronden 
De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:
a. de openbare orde;
b. de openbare veiligheid;
c. de volksgezondheid;
d. de bescherming van het milieu.

Hoofdstuk 2 Openbare orde

Afdeling 1: Orde en veiligheid op de weg

Paragraaf 1: Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2.1.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden
1. Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.
2. Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. 

Paragraaf 2: Optochten en betoging

Artikel 2.1.2.1 Optochten 
Vervallen (zie artikel 2.2.2; evenementenartikel /vrijstellingsmogelijkheid burgemeester) 

Artikel 2.1.2.2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat de betoging zal worden gehouden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van wat in artikel 2.1.2.4, eerste lid, hierover is bepaald.
2. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving door terugrekening valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt dit tijdstip geacht te vallen op 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.
3. Onder openbare plaats wordt verstaan: een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties 

Artikel 2.1.2.3 Afwijking termijn 
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 2.1.2.2, eerste lid, genoemde termijn van 48 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. 

Artikel 2.1.2.4 Te verstrekken gegevens
1. De kennisgeving bevat:
a. naam en adres van degene die de betoging houdt;
b. het doel van de betoging;
c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van be&#195;&#171;indiging;
d. de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van be&#195;&#171;indiging;
e. voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling;
f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
2. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 

Paragraaf 3: Verspreiden van gedrukte stukken

Artikel 2.1.3.1 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan.
2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 

Paragraaf 4: Vertoningen e.d. op de weg

Artikel 2.1.4.1 Feest, muziek en wedstrijd e.d. (Vervallen)
Niet opgenomen. Voorgesteld wordt om deze &#226;&#8364;&#339;evenementen&#226;&#8364;&#65533; te betrekken bij het algemene evenementenartikel 2.2.2. (Toezicht op evenementen). In dat verband is artikel 2.2.1, onder f aangepast. 

Artikel 2.1.4.2 Dienstverlening (Vervallen) 

Artikel 2.1.4.3 Straatartiest
1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of gedeelten daarvan.
2. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot uren.
3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 

Paragraaf 5: Bruikbaarheid van de weg

Artikel 2.1.5.1 Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg 
1. Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
2. Het verbod geldt niet voor:
a vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerci&#195;&#171;le doeleinden worden gebruikt;
b zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits:
1 geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt;
2 geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt;
c geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;
d de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het be&#195;&#171;indigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;
e voertuigen;
f voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;
g evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1;
h standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3.
3. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, indien dit gebruik niet is toegestaan op grond van het tweede lid en voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

4. Het is verboden op, aan, over of boven de weg een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien:
a deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt aan de weg,
b gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg, of
c een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van. de weg.
5. Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
6. Een vergunning bedoeld in het eerste lid en in het derde lid kan worden geweigerd:
a indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
b indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
c in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 
7. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. 
8. De weigeringsgrond van het zesde lid, onder a, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. 
9. De weigeringsgrond van het zesde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken; 
10. De weigeringsgrond van het zesde lid, onder c, geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 


Artikel 2.1.5.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2. De vergunning wordt verleend
a als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;
b door het college in de overige gevallen.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen.
4. Het verbod geldt niet voor het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak.
5. Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. 

Artikel 2.1.5.3 Maken of veranderen van een uitweg
1. Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
3. Bij de melding wordt een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie overgelegd.
4. Het college laat binnen vier weken na ontvangst van de melding weten of het college aan de gewenste uitrit voorschriften stelt.
5. Het college stelt voorschriften aan de gewenste uitweg indien door het realiseren ervan:
a. gevaar of hinder ontstaat of dreigt te ontstaan voor het wegverkeer ter plaatse;
b. het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats onmogelijk wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt; 
c. de groenvoorziening in de gemeente wordt geschaad of dreigt te worden geschaad. 
6. Het college stelt de indiener van de melding binnen zes weken na ontvangst van de melding op de hoogte van de voorschriften als bedoeld in het vierde lid.
7. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement. 

Paragraaf 6: Veiligheid op de weg 

Artikel 2.1.6.1 Veroorzaken van gladheid 
Niet overgenomen. 

Artikel 2.1.6.2 Winkelwagentjes
1. De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.
2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 

Artikel 2.1.6.3 Hinderlijke beplanting of voorwerp (vervallen) 

Artikel 2.1.6.4 Openen straatkolken e.d. 
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. 

Artikel 2.1.6.5 Kelderingangen e.d.
1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.
2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht. 

Artikel 2.1.6.6 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
1. Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door het college aangewezen periode.
2. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
3. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voorzover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven. 

Artikel 2.1.6.7 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (vervallen) 

Artikel 2.1.6.8 Vallende voorwerpen 
Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg. 

Artikel 2.1.6.9 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2. Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.
3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. 

Artikel 2.1.6.10 Objecten onder hoogspanningslijn
1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.
2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.
3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. 

Artikel 2.1.6.11 Veiligheid op het ijs 
Niet overgenomen. 

Afdeling 2: Toezicht op evenementen

Artikel 2.2.1 Begripsomschrijving
1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
a. bioscoopvoorstellingen;
b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5.2.4 van deze verordening;
c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;
e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f. activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.2.1, 2.1.4.2, 2.3.3.1 en 5.7.2 van deze verordening.
2. Onder evenement wordt mede verstaan: 
a. een herdenkingsplechtigheid;
b. een braderie;
c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1..2.2 op de weg;
d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg. 

Artikel 2.2.2 Evenement
1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 
2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van het verbod in het eerste lid. In een besluit tot vrijstelling van het verbod wordt bepaald in welke situaties de vrijstelling geldt. In een besluit tot vrijstelling kunnen algemene voorschriften worden opgenomen voor evenementen waarvoor de vrijstelling geldt.
3. De organisator van een evenement als bedoeld in het tweede lid dient 10 werkdagen daaraan voorafgaand melding te doen aan de burgemeester.
4. De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden dan wel daaraan aanvullende voorschriften te stellen indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
5. De burgemeester kan een evenement als bedoeld in het tweede lid dat niet gemeld is terstond verbieden indien door het evenement de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
6. De organisator van een evenement als bedoeld in het tweede lid is verplicht de voorschriften na te komen die op grond van het tweede lid en het vierde lid worden gesteld.

Artikel 2.2.3 Ordeverstoring 
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 

Afdeling 3: Toezicht op openbare inrichtingen

Paragraaf 1: Toezicht op horecabedrijven 

Artikel 2.3.1.1 Begripsomschrijvingen 
Niet overgenomen 

Artikel 2.3.1.2 Exploitatievergunning horecabedrijf 
Niet overgenomen 

Artikel 2.3.1.3 Opheffing vergunningplicht 
Niet overgenomen 

Artikel 2.3.1.4 Sluitingstijden 
Niet opgenomen. Grootegast hanteert systeem van vrije sluitingstijden. 

Artikel 2.3.1.5 Tijdelijke sluiting
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven tijdelijk sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet. 

Artikel 2.3.1.6 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf 
Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf ingevolge een op grond van artikel 2.3.1.5 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden. 

Artikel 2.3.1.7 Ordeverstoring 
Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren. 

Artikel 2.3.1.8 Het college als bevoegd bestuursorgaan 
Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2.3.1.2 tot en met 2.3.1.5. 

Paragraaf 2: Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2.3.2.1 Begripsomschrijvingen 
Niet opgenomen 

Artikel 2.3.2.2 Kennisgeving exploitatie 
Niet opgenomen 

Artikel 2.3.2.3 Nachtregister 
Niet opgenomen 

Artikel 2.3.2.4 Verschaffing gegevens nachtregister 
Niet opgenomen 

Paragraaf 3: Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 2.3.3.1 Speelgelegenheden
1. Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op:
a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;
b. speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;
c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.
3. De burgemeester weigert de vergunning:
a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden be&#195;&#175;nvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid.
b. indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 

Artikel 2.3.3.2 Speelautomaten
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. Wet: de Wet op de kansspelen
b. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet;
c. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet;
d. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;
e. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.
2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.
3. In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan. 

Afdeling 4: Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of lokaal
1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
4. De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen. 

Artikel 2.4.2 Plakken en kladden
1. Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:
a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 

Artikel 2.4.3 Vervoer plakgereedschap e.d.
1. Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap.
2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.4.2. 

Artikel 2.4.4 Vervoer inbrekerswerktuigen
1. Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
2. Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde handelingen. 

Artikel 2.4.5 Betreden van plantsoenen e.d. 
Niet overgenomen 

Artikel 2.4.6 Rijden over bermen e.d.
1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg.
2. Onder weg wordt verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
3. Het verbod geldt niet indien dat rijden door de omstandigheden redelijkerwijs gebillijkt wordt.
4. Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement ... . 

Artikel 2.4.7 Hinderlijk gedrag op of aan de weg
1. Het is verboden:
a. op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b. zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.
2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 

Artikel 2.4.8 Hinderlijk drankgebruik
1. Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;
b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet. 

Artikel 2.4.9 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen
1. Het is verboden:
a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;
b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo&apos;n gebouw. 

Artikel 2.4.10 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten 
Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaarvervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. 

Artikel 2.4.11 Neerzetten van fietsen e.d. 
Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien:
a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;
b. daardoor die ingang versperd wordt. 

Artikel 2.4.12 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. 
Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. 

Artikel 2.4.13 Bespieden van personen
1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden.
2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden. 

Artikel 2.4.14 Bewakingsapparatuur (vervallen) 

Artikel 2.4.15 Nodeloos alarmeren (vervallen) 

Artikel 2.4.16 Alarminstallaties (vervallen) 

Artikel 2.4.17 Loslopende honden
1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
a. binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is;
b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
c. op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod, genoemd in het eerste lid onder a, niet geldt.
3. De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. 

Artikel 2.4.18 Verontreiniging door honden
1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:
a. op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers;
b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; c. op een andere door het college aangewezen plaats.
2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt.
3. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. 

Artikel 2.4.19 Gevaarlijke honden
1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander:
a. anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;
b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.
2. In afwijking van artikel 2.4.17, aanhef en onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet- verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.
3. In het eerste lid wordt verstaan onder:
a. muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren;
b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter.
4. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve dieren. 

Artikel 2.4.20 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
1. Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:
a. aanwezig te hebben; dan wel
b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid gestelde regels; dan wel
c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.
2. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het- college is aangegeven.
3. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.
4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover de Wet milieubeheer van toepassing is. 

Artikel 2.4.21 Wilde dieren  
Vervallen
Artikel 2.4.22 Loslopend vee 
De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2.4.23 Duiven 
Niet opgenomen 

Artikel 2.4.24 Bijen
1. Het is verboden bijen te houden:
a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;
b. binnen een afstand van 30 meter van de weg.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te voorkomen.
3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.
4. Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement.
5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 

Afdeling 5: Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

Artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen 
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
b. verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar. 

Artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:
a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;
c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;
d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
2. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen. 

Artikel 2.5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht 
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
a. wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen;
b. de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit;
c. aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen;
d. indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a bedoelde functionaris;
e. zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar;
f. wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen. 

Artikel 2.5.4 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen 
Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed. 

Artikel 2.5.5 Handel in horecabedrijven
1. Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te laten dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
2. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste en tweede lid;
b. houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1.1, vierde lid. 

Afdeling 6: Vuurwerk

Artikel 2.6.1 Begripsomschrijvingen 
In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. 

Artikel 2.6.2 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 
Niet opgenomen. 

Artikel 2.6.3 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
1. Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
2. Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 

Afdeling 7: Drugsoverlast

Artikel 2.7.1 Drugshandel op straat 
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. 

Afdeling 8: Bestuurlijke ophouding

Artikel 2.8.1 Bestuurlijke ophouding 
Niet opgenomen. 

Afdeling 9: Veiligheidsrisicogebieden

Artikel 2.9.1 Veiligheidsrisicogebieden 
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.

Paragraaf 1: Begripsomschrijvingen

Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen 
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;
e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;
f. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;
g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf;
h. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:
1. de exploitant;
2. de beheerder;
3. de prostituee;
4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;
5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2;
6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. 

Artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaan 
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. 

Artikel 3.1.3 Nadere regels 
Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. 

Paragraaf 2: Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke

Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen
1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.
2. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:
a. de persoonsgegevens van de exploitant;
b. de persoonsgegevens van de beheerder; en
c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf. 

Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerder
1. De exploitant en de beheerder:
a. staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;
b. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en
c. heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet:
a. met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;
b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;
c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
1. bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;
2. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a (oud), 252, 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;
3. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
4. de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;
5. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;
6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:
a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;
b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.
4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:
a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;
b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
5. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft. 

Artikel 3.2.3 Sluitingstijden
1. Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting sluitingstijden vaststellen.
2. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4, eerste lid, gesloten dient te zijn.
3. Het in het eerste tot en met tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. 

Artikel 3.2.4 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting
1. Met het oog op de in artikel 3.3.2, eerste lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:
a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste lid geldende sluitingsuren vaststellen;
b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. 

Artikel 3.2.5 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.
2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe te zien dat in de seksinrichting:
a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en
b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 

Artikel 3.2.6 Straatprostitutie
1. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken:
a. op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden;
b. gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.
2. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.
3. Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.
4. De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid.
5. De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.
6. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid. 

Artikel 3.2.7 Sekswinkels 
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente. 

Artikel 3.2.8 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:
a. indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;
b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. 

Paragraaf 3: Beslissingstermijn; weigeringsgronden

Artikel 3.3.1 Beslissingstermijn
1. Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.
2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. 

Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden
1. De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt geweigerd indien:
a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.2.2 gestelde eisen;
b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;
c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3.2.6, eerste lid, worden geweigerd in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee. 
Paragraaf 4: Be&#195;&#171;indiging exploitatie; wijziging beheer

Artikel 3.4.1 Be&#195;&#171;indiging exploitatie
1. De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft be&#195;&#171;indigd.
2. Binnen een week na de feitelijke be&#195;&#171;indiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. 

Artikel 3.4.2 Wijziging beheer
1. Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid, onder b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft be&#195;&#171;indigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke be&#195;&#171;indiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.
2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.
3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. 

Paragraaf 5: Overgangsbepaling 

Artikel 3.5.1 Overgangsbepaling; 
Niet opgenomen (n.v.t.).

Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1: Geluid- en lichthinder

Artikel 4.1.1 Begripsomschrijvingen 
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer;
b. inrichting: een inrichting als omschreven in artikel 2 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen zoals dat gold op 31 december 2007;
c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;
d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan &#195;&#169;&#195;&#169;n of een klein aantal inrichtingen is verbonden;
e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan &#195;&#169;&#195;&#169;n of een klein aantal inrichtingen. 

Artikel 4.1.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
1. De waarden als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit zijn niet van toepassing voor inrichtingen op door het college per kalenderjaar aan te wijzen dagen of dagdelen voor collectieve festiviteiten.
2. Artikel 4.113, eerste lid van het Besluit is niet van toepassing voor inrichtingen op door het college per kalenderjaar aan te wijzen dagen of dagdelen voor collectieve festiviteiten.
3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een door het college aan te wijzen gebied.
4. Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.
5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 

Artikel 4.1.3 Aanwijzing incidentele festiviteiten
1. Het college kan, in verband met het bepaalde in artikel 2.21 en/of artikel 4.113 van van het Besluit, op aanvraag van de houder van een inrichting een deel van een dag aanwijzen ten behoeve van de viering van een incidentele festiviteit in de desbetreffende inrichting.
2. Het college stelt een formulier vast om een aanvraag als bedoeld in het eerste lid in te dienen.
3. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid dient tenminste twee weken voor de voorgenomen aanvang van de incidentele festiviteit bij het college te worden ingediend.
4. De aanvraag wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een deel van een dag terstond aanwijst ten behoeve van een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was.
5. Indien het college, gelet op de begin- en/of eindtijd van de incidentele festiviteit en/of gelet op de te verwachten geluidbelasting van oordeel is dat de desbetreffende festiviteit overmatige hinder kan veroorzaken voor omwonenden van de inrichting, wordt de aanvraag geweigerd of wordt de aanwijzing beperkt tot een zodanig deel van de dag dat de desbetreffende festiviteit naar het oordeel van het college geen overmatige hinder zal veroorzaken.
6. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan niet een deel van een dag omvatten dat is gelegen tussen 02.00 uur en 09.00 uur.
7. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid vindt maximaal 6 maal per kalenderjaar per inrichting plaats. 

Artikel 4.1.4 Verboden incidentele festiviteiten 
 (niet opgenomen) 

Artikel 4.1.5 Overige geluidhinder
1. Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
3. Het verbod geldt niet, voor zover artikel 2.4.16, artikel 5.7.2, de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement verkeerstekens en verkeersregels 1990 of het Vuurwerkbesluit van toepassing zijn. 

Artikel 4.1.6 (geluid)hinder door bromfietsen e.d.) 
Het is verboden zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder ontstaat. 

Afdeling 2: Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4.2.1 Straatvegen 
Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode. 

Artikel 4.2.2 Natuurlijke behoefte doen 
Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats. 

Artikel 4.2.3 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen 
Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen 

Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4.3.1 Begripsbepalingen
Voor de toepassing van hoofdstuk 4, afdeling 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening wordt verstaan onder: 
a. boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 30 centimeter ofwel een omtrek van 94 cm op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. Voor eikenbomen, beukenbomen en lindebomen wordt in dit kader een diameter aangehouden van minimaal 20 centimeter ofwel een omtrek van 63 cm. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. In het kader van herplant- of instandhoudingsplicht kunnen voorschriften gesteld en maatregelen genomen worden voor bomen kleiner dan 30 cm dwarsdoorsnede (of 20 centimeter in geval van eik, beuk en linde) op 1,3 meter boven maaiveld;
b. houtopstand: hakhout, een houtwal, een houtsingel of &#195;&#169;&#195;&#169;n of meer bomen;
c. hakhout: &#195;&#169;&#195;&#169;n of meer bomen of boomvormers, die na te zijn afgezet, opnieuw op de stronk uitlopen; 
d. dunning: velling, die uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd;
e. rooien: het geheel verwijderen van het boven- en ondergrondse deel van een houtopstand;
f. het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand;
g. afzetten: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand met als doel dat de houtopstand opnieuw op de stronk uitloopt;
h. vellen: rooien van een houtopstand, kappen van een houtopstand, afzetten van een houtopstand anders dan bij wijze van dunning, verplanten van een houtopstand, onoordeelkundig snoeien van een houtopstand (i.c. meer dan 20% van de kroon of het wortelgestel wegnemen) alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben;
i. knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;
j. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;
k. boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;
l. houtsingelcompensatiefonds: een gemeentelijk fonds voor onderhoud, instandhouding en uitbreiding van houtsingels in de buitengebieden van de gemeenten Grootegast, Leek en Marum:;

Artikel 4.3.2 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
1. Het is zonder een vergunning van het bevoegd gezag verboden houtopstand te vellen of te doen vellen anders dan bij wijze van dunning.
2. Dit verbod is niet van toepassing op:
a. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen;
b. fruitbomen en windschermen om boomgaarden;
c. fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;
d. kweekgoed.
3. Indien houtopstand deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en niet gelegen is binnen een bebouwde kom, is op deze houtopstand het verbod slechts van toepassing, indien de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt en hetzij geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, hetzij in geval van rijbeplanting, gerekend over het totale aantal rijen, niet meer bomen omvat dan 20.
4. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is niet vereist, indien houtopstand moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het college van burgemeester en wethouders, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.3.12 van de Algemene Plaatselijke Verordening.
5. Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten.

Artikel 4.3.3 Vergunningaanvraag
Vervallen

Artikel 4.3.4 Weigering ex lege
Vervallen.

Artikel 4.3.5 Voorschriften aan een vergunning
1. Het bevoegd gezag kan aan een krachtens deze verordening verleende vergunning onder meer voorschriften en beperkingen verbinden in het belang van:
a. de handhaving van het natuurschoon en/of landschapsschoon;
b. de handhaving van het dorps-/stadsschoon;
c. andere redenen van milieubeheer.
2. Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college van burgemeester en wethouders te geven aanwijzingen moet worden herbeplant.
3. Indien uitvoering van de plicht tot herbeplanting als bedoeld in het tweede lid niet mogelijk is of naar maatstaven van redelijkheid onvoldoende compensatie biedt voor het vellen van de houtsingel(s) kan aan de vergunning het voorschrift worden verbonden dat de houtsingel niet mag worden geveld alvorens een geldelijke bijdrage in het gemeentelijke houtsingelcompensatiefonds is gestort.
4. Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen aanwijzingen behoren ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.
5. Wordt een voorschrift, als in het eerste of tweede lid bedoeld, gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen. 

Artikel 4.3.5a Gemeentelijk houtsingelcompensatiefonds 
De geldelijke bijdragen die op grond van het bepaalde in artikel 4.3.5, derde lid, zijn gestort in het gemeentelijke houtsingelcompensatiefonds mogen slechts worden gebruikt ten behoeve van de uitbreiding en handhaving van de in de gemeente Grootegast, Leek en Marum bestaande houtsingels in het buitengebied.

Artikel 4.3.6 Weigering van een vergunning
1. De vergunning kan onder meer worden geweigerd indien dit in het belang is van:
a. de natuurwaarde van de houtopstand;
b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;
c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;
e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;
f. de recreatieve waarde van de houtopstand;
g. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.
2. Het bevoegd gezag kan bij het weigeren of onder voorschriften verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde (artikel 4.3.1 onder k) als motivering hanteren.

Artikel 4.3.7 Openbaarmaking
Vervallen.

Artikel 4.3.8 Vervaltermijn vergunning
De vergunning vervalt, indien daarvan niet binnen maximaal &#195;&#169;&#195;&#169;n jaar na afgifte volledig gebruik is gemaakt tenzij er voorschriften in de vergunning zijn opgenomen die anders bepalen. 

Artikel 4.3.9 Schadevergoeding
1. Op een aanvraag om schadevergoeding op grond van artikel 17, juncto artikel 13, vierde lid, van de Boswet, beslist de gemeenteraad.
2. Bij de toezending van de beslissing op de aanvraag om schadevergoeding doet het college van burgemeester en wethouders mededeling van het bepaalde in artikel 14 van de Boswet.

Artikel 4.3.10 Bestrijding van iepziekte
1. Dit artikel verstaat onder:
a. iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);
b. iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus.
2. Indien zich op een terrein &#195;&#169;&#195;&#169;n of meer iepen bevinden die naar het oordeel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren voor verspreiden van iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkever, is de rechthebbende, indien hij daartoe door burgemeester en wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de aanschrijving vast te stellen termijn:
a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;
b. de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen;
c. de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.
3. Ten aanzien van het voorhanden hebben, het in voorraad hebben of het vervoeren van iepenhout geldt het volgende:
a. het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren;
b. het verbod is niet van toepassing op geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter;
c. burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het onder a. van dit lid gestelde verbod.
4. Het niet voldoen aan de in het tweede lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

Artikel 4.3.11 Verhouding tussen kap-, bouw- en aanlegvergunning 
Vervallen
Artikel 4.3.12 Herplant-/instandhoudingsplicht
1. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld anders dan bij wijze van dunning, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzin&#194;&#173;gen binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn.
2. Wordt een verplichting als in het vorige lid bedoeld opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.
3. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen binnen een door het college te stellen termijn maatregelen te nemen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.
4. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Afdeling 4: Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4.4.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 
1. Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door hem gestelde regels: 
a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; 
b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
c. caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;
d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, l oof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen; 
e. autowrakken
f. opslag overige materialen, zoals bouwmaterialen, brandstoffen. 
2. In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.
3. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een door hem aangeduide voorwerp of stof:
a. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel
b. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels.
4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Provinciale Verordening ... . 

Artikel 4.4.1a Stankoverlast door gebruik van meststoffen 
Niet opgenomen.

Artikel 4.4.2 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 
Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht, ernstige hinder ontstaat voor de omgeving of ernstige strijd is met redelijke eisen van welstand.

Artikel 4.4.3 Vergunningplicht lichtreclame 
Niet opgenomen.

Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 4.5.1 Begripsomschrijving
In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan:
Een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de
Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4.5.2 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.
2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het eerste lid.
4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:
a. de bescherming van natuur en landschap
b. de bescherming van een stadsgezicht

Artikel 4.5.3 Aanwijzing kampeerplaatsen
1. Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4.5.2. eerste lid, niet geldt.
2. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4.5.2. vierde lid.

Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

Afdeling 1: Parkeerexcessen

Artikel 5.1.1 Begripsomschrijvingen 
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
b. voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:
1. treinen en trams;
2. fietsen, bromfietsen;
3. invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
4. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen, rolstoelen;
c. parkeren: het laten stilstaan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. 

Artikel 5.1.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.
1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:
a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen; dan wel
b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
2. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan:
a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;
b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
3. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend:
a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;
b. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon.
4. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 

Artikel 5.1.2a Te koop aanbieden van voertuigen
1. Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.
2. Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen. 

Artikel 5.1.3 Defecte voertuigen 
Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. 

Artikel 5.1.4 Voertuigwrakken
1. Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben.
2. Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.
3. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 

Artikel 5.1.5 Caravans e.d.
1 Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, camper, caravan of een ander dergelijk voertuig langer dan zeven achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben.
2 Het is verboden een magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben. 
3 Het college kan ontheffing verlenen van het eerste lid.
4 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening.

Artikel 5.1.6 Parkeren van reclamevoertuigen
1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.
2. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 

Artikel 5.1.7 Parkeren van grote voertuigen
1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
4. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. 

Artikel 5.1.8 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen
1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
2. Dit verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. 

Artikel 5.1.9 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
1. Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.
2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 

Artikel 5.1.10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
1. Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.
2. Dit verbod is niet van toepassing:
a. op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder a;
b. op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid;
c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.
3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 

Artikel 5.1.11 Overlast van fiets of bromfiets
1. Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
2. Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan. 

Afdeling 2: Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten

Artikel 5.2.1 Inzameling van geld of goederen
1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.
2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ide&#195;&#171;el doel is bestemd.
3. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. 

Artikel 5.2.2 Venten e.d. (niet overgenomen) 

Artikel 5.2.3 Standplaatsvergunning

Artikel 5.2.3.1 Begripsomschrijving
1. In deze paragraaf wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
2. Onder standplaats wordt niet verstaan:
a. vaste plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet;
b. vaste plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1;
c. vaste plaatsen op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5.2.4. 

Artikel 5.2.3.2 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd
a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; 
b. vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan.

Artikel 5.2.3.3 Toestemming rechthebbende 
Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen 

Artikel 5.2.3.4. Afbakeningsbepalingen
1. Het verbod van artikel 5.2.3.2, eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. 
2. De weigeringsgrond overlast geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer;
3. de weigeringsgrond van artikel 5.2.3.2, tweede lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken. 

Artikel 5.2.3.5 Aanhoudingsplicht
Het college houdt de aanvraag om een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag een activiteit betreft waarvoor tevens een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het tweede lid, tot de dag waarop is beslist op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. 

Artikel 5.2.4 Snuffelmarkten e.d.
1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester:
a. in of op een - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats een markt te organiseren of toe te laten, waar ter plaatse aanwezige goederen worden verhandeld;
b. toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven, dat in of op een - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijk gebouw of plaats met een kraam, een tafel of enig ander dergelijk middel standplaats wordt of is ingenomen om goederen aan publiek aan te bieden, te verkopen of te verstrekken.
2. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en voortdurend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd in het belang van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt. 

Afdeling 3: Openbaar water 

Artikel 5.3.1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 
1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben. 
2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. 
3. 3 Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 
4. De verboden in het eerste en derde lid gelden niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening 

Artikel 5.3.2 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen
1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.
2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:
a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygi&#195;&#171;ne en het aanzien van de gemeente;
b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.
3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of de Provinciale landschapsverordening. 

Artikel 5.3.3 Aanwijzingen ligplaats
1. Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5.3.2 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygi&#195;&#171;ne en het aanzien van de gemeente.
2. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.
3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of de Provinciale landschapsverordening. 

Artikel 5.3.4 Verbod innemen ligplaats 
Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens de artikelen 5.3.2, tweede lid, en 5.3.3 bepaalde. 

Artikel 5.3.5 Beschadigen van waterstaatswerken
1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbaar water, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.
2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening. 

Artikel 5.3.6 Reddingsmiddelen 
Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. 

Artikel 5.3.7 Veiligheid op het water
1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.
2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening. 

Artikel 5.3.8 Overlast aan vaartuigen
1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.
2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. 

Afdeling 4: Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden 

Artikel 5.4.1 Crossterreinen
1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:
a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;
b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;
c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren. 

Artikel 5.4.2 Beperking verkeer in natuurgebieden
1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.
2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:
a. in het belang van het voorkomen van overlast;
b. in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;
c. in het belang van de veiligheid van het publiek.
3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:
a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;
b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door het college aangewezen plaatsen;
c. die worden gebruikt in verband met die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld
d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; 
e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.
4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:
a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
b. binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening &apos;Stiltegebieden&apos; aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als &apos;toestel&apos;.
5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 

Afdeling 5: Verbod vuur te stoken 
Artikel 5.5.1 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
1 Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
2 Het verbod geldt niet voorzover het betreft:
a) verlichting door middel van kaarsen, fakkels en degelijke;
b) sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; 
c) vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.
3 Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
4 De ontheffing kan worden geweigerd:
a) in het belang van de openbare orde en veiligheid;
b) ter bescherming van de woon- en leefomgeving;
c) ter bescherming van de flora en de fauna.
5 Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.

Afdeling 6: Verstrooiing van as 

Artikel 5.6.1 Begripsomschrijving 
In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. 

Artikel 5.6.2 Verboden plaatsen
1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:
a. verharde delen van de weg;
b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen; 
2. Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt. 
3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 

Artikel 5.6.3 Hinder of overlast 
Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. 

Afdeling 7: Carbidschieten

Artikel 5.7.1 Begripsomschrijvingen 
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. carbidschieten: het in een (melk)bus/container/opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen;
b. bevoegd bestuursorgaan: het college of, voorzover het betreft openbare vermakelijkheden als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. 

Artikel 5.7.2 Verbod op carbidschieten
1. Carbidschieten is verboden.
2. Het verbod geldt niet voor carbidschieten dat plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar, waarbij gebruik gemaakt wordt van bussen met een maximale inhoud van 1 liter, mits daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daardoor gevaren kunnen optreden voor mens of milieu.
3. Het verbod geldt niet voor carbidschieten dat plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar op een erf behorende bij een woning buiten de bebouwde kom, waarbij gebruik gemaakt wordt van bussen met een maximale inhoud van 60 liter mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. er is minimaal &#195;&#169;&#195;&#169;n meerderjarige bewoner van de woning aanwezig die ervoor zorg draagt dat deze voorwaarden worden nageleefd;
b. er zijn maximaal vier personen aanwezig die geen bewoner zijn van de desbetreffende woning; 
c. er worden in totaal niet meer dan twee bussen gebruikt;
d. de afstand vanaf de plek waar het carbidschieten plaatsvindt tot gebouwen van derden bedraagt tenminste 100 meter;
e. het vrijschootsveld bedraagt tenminste 75 meter; dit terrein is in eigendom van of wordt gehuurd of gepacht door een bewoner van de desbetreffende woning; hierin liggen geen openbare paden of wegen;
f. indien het carbidschieten plaatsvindt na zonsondergang dient het schietterrein goed te worden verlicht;
g. er worden geen handelingen verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daardoor gevaren kunnen optreden voor mens of milieu.
4. Het bevoegd bestuursorgaan kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast, of in het belang van de natuurbescherming, plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het gestelde in het tweede en/of het derde lid niet van toepassing is.
5. Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
6. Dit artikel is niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn.

Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1 Strafbepaling 
Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 

Artikel 6.2 Toezichthouders 
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:
de ambtenaren die krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast zijn met het toezicht op de naleving van voorschriften gegeven bij of krachtens die wet;
2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

Artikel 6.3 Binnentreden woningen 
Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. 

Artikel 6.4 Inwerkingtreding. 
1. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na het verstrijken van een termijn van zes weken na de datum waarop zij is bekendgemaakt.
2. De Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Grootegast (vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 4 december 1991) alsmede de daarop vastgestelde wijzigingsverordeningen worden ingetrokken. 

Artikel 6.5 Overgangsbepaling
1. Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens verordeningen bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en voorzover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht.
2. Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en voorzover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht.
3. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van een verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast.
4. Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid.
5. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.
6. Gebods-of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in een verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, zijn niet van toepassing:
a. gedurende acht weken na het in werking treden van deze verordening;
b. ook na de onder a. bepaalde termijn, voorzover degene die de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.
7. De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voorzover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken. 

Artikel 6.6 Citeertitel 
Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Grootegast. 

Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 31 januari 2008. 

griffier,

voorzitter,
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Archiefverordening gemeente Grootegast" url="verordening-d0c5d4663517543e0135f209374c0001/versie-d0c5d4663517543e0135f20937e80002.html">
	<tekst>
	&#239;&#187;&#191;ARCHIEFVERORDENING GEMEENTE GROOTEGAST 2010


Hoofdstuk 1    Algemene bepalingen

Artikel 1
In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt verstaan onder;

a de wet; de Archiefwet 1995;
b gemeentelijke organen;de overheidsorganen,bedoeld in artikel 1, onder b van de wet voor zover behorende tot de gemeente;
c de archiefbewaarplaats; de overeenkomstig artikel 31 van de wet aangewezen archiefbewaarplaats; 
d beheerdeer; degene die ingevolge artikel 3 is belast met beheer van de archiefbescheiden van de gemeentelijke organen die niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats;   
e beheerseenheid; een door de burgemeester en wethouders als zodanig aan te wijzenorganisatie onderdeel;
f informatiesysteem; systeem van documentatie, procedures, apparatuur en programmatuur, met behulp waarvan archiefbescheiden kunnen worden vervaardigd, bewerkt, verzonden, ontvangen en geraadpleegd.

Hoofdstuk 2   De zorg van burgemeester en wethouders voor de archiefbescheiden

Artikel 2
Burgemeester en wethouders dragen zorg voor het inrichten en in stand houden van een archiefbewaarplaats als bedoeld in artikel 31 van de wet alsmede voldoende en doelmatige archiefruimten.

Artikel 3
Burgemeester en wethouders dragen zorg voor het aanwijzen van de beheerder/beheerders.

Artikel 4
Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de aanstelling van voldoende deskundig personeel voor de werkzaamheden verbonden aan het beheer van alle gemeentelijke archiefbescheiden en documentaire verzameling, ongeacht hun vorm.

Artikel 5
1. Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat de vervaardiging en de bewaring van de archiefbescheiden geschieden op zodanige wijze, dat het behoud van deze bescheiden voldoende is gewaarborgd.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vervaardiging van de bescheiden bestemd voor een overheidsorgaan of ander belanghebbende, van welke bescheiden redelijkerwijze kan worden aangenomen dat zij voor dezen als archiefbescheiden voor blijvende bewaring in aanmerking komen.

Artikel 6
Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat jaarlijks op de gemeentebegroting voldoende middelen worden geraamd ter bestrijding van de kosten die aan de zorg voor de archiefbescheiden zijn verbonden.

Artikel 7
Burgemeester en wethouders stellen voor het beheer van de archiefbescheiden van de gemeentelijke organen die niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats voorschriften vast.

Artikel 8
Burgemeester en wethouders doen tenminste eenmaal per twee jaar aan de raad verslag omtrent hetgeen zij hebben verricht ter uitvoering van artikel 30 van de wet.

Hoofdstuk 3    Slotbepalingen

Artikel 9
De Archiefverordening Grootegast 1997, vastgesteld op 8 april 1997, wordt gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Archiefverordening gemeente Grootegast 2006 ingetrokken.

Artikel 10
Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die waarop zij bekend is gemaakt.

Artikel 11
Deze verordening wordt aangehaald als Archiefverordening gemeente Grootegast 2010.
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Beleidskader recreatie en toerisme Westerkwartier" url="verordening-d0c5d4661c0c5e38011dce0e50a602aa/versie-d0c5d4661c0c5e38011dce0e50a602ab.html">
	<tekst>
	1. INLEIDING

1. 1. Aanleiding

Het verbeteren van de werkgelegenheid en de leefomgeving is voor veel gemeenten in aantrekkelijke omgevingen de reden geweest te investeren in toerisme en recreatie. Zo ook in het Westerkwartier, waar de gemeenten Grootegast, Leek, Marum en Zuidhorn een hechte samenwerking kennen op dit beleidsterrein. Het gemeentegrensoverschrijdende karakter van landschappen, natuurgebieden en routestructuren maakt het verstandig en gewenst de krachten te bundelen. De gemeenten kunnen dan gebruik maken van elkaars voorzieningen. De toerist en de recreant merken geen gemeentegrenzen en kunnen optimaal profiteren van datgene dat de gemeenten gezamenlijk kunnen bieden.

Figuur 1. Ligging Westerkwartiergemeenten
(bron: Kadernota Bestemmingsplan Buitengebied 2006)

1. 2. Doelstelling

De doelstelling van het beleidskader is het kort en bondig neerzetten van de ambities en potenties van het Westerkwartier en mede hieruit het beleid voor de komende jaren te beschrijven. De ambities worden geformuleerd op basis van het bestaande en het toekomstig beleid van de gemeenten en de wensen van de ondernemers en belangengroepen uit de regio. De potenties geven aan waar vanuit het overheidsbeleid, de marktsituatie en de ruimtelijke situatie mogelijkheden liggen voor nieuwe toeristisch recreatieve ontwikkelingen in het Westerkwartier.

Op basis van de ambities en de potenties wordt het beleidskader opgesteld. Belangrijke onderdelen van het beleid zijn een gebiedszonering, met andere woorden wat mag waar en een uitwerking naar thema&#8217;s binnen recreatie en toerisme. Zo wordt ingegaan wordt op verblijfsrecreatie, dagrecreatie, routestructuren en promotie.
Het beleidskader dient als toetsingskader voor planologische ontwikkelingen. Thematische uitwerkingen van het beleidskader, zoals het kampeerbeleid, kunnen opgenomen worden in de nieuw te maken bestemmingsplannen voor de buitengebieden van de gemeenten in het Westerkwartier.

1. 3. Achtergronddocument

Dit beleidskader gaat vergezeld van een Achtergronddocument. In dit document is de informatie opgenomen op basis waarvan dit beleidskader is geschreven.

2. AMBITIES EN POTENTIES

2. 1. Ambities

Beleid overheden
In het vigerende beleid van de gemeenten en van de provincie Groningen wordt ingezet op het versterken van de toeristisch-recreatieve ontwikkeling van de regio.

Kwalitatief hoogwaardige voorzieningen
De vier gemeenten en de ondernemers zetten in op een kwaliteitsverbetering van de bestaande verblijfsrecreatieve voorzieningen en het bieden van voldoende planologische ruimte voor nieuwe kwalitatief hoogwaardige voorzieningen, die passend zijn in de kwaliteiten van het landschap.

Uitbreiding routestructuren
In meerdere plannen wordt de uitbreiding van de routestructuren genoemd. Verbeteringen over grenzen heen, zowel gemeentelijk als provinciaal, is een regionale wens. De provincie zet in op het realiseren van de ontbrekende schakels in het fietspadennet. De ondernemers en belangengroepen zien volop ontwikkelingskansen voor nieuwe routestructuren. Deze structuren hebben betrekking op diverse vormen van recreatie, zoals bijvoorbeeld fietsen, wandelen, mountainbiken, paardrijden en varen.

Toename samenwerking
Het Westerkwartier streeft naar een toename op het gebied van samenwerking. Een eerste samenwerking heeft al plaatsgevonden tussen Staatsbosbeheer, de VVV en de gemeenten. Gezamenlijk is een toeristisch recreatieve kaart opgesteld met daarop alle verblijfsrecreatieve, dagrecreatieve voorzieningen en het routenetwerk (figuur 2). Er wordt ingezet op een verdere samenwerking.
Verbetering in de samenwerking tussen alle betrokken partijen kan de kwaliteit van het toeristisch-recreatieve product nog verder verbeteren. Dit kan bijvoorbeeld een promotieteam Westerkwartier zijn, waarin een samenwerking bestaat tussen de VVV&#8217;s, de recreatieondernemers en bijvoorbeeld gemeenten. De recreatieondernemers zijn primair verantwoordelijk voor het aanbieden van kwalitatief hoogwaardige en onderscheidende voorzieningen. De gemeenten kunnen de ondernemers faciliteren door hun beleid hierop af te stemmen en snelle medewerking te verlenen aan beleidsmatig gewenste initiatieven.

Behouden van karakteristieken en landschappelijke waarden
Het behouden van de landschappelijke waarden van het gebied, zoals de natuur- en bosgebieden, de houtsingels en cultuurhistorisch waardevolle elementen is een belangrijke ambitie van het gebied. Bij uitbreidingen van bestaande voorzieningen of bij de ontwikkeling van nieuwe voorzieningen is inpassing in het landschap noodzakelijk.

Figuur 2. Onderdeel toeristisch-recreatieve kaart Westerkwartier

2. 2. Potenties

Meeliften in gebiedsontwikkeling
In het Westerkwartier liggen kansen voor de verdere ontwikkelingen van recreatief-toeristische voorzieningen door mee te liften in gebiedsontwikkeling. Vanuit het ILG (Investeringsbudget Landelijk Gebied) en het regiofonds van de regiovisie Groningen &#8211; Assen liggen financieringsmogelijkheden voor gebiedsontwikkeling. Het ILG vervangt de verschillende subsidiebronnen als Belvedere en SGB (subsidie gebiedsgericht beleid). De aanwijzing van Middag &#8211; Humsterland als Nationaal landschap biedt mogelijkheden voor bijvoorbeeld de realisatie van nieuwe fietspaden. De recreatiesector kan hiervan profiteren.

Natuur- en landschapswaarden als basis voor extensieve recreatie
De aanwezige natuur- en landschapswaarden vormen een basis voor nieuwe recreatieve ontwikkelingen. Extensieve voorzieningen, zoals kleinschalig kamperen en kleinschalige voorzieningen in vrijkomende agrarische bedrijven, zijn passend in het landschap en kunnen aansluiten bij de bestaande en nieuwe routestructuren. Dit past in het trendbeeld van rust en ruimte.

Bereikbaarheid en kernen als basis voor intensieve recreatie
De goede bereikbaarheid van het gebied, door de ligging aan de A7 en aan de N355, vormt een basis voor alle vormen van recreatie. De goede bereikbaarheid maakt het mogelijk het gebied snel en eenvoudig te bereiken en meerdere attracties in korte tijd te bezoeken. Dit past in het trendbeeld dat er toenemende behoefte is aan variatie. Ook de stad Groningen ligt op korte afstand.

Positieve marktsituatie verblijfsrecreatie
Uit de ontwikkelingscijfers van de afgelopen jaren waarin de marktsituatie van recreatie en toerisme is geanalyseerd, blijkt dat het aantal overnachtingen in Nederland is toegenomen met 7%. In de provincie Groningen is de bezettingsgraad van recreatiewoningen licht gestegen. De bezettingsgraad van kampeerplaatsen is relatief stabiel gebleven. De kleinschalige kampeersector is sterk vertegenwoordigd in het gebied.

Gebiedsindeling: minder kwetsbare gebieden en kwetsbare gebieden
Het gebied is door de kwaliteiten van het landschap aantrekkelijk voor de recreant. Echter niet alle gebieden zijn vanwege hun waarden geschikt voor een verdere groei van de recreatie.
Op basis van de gebiedszonering zoals deze is aangegeven in de Kadernota Bestemmingsplan Buitengebied, wordt onderscheid gemaakt in minder kwetsbaar gebied en kwetsbaar gebied.

Minder kwetsbaar is het agrarisch gebied. In deze gebieden passen intensieve ontwikkelingen als attractieparken en huisjesterreinen.
Voor ontwikkelingen binnen het agrarisch gebied met landschappelijke waarden geldt dat deze goed moeten worden ingepast. Houtsingels en boomwallen bieden hiervoor goede mogelijkheden door hun afschermende werking. Minder kwetsbare gebieden zijn ook de kernen met aangrenzende gronden en de gebieden aansluitend op de verblijfs- en dagrecreatieve gebieden.

De kwetsbare gebieden zijn agrarische gebieden met specifieke waarden als openheid of een natuurlijke waarde. De gebieden met een landschappelijke waarde, zoals bijvoorbeeld de specifieke openheid in het nationaal landschap Middag &#8211; Humsterland, vallen ook onder de kwetsbare gebieden. De gebieden met een natuurfunctie vallen binnen deze kwetsbare landschappen. In deze gebieden passen kleinschalige vormen van recreatie zoals het kleinschalig kamperen, bed &amp; breakfastvoorzieningen en de ontwikkeling van routestructuren.
Kleinschalige attracties zoals informatievoorziening of horeca (zoals een theetuin) zijn passend wanneer deze plaatsvinden in bestaande panden en/of aan routestructuren.

In de kwetsbare landschappen liggen voldoende mogelijkheden voor kleinschalige
recreatieve ontwikkelingen. Uitgangspunt vormt de landschappelijke
kwaliteit. Deze mag niet ten koste mag gaan van recreatieve ontwikkelingen.

De kwetsbare landschappen staan aangegeven in figuur 3 en in bijlage 1.

Figuur 3. Kwetsbare landschappen

3. BELEID

3. 1. Algemeen

Het gebied heeft voldoende ambities en potenties om zich de komende jaren verder recreatief te ontwikkelen. Er wordt dan ook ingezet op het cre&#235;ren van voldoende ontwikkelingsmogelijkheden voor recreatie en toerisme. De diversiteit in het landschap is de kernkwaliteit van het gebied. Als randvoorwaarde voor nieuwe ontwikkelingen geldt dat deze moeten passen binnen de kwaliteiten van het landschap. Voor het gebied is het belangrijk een positief imago te cre&#235;ren voor bepaalde vormen van recreatie en toerisme. Passend is in te zetten op plattelandstoerisme en cultuurtoerisme.

Plattelandstoerisme
Het plattelandstoerisme richt zich op alle vormen van recreatie en toerisme met het platteland als referentiekader. Het agritoerisme is een onderdeel hiervan. Plattelandstoerisme kan in de regio worden versterkt door het ontwikkelen van verblijfsaccommodaties in karakteristieke panden, gecombineerd met het inzetten op een integrale omgevingskwaliteit. Van belang is de extensieve kleinschalige voorzieningen in het gebied te versterken. Doelgroepen voor plattelandstoerisme zijn de actieve toeristen, gezinnen met kleine kinderen, natuurtoeristen en cultuurtoeristen.
Het cultuurtoerisme richt zich op alle vormen van recreatie en toerisme die te maken hebben met de historische en eigentijdse Groningse cultuur, met de uitstraling van de Groningse identiteit en uniciteit.

Cultuurtoerisme
Het cultuurtoerisme kan in het Westerkwartier verder worden versterkt door de verblijfsrecreatie en de routestructuren te koppelen aan het historisch erfgoed en musea. De ontwikkelingsplannen voor Nienoord passen binnen het cultuurtoerisme.

Zoneringskaart
Gekozen wordt in te zetten op de ontwikkeling van de recreatieve- toeristische voorzieningen. Belangrijk daarbij is voldoende mogelijkheden voor nieuwe ontwikkelingen te bieden. Een kader hierbij is de Zoneringskaart recreatie en toerisme, waarop een tweedeling staat aangegeven. Hier worden ontwikkelingsgebieden voor grootschalige &#233;n kleinschalige recreatie aangegeven en ontwikkelingsgebieden waar alleen kleinschalige recreatie mogelijk is.
In figuur 4 en in bijlage 2 is de Zoneringskaart recreatie en toerisme aangegeven.

Figuur 4. Zoneringskaart recreatie en toerisme

3. 2. Verblijfsrecreatie

In de verblijfsrecreatie is een onderscheid te maken in grootschalige en kleinschalige voorzieningen. Recreatiewoningen, reguliere campings en hotels zijn voorbeelden van grootschalige voorzieningen waarvoor ontwikkelingsmogelijkheden liggen in de minder kwetsbare landschappen. In de omgeving van de kernen liggen ook deze ontwikkelingsmogelijkheden.
Kleinschalige voorzieningen als bed &amp; breakfast, kleinschalig kamperen en kleine hotels &#8211; pensions zijn toegestaan in de kwetsbare en de niet kwetsbare gebieden.

Recreatiewoningen
Voor het Westerkwartier wordt in eerste instantie ingezet op het versterken van de kwaliteit en het uitbreiden van de bestaande bungalowparken. Het onderhavige beleidskader wil daarnaast inzetten op de mogelijkheid om in het ontwikkelingsgebied voor grootschalige recreatie, nieuwe bungalowparken toe te staan, indien deze uit economisch en toeristich-recreatief oogpunt een toegevoegde waarde hebben voor het gebied en op een goede wijze ingepast worden in landschap (N.B. Het beleid gaat hierin verder dan het POP. Overleg met de provincie is op dit punt gewenst).
Permanente bewoning van recreatiewoningen is in geen enkel geval toegestaan.

Hotels en pensions
De richtlijn is in te zetten op het verbeteren van de kwaliteit in het aanbod van hotels en pensions. Ontwikkelingsmogelijkheden voor grootschalige hotel &#8211; pensions met restaurants liggen in het ontwikkelingsgebied voor grootschalige recreatie.
In het gehele Westerkwartier liggen ontwikkelingsmogelijkheden voor kleinschalige hotels en pensions. Hierbij kan worden gedacht aan vrijkomende agrarische bebouwing (VAB&#8217;s) of overige nieuwe of bestaande bebouwing.
De kleinschalige hotels en pensions dragen bij aan de kwaliteit van het landelijk gebied in de regio. Ook hiervoor geldt dat deze zich moeten inpassen in het landschap.

Reguliere kampeerterreinen
Als ruimtelijk kader voor de reguliere kampeerterreinen (meer dan 25 plaatsen) geldt dat deze liggen in het toelatingsgebied voor grootschalige recreatie. Gestreefd wordt naar een landschappelijke inpassing van nieuwe kampeerterreinen. Er wordt geen maximum gesteld aan het aantal kampeerterreinen. De regeling van kampeerterreinen wordt ingevuld door het Kampeerbeleid Westerkwartier.

Kleinschalig kamperen
In het gehele Westerkwartier liggen ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe, kleinschalige kampeerbedrijven. Deze zijn toegestaan bij alle functies in het buitengebied. E&#233;n en ander zal nader worden geregeld via het Kampeerbeleid Westerkwartier.

Bed &amp; Breakfast (logies en ontbijt)
In het hele plangebied liggen ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bed &amp; breakfast -  voorzieningen. Mogelijkheden liggen bij alle functies in het buitengebied (N.B. dit is een ruimere ontwikkeling dan in de Kadernota Bestemmingsplan Buitengebied is voorgesteld).
Boerderijkamers vormen een uitbreiding op het aanbod van bed &amp; breakfast en vormen een kans voor vrijkomende agrarische bebouwing. Van belang is dat deze voorziening een relatie heeft met het hoofdgebouw.

3. 3. Dagrecreatie

Binnen het Westerkwartier liggen drie grootschalige gebieden voor dagrecreatie: Strandheem, Trimunt en Nienoord. Door de gemeenten wordt ingezet op een verdere kwaliteitsverbetering van deze voorzieningen. De Kadervisie Landgoed Nienoord geeft hiervoor al een eerste aanzet.
In het ontwikkelingsgebied voor grootschalige recreatie kunnen nieuwe grote dagrecreatieve voorzieningen worden toegestaan, mits deze op een goede wijze landschappelijk worden ingepast.

Het aanbod aan kleinschalige dagattracties als musea en horeca kan in het gehele Westerkwartier worden uitgebreid. Hierbij zal daar waar mogelijk een aansluiting worden gezocht bij de routestructuren. De openingstijden kunnen worden afgestemd op het vasthouden van recreanten.
Het beleid voor kleinschalige dagrecreatie is om in te steken op het stimuleren van recreatieve nevenactiviteiten. Ingezet kan worden op het verder ontwikkelen van het agritoerisme, zoals rondleidingen op het boerenbedrijf en de verkoop van streekeigen producten. Agrari&#235;rs hebben hierdoor meer mogelijkheden voor neveninkomsten.

3. 4. Routestructuren

Voor zowel het plattelandstoerisme als het cultuurtoerisme is het verbeteren en het uitbreiden van het routenetwerk gewenst. Voor de wandel- fiets-, ruiter- en vaarroutes is het belangrijk het routenetwerk uit te breiden en bijbehorende voorzieningen te ontwikkelen.

Het landschap biedt mogelijkheden voor het verder ontwikkelen van de paardensport. Ingezet kan worden op het recreatief ontwikkelen van ruiterroutes en accommodaties langs deze routes.
De watersport in de regio is afhankelijk van de vaarroutes. Ingezet wordt op een verbetering van de ontsluiting van het toervaartnet.
Het stimuleren van cultuurtoerisme kan door cultuurhistorisch erfgoed open te stellen en themagerichte routes te ontwikkelen.

3. 5. Promotie

Het versterken van de recreatiemogelijkheden in het Westerkwartier is afhankelijk van de recreatieve trekker(s) van het gebied. Het verbeteren van het recreatieve imago is mogelijk door in te zetten op een professioneel promotieteam.

Samenwerking tussen overheden, landschapbeheerders en VVV&#8217;s is nodig om zowel de landschappelijke kwaliteiten van het gebied te bewaken en te versterken en een economische sterke recreatiesector neer te zetten. Een combinatie van deze partijen kan onderdeel vormen van het promotieteam Westerkwartier.

Ingezet kan worden op een gezamenlijk website met digitale informatievoorziening van de ondernemers en belangengroepen voor alle recreatieve voorzieningen. Eenduidige bebording in het gebied is een wens van de ondernemers en kan door het promotieteam worden verwezenlijkt.

3. 6. Aanverwant beleid

Het is van belang dat de gemeenten ook op andere beleidsterreinen inspelen op de verdere ontwikkeling van recreatie en toerisme. Hierbij kan gedacht worden aan het bieden van goede sportvoorzieningen, een goed beheer van de aanwezige wegen, fietspaden en voetpaden en een zorg voor een goed uiterlijk en een goede inrichting van de dorpen. Een recreant moet een positief gevoel hebben en houden bij het bezoeken van een gebied of een dorp.

3. 7. Toetsingskader

In dit beleidskader zijn de hoofdlijnen beschreven van het te voeren beleid op het terrein van de recreatie en het toerisme. Deze hoofdlijnen dienen op een aantal punten nader uitgewerkt te worden.
Zo kunnen de ontwikkelingsgebieden nader worden ingedeeld en kunnen toetsingscriteria worden opgesteld aan de hand waarvan initiatieven voor recreatieve ontwikkelingen kunnen worden getoetst.
Deze criteria kunnen per (deel van een) gebied en per gewenste voorziening verschillen. Uitgangspunt bij het opstellen van de criteria is de ruimtelijke kwaliteit. Het karakteristieke en waardevolle landschap mag niet onevenredig worden aangetast. Nieuwe ontwikkelingen dienen zich in te passen in het landschap. Aan de hand van voorbeelden kan worden aangegeven hoe per te onderscheiden gebied en/of voorziening tot een goede landschappelijke inpasssing kan worden gekomen. Daarnaast kunnen criteria worden gegeven om de meerwaarde uit toeristisch en recreatief te kunnen bepalen. Tenslotte kunnen de diverse aspecten op een rijtje worden gezet waarmee bij de toetsing van een initiatief rekening moet worden gehouden. Doel van deze uitwerking is om de kwaliteit van het gebied in stand te houden c.q. te bevorderen en om een impuls te kunnen geven aan goede initiatieven op het gebied van recreatie en toerisme.
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Bezoekersreglement archief gemeente Grootegast" url="verordening-d0c5d4663517543e0135f2b9a6c70046/versie-d0c5d4663517543e0135f2b9a6c70047.html">
	<tekst>
	&#239;&#187;&#191;Burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast;

Gelet op artikel 6 van het Besluit Informatiebeheer van Grootegast 2010;

besluiten;

vast te stellen het navolgende;


Bezoekersreglement archief gemeente Grootegast.

1. Algemeen.
1.1. Het archief van de gemeente Grootegast is voor het publiek geopend op werkdagen van 9.00 tot 12.00 uur en van 14.00 tot 16.00 uur.
1.2. Bezoekers hebben toegang tot de spreekkamers, welke zich bevinden op de begane grond. Het is voor de bezoekers, met uitzondering van degene die daarvoor toestemming van de medewerker heeft gekregen, niet toegestaan de archiefbewaarplaats zonder begeleiding van de medewerkers te betreden.
1.3. Voor het doen van genealogisch onderzoek kan men op afspraak de aanwezige microfiches raadplegen.
1.4. Er geldt een totaal rookverbod in het gemeentehuis.
1.5. Een (meegebrachte) lunch kan worden genuttigd tussen 12.00 en 13.00 uur in de kantine.Het drinken van koffie of thee in de werkruimte is toegestaan. Hierbij dient wel de nodige voorzichtigheid worden betracht en morsen op de archiefstukken.
2. Bezoekersregistratie en toegang.
2.1. Bezoekers melden zich bij ieder bezoek bij de centrale balie in de hal van het gemeentehuis.
2.2. Bij een eerste bezoek krijgt de bezoeker een exemplaar van het bezoekersreglement.
2.3. Bij het eerste bezoek legitimeert de bezoeker zich door middel van een geldig legitimatiebewijs en registreert zich. Zonder registratie wordt geen inzicht in de archiefstukken gegeven. De registratie bevat naam, adres, woonplaats, telefoonnummer,onderwerp van onderzoek, bezoekdatum en handtekening van de bezoeker. Deze gegevens worden uitsluitend voor statistische doeleinden gebruikt.
2.4. Door ondertekening van registratie verklaart bezoeker bekend te zijn met en zich te houden aan het bezoekersreglement. Wanneer de bezoeker zich niet houdt aan de regels of aanwijzingen van de medewerkers niet opvolgt, kan de toegang tot de werkruimte worden ontzegd.
2.5. Bij ieder vervolgbezoek wordt gecontroleerd of de bezoeker geregistreerd staat, desgewenst met legitimatie. De bezoekdata worden bijgeschreven bij de registratie, waarin in overleg met de bezoeker correcties en / of aanvullingen kunnen worden gebracht.
2.6. De bezoeker laat jassen, tassen, koffers, mobiele telefoons, fotocamera&#194;&#180;s of andere voorwerpen die de rust kunnen verstoren, alsmede etens- drink- en rookwaren bij een bezoek in de archiefbewaarplaats, achter in een van de spreekkamers. De gemeente acht zich niet aansprakelijk voor beschadiging of diefstal van eigendommen.
2.7. De faciliteiten in de werkruimte zijn bedoeld als hulpmiddelen bij onderzoek en mogen daarom niet voor andere (prive)doeleinden worden ingezet.
3. Raadpleging.
3.1. Stukken kunnen worden aangevraagd via de aanwezige medewerker, welke de stukken uit de archiefbewaarplaats haalt.
3.2. Er kunnen uitsluitend stuken worden aangevraagd uit archieven en collecties, die toegankelijk zijn middels een inventaris of plaatsingslijst.
3.3. Na aanvraag duurt het maximaal 15 minuten voordat stukken ter inzage worden gegeven.
3.4. Inzage openbaarheid van stukken conform de Archiefwet en het afzonderlijk bij archieven bepaalde geregeld.
3.5. Indien de toestand van archiefstukken daartoe aanleiding geeft of die stukken niet veilig aan de bezoeker kunnen worden verstrekt, kan de inzage worden afgewezen door de medewerker.
3.6. Geheel of gedeeltelijke afwijzing van verzoeken ter inzage worden al naar gelang de aard van het verzoek op schriftelijke of mondelinge wijze toegelicht. Men kan hiertegen bezwaar aantekenen bij het gemeentebestuur.
3.7. Indien de bezoeker niet verklaart dat het onderzoek een historisch, wetenschappelijk, genealogisch of statistisch doel dient, zullen geen stukken ter inzage worden gegeven die onder regime van de Wet Bescherming Persoonsgegevens vallen.
3.8. Voor de inzage van stukken waarvan de openbaarheid is beperkt kan een schriftelijk verzoek worden ingediend bij het gemeentebestuur.
3.9. Raadpleging van stukken kan alleen op de daartoe aangewezen werkplek plaatsvinden en daarvoor moeten aanwezige hulpmiddelen worden gebruikt volgens de aanwijzingen.
3.10. Op de archiefstukken mag niet worden geschreven. Vouwen, kreuken o scheuren dien worden voorkomen.
3.11. Leunen op stukken, bevochtigen van pagina&#194;&#180;s bij het omslaan of blijvend aanbrengen van bladwijzers is niet toegestaan.
3.12. De aangetroffen interne volgorde van de geraadpleegde stukken mag niet worden veranderd.
3.13. Na raadpleging dienen de stukken weer te worden geretourneerd aan de medewerker.
4. Reproducties.
4.1. Het is mogelijk om archiefstukken te laten reproduceren, tenzij de materi&#195;&#171;le staat zich daartegen of er andere wettelijke beletsels zijn in de ogen van de aanwezige medewerker.
4.2. Reproduceren kan op aanvraag gebeuren door een medewerker en mag niet door de bezoeker zelf worden gedaan. Van deze regel kan worden afgeweken, hetgeen wordt beoordeeld door de aanwezige medewerker.
4.3. Het tijdstip van reproduceren is afhankelijk van de hoeveelheid en de beschikbaarheid van middelen. De aanwezige medewerker beoordeeld dit.
4.4. De kosten van de reproducties worden vooraf vastgesteld en zijn vermeld in de tarievenlijst behorende bij de legesverordening.
4.5. Voor het maken van reproducties ( b.v. Digitale foto ) met eigen apparatuur is toestemming van de medewerker nodig.
5. Uitlenen.
5.1. Behoudens wettelijke bepalingen en het vorenstaande wordt van de archieven en verzamelingen niets uitgeleend, tenzij de medewerker daartoe in bijzondere gevallen een uitzondering mogelijk acht. Hiervan wordt verslag gedaan met afspraak wijze van vervoer alsmede datum en tijd van retourneren stukken.
6. Klachten en beroep.
6.1. Tegen bepalingen van dit reglement kan in beroep worden gegaan bij het gemeentebestuur. 
6.2. Voor klachten over de dienstverlening geldt de klachtenregeling van de gemeente.
7. Dit besluit treedt in werking op de dag na vaststelling door het college van burgemeester en wethouders.


Vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast
16 december 2010.


Burgemeester en wethouders voornoemd,
de secretaris, de burgemeester



E. Par&#195;&#169; H.B.Dijkstra
	</tekst>
</verordening>
</folder>
<folder name="Automatisering en informatisering">
<verordening name="Besluit informatiebeheer Grootegast" url="verordening-d0c5d4663517543e0135f2963059002f/versie-d0c5d4663517543e0135f29630590030.html">
	<tekst>
	&#239;&#187;&#191;Burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast, gelet op artikel 7 van de Archiefverordening.

Besluiten vast te stellen de navolgende; 
Voorschriften betreffende de aanwijzing van de archiefbewaarplaats, het beheer van de archiefbewaarplaats, het beheer van de documenten van gemeentelijke organen, voorzover deze documenten niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.


Hoodstuk 1 Algemene bepaling

Artikel 1.

1. Dit besluit verstaat onder:
a. archiefverordening; de in de artikel 30, eerste lid, 32 tweede lid van de wet bedoelde verordening, vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad dd. 26-06-2006;
b. de archiefbewaarplaats; de overeenkomstig artikel 31 van de wet aangewezen archiefbewaarplaats;
c. documenten; de wet in artikel 1. onder c, bedoelde archiefbescheiden voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats;
d. beheer van documenten; het treffen van maatregelen en het aanbrengen van voorzieningen die nodig om documenten in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren;
e. informatiebestand; documenten waarin een bepaalde fysieke of logische ordening is gebracht, of met een bestaand hulpmiddel gebracht kan worden.
f. Informatievoorziening: het geheel van handelingen, samenhangend met de voorziening inrichten en het beheer van informatiesystemen en documenten.
g. de regeling; de Ministeri&#195;&#171;le regeling geordende en toegankelijke staat archiefbescheiden.
2. De regeling is mede van toepassing op documenten die ingevolge de voor de gemeente geldende selectielijst voor vernietiging in aanmerking komen, tenzij waar dit in dit besluit anders is bepaald.

Hoofdstuk 2  De archiefbewaarplaats

Artikel 2.
De in artikel 31 van de wet bedoelde archiefbewaarplaats, die zich bevind in het gemeentehuis van Grootegast.

Artikel 3.
De secretaris is belast met het beheer van de in de archiefbewaarplaats berustende archiefbescheiden en documentaire verzameling.

Artikel 4.
Hij is bevoegd om in de archiefbewaarplaats berustende archiefbescheiden en documentatie op te nemen afkomstig van particuliere organisaties of personen indien dit voor kennis van lokale of regionale geschiedenis van belang kan worden geacht.

Artikel 5.
1. Voorzover wettelijke voorschriften of voorwaarden bij opneming in de archiefbewaarplaats gesteld zich daartegen niet te verzetten, verricht de secretaris desgevraagd onderzoek in de door hem beheerde archiefbescheiden en documentaire verzameling ten behoeve van gemeentelijke organen.
Hij verstrekt daaruit op hun verzoek gegevens alsmede afbeeldingen, afschriften, uittreksels of bewerkingen.
2. Voorzover wettelijke voorschriften of voorwaarden bij opneming in de archiefbewaarplaats gesteld zich daartegen niet te verzetten, is de secretaris bevoegd ten behoeve van derden onderzoek te onderzoek te doen in de archiefbewaarplaats berustende archieven  en verzamelingen. Hij verstrekt daaruit aan een ieder die zulks verzoekt afbeeldingen, afschriften, uittreksels of bewerkingen.
3. De kosten voor het in voorgaande lid beschrevene worden aan de verzoeker in rekening gebracht volgens een door de gemeente bij verordening vastgesteld tarief. Alvorens de hier bedoelde werkzaamheden een aanvang nemen, wordt de verzoeker van dit tarief op de hoogte gesteld.

Artikel 6.
Wij kunnen nadere regels stellen omtrent de raadpleging van de archiefbescheiden en het beheer van de ruimten waarin deze ter beschikking worden gesteld. 

Artikel 7.
De secretaris brengt eenmaal per (twee) jaar verslag uit over het door hem gevoerde beheer van ruimten waarin deze ter beschikking worden gesteld.

Hoofdstuk 3  Verantwoordelijkheid voor de informatievoorziening.

Artikel 8.
De secretaris is belast met het geheel van de informatievoorziening van de onder hem ressorterende taken
alsmede het beheer van documenten voorzover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

Artikel 9.
De secretaris kan de uitvoering van de bepaling van dit besluit mandateren aan &#195;&#169;&#195;&#169;n of meer medewerkers.


Hoodstuk 4 Archiefvorming- en ordening.

Artikel 10.
De secretaris draagt er zorg voor, dat de vervaardiging van documenten op zodanige wijze met zodanige materialen geschiedt dat hun houdbaarheid tenminste in overeenstemming is met de bij of krachtens de wet gestelde eisen. 

Artikel 11.
De secretaris draagt er zorg voor dat bij het wijzigen, verwijderen of vernietigen van documenten, of onderdelen daarvan, die bij of krachtens de wet gegeven regels betreffende selectie en vernietiging worden toegepast.

Artikel 12.
Van documenten, waarvan een exemplaar wordt verzonden, wordt een ander exemplaar bewaard als minuut.

Artikel 13.
De secretaris draagt &#226;&#8364;&#8220; voorzover van toepassing &#226;&#8364;&#8220; zorg voor de opstelling van procedures voor documenten verkeer en de behandeling van ingekomen, uitgaande en interne documenten, rekening houdend met de bij en krachtens de wet gestelde eisen.

Identificering van documenten.

Artikel 14.

1. De secretaris draagt er zorg voor, dat uit ieder document, dan wel uit de daarbij behorende informatie wanneer het document is ontvangen of opgemaakt, wie de afzender  of vervaardiger is, op welke taak het document betrekking heeft, wat de status en het ontwikkelingsstadium van het document is en aan wie een exemplaar ervan is verzonden.
2. Ten aanzien van documenten dienen kenmerken zodanig te worden vastgelegd, dat ze met behulp daarvan op eenvoudige wijze kunnen worden terug gevonden.
3. Het vorig lid heeft geen betrekking op documenten, die niet benodigd zijn in het kader van uitvoering van taken en verantwoording daarover, of die niet benodigd zijn in het kader van uitvoering van taken  en de verantwoording daarover, of die niet in verband zijn met enig wettelijk voorschrift  worden opgemaakt, ontvangen of bewaard, dan wel geen verband houden met  communicatie met de burger.

Artikel 15.
De secretaris draagt zorg voor het opstellen van procedures, waarmee registratie van documenten en hun afdoeningstermijn worden bewaakt.


Ordening en toegankelijkheid van documenten.

Artikel 16.
De secretaris draagt er zorg voor, dat de onder zijn beheer bestaande documenten in goede, geordende en toegankelijke staat worden gebracht en dat de ordening van documenten geschiedt volgens  een doelmatig en doeltreffende systematiek, overeenkomstig een documentair structuurplan als bedoeld in artikel 3 van de regeling.

Artikel 17.
1. De secretaris ziet erop toe, dat de informatiebestanden overeenkomstig artikel 3 van de regeling  een inventaris wordt aangelegd en bijgehouden, waarin informatiebestanden worden beschreven en in  verband kunnen worden gebracht met de verschillende werkprocessen en taken.
2. In afwijking  van de regeling worden op termijn vernietigbare digitale documenten op zijn minst de volgende gegevens vastgelegd; een beschrijving van het bestand, van het overheidsorgaan dat  het heeft opgemaakt en ontvangen, het betreffende werkproces, begin- en einddatum en indien van toepassing de relatie met voor blijvende bewaring in aanmerking komende bestanden.
3. Van vernietigbare digitale documenten worden alle in artikel 9 van de regeling van de opgesomde gegevens geregistreerd indien die toepassingprogrammatuur, het platform of besturingsprogramatuur   wordt vervangen voordat de bewaartermijn verstrijkt.
4. Tenminste eenmaal per jaar verricht de sectie documentaire  informatievoorziening een inventarisatie binnen de organisatie betreffende documenten en informatiebestanden die uitsluitend op digitale wijze raadpleegbaar zijn.
5. De sectie documentaire informatievoorziening doet zodra nodig opgave van de noodzaak tot conversie of migratie van documenten en informatiebestanden bedoeld in het eerste lid.
6. Verantwoordelijk voor tijdige en daadwerkelijke uitvoering van de in het  vijfde lid bedoelde conversie en migratie is het team Informatievoorziening en Automatisering (I. en A.)
7. Automatisering verleent technische ondersteuning bij het in de vijfde lid bedoelde conversie en migratie.

Artikel 18.
Uit de in het vorig artikel beschreven inventaris blijkt ten alle tijden, waar informatiebestanden en hun onderdelen zich bevinden of wanneer onderscheidenlijk aan wie ze zijn overgebracht, overgedragen, vernietigd of vervreemd.

Hoofdstuk 5 Beheer van documenten.

Bewaring van documenten.

Artikel 19.
De secretaris draagt er zorg voor, dat de onder zijn beheer staande documenten in goede, geordende en toegankelijke staat worden bewaard.

Artikel 20.
De secretaris draagt er zorg voor, dat ten aanzien van het beheer van de archiefruimten, wordt voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde eisen.

Artikel 21.
Plannen betreffende bouw, verbouwing, inrichting, verandering of ingebruikneming van ruimten, bestemd voor het bewaren van documenten behoeven de goedkeuring van burgemeester en wethouders.

Beveiliging en raadpleging van documenten.

Artikel 22
De secretaris draagt zorg voor de nodige informatiebeveiliging, welke mede omvat de nodige procedurele en technische voorzieningen voor het tegengaan van wijziging, verwijdering, kopi&#195;&#171;ring of vernietiging van documenten die daarvoor gezien hun aard en status niet in aanmerking komen.

Artikel 23
De secretaris laat bijhouden welke documenten uit de onder zijn beheer staande archieven worden uitgeleend en laat controle uitoefenen op de tijdige terugbezorging ervan. Uitlening van documenten is slechts toegestaan aan functionarissen, die ambtelijk zijn belast met behandeling van de betreffende aangelegenheid en aan andere functionarissen na verkregen toestemming van de afdelingsmanager.

Artikel 24.
Het is verboden documenten uit informatiebestanden te verwijderen, tenzij ingevolge bij krachten de wet gegeven regels.

Artikel 25.
1. De secretaris draagt zorg voor geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende documenten.
2. Raadpleging en uitlening van documenten, die aan enige bijzondere vorm van geheimhouding zijn onderworpen, is behoudens toestemming van burgemeester en wethouders slechts toegestaan aan die functionarissen van beheerseenheid, die ambtelijk zijn belast met de behandeling van de betreffende aangelegenheid.
3. De secretaris draagt er zorg voor, dat de in jet tweede lid genoemde functionarissen aan degenen aan wie op grond van artikel 9 van dit besluit is opgedragen, meedelen welke documenten aan enige bijzondere vorm van geheimhouding zijn onderworpen. Zij bepalen tenminste eenmaal per jaar gezamenlijk of verlening van geheimhouding van de betreffende documenten noodzakelijk is.
4. Aan het verlenen van toestemming als bedoeld in het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden.

Vervreemding en overdracht van documenten.

Artikel 26.
Overdracht van documenten, waarbij het bepaalde in artikel 29 van dit besluit niet van toepassing is, behoeft de goedkeuring van burgemeester en wethouders.

Selectie en vernietiging van documenten

Artikel 27.
1. De secretaris zorgt voor het in een zo vroeg mogelijk stadium selecteren van documenten en informatiebestanden voor bewaring en vernietiging overeenkomstig de daarvoor bij en krachtens de wet gegeven voorschriften.
2. Ingeval van selectie voor vernietiging worden de documenten en informatiebestanden voorzien van een kenmerk, dat de bewaartermijn aangeeft.
3. Van deze bewaartermijn wordt tevens aantekening gehouden in de in artikel 17 van dit besluit bedoelde inventaris.

Artikel 28.
De secretaris stelt alvorens tot vernietiging van documenten over te gaan een lijst op van vernietigbare documenten met inachtneming van de geldende selectielijst.

Overbrenging van documenten.

Artikel 29.
Bij overbrenging van documenten als bedoeld in artikel 12 van de wet wordt, in het geval het in een informatiesysteem opgenomen documenten en informatiebestanden betreft, het informatiesysteem, voor zover onmisbaar voor raadpleging, overgebracht.

Hoofdstuk 5 Slotbepaling.

Artikel 30.
Met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit vervalt het Besluit Informatiebeheer Grootegast 1997.

Artikel 31.
Dit besluit kan worden aangehaald als het Besluit Informatiebeheer Grootegast 2010.
vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast.

Grootegast, 16 december 2010



,burgemeester



, secretaris
	</tekst>
</verordening>
</folder>
<folder name="Bestuur en recht">
<verordening name="Inspraakverordening" url="verordening-d0c5d4661c0c5e38011db034aac80173/versie-d0c5d4661c0c5e38011db034aac80174.html">
	<tekst>
	Inspraakverordening Grootegast

De raad van de gemeente Grootegast;

gelezen het voorstel van het college van 25 november 2003;

gelet op artikel 150 van de Gemeentewet;


B E S L U I T


vast te stellen de: 

Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken (Inspraakverordening). 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen 
De verordening verstaat onder:
a.inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid;
b.inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt gegeven;
c.beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid.

Artikel 2 Onderwerp van inspraak 
1.Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid.
2.Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.
3.Geen inspraak wordt verleend:
a.ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen;
b.indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;
c.indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;
d.inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;
e.indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;
f.indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving.

Artikel 3 Inspraakgerechtigden 
Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.

Artikel 4 Inspraakprocedure  
1.Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
2.Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere inspraakprocedure vaststellen.

 
Artikel 5 Eindverslag 
1.Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag op.
2.Het eindverslag bevat in elk geval:
a.een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;
b.een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;
c.een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het beleidsvoornemen wordt overgegaan.
3.Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze openbaar.
4.De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn burgerjaarverslag.

Artikel 6 Intrekking oude verordening 
De Inspraakverordening, vastgesteld bij raadsbesluit van 4 april 1995, wordt ingetrokken.

Artikel 7 Inwerkingtreding 
Deze verordening treedt zes weken na de dag van bekendmaking in werking.

Artikel 8 Citeertitel 
Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening Grootegast.

Aldus vastgesteld door de raad van Grootegast in zijn openbare vergadering van27 januari 2004.


De voorzitter,  K.B. Dijkstra

De griffier, H.R. Kastermans
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Mandatenregeling Grootegast" url="verordening-d0c5d4661e2c0f0c01207a81579a01cd/versie-d0c5d4662b5eba27012bbea1f2fd0037.html">
	<tekst>
	Algemeen Mandaatbesluit Grootegast

Burgemeester en wethouders en de burgemeester van Grootegast, ieder voor zover het zijn bevoegdheden betreft;

overwegende,

dat het wenselijk is de bij besluit van 11 mei 1999 vastgestelde mandatenregeling 1999 integraal te herzien;

dat het voorts wenselijk is om een algemeen mandaatbesluit vast te stellen waarin de randvoorwaarden en uitgangspunten van mandaatverlening worden vastgelegd, en daarnaast specifieke mandaatbesluiten waarin concrete bevoegdheden aan functionarissen worden opgedragen;

gelet op afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht;
besluit(en):
vast te stellen het volgende Algemeen mandaatbesluit Grootegast.
Artikel 1 &#8211; Definitie en reikwijdte
1.Onder mandaat wordt verstaan de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen.
2.Dit besluit is van toepassing op alle specifieke mandaatbesluiten als bedoeld in artikel 2.
3.Dit besluit is van overeenkomstige toepassing indien het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester aan een ander, werkzaam onder zijn verantwoordelijkheid, volmacht verleent tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen, of machtiging verleent tot het verrichten van handelingen die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.
Artikel 2 &#8211; Specifieke mandaatbesluiten en ondermandaat
1.Het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester kunnen de hun bij of krachtens wet toebedeelde bevoegdheden opdragen aan in specifieke mandaatbesluiten genoemde functionarissen.
2.Tenzij in een specifiek mandaatbesluit anders wordt bepaald, is het deze functionarissen toegestaan ondermandaat te verlenen. Op ondermandaat is het algemeen mandaatbesluit van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3 &#8211; Gebruik mandaatformulier
Het bestuursorgaan kan bij de vaststelling van een specifiek mandaatbesluit bepalen dat gebruik dient te worden gemaakt van een daarbij vast te stellen mandaatformulier.
Artikel 4 &#8211; Redactie besluiten
Uit een krachtens mandaat genomen besluit dient op de volgende wijze te blijken namens welk bestuursorgaan het besluit is genomen c.q. namens welk bestuursorgaan ondertekening plaatsvindt.

De burgemeester van Grootegast,
namens deze

(naam,
functie gemandateerde)
Het college van burgemeester en wethouders van Grootegast,
namens deze

(naam,
functie gemandateerde)
Artikel 5 &#8211; Periodieke terugkoppeling op bestuursorgaan
Het bestuursorgaan kan bij de vaststelling van een specifiek mandaatbesluit bepalen dat periodiek een overzicht wordt opgesteld met de in mandaat genomen besluiten.
Artikel 6 - Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2004.

Grootegast, 15 juni 2004

Burgemeester en wethouders van Grootegast,

W.P. van Boggelen, secretaris			K.B. Dijkstra, burgemeester

De burgemeester van Grootegast,

K.B. Dijkstra
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening bezwaar- en beroepschriften" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011bb19451e4044e/versie-d0c5d466192e0ce6011bb19451e4044f.html">
	<tekst>
	De raad, het college van burgermeester en wethouders en de burgermeester van de gemeente Grootegast, ieder voor zoveel het hun bevoegdheden betreft;

Overwegende dat het door de inwerkingtreding van de Algemene wet bestuursrecht noodzakelijk is een nieuwe regeling te treffen met betrekking tot de behandeling van bezwaar- en beroepschriften;

Gezien het voorstel van burgermeester en wethouders van 7 juni 1994; agendapunt 10;

Gelet op de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet;

BESLUITEN:

Vast te stellen

Verordening inzake de behandeling van bezwaar- en beroepschriften


Integrale tekst van deze verordening zoals deze luidt na de 2e wijziging.

Oorspronkelijke tekst: raadsbesluit d.d. 14 juni 1994;

1e wijziging: raadsbesluit d.d. 28 september 1999;

2e wijziging raadsbesluit d.d. 18 december 2001; 

Hoofdstuk 1 Begripsbepaling

Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: 
a.Beroepsorgaan: gemeentelijke bestuursorgaan dat dient te beslissen op een beroepschrift 
b.Verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen; 
c.Commissie: vaste commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften 
d.Wet: de Algemene wet bestuursrecht. 

Hoofdstuk 2 Behandeling van bezwaar- en beroepschriften

Paragraaf 1 De Commissie

Artikel 2 Inleidende bepaling
1.Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op gemaakte bezwaren en ingestelde administratieve beroepen als bedoeld in artikel 1:5 van de wet. 
2.De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaar- en beroepschriften die zijn ingediend tegen besluiten op grond van het Algemeen Ambtenaren Reglement en andere gemeentelijke rechtspositieregelingen. De commissie is eveneens niet bevoegd ten aanzien van bezwaar- en beroepschriften, die zijn ingediend tegen aanslagen op grond van gemeentelijke belastingverordeningen, dan wel tegen beschikkingen op grond van de wet WOZ. Ook beroepschriften naar aanleiding van kwijtscheldingsverzoeken vallen hieronder. 

Artikel 3 Samenstelling van de commissie
1.De commissie bestaat uit een voorzitter en tenminste twee leden, die worden benoemd, geschorst en ontslagen door de gemeenteraad op voorstel van burgemeester en wethouders. 
2.De gemeenteraad benoemt overeenkomstig het eerste lid een genoegzaam aantal plaatsvervangende leden. 
3.De voorzitter en de leden van de commissie kunnen geen deel uitmaken van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van een gemeentelijk bestuursorgaan. 
4.De commissie regelt de vervanging van de voorzitter. 

Artikel 4 Secretariaat
Burgemeester en wethouders voorzien in een adequate invulling van het secretariaat van de commissie. 

Artikel 5 Zittingsduur
1.De voorzitter en de leden van de commissie treden af op de dag van het aftreden van de gemeenteraad. 
2.De voorzitter en de leden van de commissie kunnen op ieder moment ontslag nemen. 
3.De aftredende voorzitter en de aftredende leden van de commissie blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien. 

Paragraaf 2 Procedure

Artikel 6 Ingediend bezwaar- of beroepschrift
1.Op het ingediende bezwaar- of beroepschrift wordt de datum van ontvangst aangetekend. 
2.Het bezwaar- of beroepschrift met de daarbij overlegde stukken wordt zo spoedig mogelijk in handen van de commissie gesteld. 
3.Bij het bericht van ontvangst als bedoeld in artikel 14 van de wet wordt vermeld dat een commissie over het bezwaar of beroep zal adviseren. 

Artikel 7 Bevoegdheden
De bevoegdheden ingevolge de artikelen 
2:1, tweede lid; 
6:6, voor wat betreft het de indiener stellen van een termijn waarbinnen het verzuim in de zin van niet voldoen aan de vereisten als gesteld in artikel 6:5 van de wet, kan worden hersteld; 
6:7, voor zover het betreft de verzending van stukken tijdens de behandeling door de commissie; 
7:4, tweede lid; 
7:6, vierde lid; 
7:18, tweede en zesde lid en 
7:20, vierde lid, van de wet voor de toepassing van deze verordening bij wijze van mandaat opgedragen aan de commissie. 

Artikel 8 Vooronderzoek
1.De commissie is in het verband met de voorbereiding van de behandeling van het bezwaar- of beroepschrift bevoegd rechtstreeks alle gewenste inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen en stelt belanghebbenden en het verwerend orgaan in de gelegenheid nadere stukken in te dienen. 
2.De commissie kan uit eigen beweging bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en dezen zo nodig uitnodigen daartoe in de zitting te verschijnen. Indien daaraan kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging van burgemeester en wethouders vereist. 

Artikel 9 Hoorzitting
1.De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de zitting waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te doen horen. 
2.Indien de commissie op grond van de artikelen 7:3 en 7:17 van de wet besluit van het horen af te zien doet zij daarvan melding aan: 
a.de belanghebbenden; 
b.het verwerend orgaan en 
c.in geval van behandeling van een beroepschrift, het beroepsorgaan. 

Artikel 10 Uitnodiging zitting
1.De commissie deelt de belanghebbenden en het verwerend orgaan tenminste twee weken voor de zitting schriftelijk mee, dat zij in de gelegenheid worden gesteld zich te doen horen tijdens de zitting. 
2.Binnen drie dagen na de in het eerste lid bedoelde mededeling kunnen de belanghebbenden of het verwerend orgaan, onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het tijdstip van de zitting te wijzigen. 
3.De beslissing van de voorzitter op een verzoek als bedoeld in het tweede lid wordt zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval een week voor het tijdstip van de zitting aan de belanghebbenden, het verwerend orgaan en in het geval van behandeling van een beroepschrift, aan het beroepsorgaan meegedeeld. 
4.De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken of afwijking toe te staan van de termijnen als genoemd in het eerste, tweede en derde lid. 

Artikel 11 Quorum
Voor het houden van een zitting is vereist, dat de meerderheid van het aantal leden, waaronder in ieder geval de voorzitter dan wel zijn plaatsvervanger aanwezig is. 

Artikel 12 Niet deelneming aan de behandeling
De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de behandeling van een bezwaar- of beroepschrift, indien daarbij hun onpartijdigheid in het geding kan zijn. 

Artikel 13 Openbaarheid zitting
1.De zitting van de commissie is openbaar. 
2.De deuren worden gesloten indien de voorzitter van de commissie of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of indien een belanghebbende daartoe een verzoek doet. 
3.Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen aanwezig zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten, vindt de zitting plaats met gesloten deuren. 

Artikel 14 Schriftelijke verslaglegging
1.Het verslag als bedoeld in de artikelen 7:7 en 7:21 van de wet vermeldt de namen van de aanwezigen, met daarbij een vermelding van hun hoedanigheid. 
2.Het verslag houdt een korte vermelding in van hetgeen over en weer is gezegd en overigens ter zitting is voorgevallen. 
3.Indien de zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren plaatsvond, of indien belanghebbenden respectievelijk hun gemachtigden niet in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, maakt het verslag hiervan melding. 
4.Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden, die aan het verslag worden gehecht. 
5.Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de commissie. 

Artikel 15 Nader onderzoek
1.Indien na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt opgesteld, nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de voorzitter uit eigen beweging of op verlangen van de commissie dit onderzoek houden. 
2.De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift aan de leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden toegezonden. 
3.De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden kunnen binnen een week na verzending van de in het eerste lid bedoelde nadere informatie aan de voorzitter van de commissie een verzoek richten tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist omtrent een dergelijk verzoek. 
4.Op een nieuwe hoorzitting, als bedoeld in het derde lid, zijn de bepalingen in deze verordening, die betrekking hebben op de hoorzitting zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. 

Artikel 16 Raadkamer en advies
1.De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het door haar uit te brengen advies.
2.
a)De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te brengen advies.
b)Indien bij een stemming de stemmen staken dan beslist de stem van de voorzitter.
c)Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt, indien die minderheid dat verlangt.
3.Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen beslissing op het bezwaar- of beroepschrift.
4.Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris van de commissie ondertekend.
Artikel 17 Uitbrengen van advies
1.Het advies wordt, onder medezending van het verslag als bedoeld in artikel 14 en eventueel door de commissie ontvangen nadere informatie, tijdig uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het bezwaar- of beroepschrift dient te beslissen. 
2.Indien naar het oordeel van de commissie de termijn van tien weken, als bedoeld in artikel 7:24, tweede lid, van de wet, ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een advies door de commissie en het nemen van een beslissing verzoekt hij het in het eerste lid bedoelde bestuursorgaan tijdig de beslissing te verdagen. 
3.Van een besluit tot verdaging ontvangen de commissie, de belanghebbenden en in het geval van behandeling van een beroepschrift het verwerend orgaan, een afschrift. 

Hoofdstuk 3 Slotbepaling

Artikel 18 Inwerkingtreding en citeertitel
Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de maand, volgende op die waarin de bekendmaking heeft plaatsgevonden. Ter zelfde tijd vervalt: 
1.Procedureverordening bezwaarschriften inzake uitkeringen, vastgesteld bij besluit van de raad van 3 april 1990; 
2.De verordening inzake de behandeling van bezwaar- en beroepschriften, vastgesteld bij raadsbesluit van 2 oktober 1990 en nadien gewijzigd bij besluit van 6 oktober 1992. 

Artikel 19 Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als&#8221;Verordening behandeling bezwaar- en beroepschriften gemeente Grootegast&#8220;. 

De raad van de gemeente Grootegast,

K.B Dijkstra, voorzitter

Mr. Joh. Kooistra, secretaries

Burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast,

K.B Dijkstra, burgemeester

Mr. Joh. Kooistra, secretaris
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening burgerinitiatief" url="verordening-d0c5d4661c0c5e38011db902cf2501f7/versie-d0c5d4661c0c5e38011db902cf2501f8.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast besluit tot het vaststellen van de volgende verordening:

VERORDENING BURGERINITIATIEF
Artikel 1
In deze verordening wordt onder een burgerinitiatief verstaan: een voorstel van een initiatiefgerechtigde ter plaatsing op de agenda van de vergadering van de raad.

Artikel 2
1.De raad plaatst een burgerinitiatief op de agenda van zijn vergadering, indien daartoe door een initiatiefgerechtigde een geldig verzoek is ingediend.
2.Ongeldig is het verzoek dat:
a.een onderwerp als bedoeld in artikel 4 van deze verordening bevat;
b.Niet voldoet aan de voorwaarden, gesteld in artikel 5 van deze verordening.

Artikel 3
1.Initiatiefgerechtigd zijn alle ingezetenen en belanghebbenden die op de dag van indiening de leeftijd van 14 jaar hebben bereikt.
2.Voor de beoordeling of iemand belanghebbende is, is de situatie op de dag van indiening van het verzoek bepalend.

Artikel 4
1.Een burgerinitiatief kan geen betrekking hebben op:
a.een onderwerp dat niet behoort tot de bevoegdheid van het gemeentebestuur;
b.een vraag over het gemeentelijk beleid;
c.een klacht in de zin van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht;
d.een bezwaar in de zin van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht tegen een besluit van het gemeentebestuur;
e.een onderwerp waarover gedurende de lopende zittingsperiode van de raad door de raad een besluit is genomen, tenzij naar het oordeel van de raad nieuwe argumenten tot een nieuwe afweging zouden kunnen leiden.
2.Een burgerinitiatief over een onderwerp of voorstel dat niet behoort tot de bevoegdheid van de raad, maar wel valt onder de bevoegdheid van het gemeentebestuur, zal door de raad, eventueel vergezeld van zijn advies, worden doorgezonden naar het college of naar de burgemeester in de hoedanigheid van portefeuillehouder.
3.Het college of de burgemeester  zal een onderwerp of voorstel als bedoeld in lid 2 behandelen als ware het een burgerinitiatief.

Artikel 5
1.Het verzoek tot plaatsing van een burgerinitiatief op de agenda van de vergadering van de raad wordt schriftelijk ingediend bij de voorzitter van de raad. Formulieren voor indiening van een burgerinitiatief zijn bij de griffie verkrijgbaar en kunnen &#8211; na invulling &#8211; weer bij diezelfde griffie worden ingediend. De griffie zal de initiatiefnemer gedurende de verdere procedure adviseren en begeleiden.
2.Het verzoek bevat tenminste:
a.een nauwkeurige omschrijving van het burgerinitiatief;
b.een toelichting op het burgerinitiatief, en
c.de achternaam, de voornaam, het adres, de geboortedatum en handtekening(en) van de initiatiefnemer(s);
d.een steunbetuiging, met vermelding van de achternaam, de voornamen, het adres, de geboortedatum en handtekening(en), van minimaal 50 ingezetenen die op de dag van indiening minimaal de leeftijd van 14 jaar hebben bereikt.

Artikel 6
1.De raad agendeert het burgerinitiatief voor zijn eerstvolgende vergadering na de datum van indiening van het initiatief, indien het voldoet aan de vereisten zoals gesteld in artikel 5 van deze verordening. Er dient ten minste twee weken te liggen tussen de dag van indiening van het burgerinitiatief en de dag van de vergadering waarin over het burgerinitiatief wordt beslist.
2.De voorzitter van de raad nodigt de initiatiefnemer schriftelijk uit voor de vergadering waarvoor het burgerinitiatief is geagendeerd. De initiatiefnemer of zijn plaatsvervanger heeft tijdens deze vergadering de gelegenheid om zijn burgerinitiatief mondeling nader toe te lichten. Zo spoedig mogelijk nadat de raad over het burgerinitiatief een besluit heeft genomen, wordt dit besluit bekendgemaakt door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad, dan wel op andere geschikte wijze.
3.Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van het besluit mededeling gedaan aan de initiatiefnemer.
4.De initiatiefnemer wordt daarna ingelicht over de vervolgstappen inzake de uitwerking van het burgerinitiatief.
5.Indien een burgerinitiatief is afgewezen, is sprake van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep open staat.

Artikel 7
De burgemeester brengt in het burgerjaarverslag verslag uit over de werking van het recht van burgerinitiatief in de praktijk.

Vastgesteld door de raad op 10 mei 2005

K.B. Dijkstra, raadsvoorzitter

H.R. Kastermans, raadsgriffier
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening fractieondersteunig" url="verordening-d0c5d4661c0c5e38011db9f6d8c70222/versie-d0c5d4661c0c5e38011db9f6d8c70223.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast,

gelezen het voorstel van de griffier en de raadsvoorzitter

gelet op artikel 33, derde lid, van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening Fractieondersteuning 2003

Artikel 1
1.De fracties, zoals bedoeld in artikel 5 van het reglement van orde voor de gemeenteraad, ontvangen jaarlijks een financi&#235;le bijdrage als tegemoetkoming in de kosten voor het functioneren en de ondersteuning van de fractie.
2.De bijdrage wordt vastgesteld op &#8364; 500 per fractie.

Artikel 2
1.Fracties besteden de bijdrage om hun volksvertegenwoordigende, kaderstellende en controlerende rol te versterken.
2.De bijdrage mag niet gebruikt worden ter bekostiging van:
a.uitgaven die in strijd zijn met de wettelijke bepalingen en overige regelingen;
b.betalingen aan politieke partijen, met politieke partijen verbonden instellingen of natuurlijke personen anders dan ter vergoeding van prestaties (diensten of goederen) geleverd ten behoeve van de fractie op basis van een gespecificeerde, re&#235;le declaratie;
c.giften aan o.a. charitatieve instellingen, politieke partijen en vakbondsverenigingen;
d.uitgaven welke dienen bestreden te worden uit vergoedingen die de leden ingevolge het rechtspositiebesluit raads- en commissieleden toekomen.

Artikel 3
1.De bijdrage voor fractieondersteuning wordt, voor 31 januari van een kalenderjaar, verstrekt.
2.In een jaar waarin verkiezingen plaatsvinden wordt de bijdrage verstrekt voor de maanden tot en met de maand waarin de verkiezingen plaatsvinden. In de eerste maand na de maand waarin de eerste vergadering van de nieuw gekozen raad plaatsvindt wordt de bijdrage verstrekt voor de overige maanden van het jaar.

Artikel 4
1.Bij afsplitsing van een fractie heeft de nieuwe fractie recht op de in artikel 1, tweede lid, vastgestelde bijdrage naar rato van het aantal volle maanden wat resteert tot 1 januari van het volgende jaar.

Artikel 5
1.Elke fractie legt, binnen drie maanden na het einde van een kalenderjaar, aan de raad verantwoording af over de besteding van de bijdrage voor fractieondersteuning.
2.Bij twijfel over de besteding van de bijdrage voor fractieondersteuning van een fractie kan de raad besluiten tot het instellen van een accountantsonderzoek.
3.In geval een verantwoording over de besteding van de bijdrage voor fractieondersteuning niet binnen de in het eerste lid gesteld termijn geschiedt of de verantwoording daartoe aanleiding geeft kan de raad besluiten tot het instellen van accountantsonderzoek. Indien dit accountantsonderzoek daartoe aanleiding geeft, dan wel wanneer geweigerd wordt hieraan medewerking te verlenen kan de raad besluiten tot terugvordering van de bijdrage.

Artikel 6
1.Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang van 1 januari 2003.

Vastgesteld door de gemeenteraad van Grootegast d.d. 21 januari 2003

H.R. Kastermans, raadsgriffier,

K.B. Dijkstra, raadsvoorzitter,
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening toekennen onkostenvergoeding wethouders" url="verordening-d0c5d4661c0c5e38011dba4d27710238/versie-d0c5d4661c0c5e38011dba4d27710239.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast;

overwegende dat het door de inwerkingtreding van de Algemene wet bestuursrecht noodzakelijk is om de verordeningen en regelingen aan te passen aan deze wet;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 29 augustus 1995, nr. 8;

gelet op de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet;

besluiten:

vast te stellen de

VERORDENING REGELENDE HET TOEKENNEN VAN ONKOSTENVERGOEDING AAN WETHOUDERS

Artikel 1
1.De wethouders ontvangen vergoeding van reis- en verblijfskosten gemaakt in verband met dienstreizen.
2.De in lid 1 bedoelde reis- en verblijfskostenvergoeding wordt vergoed overeenkomstig door het rijk gehanteerde regels ingevolge de Reisregeling Binnenland en hierop gebaseerde beschikkingen.
3.De in lid 1 bedoelde vergoedingen worden uitbetaald op basis van ingediende declaraties en met overlegging van bewijsstukken voor zover het betreft gemaakte verblijfskosten.

Artikel 2
1.De wethouders ontvangen een vergoeding voor overige uit hun ambt voortvloeiende kosten.
2.De vergoeding bedoeld in lid 1 bedraagt maandelijks 1/12 deel van het bedrag, krachtens artikel 44, tweede lid van de Gemeentewet, behorende bij de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regeling.

Artikel 3
1.Deze verordening kan worden aangehaald als &#8220;Verordening regelende het toekennen van onkostenvergoedingen aan wethouders&#8221;. 
2.Zij treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij is bekendgemaakt.
3.Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de voorgaande verordening, vastgesteld bij raadsbesluit van 3 november 1992, sedertdien gewijzigd, behoudens overgangsrecht.

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Grootegast in de openbare vergadering van 5 september 1995,
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening voorzieningen raadsleden" url="verordening-d0c5d4661c0c5e38011db9d1df14020d/versie-d0c5d4662c3baf30012c59f4e34a008f.html">
	<tekst>
	&#8220;VERORDENING VOORZIENINGEN RAADSLEDEN GROOTEGAST 2010&#8221;

HOOFDSTUK I BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
Artikel 1 
In deze verordening wordt verstaan onder: 
araadslid: lid van de gemeenteraad; 
bRechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244
cReisregeling Binnenland: de vigerende regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en koninkrijksrelaties, regelende de vergoedingen krachtens het Reisbesluit Binnenland, Koninklijk Besluit van 1 maart 1993, Stb. 144

HOOFDSTUK II VERGOEDING WERKZAAMHEDEN EN VASTE ONKOSTENVERGOEDING
Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden 
Aan het raadslid wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend die gelijk is aan het bedrag, vermeld in tabel I van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. 

Artikel 3 Onkostenvergoeding 
1.Aan het raadslid wordt een onkostenvergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap verbonden kosten toegekend die gelijk is aan het bedrag, vermeld in tabel II van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. 
2.Aan een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, wordt in afwijking van het eerste lid een onkostenvergoeding toegekend die gelijk is aan het bedrag, vermeld in tabel III van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.

Artikel 4 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij arbeidsongeschiktheid
De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, kan op verzoek van een raadslid worden
verlaagd in het geval hij een uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid.

Artikel 5 Compensatie korting werkloosheidsuitkering
1.In het geval een raadslid een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.
2.In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel ontvangt en de na toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.

Artikel 6 Berekening en betaling vaste vergoedingen 
1.Overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 1, onder e, en 8 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden vangen de vergoedingen in de artikelen 2 en 3 aan op de dag van het afleggen van de eed of belofte bedoeld in artikel 14 van de Gemeentewet. 
2.Overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 1, onder e, en 8 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden eindigen de vergoedingen bedoeld in de artikelen 2 en 3 op de dag bedoeld in artikel C4, tweede lid, van de Kieswet, dan wel het tijdstip bedoeld in de artikelen X1, eerste en derde lid, X6 en X8, tweede, derde en vijfde lid van de Kieswet. 
3.De vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, worden maandelijks uitbetaald. 


HOOFDSTUK III OVERIGE VOORZIENINGEN
Artikel 7 Reiskosten 
1.De ten behoeve van de gemeente gemaakte kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente, ter uitvoering van een besluit van het gemeentebestuur, worden aan het raadslid vergoed. 
2.De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft: 
abij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een (trein)taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid noodzakelijk gemaakte reiskosten; 
bbij gebruik van een eigen motorvoertuig of bromfiets: een vergoeding van de in redelijkheid noodzakelijk gemaakte reiskosten overeenkomstig de bedragen in de Reisregeling binnenland. 

Artikel 8 Verblijfkosten 
De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van reizen buiten het grondgebied van de gemeente, bedoeld in artikel 7, worden aan het raadslid vergoed, tot ten hoogste de bedragen, vastgesteld in de Reisregeling binnenland. 

Artikel 9 Cursus, congres, seminar of symposium 
1.De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen, seminars en symposia die in het gemeentebelang door of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de gemeente. 
2.De gezamenlijke fractievoorzitters, verenigd in de agendacommissie van de raad, bepalen bij meerderheid, welke cursussen, congressen, seminars en symposia door of namens de gemeente aan de raadsleden worden aangeboden. 

Artikel 10 Computergebruik
1.Aan raadsleden wordt, voor de uitoefening van het raadslidmaatschap, jaarlijks een tegemoetkoming verleend voor aanschaf en gebruik van een computer, bijbehorende software en een printer.
2.Aan raadsleden wordt een tegemoetkoming verleend in de kosten voor het gebruik van papier en printinkt.
3.De raad stelt de hoogte van de in het eerste en tweede lid bedoelde tegemoetkomingen vast.
4.De tegemoetkoming wordt bij het tussentijds terugtreden van een raadslid verstrekt naar rato van de duur van het raadslidmaatschap. 
5.In bijzondere gevallen kan op verzoek de tegemoetkoming zoals bedoeld in lid 1 worden verrekend met een door de gemeente ten behoeve van het betreffende raadslid aangeschafte computer met bijbehorende software en printer. Hiertoe wordt een beschikbaarstellingsverklaring opgesteld en getekend.
Artikel 11 Spaarloonregeling 
Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, kan - op aanvraag en binnen de voorwaarden op grodn van de belastingwetgeving - deelnemen aan de voor het gemeentepersoneel geldende spaarloonregeling. 

Artikel 12 Vergoeding lidmaatschap commissies
Een lid van de raad dat:
alid is van de vertrouwenscommissie bedoeld in art. 61. derde lid van de Gemeentewet
blid is van de rekenkamerfunctie, bedoeld in art. 81a van de Gemeentewet
clid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in art. 155a van de Gemeentewet 
ontvangt voor de duur van het lidmaatschap van de commissie, dan wel van de duur van de activiteiten een toelage van 5% van de vergoeding op jaarbasis als bedoeld in artikel 2 van deze verordening. 


HOOFDSTUK IV BETAALBAARSTELLING EN DECLARATIE 
Artikel 13 Betaling van tegemoetkomingen en te vergoeden kosten
1.De tegemoetkoming voor het gebruik van een computer en papier/inkt wordt betaalbaar gesteld in de maand december van het lopende exploitatiejaar. De hoogte van de vergoedingen en de tegemoetkoming wordt berekend naar rato van de zittingsduur. Bij een tussentijds vertrek wordt de vergoeding betaalbaar gesteld naar rato van de zittingsduur. 
2.Betaling van kosten op grond van de artikelen 7, 8 en 9 van deze verordening vindt plaats door: 
abetaling uit eigen middelen; oF
brechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente. 

Artikel 14 Declaratie van vooruit betaalde kosten 
1.Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 7, 8 en 9 van deze verordening wordt gebruik gemaakt van een vastgesteld declaratieformulier, indien deze kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald. 
2.Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend binnen 3 maanden na het ontstaan van de kosten bij de griffier ingediend, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.

HOOFDSTUK V SLOTBEPALING, CITEERTITEL EN INWERKINGTREDING
Artikel 15 Slotbepaling 
Voor gevallen, waarin deze verordening niet of niet naar billijkheid voorziet, kan met instemming van de gezamenlijke fractievoorzitters, verenigd in de agendacommissie van de raad, en met inachtnemning van de geldende wettelijke bepalingen een bijzondere regeling worden getroffen. 

Artikel 16 Citeertitel 
Deze verordening wordt aangehaald als Verordening voorzieningen raadsleden.

Artikel 17 Inwerkingtreding 
Deze verordening treedt in werking op 22 juni 2010 en werkt terug tot en met 9 maart 2010, met dien verstande dat artikel 10 op grond van het besluit dd. 11 januari 2010 (Stcrt 2010, 856) tot wijziging van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, terugwerkt tot 1 januari 2009. 

Artikel 18 Intrekking oude verordening
Door vaststelling van deze verordening wordt de Verordening Geldelijke Voorzieningen Raadsleden, vastgesteld op 5 september 1995 ingetrokken.



Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Grootegast in zijn openbare vergadering van 22 juni 2010. 




H.R. Kastermans, K.B. Dijkstra,
raadsgriffier raadsvoorzitter
	</tekst>
</verordening>
</folder>
<folder name="Financi&#235;n en economie">
<verordening name="Legesverordening" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b26e9d90701a8/versie-d0c5d466361c767e013682b5b3150017.html">
	<tekst>
	&#239;&#187;&#191;Gemeente Grootegast

Legesverordening 2012 &#226;&#8364;&#8220; april


De raad van de gemeente Grootegast;

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 maart 2012;

gelet op artikelen 156, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel h, en 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet;

b e s l u i t : 

vast te stellen de:

Verordening tot eerste wijziging op de heffing en de invordering van leges 2012 (Legesverordening 2012 - april).

Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Deze verordening verstaat onder:
a &#226;&#8364;&#732;dag&#226;&#8364;&#8482;: de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur, waarbij een gedeelte van een dag als een hele dag wordt aangemerkt;
b &#226;&#8364;&#732;week&#226;&#8364;&#8482;: een aaneengesloten periode van zeven dagen;
c &#226;&#8364;&#732;maand&#226;&#8364;&#8482;: het tijdvak dat loopt van de ne dag in een kalendermaand tot en met de (n-1)e dag in de volgende kalendermaand;
d &#226;&#8364;&#732;jaar&#226;&#8364;&#8482;: het tijdvak dat loopt van de ne dag in een kalenderjaar tot en met de (n-1)e dag in het volgende kalenderjaar;
e &#226;&#8364;&#732;kalenderjaar&#226;&#8364;&#8482;: de periode van 1 januari tot en met 31 december.

Artikel 2 Belastbaar feit
Onder de naam &#226;&#8364;&#732;leges&#226;&#8364;&#8482; worden rechten geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3 Belastingplicht
Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend.

Artikel 4 Vrijstellingen
Leges worden niet geheven voor:
a het raadplegen van de bij de gemeente berustende registers, leggers en plankaarten van de Dienst van het kadaster en de openbare registers door ambtenaren in de uitoefening van hun functie;
b het in behandeling nemen van aanvragen om verklaringen omtrent inkomen en vermogen;
c diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (grondexploitatie) zijn of worden verhaald;
d diensten met betrekking tot een aanvraag tot verlening of gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning, voor zover die aanvraag betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
e het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover het een activiteit betreft bedoeld in artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht (omgevingsvergunning beperkte milieutoets);



Artikel 5 Tarieven
1. De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
2. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet bedraagt het tarief de som van de bedragen die op grond van deze verordening verschuldigd zouden zijn voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit in het kader van de ontwikkeling en verwezenlijking van het project, voor zover het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van deze besluiten, zoals bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de Crisis- en herstelwet.
3. Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.

Artikel 6 Wijze van heffing
De leges worden geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt. 

Artikel 7 Termijnen van betaling
1) In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de leges worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 6:
a) mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;
b) schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving, dan wel in geval van toezending daarvan, binnen 14 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.
2) De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.

Artikel 8 Kwijtschelding
Bij de invordering van de leges wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 9 Teruggaaf
Gehele of gedeeltelijke teruggaaf van leges ter zake van een in de tarieventabel omschreven dienst wordt verleend op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet en overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in de bij deze verordening behorende tarieventabel opgenomen bepaling.

Artikel 10 Machtiging tot overdracht van bevoegdheden
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het wijzigen van deze verordening, indien de wijzigingen:
a van zuiver redactioneel zijn;
b een gevolg zijn van nieuwe of gewijzigde rijksregelgeving die in werking treedt binnen drie maanden na de offici&#195;&#171;le bekendmaking van de inwerkingtreding ervan in het Staatsblad of de Staatscourant en het de volgende hoofdstukken of onderdelen van titel 1 van de tarieventabel betreft:
1. onderdeel 1.1.7 (akten burgerlijke stand);
2. hoofdstuk 2 (reisdocumenten);
3. hoofdstuk 3 (rijbewijzen);
4. onderdeel 1.4.5 (papieren verstrekking uit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens);
5. onderdeel 1.9.1 (verklaring omtrent het gedrag);
6. hoofdstuk 13 (kansspelen);
7. &#195;&#169;&#195;&#169;n en ander voor zover met deze wijzigingen niet reeds bij het vaststellen of latere wijziging van deze verordening bij raadsbesluit rekening is gehouden.
 
Artikel 11 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders
Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de leges.

Artikel 12 Overgangsrecht
1) De &#226;&#8364;&#339;Verordening op de heffing en de invordering van leges 2012&#226;&#8364;&#65533; van 13 december 2011 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13, eerste lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten:
a) die zich voor die datum hebben voorgedaan;
b) waarop de Wet ruimtelijke ordening of de Woningwet zoals die luidden voor inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nog moeten worden toegepast.
2) Indien de datum van inwerkingtreding van deze verordening ligt na de in artikel 13, tweede lid, opgenomen datum van ingang van de heffing, blijft de in het eerste lid genoemde verordening gelden voor de in de tussenliggende periode plaatsvindende belastbare feiten voor zover de 	heffing van de leges hiervoor in die periode plaatsvindt.

Artikel 13 Inwerkingtreding en citeertitel
1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de datum waarop het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416) in werking treedt. Indien deze verordening niet bekendgemaakt is op de dag voorafgaand aan deze datum, treedt deze verordening in werking met ingang van de dag na de datum van bekendmaking van deze verordening.
2. De datum van ingang van de heffing is de datum waarop het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416) in werking treedt.
3. Deze verordening wordt aangehaald als &#226;&#8364;&#732;Legesverordening 2012 - april&apos;.

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Grootegast 
in de openbare vergadering van 3 april 2012,


H. Kastermans, griffier				K.B. Dijkstra, voorzitter
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Subsidieverordening gemeente Grootegast" url="verordening-d0c5d4661c0c5e38011daa711b7e0146/versie-d0c5d4662c3baf30012c55142730001b.html">
	<tekst>
	Vergadering: 28 september 2010
Nummer 10

Subsidieverordening gemeente Grootegast

De raad van de gemeente Grootegast;

overwegende dat Godsdienst- en levensbeschouwelijk onderwijs op openbare scholen vanaf 1 augustus 

2009 van rijkswege gesubsidieerd wordt;

gelezen het voorstel van Burgemeester en wethouders van 4 mei 2010, nr. 18;


besluit;

in te trekken hoofdstuk 2.3 &#8211; Godsdienst- en levensbeschouwelijk onderwijs &#8211; van 

de Subsidieverordening gemeente Grootegast.

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN DEEL

Paragraaf 1.1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1.1. Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:
a.
gemeente
de gemeente Grootegast
b.
gemeenteraad
de raad van de gemeente
c.
college
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
d.
activiteitenplan
een overzicht van de door de subsidieontvanger voorgenomen activiteiten, uit te voeren binnen een aangegeven termijn, zo mogelijk vertaald naar meetbare prestaties en beoogde effecten in relatie tot het gemeentelijk beleidsdoel
e. 
prestatie
het resultaat van activiteiten dat kan worden gemeten in termen van tijd, geld, kwaliteit en kwantiteit
f.
subsidie
subsidie als bedoeld in de wet 
g.
budgetsubsidie
de voor een kalenderjaar of voor een bepaald aantal kalenderjaren verstrekte subsidie, waarbij de subsidieontvanger een vooraf bepaald bedrag krijgt dat gekoppeld wordt aan vooraf vastgestelde uit te voeren
activiteiten en te leveren prestaties
h.
eenmalige subsidie
een subsidie die wordt verstrekt voor in beginsel eenmalige en kortdurende activiteiten 
i.
investeringssubsidie
een subsidie die wordt verstrekt in de vorm van een of een renteloze lening of een bedrag ineens en die bedoeld is een bijdrage te leveren in de kosten van aanschaf van goederen of de kosten van nieuwbouw, verbouw, groot onderhoud en de eerste inrichting van een accommodatie
j.
structurele subsidie
een subsidie voor activiteiten die in het beginsel van onbepaalde duur zijn subsidieplafond 
k.
subsidieplafond 
als bedoeld in de wet
l.
instelling
een rechtspersoon -al dan niet met volledige rechtsbevoegdheid- of een groepering van personen, die activiteiten verricht
m.
subsidieontvanger
de natuurlijke persoon of instelling, die op grond van de behartiging van door het college erkende belangen van ide&#235;le en/of materi&#235;le aard subsidie ontvangt of daarop aanspraak heeft
n
wet
de Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1.1.2 Reikwijdte verordening 
1.Deze verordening is van toepassing op aanvragen om subsidi&#235;ring, tenzij een afzonderlijke rijks- provinciale of gemeentelijke subsidieregeling van toepassing is.
2.Op aanvragen als bedoeld in lid 1 is deze verordening van toepassing in combinatie met de bepalingen van de wet.

Artikel 1.1.3. Bevoegdheden van het college
Het college is belast met de uitvoering en het toezicht op de naleving van deze verordening en besluit uit dien hoofde over de subsidieverstrekking.

Artikel 1.1.4 Subsidieplafond
1.De gemeenteraad kan subsidieplafonds vaststellen voor de verschillende activiteiten, waarvoor subsidies kunnen worden verstrekt.
2.Het subsidieplafond kan worden onderverdeeld in deelplafonds per subsidietijdvak of per onderdeel van het gemeentelijk beleid.

Artikel 1.1.5 Verdeelmaatstaf
Als de gemeenteraad een subsidieplafond heeft vastgesteld, bepaalt het college hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld.

Paragraaf 1.2 Subsidieaanvraag

Artikel 1.2.1. Subsidieaanvraag
1.Een subsidieaanvraag wordt ingediend bij het college.
2.Een aanvraag om een subsidie wordt ten minste acht weken voor de aanvraag van de desbetreffende activiteit of uiterlijk op het in deze verordening voor de betreffende subsidie bepaalde tijdstip schriftelijk ingediend. Bij latere indiening kan het college besluiten de aanvraagt niet in behandeling te nemen.
3.Het college kan verlangen dat de subsidieaanvraag vergezeld gaat van:
aeen activiteitenplan,
been gespecificeerde begroting met toelichting,
cde redenen, waarom deze activiteiten alleen met behulp van de gemeentelijke subsidie gerealiseerd kunnen worden, en
deen opgave van bij anderen aangevraagde of aan te vragen subsidie voor dezelfde activiteiten, met daarbij de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag of aanvragen.
4.Het college kan binnen een door hem te bepalen termijn de overlegging van andere stukken of anderszins nadere informatie verlangen, indien hij dat voor de beoordeling van de subsidieaanvraag nodig acht.
5.Als datum van ontvangst van de subsidieaanvraag geldt de datum, waarop de aanvraag met inachtneming van het bepaalde in lid 4 aangemerkt wordt als zijnde volledig.

Artikel 1.2.2 Eerste subsidieaanvraag
Bij een eerste subsidieaanvraag overlegt de aanvrager, die een instelling is, tevens:
aeen opgave van de samenstelling van het bestuur;
bindien het een instelling met volledige rechtsbevoegdheid betreft, een gewaarmerkt exemplaar van de oprichtings- of stichtingsakte van de instelling, waarin de statuten zijn opgenomen, en een gewaarmerkt exemplaar van het huishoudelijk reglement;
ceen beschrijving van de organisatievorm van de instelling.

Paragraaf 1.3 Subsidieverlening

Artikel 1.3.1 Beslistermijn
1.De beschikking op de subsidieaanvraag wordt met inachtneming van artikel 4:5 en artikel 4:15 van de wet uiterlijk acht weken na ontvangst van de aanvraag gegeven.
2.Indien de in het eerste lid genoemde beschikking niet binnen acht weken gegeven kan worden, kan het college zijn beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.

Artikel 1.3.2 Subsidieverlening
Subsidi&#235;ring heeft, tenzij het een eenmalige subsidie betreft, altijd plaats voor een bepaald tijdvak dat wordt vermeld in de beschikking tot subsidieverlening. Dit tijdvak is maximaal vier jaar.

Artikel 1.3.3 Weigeringsgronden
Naast de weigeringsgronden die worden genoemd in artikel 4:25, lid 2, en artikel 4:35 van de wet, kan subsidieverlening worden geweigerd indien:
ade activiteiten van de aanvrager niet specifiek gericht zullen zijn op de gemeente of niet specifiek ten goede komen aan ingezetenen van de gemeente;
bde subsidie niet of in onvoldoende mate besteed zal worden voor het doel, waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld;
cde aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met een wettelijk voorschrift, het algemeen belang of de openbare orde;
dde aanvrager ook zonder subsidieverlening over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden kan beschikken om de kosten van de activiteiten te dekken;
ede subsidieverlening niet past binnen het beleid van de bestuursorganen van de gemeente;
faan de subsidieontvanger door het college voor dan wel binnen hetzelfde tijdvak reeds subsidie voor een andere activiteit is verstrekt.

Paragraaf 1.4 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 1.4.1 Overige doelgebonden verplichtingen
Naast de verplichtingen die worden genoemd in artikel 4:37 van de wet, kan het college aan het besluit tot subsidieverlening verplichtingen verbinden met betrekking tot:
ade kennis en ervaring van vrijwilligers en beroepskrachten, die werkzaam zijn voor de subsidieontvanger, voor zover zij betrokken zijn bij de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten;
bde bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid voor gehandicapten van de accommodatie, waar de gesubsidieerde activiteiten worden uitgevoerd;
chet college kan bij de subsidieverlening aanvullende verplichtingen opleggen, die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

Artikel 1.4.2 Niet-doelgebonden verplichtingen
Naast de verplichtingen die worden genoemd in artikel 4:37 van de wet, kan het college aan het besluit tot subsidieverlening verplichtingen verbinden met betrekking tot:
ade wijze waarop gebruikers, vrijwilligers en beroepskrachten worden betrokken bij het ontwikkelen en uitvoeren van het beleid van de subsidieontvanger;
bhet personeelsbeleid van de subsidieontvanger voor wat betreft het bevorderen van gelijke kansen voor vrouwen, gehandicapten en leden van etnische minderheden;
cde vorming van een bestemmingsreserve, een egalisatiereserve of een voorziening;
dhet geven van inzage in zijn administratie aan de door het college aangewezen ambtenaren of andere personen alsmede het aan hen verstrekken van alle inlichtingen, die voor de controle en voor de beoordeling van de gesubsidieerde activiteiten nodig zijn.

Artikel 1.4.3 Administratie
1.Afgezien van de bevoegdheid van het college om op grond van artikel 4:37, lid 1, sub b, van de wet nog nadere verplichtingen op te leggen is de subsidieontvanger in ieder geval verplicht:
ade administratie van de aan de activiteit verbonden uitgaven en inkomsten op een zodanige wijze te voeren dat deze overzichtelijk is en toegankelijk is voor door of namens het college uit te voeren controle;
balle administratieve bescheiden, die betrekking hebben op de subsidieverstrekking, gedurende drie jaar na de vaststelling van de subsidie te bewaren met dien verstande dat de subsidieontvanger, die reeds op grond van artikel 2:10 van het Burgerlijk Wetboek verplicht is de administratie en de daartoe behorende bescheiden gedurende tien jaar te bewaren, een bewaarplicht van tien jaar heeft. 
2.Aanvullend op het bepaalde in lid 1 kan de subsidieontvanger, die een instelling is,
averplicht worden een zodanige administratie te voeren dat deze steeds een volledig en juist inzicht geeft in alle baten en lasten, bezittingen en schulden en overige rechten en verplichtingen. In de administratie worden in ieder geval alle gegevens opgenomen, die uit een oogpunt van subsidi&#235;ring van belang zijn;
bverplicht worden om, indien zij meerdere activiteiten uitvoert, de in de administratie opgenomen baten en lasten toe te rekenen aan deze activiteiten. De niet direct aan deze activiteiten toe te rekenen kosten worden volgens een bestendige gedragslijn verdeeld overeenkomstig de verdeelsleutel zoals opgenomen in de ingediende en goedgekeurde begroting;
cverplicht worden het boekjaar gelijk te stellen aan het kalenderjaar.

Artikel 1.4.4 Zorgvuldig beheer en verzekeringsplicht
1.Afgezien van de bevoegdheid van het college om op grond van artikel 37, lid 1, sub d, van de wet nog nadere verplichtingen op te leggen:
ais de subsidieontvanger verplicht de tot zijn beschikking staande middelen zorgvuldig te beheren en maatregelen te treffen ter voorkoming van de vermogensschade;
bkan de subsidieontvanger verplicht worden zijn roerende en onroerende zaken te verzekeren en verzekerd te houden op basis van herbouw- of vervangingswaarde tegen de schade van brand, storm en inbraak;
ckan de subsidieontvanger verplicht worden het bij hem werkzaam zijnde personeel, de voor hem werkzame vrijwilligers en -indien de subsidieontvanger een instelling is- de bestuurders, tenminste tot door het college te bepalen bedragen, te verzekeren en verzekerd te houden tegen de gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid.
2.Een verzekeringsplicht als bedoeld in lid 1, sub b en c, wordt in ieder geval niet opgelegd, indien de hieraan verbonden kosten naar het oordeel van het college niet in redelijke verhouding staan tot het bedrag van de verleende subsidie.

Artikel 1.4.5 Tegengaan schenkingen door instellingen
1.Het is een subsidieontvanger, die een instelling is, behoudens vooraf verkregen toestemming van het college, niet toegestaan om bedragen om niet aan derden ter beschikking te stellen.
2.Het college kan voorwaarden verbinden aan de in het eerste lid bedoelde toestemming.

Artikel 1.4.6. Zaken en diensten aan derden
1.Een subsidieontvanger, die een instelling is en die aan derden zaken ter beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt daarvoor een vergoeding in rekening die tenminste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn.
2.Het college kan gevallen aanwijzen, waarin het bepaalde in lid 1 niet geldt.

Artikel 1.4.7 Vergoeding vermogensvoordeel
1.In de gevallen bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de wet is de subsidieontvanger aan het college een vergoeding voor vermogensvorming verschuldigd, voor zover het verstrekken van subsidie daartoe heeft geleid.
2.Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de verkoopwaarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger wordt ontvangen.
3.Indien het onroerende goederen betreft, geschiedt de waardebepaling door een onafhankelijke deskundige.
4.De vergoeding bedraagt nooit meer dan de vermogenstoename als gevolg van het verstrekken van subsidie zelf.

Artikel 1.4.8 Meldingsplicht bij wijziging omstandigheden
1.De subsidieaanvrager doet zo spoedig mogelijk mededeling aan het college van feiten en omstandigheden, die van belang kunnen zijn voor de beslissing op de aanvraag. Daarbij worden de relevante stukken overlegd.
2.De gelijke meldingsplicht als omschreven in lid 1 geldt voor de subsidieontvanger in geval van feiten en omstandigheden, die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie.
3.De subsidieontvanger meldt in ieder geval een wijziging die zich in de bestuurssamenstelling voordoet.
4.De subsidieontvanger, die een instelling is, stelt het college in kennis van het voornemen tot statutenwijziging en de inhoud daarvan.
5.Een voornemen tot opheffing of fusie brengt de subsidieontvanger, die een instelling is, ten minste dertien weken voor het definitieve besluit wordt genomen ter kennis van het college.

Artikel 1.4.9 Medewerking aan gemeentelijk onderzoek
Een subsidieontvanger is verplicht mee te werken aan een door of namens de gemeente ingesteld onderzoek naar gesubsidieerde activiteiten op het beleidsveld, waar de activiteit van de subsidieontvanger op gericht is.

Paragraaf 1.5 De subsidievaststelling

Artikel 1.5.1 Vaststelling subsidie zonder voorafgaande verleningsbeschikking
1.Indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven, zijn de artikelen 1.3.1 tot en met 1.3.3 en 1.4.1 tot en met 1.4.9 van deze verordening van overeenkomstige toepassing.
2.De subsidieontvanger is verplicht binnen dertien weken na afloop van het tijdvak of -in geval van een eenmalige subsidie- na afloop van de activiteit, waarvoor subsidie is verstrekt, verantwoording af te leggen aan het college op gelijke wijze als vermeld in artikel 1.5.2, lid 3, van deze verordening.
3.De verantwoordingsplicht als bedoeld in artikel 1.5.2, lid 3, van deze verordening is niet van toepassing op subsidieverstrekkingen die het bedrag van &#8364; 500,-- niet te boven gaan.

Artikel 1.5.2 Definitieve vaststelling subsidie na voorgaande verleningsbeschikking
1.Indien de beschikking tot vaststelling van de subsidie voorafgegaan is door een beschikking tot subsidieverlening is de subsidieontvanger verplicht v&#243;&#243;r 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarvoor subsidie is verleend, verantwoording af te leggen aan het college.
2.In afwijking van lid 1 is de subsidieontvanger van een eenmalige subsidie verplicht binnen dertien weken na afloop van de activiteit waarvoor subsidie is verleend, verantwoording af te leggen aan het college.
3.De verantwoording dient in ieder geval te bestaan uit het overleggen van een financieel verslag en activiteitenverslag.
4.De verantwoording als bedoeld in lid 3 wordt beschouwd als aanvraag tot vaststelling van de subsidie.
5.Het college stelt de subsidie vast binnen acht weken na de ontvangst van de in het derde lid vermelde verantwoording.
6.Indien de verantwoording als bedoeld in lid 3 niet binnen de in het eerste dan wel tweede lid gestelde termijn is ingediend, kan het college een termijn stellen binnen welke de verantwoording moet zijn ingediend.
7.Het college stelt de subsidie ambtshalve vast, indien na afloop van de in lid 6 gestelde nadere termijn de verantwoording niet is ontvangen.
8.Indien de in het vijfde lid genoemde beschikking niet binnen acht weken gegeven kan worden, stelt het college de subsidieontvanger hiervan in kennis, met vermelding van de termijn, waarbinnen de beschikking wel tegemoet gezien kan worden.

Paragraaf 1.6 Betaling van subsidie

Artikel 1.6.1 Betaling
In afwijking van het bepaalde artikel 4:52 van de wet wordt het subsidiebedrag binnen zes weken na de subsidievaststelling betaald onder verrekening van betaalde voorschotten.

HOOFDSTUK 2 SUBSIDIES

AFDELING 2.1 WELZIJN EN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING

Paragraaf 2.1.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.1.1.1 Reikwijdte
Deze afdeling is van toepassing op de subsidieverstrekking in het kader van welzijn en maatschappelijke ondersteuning, waaronder in deze afdeling in ieder geval worden verstaan de aandachtsgebieden zorg, gezondheidszorg, jeugd- en jongerenwerk, ouderenwerk, sociaal-cultureel werk, maatschappelijk werk, cultuur en kunst, onderwijs en lokale omroep.

Paragraaf 2.1.2 Subsidieverstrekking

Artikel 2.1.2.1 Subsidie
Het college kan voor activiteiten in het kader van welzijn en maatschappelijke ondersteuning een subsidie verstrekken.

Artikel 2.1.2.2 Hoogte subsidie 
1.Voorzover de subsidie bestaat uit vaste of normbedragen, worden deze jaarlijks door het college vastgesteld.
2.Bij de vaststelling van de subsidie kan het college rekening houden met een eigen bijdrage van de deelnemers aan de activiteit.
3.Voor zover van toepassing kan het aantal ingezetenen van de gemeente, die lid van de instelling zijn of deelnemen aan de activiteit, als &#233;&#233;n van de te hanteren criteria voor de bepaling van de subsidie genomen worden.

Artikel 2.1.2.3 Subsidieontvanger
1.Voor subsidie ingevolge deze afdeling komen alleen instellingen in aanmerking.
2.In afwijking van lid 1 kan het college besluiten in bijzondere gevallen ook natuurlijke personen voor subsidie in aanmerking te laten komen.

Artikel 2.1.2.4 Subsidieaanvraag
1.Een aanvraag om een structurele subsidie of een budgetsubsidie wordt schriftelijk ingediend v&#243;&#243;r 1 april van het jaar voorafgaand aan het jaar, waarop de aanvraag betrekking heeft.
2.In afwijking van artikel 1.2.1 wordt een aanvraag om een investeringssubsidie voorafgaand aan het jaar van de geplande investering schriftelijk ingediend.
3.Bij de indiening van de in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt gebruik gemaakt van een daarvoor bestemd formulier dat door het college beschikbaar wordt gesteld. Op verzoek van het college worden bij de aanvraag overlegd:
ahet activiteitenplan en -indien eerder dezelfde of in hoofdzaak dezelfde activiteiten hebben plaatsgevonden- een verslag van de in het laatste jaar verrichte activiteiten;
been gespecificeerde opgave van het bedrag dat de subsidieaanvrager denkt nodig te hebben voor  het uitvoeren van de activiteiten uit het activiteitenplan, onder vermelding van de verdeling van de subsidie over de uit te voeren activiteiten;
cindien eerder dezelfde of in hoofdzaak dezelfde activiteiten hebben plaats gevonden, de jaarrekening en de daarbij behorende accountantsverklaring over een nader door het college te bepalen aantal kalenderjaren en in elk geval over het laatst verstreken kalenderjaar; de jaarrekening bestaat uit een balans aan het begin en aan het einde van het kalenderjaar en een  staat van baten en lasten, beide vergezeld van een toelichting.
4.Bij een aanvraag om een investeringssubsidie, die betrekking heeft op bouwen of verbouwen, worden tevens overlegd het bouwplan, het financieringsplan en een geraamd exploitatieoverzicht voor de eerste 5 jaren na voltooiing van de nieuwbouw, de uitbreiding dan wel de renovatie.

Artikel 2.1.2.5 Verplichtingen
In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 kan het college verplichtingen aan de verstrekking van een subsidie verbinden:
ater bevordering van de kwaliteit van de activiteit;
bde bereikbaarheid en openstelling van instellingen, waar gesubsidieerde activiteiten plaats hebben;
cde verhouding tussen uitvoerende en overige werkzaamheden, die dient te gelden voor nader te noemen personeelsleden;
dmet betrekking tot een van de deelnemers aan de gesubsidieerde activiteit te verlangen eigen bijdrage, die in redelijke verhouding dient te staan tot de aard van de activiteit en de werkelijke kosten daarvan;
ede wijze van afschrijven.

Artikel 2.1.2.6 Beslistermijn
In afwijking van artikel 1.3.1 van deze verordening wordt de beschikking op een aanvraag om een structurele subsidie en een budgetsubsidie uiterlijk op 31 december van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar, waarop de subsidie betrekking heeft, gegeven.

Artikel 2.1.2.7 Overschrijding beslistermijn
In aanvulling op artikel 2.1.2.6 van deze verordening is een subsidieontvanger, die &#233;&#233;n of meer beroepskrachten in dienst heeft en in het kalenderjaar, dat voorafgaat aan het jaar, waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, een structurele subsidie of budgetsubsidie ontvangen heeft, gemachtigd om bij overschrijding van de beslistermijn door het college op de subsidieaanvraag uitgaven te doen tot ten hoogste 1/3 gedeelte van de bedragen, die op de overeenkomstige posten van de begroting van het voorafgaande jaar opgenomen zijn en waarvoor subsidie is verstrekt.

HOOFDSTUK 2 SUBSIDIES

AFDELING 2.2 SPORT

Paragraaf 2.2.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.2.1.1 Begripsomschrijvingen
In aanvulling op artikel 1.1.1 van deze verordening wordt voor de toepassing van deze afdeling verstaan onder:
ajeugdleden: leden van een in de gemeente gevestigde sportvereniging, die tussen de vier en negentien jaar oud zijn
bsportverenigingen: verenigingen, welke de bevordering van de lichamelijke vorming en de sportbeoefening ten doel hebben en die statutair in de gemeente gevestigd zijn

Artikel 2.2.1.2 Reikwijdte
Deze afdeling is van toepassing op de subsidieverstrekking, die gericht is op de stimulering van de deelname aan sportactiviteiten.

Paragraaf 2.2.2 Subsidieverstrekking

Artikel 2.2.2.1 Subsidie

1.Het college kan subsidie verstrekken voor activiteiten, die de sportbeoefening direct of indirect stimuleren.
2.De subsidie aan instellingen, die een sportaccommodatie exploiteren, wordt verstrekt in de vorm van een budgetsubsidie of, indien het de bouw of verbouw van een sportaccommodatie betreft, in de vorm van een investeringssubsidie.

Artikel 2.2.2.2 Hoogte subsidie 
1.Voorzover de subsidie bestaat uit vaste of normbedragen, worden deze periodiek door het college vastgesteld met inachtneming van hetgeen in lid 2 is bepaald.
2.De subsidie kan bestaan uit:
aeen bedrag per jeugdlid in de categorie&#235;n van vier tot twaalf jaar en van twaalf tot enmet achttien jaar;
been bedrag per deelnemer aan de activiteit;
ceen bijdrage in de organisatiekosten van een sportevenement;
deen eenmalige bijdrage in de kosten van de bouw, verbouw of groot onderhoud van een sportaccommodatie;
eeen bijdrage van maximaal 25% van de kosten van de huur van een sportaccommodatie;
feen bijdrage in de kosten van aanschaf van duurzame sportmaterialen;
geen bedrag per inwoner van de gemeente;
heen vast bedrag;
ieen budget ingeval van een budgetsubsidie.

Artikel 2.2.2.3 Subsidieontvanger
Voor subsidie ingevolge deze afdelingen komen in aanmerking:
asportverenigingen die aangesloten zijn bij een landelijk erkende sportorganisatie;
bandere instellingen, die de bevordering van de lichamelijke vorming en de sportbeoefening direct of indirect ten doel hebben.

Artikel 2.2.2.4 Subsidieaanvraag
1.Een aanvraag om een structurele subsidie of een budgetsubsidie wordt schriftelijk ingediend v&#243;&#243;r 1 april van het jaar voorafgaand aan het jaar, waarop de aanvraag betrekking heeft.
2.In afwijking van artikel 1.2.1 wordt een aanvraag om een investeringssubsidie voorafgaand aan het jaar van de geplande investering schriftelijk ingediend.
3.Bij de indiening van de in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt gebruikt gemaakt van een daarvoor bestemd formulier dat door het college beschikbaar wordt gesteld. Op verzoek van het college worden bij de aanvraag overlegd:
ahet activiteitenplan en -indien eerder dezelfde of in hoofdzaak dezelfde activiteiten hebben plaatsgevonden- een verslag van de in het laatste jaar verrichte activiteiten;
been gespecificeerde opgave van het bedrag dat de subsidieaanvrager denkt nodig te hebben voor het uitvoeren van de activiteiten uit het activiteitenplan, onder vermelding van de verdeling van de subsidie over de uit te voeren activiteiten;
cindien eerder dezelfde of in hoofdzaak dezelfde activiteiten hebben plaats gevonden, de jaarrekening en de daarbij behorende accountantsverklaring over een nader door het college te bepalen aantal kalenderjaren en in elk geval over het laatst verstreken kalenderjaar; de jaarrekening bestaat uit een balans aan het begin en aan het einde van het kalenderjaar en een staat van baten en lasten, beide vergezeld van een toelichting.
4.Bij een aanvraag om een investeringssubsidie, die betrekking heeft op bouwen en verbouwen, worden tevens overlegd het bouwplan, het financieringsplan en een geraamd exploitatieoverzicht voor de eerste 5 jaren na voltooiing van de nieuwbouw, de uitbreiding dan wel de renovatie.

Artikel 2.2.2.5 Beslistermijn
In afwijking van artikel 2.2.2.5 van deze verordening wordt de beschikking op een aanvraag om een structurele subsidie en een budgetsubsidie uiterlijk op 31 december van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar, waarop de subsidie betrekking heeft, gegeven.

Artikel 2.2.2.6 Overschrijding beslistermijn
In aanvulling op artikel 2.2.2.5 van deze verordening is een subsidieontvanger, die &#233;&#233;n of meer beroepskrachten in dienst heeft en in het kalenderjaar, dat voorafgaat aan het jaar, waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, een structurele subsidie of budgetsubsidie ontvangen heeft, gemachtigd om bij overschrijding van de beslistermijn door het college op de subsidieaanvraag uitgaven te doen tot ten hoogste 1/3 gedeelte van de bedragen, die op de overeenkomstige posten van de begroting van het voorafgaande jaar opgenomen zijn en waarvoor subsidie is verstrekt.

Artikel 2.2.2.7 Weigeringsgronden
In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.3.3 wordt een sportvereniging de subsidie geweigerd:
aindien zij op 1 januari van het jaar, waar de subsidie betrekking op heeft, minder dan 16 leden heeft of naar verwachting zal hebben;
bvoorzover het betreft de subsidie voor jeugdleden als bedoeld in artikel 2.2.2.2, lid 2, onder a,indien het aantal jeugdleden per categorie minder dan vijf is.

HOOFDSTUK 2 SUBSIDIES

AFDELING 2.3 Vervallen

HOOFDSTUK 2 SUBSIDIES

AFDELING 2.4 OUD PAPIER EN KARTON

Paragraaf 2.4.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.4.1.1 Reikwijdte
Deze afdeling is van toepassing op de subsidieverstrekking voor activiteiten in het kader van de inzameling van oud papier en karton.

Paragraaf 2.4.2 Subsidieverstrekking

Artikel 2.4.2.1 Subsidie
Het college kan voor activiteiten in het kader van de inzameling van oud papier en karton een subsidie verstrekken.

Artikel 2.4.2.2 Hoogte subsidie 
Het college stelt periodiek de hoogte van de subsidie dan wel de criteria op basis waarvan deze bepaald wordt, vast.

Artikel 2.4.2.3 Subsidieontvanger
1.Voor subsidie ingevolge deze afdeling komen in aanmerking in de gemeente gevestigde scholen en instellingen, die;
ageen winstoogmerk hebben en
bvoorafgaande aan 1 januari 2000 regelmatig oud papier en karton inzamelden en dit sindsdien hebben gecontinueerd.
2.Het college kan besluiten ook andere in de gemeente gevestigde scholen en instellingen aan te wijzen, die voor subsidie op grond van deze afdeling in aanmerking kunnen komen, mits met redelijke zekerheid kan worden vastgesteld dat
ade betreffende school of instelling geen winstoogmerk heeft,
bhet inzamelen van oud papier en karton door de betreffende school of instelling een structureel karakter zal hebben en
chet inzamelen van oud papier en karton door de betreffende school of instelling naar redelijke verwachting zal leiden tot een toename van de ingezamelde hoeveelheid oud papier en karton in het desbetreffende gebied.
3.Bij een besluit als bedoeld in lid 2 kan het college bepalen dat de aanwijzing geldt voor een bepaalde termijn.

Artikel 2.4.2.4 Subsidieaanvraag, subsidievaststelling en betaling
In afwijking van het daaromtrent bepaalde in Hoofdstuk 1 van deze verordening stelt het college nadere regels vast met betrekking tot de indiening van de subsidieaanvraag, de vaststelling van de subsidie en de betaling van de subsidie.

Artikel 2.4.2.5 Weigeringsgronden; lagere vaststelling subsidie 
1.In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.3.3 kan het college de subsidie weigeren, indien:
ade subsidieontvanger niet meer regelmatig inzamelt;
bde subsidieontvanger zich niet houdt aan de verplichtingen, die ingevolge artikel 2.4.2.6 aan de subsidieverstrekking verbonden zijn;
cde administratie van de subsidieontvanger niet voldoet aan het bepaalde in artikel 1.4.3;
dde subsidieontvanger niet voldoet aan het bepaalde in artikel 1.4.2, sub d.
2.In de gevallen als bedoeld in lid 1 kan het college ook besluiten de subsidie op een lager bedrag vast te stellen dan waarop de subsidieontvanger op grond van artikel 2.4.2.2 anders aanspraak zou hebben.
3.In een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt bepaald of dat besluit geldt voor een bepaalde termijn of een onbepaalde termijn.
4.De gevolgen van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid treedt niet eerder in werking dan nadat het besluit aan de subsidieontvanger is bekend gemaakt.
5.Een subsidieontvanger kan het college verzoeken opnieuw subsidie te verstrekken dan wel het subsidiebedrag vast te stellen op het bedrag, waarop deze op grond van artikel 2.4.2.2 aanspraak heeft, indien de aanleiding voor de weigering van subsidie of voor de lagere vaststelling van het subsidiebedrag niet meer aanwezig is.

Artikel 2.4.2.6 Verplichtingen 
Het college kan aan de subsidieverstrekking verplichtingen verbinden betreffende:
ade wijze waarop de inzameling van oud papier en karton plaats heeft;
bde minimale frequentie van de inzameling;
cde dag of het dagdeel, waarop de inzameling plaats heeft;
dhet geven van bekendheid aan de inzameling door de inzamelaar;
ede aanwijzing van het gebied, waarbinnen de subsidieontvanger huis-aan-huis oud papier en kartonmoet inzamelen;
feen verbod om oud papier en karton in te zamelen dat afkomstig is van bedrijven;
ghet adres, waar het ingezamelde oud papier en karton afgeleverd moet worden.

Artikel 2.4.2.7 Bijzondere omstandigheden

In aanvulling op het bepaalde in artikel 3.1 kan het college van &#233;&#233;n of meer van de bepalingen van deze afdeling afwijken, indien het belang van de continuering van de gescheiden inzameling van oud papier en karton zwaarder weegt dan het belang van de strikte toepassing van deze afdeling.

HOOFDSTUK 2 SUBSIDIES

AFDELING 2.5 OUDHEIDKUNDE, MUSEA, BESCHERMENDE MONUMENTEN EN ANDERE WAARDEVOLLE OBJECTEN

Paragraaf 2.5.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.5.1.1 Begripsomschrijvingen

In aanvulling op artikel 1.1.1 van deze verordening wordt voor de toepassing van deze afdeling verstaan
onder:
abeschermd monument een onroerend monument, welke is ingeschreven in de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers
bander waardevol object een waardevolle onroerende zaak niet zijnde een beschermd monument 
ceigenaar natuurlijke of rechtspersoon die in de kadastrale registers als eigenaar, dan wel als erfpachter of opstalhouder van een beschermd monument of ander waardevol object is ingeschreven

Artikel 2.5.1.1 Reikwijdte
Deze afdeling is van toepassing op de subsidieverstrekking voor activiteiten in het kader van oudheidkunde en het behoud en de instandhouding van musea, monumenten en andere waardevolle objecten alsmede voor daaraan gerelateerde activiteiten.

Paragraaf 2.5.2 Subsidieverstrekking

Artikel 2.5.2.1 Subsidie
1.Het college kan voor activiteiten in het kader van oudheidkunde en het behoud en de instandhouding van musea, monumenten en andere waardevolle objecten alsmede voor daaraan gerelateerde activiteiten subsidie verstrekken.
2.Indien de subsidie verstrekt wordt in het verlengde van de verstrekking door een niet-gemeentelijk bestuursorgaan in het kader van enige rijkssubsidieregeling voor de instandhouding, de restauratie of het onderhoud van monumenten, dan wordt de subsidie verstrekt in de vorm van een subsidie voor &#233;&#233;n of meerdere kalenderjaren.

Artikel 2.5.2.2 Hoogte van de subsidie 
1.De hoogte van de subsidie als bedoeld in artikel 2.5.2.1, lid 2, bedraagt maximaal 25 % van de krachtens de betreffende rijkssubsidieregeling vastgestelde subsidiabele kosten met dien verstande dat de subsidie nooit meer kan zijn dan een door het college nader vast te stellen bedrag per kalenderjaar.
2.De hoogte van de overige subsidies wordt telkens door het college bij het besluit omtrent de subsidieverstrekking bepaald.

Artikel 2.5.2.3 Subsidieontvanger
1.Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5.2.1, lid 2, komen alleen eigenaren in aanmerking, aan wie subsidie ingevolge de rijkssubsidieregeling is verstrekt.
2.Voor het overige komen voor subsidie ingevolge deze afdeling alleen instellingen in aanmerking.

Artikel 2.5.2.4 Weigeringsgronden

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.3.3 wordt de subsidie als bedoeld in artikel 2.5.2.1, lid 2, geweigerd, indien de daaraan gerelateerde rijkssubsidie is geweigerd.


HOOFDSTUK 2 SUBSIDIES

AFDELING 2.6 LANDSCHAPS-, NATUUR EN MILIEUBESCHERMING

Paragraaf 2.6.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.6.1.1 Reikwijdte
Deze afdeling is van toepassing op de subsidieverstrekking voor activiteiten in het kader van het behoud en de bescherming van het landschap, de natuur en het milieu in ruimere zin.

Paragraaf 2.6.2 Subsidieverstrekking

Artikel 2.6.2.1 Subsidie 
Het college kan subsidie verstrekken voor activiteiten in het kader van het behoud en de bescherming van het landschap, de natuur en het milieu in ruimere zin.

Artikel 2.6.2.2 Hoogte subsidie 

Het college bepaalt periodiek de hoogte van de subsidie dan wel de criteria op basis waarvan deze vastgesteld wordt.

HOOFDSTUK 3 SLOTBEPALINGEN

Artikel 3.1 Hardheidsclausule
Indien toepassing van de verordening zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard kan het college op grond van bijzondere omstandigheden afwijken van &#233;&#233;n of meer bepalingen van deze verordening in voor de subsidieaanvrager gunstige zin, mits dit past binnen de door de gemeenteraad beschikbaar gestelde budgetten.

Artikel 3.2 Overgangsbepaling
1.Op subsidies, die voor de inwerkingtreding van deze verordening verstrekt zijn, blijven de regels van toepassing, die golden op het moment van de subsidieverstrekking.
2.Op een aanvraag, die is ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening en die betrekking heeft op het jaar 2011, wordt op grond van deze verordening beslist.

Artikel 3.3. Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als &#8220;Subsidieverordening gemeente Grootegast&#8221;.

Artikel 3.4 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2011.


Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Grootegast, gehouden op 28 september 2010.


De raad voornoemd,


K.B. Dijkstra, voorzitter H.R. Kastermans, griffier
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening grafrechten" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b261480740192/versie-d0c5d46634b01e1a0134b34ea800008d.html">
	<tekst>
	&#239;&#187;&#191;
Gemeente Grootegast

Verordening grafrechten 2012

De raad van de gemeente Grootegast;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 2 december 2011, 

gelet op de Algemene wet bestuursrecht en artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b van de Gemeentewet;

b e s l u i t :

vast te stellen de:

Verordening op de heffing en de invordering van grafrechten 2012

Artikel 1 Aard van de rechten; belastbare feiten
Onder de naam van &#226;&#8364;&#339;grafrechten&#226;&#8364;&#65533; worden rechten geheven terzake van het genot van de in de bij deze verordening behorende tabel vermelde, door het gemeentebestuur verstrekte diensten.

Artikel 2 Belastingplicht
De rechten worden geheven van degene die uit eigen hoofde of in opdracht van een ander de diensten als bedoeld in artikel 1 aanvraagt, dan wel aan wie of ten behoeve van wie die diensten worden verstrekt.

Artikel 3 Maatstaf van heffing; tarieven
De rechten worden geheven naar de maatstaven, opgenomen in de tot deze verordening behorende tabel en berekend aan de hand van de in die tabel opgenomen tarieven, met inachtneming van de in de tabel gegeven aanwijzingen.

Artikel 4 Wijze van heffing
De rechten worden geheven bij wege van een gedagtekende, schriftelijke kennisgeving.

Artikel 5 Betaling
De rechten moeten worden betaald binnen vier weken na de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving.

Artikel 6 Overgangsbepaling; inwerkingtreding; citeertitel
1 De &#226;&#8364;&#339;Verordening op de heffing en de invordering van grafrechten 2011&#226;&#8364;&#65533; van 14 december 2011 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2 Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van bekendmaking.
3 De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.
4 Deze verordening wordt aangehaald als &#226;&#8364;&#339;Verordening grafrechten 2012&#226;&#8364;&#65533;.


Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Grootegast 
in de openbare vergadering van 13 december 2011,

H. Kastermans, griffier K.B. Dijkstra, voorzitter
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening marktgelden" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b21b438c40153/versie-d0c5d46634b01e1a0134b2cd5b0b0001.html">
	<tekst>
	&#239;&#187;&#191;Gemeente Grootegast

Verordening marktgelden 2012

De raad van de gemeente Grootegast;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 2 december 2011;

gelet op de Algemene wet bestuursrecht en artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a van de Gemeentewet;
b e s l u i t :

vast te stellen de:

Verordening op de heffing en de invordering van marktgelden 2012

Artikel 1 Aard van de rechten
Onder de naam van &#226;&#8364;&#339;marktgelden&#226;&#8364;&#65533; wordt een recht geheven voor het gebruik van een door het bevoegde bestuursorgaan aangewezen ruimte ten behoeve van het plaatsen van kramen, wagens en dergelijke voorwerpen tot verkoop van waren en voor het uitstallen van waren en goederen.

Artikel 2 Heffingsplicht
Het marktgeld wordt geheven van degene, die gebruik maakt van de standplaats op de markt.

Artikel 3 Heffingsvoorwerp, -grondslag
De heffingsgrondslag voor de berekening van het marktgeld is het aantal meters frontbreedte welke door een kraam wordt ingenomen.

Artikel 4 Heffingstarief
Het marktgeld bedraagt per marktdag per meter frontbreedte die een kraam inneemt &#226;&#8218;&#172; 0,74.

Artikel 5 Wijze van heffing
Het marktgeld wordt geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, nota of ander schriftuur, waarin het verschuldigde bedrag wordt vermeld.

Artikel 6 Tijdstip van betaling
Het marktgeld moet binnen 14 dagen betaalt worden na dagtekening van de schriftelijke kennisgeving, nota of ander schriftuur, waarin het verschuldigde bedrag wordt vermeld.

Artikel 7 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders
Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van marktgelden.

Artikel 8 Overgangsbepaling; inwerkingtreding; citeertitel
1 De &#226;&#8364;&#339;Verordening op de heffing en de invordering van marktgelden 2011&#226;&#8364;&#65533; van 14 december 2010 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2 Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van bekendmaking.
3 De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.
4 Deze verordening wordt aangehaald als &#226;&#8364;&#339;Verordening marktgelden 2012&#226;&#8364;&#65533;.

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Grootegast 
in de openbare vergadering van 13 december 2011,


H. Kastermans, griffier K.B. Dijkstra, voorzitter
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening onroerende-zaakbelasting" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b2ae83e8d01d2/versie-d0c5d46634b01e1a0134b30355b8001a.html">
	<tekst>
	&#239;&#187;&#191;Gemeente Grootegast

Verordening onroerende-zaakbelastingen 2012


De raad van de gemeente Grootegast;

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 2 december 2011;

gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;

b e s l u i t :

vast te stellen de:

Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2012

Artikel 1 Belastingplicht
1 Onder de naam &#226;&#8364;&#732;onroerende-zaakbelastingen&#226;&#8364;&#8482; worden ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:
a) een gebruikersbelasting van degene die -naar de omstandigheden beoordeeld- bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt (verder te noemen: gebruikersbelasting);
b) een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht (verder te noemen: eigenarenbelasting).
2 Bij de gebruikersbelasting wordt:
a) gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
b) het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
3 Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 2 Belastingobject
1 Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.
2 Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 3 Maatstaf van heffing
1 De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 
2 Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken

Artikel 4 Vrijstellingen
1 In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:
a) ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig ge&#195;&#171;xploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
b) glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;
c) onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
d) &#195;&#169;&#195;&#169;n of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;
e) natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;
f) openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, &#195;&#169;&#195;&#169;n en ander met inbegrip van kunstwerken;
g) waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
h) werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
i) werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.
2 In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 5 Belastingtarieven
1 Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: 
a) de gebruikersbelasting 0,1386 %
b) bij de eigenaren belasting
1 voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1009 %
2 voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,1711 %
2 Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op gehele euro&#226;&#8364;&#8482;s

Artikel 6 Wijze van heffing
De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.

Artikel 7 Termijn van betaling
1 In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2 In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op &#195;&#169;&#195;&#169;n aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar &#195;&#169;&#195;&#169;n aanslag bevat, het bedrag daarvan, minder is dan &#226;&#8218;&#172; 2.500,00, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen of in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van de dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste drie bedraagt. 
De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de volgende termijnen telkens een maand later.
3 De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 8 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders
Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de onroerende-zaakbelastingen.

Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel 
1 De &#226;&#8364;&#339;Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2011&#226;&#8364;&#65533; van 14 december 2010 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2 Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van bekendmaking.
3 De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.
4 Deze verordening wordt aangehaald als &#226;&#8364;&#339;Verordening onroerende-zaakbelastingen 2012&#226;&#8364;&#65533;.

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Grootegast
in de openbare vergadering van 13 december 2011,




H. Kastermans, griffier K.B. Dijkstra, voorzitter
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening op de warenmarkt(en)" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011bb0ceffcb0423/versie-d0c5d466256f74de01260851bdcb009c.html">
	<tekst>
	de raad van de gemeente Grootegast; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders;

gelet op artikel 147, eerste lid, alsmede artikel 149 van de Gemeentewet;

overwegende dat het wenselijk is regels te stellen voor een ordelijk verloop van de warenmarkt(en);

besluit vast te stellen de volgende verordening;
Verordening op de warenmarkt(en) gemeente Grootegast 2010
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
a.het college: het college van burgemeester en wethouders;
b.markt: de door het college ingestelde wekelijkse warenmarkt(en) in de gemeente Grootegast;
c.marktterrein: de gehele oppervlakte openbare of voor het publiek toegankelijke grond, welke bij besluit van het college voor het uitoefenen van markthandel is of wordt aangewezen;
d.standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel;
e.vaste standplaats: de standplaats die voor onbepaalde tijd ter beschikking is gesteld aan een vergunninghouder;
f.dagplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste standplaats is toegewezen dan wel ingenomen;
g.standwerken: de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een artikel.
h.standwerkerplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld om te standwerken;
i.vergunninghouder of standplaatshouder: degene aan wie door het college vergunning is verleend voor het innemen van een standplaats;
j.wachtlijst: de lijst van gegadigden voor een vaste standplaats;
k.anci&#235;nniteitlijst: de lijst van vergunninghouders van een vaste standplaats;
l.marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het college.
Artikel 2. Inrichting van de markt; branche-indeling
1)Het college bepaalt ten aanzien van de markt:
a)het aantal standplaatsen;
b)de afmetingen van de standplaatsen;
c)de opstelling en indeling van de markt;
d)welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerkersplaats.
2)Het college kan voor de markt vaststellen:
a)een lijst met artikelengroepen of branches;
b)een maximumaantal standplaatsen per branche.
3)Het college bepaalt:
a)de dag en plaats waarop de markt (wekelijks) plaatsvindt ;
b)dat de markt tijdelijk op een andere dan op de onder a bedoelde dag en of plaats zal plaatsvinden, wanneer hiervoor naar het oordeel van het college anderszins een dringende reden is;
c)of wanneer deze dag samenvalt met een van de in artikel 2, eerste lid, onder b van de Winkeltijdenwet genoemde dagen, 
Artikel 3. Nadere regels
Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in deze verordening.
Artikel 4. Voorschriften en beperkingen
Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing, ter bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen in acht te nemen.
Paragraaf 2. Vergunningen
Artikel 5. Standplaatsvergunning 
Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college.
Artikel 6. Vereisten
Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon van 18 jaar of ouder die een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het college en  daarbij tevens aantoont dat hij persoonlijk voldoet aan alle publiekrechtelijke verplichtingen op het gebied van bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisatie en daartoe tenminste kan overleggen:
1.een registratiekaart het Hoofdbedrijfschap Detailhandel;
2.een bewijs van (WA) verzekering;
3.een geldig legitimatiebewijs (ID kaart/paspoort)
Artikel 7. Inhoud vaste standplaatsvergunning
1)Een vaste standplaatsvergunning vermeldt in ieder geval:
a)de naam en voornamen, de geboortedatum en -plaats, het adres en de woonplaats van de vergunninghouder;
b)een duidelijke omschrijving van de toegewezen vaste standplaats met vermelding van het nummer en de afmetingen daarvan;
c)de kraam of andere verkoopmaterialen die de vergunninghouder bij het innemen van de standplaats mag gebruiken;
d)het soort artikelen dat de vergunninghouder mag verhandelen of de branche waartoe de vergunninghouder behoort;
e)de datum waarop aan de vergunninghouder voor het eerst vergunning is verleend en zijn volgnummer op de anci&#235;nniteitlijst;
f)dat de vergunninghouder zelf zorg draagt voor de inzameling en afvoer van zijn afval en dat hij zijn standplaats schoon oplevert;
g)de wijze waarop de vergunninghouder zijn elektriciteit betrekt;
h)welke geluidsapparatuur op de standplaats is toegestaan; en
i)welke kook-, bak- en verwarmingsapparatuur zijn toegestaan.
2)Aan de vergunning wordt ter identificatie een bewijs van legitimatie gehecht als hiervoor genoemd in artikel 6, onder d.
Artikel 8. Inschrijving op de anci&#235;nniteitlijst
Vergunninghouders van vaste standplaatsen worden ingeschreven op een doorlopend genummerde lijst met vermelding van en in volgorde van de datum waarop aan hen voor het eerst een vaste standplaats is toegewezen. Bij deze inschrijving wordt tevens vermeld de soort artikelen die de vergunninghouder mag verhandelen of de branche waartoe hij behoort.
Artikel 9. Inschrijving op de wachtlijst
1)Het college schrijft de aanvrager op zijn verzoek in op de wachtlijst, indien hij voldoet aan de in artikel 6 gestelde vereisten, maar aan hem geen vaste standplaats kan worden toegewezen.
2)Het college vermeldt bij de inschrijving in ieder geval:
a)de naam en voornamen, de geboortedatum en -plaats, het adres en de woonplaats van de aanvrager;
b)de datum waarop de aanvraag door hem is ontvangen;
c)de soort artikelen die de aanvrager wil verhandelen of de branche waartoe hij behoort;
d)de kraam of andere verkoopmaterialen die de aanvrager wil gebruiken.
3)Het college verstrekt de aanvrager een schriftelijk bewijs van inschrijving.
4)De inschrijving op de wachtlijst blijft gehandhaafd, indien deze door de ingeschrevene jaarlijks voor 1 januari schriftelijk wordt verlengd.
Artikel 10. Doorhalen van inschrijving op wachtlijst
De inschrijving op de wachtlijst wordt doorgehaald:
a.indien de ingeschrevene zijn inschrijving volgens artikel 9.4 van deze verordening niet voor 1 januari heeft verlengd;
b.op schriftelijk verzoek van de ingeschrevene;
c.bij overlijden van de ingeschrevene;
d.wanneer aan de ingeschrevene een vergunning voor een vaste standplaats is verleend, tenzij hij deze op grond van bijzondere omstandigheden niet aanvaardt;
e.indien niet meer aan de vereisten van artikel 6 wordt voldaan.
Artikel 11. Volgorde toewijzing vaste standplaatsen
Indien voor de toewijzing van een beschikbare vaste standplaats meer aanvragers in aanmerking komen, wordt de standplaats achtereenvolgens toegewezen aan:
a.de vergunninghouder van een vaste standplaats die aan het college schriftelijk de wens te kennen heeft gegeven van standplaats te willen veranderen, in volgorde van plaatsing op de anci&#235;nniteitlijst;
b.degene die zich op de in  artikel 9 bedoelde wachtlijst heeft laten inschrijven, in volgorde van inschrijving op deze lijst.
Artikel 12. Overschrijving vaste standplaatsvergunning
1)In geval van overlijden of blijvende arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder kan de vaste standplaatsvergunning worden overgeschreven op de achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of een andere achterblijvende persoon met wie hij duurzaam samenwoonde.
2)Indien de vergunning niet kan worden overgeschreven op grond van het eerste lid, kan een kind van de vergunninghouder de vergunning voor een vaste standplaats krijgen indien hij ten minste drie jaar in loondienst van het marktbedrijf van de vergunninghouder heeft gewerkt of gedurende eenzelfde periode als mede-eigenaar in dit bedrijf heeft gefunctioneerd en zich heeft laten inschrijven op de wachtlijst.
3)Een aanvraag tot overschrijving wordt ingediend binnen twee maanden na het overlijden van de vergunninghouder of nadat de blijvende arbeidsongeschiktheid is vastgesteld.
4)Het college is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken van het bepaalde in dit artikel.
Artikel 13. Intrekking vaste standplaatsvergunning
1)Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in:
a)op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;
b)bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 12 de vergunning wordt overgeschreven.
2)Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken:
a)indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b)indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 6 genoemde vereisten.
c)niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet en waarvan de hoogte wordt bepaald in de gemeentelijke &apos;Verordening Marktgelden&apos;.
3)Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 12 is overgeschreven, reeds vergunning heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken.
Artikel 14. Toewijzing dagplaats
1)Toewijzing van een dagplaats geschiedt door afgifte van een vergunning door het college op het moment dat de standplaats niet als vaste standplaats wordt ingenomen.
2)De dagplaats wordt toegewezen overeenkomstig de plaats op de wachtlijst van de gegadigden die zich daarvoor op de dag zelf v&#243;&#243;r aanvang van de markt aanmelden.
Artikel 15. Toewijzing standwerkerplaats
1)Het college wijst een standwerkerplaats toe door middel van loting.
2)Het is een ingeschrevene op de wachtlijst niet toegestaan deel te nemen aan de loting voor een standwerkerplaats zolang deze inschrijving niet definitief is vervallen.
3)Indien een standwerker zich wil doen bijstaan, meldt hij dit vooraf onder vermelding van de naam van degene die hem zal bijstaan. Degene die hem zal bijstaan, mag niet op eigen naam deelnemen aan de loting.
Paragraaf 3. Bepalingen over het gebruik van de standplaats
Artikel 16. Persoonlijk innemen standplaats; bijstand
1)De vergunninghouder neemt de standplaats die hem is toegewezen persoonlijk in. Hij mag de standplaats niet aan een ander afstaan of in gebruik geven
2)De vergunninghouder mag zich op de standplaats doen bijstaan.
3)De vergunninghouder en degene die hem bijstaat mogen zich niet schuldig maken aan wangedrag of bedrog.
Artikel 17. Aantal keren innemen vaste standplaats
De vergunninghouder van een vaste standplaats neemt ten minste eenmaal per twee weken en tienmaal per dertien weken zijn standplaats op de markt in, dit met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 18 en 19.
Artikel 18. Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden
1)De vergunninghouder van een vaste standplaats die wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden verhinderd is zijn vaste standplaats in te nemen, deelt dit schriftelijk mee aan het college. Bij vakantie geeft de vergunninghouder aan hoe lang zijn afwezigheid duurt.
2)De schriftelijke mededeling wordt tijdig voor de desbetreffende marktdag gedaan. Plotselinge verhindering wordt mondeling of telefonisch aan de marktmeester gemeld, gevolgd door een schriftelijke bevestiging daarvan aan het college.
Artikel 19. Ontheffing en vervanging
1)In geval van ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden kan het college op aanvraag van de vergunninghouder van een vaste standplaats hem tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichting om ten minste eenmaal per twee weken en tienmaal per dertien weken de standplaats op de markt in te nemen.
2)Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder hem vergunning verlenen zich op zijn standplaats te laten vervangen door een met name genoemde persoon.
Artikel 20. Legitimatie en identiteit vergunninghouder
1)Degene die een standplaats op de markt inneemt of wenst in te nemen, dient op eerste aanvraag van de marktmeester, of een andere daartoe namens het college bevoegde, aan te tonen dat hij de vergunninghouder is.
2)De vergunninghouder dient bij zijn standplaats duidelijk zichtbaar zijn naam en eventuele bedrijfsnaam aan te geven.
Artikel 21. Tijdstip innemen standplaats/aan- en afvoer goederen
1)Het is verboden voor vergunninghouders op het marktterrein meer dan een uur voor aanvang en meer dan een half uur na afloop van de markt met een voertuig, goederen of anderszins ruimte in te nemen of goederen aan of af te voeren.
2)De vergunninghouder is verplicht zijn standplaats tot de sluitingstijd van de markt te blijven innemen. Het college kan hiervan ontheffing verlenen.
3)Indien de vergunninghouder zijn vaste standplaats niet uiterlijk bij aanvang van de markt heeft ingenomen, wordt de desbetreffende standplaats voor die dag als dagplaats aangemerkt, tenzij de gemeente de standplaats op tijdig verzoek van de vergunninghouder voor hem beschikbaar houdt.
Paragraaf 4. Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel 22. Strafbepaling
Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
Artikel 23. Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning
Onverminderd artikel 13 kan het college een vergunning voor een vaste standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat:
a.het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt;
b.zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of
c.niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.
Artikel 24. Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker
Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze:
a.het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt;
b.zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog
c.niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats;
d.niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet
Artikel 25. Onmiddellijke verwijdering
Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen indien hij:
a.het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt;
b.zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;
c.niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats.
Artikel 26. Toezichthouders
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de marktmeester en of andere daartoe namens het college bevoegde personen.
Artikel 27. Intrekking oude regeling
De &apos;Verordening op de weekmarkt van de gemeente Grootegast&apos;, vastgesteld op 7 maart 1995 en laatstelijk gewijzigd op 2 december 1997, wordt gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken.
Artikel 28. Overgangsbepalingen
1)Besluiten van het college die genomen zijn krachtens de &#8220;Verordening op de weekmarkt van de gemeente Grootegast&#8221;,  vastgesteld op 7 maart 1995 en laatstelijk gewijzigd op 2 december 1997, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.
2)De op grond van de hiervoor onder 1 genoemde verordening bestaande anci&#235;nniteits- en wachtlijst worden geacht anci&#235;nniteits- en wachtlijst in de zin van deze verordening te zijn.
3)Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om vergunning op grond van de hiervoor onder 1 bedoelde verordening is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet definitief op de aanvraag is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast.
Artikel 29. Onvoorziene omstandigheden
In omstandigheden waarin deze verordening niet voorziet beslist het college.
Artikel 30. Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking na bekendmaking in werking op 1 januari 2010.
Artikel 31. Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als:

&apos;Verordening op de weekmarkt(en) gemeente Grootegast 2010&apos;

Aldus besloten in de openbare vergadering van 15 december 2009,


H.R. Kastermans, griffier					K.B. Dijkstra, voorzitter
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening periodiek onderzoek doelmatigheid en doeltreffendheid van het bestuur" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b307df8be0211/versie-d0c5d466192e0ce6011b307df8be0212.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast,

gelet op artikel 213a van de Gemeentewet,

B E S L U I T

vast te stellen:

&#8216;Verordening voor periodiek onderzoek door het college naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het college gevoerde bestuur, van de gemeente Grootegast&#8217;.

Artikel 1. Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
a.Doelmatigheid: De mate waarin de gewenste prestaties en beoogde maatschappelijke effecten worden gerealiseerd met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen, of met de beschikbare middelen zo veel mogelijk resultaat wordt bereikt.
b.Doeltreffendheid: De mate waarin de gewenste prestaties en de beoogde maatschappelijke effecten van het beleid daadwerkelijk worden behaald.

Artikel 2. Onderzoeksfrequentie
1.Het college onderzoekt jaarlijks de doelmatigheid van (onderdelen van) de organisatie-eenheden van de gemeente en de uitvoering van taken door de gemeente. Iedere gemeentelijke organisatie-eenheid en gemeentelijke taak wordt minimaal eens in de 8 jaar in zijn geheel aan een dergelijke toets onderworpen.
2.Het college toetst jaarlijks de doeltreffendheid van minimaal 2 (delen van) programma&#8217;s en paragrafen.

Artikel 3. Onderzoeksplan
1.Het college zendt ieder jaar uiterlijk voor 1 december een onderzoeksplan naar de raad van de in het erop volgende jaar te verrichten interne onderzoeken naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid.
2.In het onderzoeksplan wordt per intern onderzoek globaal aangegeven:
a.het object van onderzoek;
b.de reikwijdte van het onderzoek;
c.de onderzoeksmethode;
d.doorlooptijd van het onderzoek;
e.de wijze van uitvoering.
3.In het onderzoeksplan wordt aangegeven welke budgetten in de productenraming zijn opgenomen voor de uitvoering van de onderzoeken.

Artikel 4. Voortgang onderzoeken
Het college rapporteert in de paragraaf bedrijfsvoering van de programmabegroting en jaarstukken over de voortgang van de onderzoeken naar de doelmatigheid en doeltreffendheid  en de uitputting van bijbehorende budgetten.

Artikel 5. Rapportage en gevolgtrekking
1.De uitkomsten van een onderzoek worden vastgelegd in een rapportage. Elke rapportage bevat tenminste een analyse van de onderzoeksresultaten en indien nodig aanbevelingen voor verbeteringen.
2.Op basis van de resultaten van ieder onderzoek stelt het college indien nodig een plan van verbetering op. De rapportage en het plan van verbetering worden ter kennisgeving aan de raad aangeboden. Het college neemt op basis van het plan van verbetering organisatorische maatregelen.

Artikel 6. Inwerkingtreding
Deze verordening treedt met terug werkende kracht in werking met ingang van 1 januari 2005 onder gelijktijdige intrekking van de vastgestelde &#8220;Verordening onderzoeken doelmatigheid en doeltreffendheid van de gemeente Grootegast 2003&#8221; van 11 november 2003.

Artikel 7. Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als: &#8220;Verordening onderzoeken doelmatigheid en doeltreffendheid van de gemeente Grootegast 2005&#8221;.

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 13 december 2005,

H.R. Kastermans, griffier

K.B. Dijkstra, voorzitter
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening reinigingsheffingen" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b270a5fb001bd/versie-d0c5d46634b01e1a0134b3359150005c.html">
	<tekst>
	&#239;&#187;&#191;Gemeente Grootegast

Verordening reinigingsheffingen 2012

De raad van de gemeente Grootegast;

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 2 december 2011:

gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;

b e s l u i t :

vast te stellen de:

Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2012

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1 Inleidende bepaling
Krachtens deze verordening worden geheven:
a een afvalstoffenheffing;
b reinigingsrechten.

Artikel 2 Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder grof bedrijfsafval: afvalstoffen, met uitzondering van autowrakken, afkomstig van bedrijven en instellingen, die door aard, omvang of hoeveelheid niet periodiek worden ingezameld.

Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing

Artikel 3 Aard van de belasting en belastbaar feit
1 Onder de naam &#226;&#8364;&#732;afvalstoffenheffing&#226;&#8364;&#8482; wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
2 De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het feitelijk gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 4 Belastingplicht
1 De belastingplicht wordt geheven van degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt:
a) degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht feitelijk gebruik maakt van het perceel;
b) ingeval een gedeelte van een perceel ten gebruike is afgestaan: degene die dat gedeelte ten gebruike heeft afgestaan. 

Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief
De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de hoofdstukken 1.1 en 1.2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel met inachtneming van het bepaalde in de overige leden van dit artikel.
1 Het gewicht van de periodiek ingezamelde afvalstoffen van een perceel dan wel groep van percelen wordt aangemerkt als maatstaf van de heffing van de in hoofdstuk 1.1, onderdelen 1.1.2.1 en 1.1.2.2 van de tarieventabel genoemde belasting.
2 Voor de berekening van het gedeelte van de belasting, als bedoeld in hoofdstuk 1.1, onderdelen 1.1.2.1 en 1.1.2.2 van de tarieventabel wordt uitgegaan van de gewichten die zijn vastgesteld met behulp van de weegapparatuur op de wegende inzamelauto.
3 Voor de berekening van de belasting, wordt per lediging van een container de gewogen hoeveelheid naar beneden afgerond op een hele of halve kilo.
4 De vaststelling van het totaal per belastingjaar ingezamelde gewicht van de periodiek ingezamelde afvalstoffen van een perceel, dan wel groep van percelen, vindt plaats door een optelling van de gewichten van het wekelijks c.q. tweewekelijks ingezamelde groente-, fruit- en tuinafval van dit perceel dan wel groep van percelen in het betreffende jaar en een optelling van de gewichten van de wekelijks c.q. tweewekelijks ingezamelde overige afvalstoffen van dit perceel dan wel groep van percelen in het betreffende jaar. Het totale gewicht per belastingjaar wordt naar beneden afgerond op hele kilo&#226;&#8364;&#8482;s. Het gewicht van de wekelijks c.q. tweewekelijks ingezamelde afvalstoffen per inzamelbeurt per perceel, dan wel groep van percelen, wordt vastgesteld als het verschil van het gewicht van de betreffende container v&#195;&#179;&#195;&#179;r lediging en het gewicht na lediging.
5 In afwijking van het vierde lid wordt, het gewicht van de periodiek ingezamelde afvalstoffen per inzamelbeurt per perceel dat behoort tot een groep van percelen vastgesteld als een naar het aantal geregistreerde percelen van de betrokken groep van percelen evenredig gedeelte van het totale gewicht van de periodiek ingezamelde afvalstoffen per inzamelbeurt van de betrokken groep van percelen. 
6 In afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden wordt, indien tijdens enige inzamelbeurt door een calamiteit of door technische storing van de wegende inzamelauto, of van de op de inzamelauto geplaatste containerweeg- of containerherkennings- of containerregistratieapparatuur of van de middelen waarmee de gegevens van de geledigde containers worden opgeslagen, van een aangeboden container geen of een onjuiste automatische weging of herkenning of registratie of gegevensverwerking plaatsvindt, wordt voor de betreffende inzamelbeurt van het desbetreffende perceel bij de berekening van het verschuldigde gedeelte van de belasting als bedoeld in de onderdelen 1.1.2.1 en 1.1.2.2 van de bij de verordening behorende tarieventabel ervan uitgegaan dat geen kilogrammen zijn aangeboden.

Artikel 6 Belastingjaar
Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven, is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 7 Wijze van heffing
1 De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag.
2 De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een gedagtekende kennisgeving waarop de verschuldigde belasting is vermeld.

Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang voor de jaarlijks verschuldigde belasting
1 De belasting, bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 
2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is de belasting als bedoeld in onderdeel 1.1.2 van hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel verschuldigd bij aanvang van de dienstverlening. 
3 Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting, bedoeld in artikel 1.1.1 van de tarieventabel, verschuldigd voor zoveel volle kalendermaanden als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 
4 Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat voor de belasting als bedoeld in artikel 1.1.1 van de tarieventabel, aanspraak op ontheffing voor zoveel volle kalendermaanden van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
5 Het derde en het vierde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt. 
6 Belastingbedragen van minder van &#226;&#8218;&#172; 3,00 worden niet geheven.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang voor de incidenteel verschuldigde belasting
De belasting, bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel, is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening.

Artikel 10 Termijn van betaling
1 In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten, op grond van artikel 7, eerste lid, de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, geldt, ingeval het totaalbedrag van de op &#195;&#169;&#195;&#169;n aanslagbiljet verenigde aanslagen afvalstoffenheffing minder bedraagt dan &#226;&#8218;&#172; 15,00 dit bedrag moet worden betaald in &#195;&#169;&#195;&#169;n termijn welke vervalt &#195;&#169;&#195;&#169;n maand na de dagtekening van het aanslagbiljet.
3 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, geldt, ingeval machtiging is verleend tot automatische incasso en het totaal bedrag op &#195;&#169;&#195;&#169;n aanslagbiljet verenigde aanslagen afvalstoffenheffing minimaal &#226;&#8218;&#172; 15,00 of maximaal &#226;&#8218;&#172; 2.500,00 bedraagt, de aanslagen moeten worden betaald in 3 gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt &#195;&#169;&#195;&#169;n maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 
4 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, geldt, ingeval machtiging is verleend tot automatische incasso en het totaal bedrag op &#195;&#169;&#195;&#169;n aanslagbiljet verenigde aanslagen afvalstoffenheffing bedraagt minder dan &#226;&#8218;&#172; 15,00, dit bedrag moet worden betaald in &#195;&#169;&#195;&#169;n termijn welke vervalt &#195;&#169;&#195;&#169;n maand na de dagtekening van het aanslagbiljet.
5 In afwijking in zoverre van de voorgaande leden moet de afvalstoffenheffing worden betaald  ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 7, tweede lid:
a) mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;
b) schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving dan wel ingeval van toezending daarvan binnen 30 dagen na dagtekening van de kennisgeving.
6 De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Hoofdstuk III Reinigingsrechten

Artikel 11 Belastbaar feit
Onder de naam &#226;&#8364;&#732;reinigingsrechten&#226;&#8364;&#8482; worden rechten geheven zowel voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.

Artikel 12 Belastingplicht
De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.

Artikel 13 Maatstaf van heffing en belastingtarief
De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel met inachtneming van het bepaalde in de overige leden van dit artikel. 
1 Het gewicht van de periodiek ingezamelde afvalstoffen van een bedrijfspand wordt aangemerkt als maatstaf van de heffing van de in hoofdstuk 2, de onderdelen 2.1.2.1 en 2.1.2.2 van de tarieventabel genoemde rechten.
2 Voor de berekening van het gedeelte van de rechten, als bedoeld in hoofdstuk 2, onderdelen 2.1.2.1 en 2.1.2.2 van de tarieventabel wordt uitgegaan van de gewichten die zijn vastgesteld met behulp van de weegapparatuur op de wegende inzamelauto. 
3 Voor de berekening van de rechten, wordt per lediging van een container de gewogen hoeveelheid naar beneden afgerond op een hele of halve kilo.
4 De vaststelling van het totaal per belastingjaar ingezamelde gewicht van de periodiek ingezamelde afvalstoffen van een bedrijfspand, vindt plaats door een optelling van de gewichten van het wekelijks c.q. tweewekelijks ingezamelde groente-, fruit- en tuinafval van dit bedrijfspand in het betreffende jaar en een optelling van de gewichten van de wekelijks c.q. tweewekelijks ingezamelde overige afvalstoffen van dit bedrijfspand in het betreffende jaar. Het totale gewicht per belastingjaar wordt naar beneden afgerond op hele kilo&#226;&#8364;&#8482;s. Het gewicht van de wekelijks c.q. tweewekelijks ingezamelde afvalstoffen per inzamelbeurt per bedrijfspand, wordt vastgesteld als het verschil van het gewicht van de betreffende container v&#195;&#179;&#195;&#179;r lediging en het gewicht na lediging.


Artikel 14 Belastingjaar
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 15 Wijze van heffing
De rechten worden bij wege van aanslag geheven.

Artikel 16 Ontstaan van de belastingschuld en de heffing naar tijdsgelang 
1 De rechten bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel zijn verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 
2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is zijn de rechten als bedoeld in de onderdelen 2.1.2.1 en 2.1.2.2 van hoofdstuk 2 van de tarieventabel verschuldigd bij aanvang van de dienstverlening. 
3 Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, zijn de rechten, bedoeld in artikel 2.1.1 van de tarieventabel, verschuldigd voor zoveel volle kalendermaanden als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 
4 Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat voor de belasting als bedoeld in artikel 2.1.1 van de tarieventabel aanspraak op ontheffing voor zoveel volle kalendermaanden van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
5 Het derde en het vierde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist. 
6 Belastingbedragen van minder dan &#226;&#8218;&#172; 3,00 worden niet geheven.

Artikel 17 Termijn van betaling
1 In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten, op grond van artikel 7, eerste lid, de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, geldt, ingeval het totaalbedrag van de op &#195;&#169;&#195;&#169;n aanslagbiljet verenigde aanslagen reinigingsrechten minder bedraagt dan &#226;&#8218;&#172; 15,00 dit bedrag moet worden betaald in &#195;&#169;&#195;&#169;n termijn welke vervalt &#195;&#169;&#195;&#169;n maand na de dagtekening van het aanslagbiljet.
3 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, geldt, ingeval machtiging is verleend tot automatische incasso en het totaal bedrag op &#195;&#169;&#195;&#169;n aanslagbiljet verenigde aanslagen reinigingsrechten minimaal &#226;&#8218;&#172; 15,00 of maximaal &#226;&#8218;&#172; 2.500,00 bedraagt, de aanslagen moeten worden betaald in 3 gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt &#195;&#169;&#195;&#169;n maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 
4 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, geldt, ingeval machtiging is verleend tot automatische incasso en het totaal bedrag op &#195;&#169;&#195;&#169;n aanslagbiljet verenigde aanslagen afvalstoffenheffing bedraagt minder dan &#226;&#8218;&#172; 15,00, dit bedrag moet worden betaald in &#195;&#169;&#195;&#169;n termijn welke vervalt &#195;&#169;&#195;&#169;n maand na de dagtekening van het aanslagbiljet.
5 De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Hoofdstuk IV Aanvullende bepalingen

Artikel 18 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders
Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de reinigingsheffingen.

Artikel 19 Inwerkingtreding en citeertitel 
1 De &#226;&#8364;&#732;Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2011&apos; van 14 december 2010 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2 Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van bekendmaking.
3 De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.
4 Deze verordening wordt aangehaald als &#226;&#8364;&#732;Verordening reinigingsheffingen 2012&apos;.

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Grootegast 
in de openbare vergadering van 13 december 2011,


H. Kastermans, griffier K.B. Dijkstra, voorzitter
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening rioolheffing" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b25d6f999017d/versie-d0c5d46634b01e1a0134b32d2f9e0030.html">
	<tekst>
	&#239;&#187;&#191;Gemeente Grootegast

Verordening rioolheffing 2012

De raad van de gemeente Grootegast;

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 2 december 2011;

gelet op artikel 228a, van de Gemeentewet;

b e s l u i t :

vast te stellen de:

Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2012

Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Deze verordening verstaat onder:
a perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;
b gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling,verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;
c water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater of grondwater.

Artikel 2 Aard van de belasting
Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
a de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en
b de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht
1 Onder de naam &#226;&#8364;&#732;rioolheffing&#226;&#8364;&#8482; wordt een belasting geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.
2 Met betrekking tot het recht als bedoeld in het eerste lid, wordt, ingeval het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 4 Zelfstandige gedeelten
Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als &#195;&#169;&#195;&#169;n perceel worden aangemerkt.

Artikel 5 Maatstaf van heffing rioolheffing afvalwater
De rioolheffing afvalwater wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.

Artikel 6 Maatstaf van heffing rioolheffing hemel- en grondwater
De rioolheffing hemel- en grondwater wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.

Artikel 7 Vrijstelling
De belasting wordt niet geheven voor de percelen met enkel een aansluiting voor hemel- of grondwater, in het geval deze onbebouwd zijn en niet groter zijn dan 1.000m&#194;&#178; of bebouwde percelen die een WOZ-waarde hebben van minder dan &#226;&#8218;&#172; 15.000,--

Artikel 8 Belastingtarieven
1 Het tarief van het eigenarendeel van de rioolheffing afvalwater bedraagt &#226;&#8218;&#172; 248,40.
2 Het tarief van het eigenarendeel van de rioolheffing hemel- en grondwater bedraagt &#226;&#8218;&#172; 32,45.

Artikel 9 Belastingjaar
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 10 Wijze van heffing
De belasting als bedoeld in artikel 3 wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 11 Ontstaan van de belastingschuld
De belasting als bedoeld in artikel 3 is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar.

Artikel 12 Termijn van betaling
1 In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2 In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op &#195;&#169;&#195;&#169;n aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar &#195;&#169;&#195;&#169;n aanslag bevat, het bedrag daarvan, minder is dan &#226;&#8218;&#172; 2.500,00 , en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen of in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van de dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste drie bedraagt.
De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de volgende termijnen telkens een maand later.
3 De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 13 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders
Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van rioolheffing.

Artikel 14 Inwerkingtreding en citeertitel 
1 De &#226;&#8364;&#339;Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2011&#226;&#8364;&#65533; van 14 december 2010 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2 Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van bekendmaking.
3 De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.
4 Deze verordening wordt aangehaald als &#226;&#8364;&#339;Verordening rioolheffing 2012&#226;&#8364;&#65533;.

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Grootegast 
in de openbare vergadering van 13 december 2011,


H. Kastermans, griffier K.B. Dijkstra, voorzitter
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening toeristenbelasting (Vervallen)" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b21eb5a690168/versie-d0c5d4661e2c0f0c011f40d2bf0200f5.html">
	<tekst>
	Gemeente Grootegast
Intrekkingsverordening Toeristenbelasting 2008

De raad van de gemeente Grootegast;

gezien het besluit van de gemeenteraad dd. 4 november 2008 om de toeristenbelasting af te schaffen; 

gelet op artikel 224 van de Gemeentewet;

b e s l u i t :

vast te stellen de:

Verordening tot intrekking van de verordening op de heffing en de invordering van toeristenbelasting 2008.
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Met ingang van 1 januari 2009 wordt de verordening Toeristenbelasting 2008 ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 2 Inwerkingtreding en citeertitel
1.Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking.
2.De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2009.
3.Deze verordening wordt aangehaald als &#8220;Intrekkingsverordening Toeristenbelasting 2008&#8221;.

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Grootegast 
in de openbare vergadering van 16 december 2008,

H. Kastermans, griffier				K.B. Dijkstra, voorzitter
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening uitgangspunten financieel beleid" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b2b32d7c701e7/versie-d0c5d466192e0ce6011b2b32d7c701e8.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast 

gelet op artikel 212 van de Gemeentewet,

B E S L U I T:

vast te stellen:

de 
&#8216;Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financi&#235;le organisatie van de gemeente Grootegast&#8217;.


Artikel 1. Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
a.organisatie-eenheid: iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie die als zodanig een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college heeft.
b.administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente Grootegast en ten behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd.
c.financi&#235;le administratie: het onderdeel van de administratie dat omvat het systematisch maken en verwerken van aantekeningen betreffende de financi&#235;le gegevens van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente Grootegast, teneinde te komen tot een goed inzicht in:
1de financieel-economische positie;
2het financi&#235;le beheer;
3de uitvoering van de begroting;
4het afwikkelen van vorderingen en schulden;
5alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover.
d.administratieve organisatie: het stelsel van organisatorische maatregelen gericht op het tot stand brengen en het in stand houden van de goede werking van de bestuurlijke en ambtelijke informatieverzorging ten behoeve van de verantwoordelijke leiding.
e.financieel beheer: het uitoefenen van bestuur over en toezicht op het beheer van middelen en het uitoefenen rechten van de gemeente Grootegast.
f.rechtmatigheid: het in overeenstemming zijn met geldende wet- en regelgeving, waaronder gemeentelijke verordeningen en raadsbesluiten. 
g.doelmatigheid: het realiseren van bepaalde prestaties met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen.
h.doeltreffendheid: de mate waarin de beoogde maatschappelijke effecten van het beleid ook daadwerkelijk worden behaald.

Titel 1. Begroting en verantwoording

Kaderstellen

Artikel 2. Programmabegroting
1.De raad stelt in ieder geval bij (of zo spoedig mogelijk na) aanvang van de nieuwe raadsperiode een programma-indeling vast.
2.De raad stelt per programma vast:
ade beoogde maatschappelijke effecten: &#8220;wat willen we bereiken?&#8221;;
bde te leveren goederen en diensten: &#8220;wat gaan we daarvoor doen?&#8221;;
cde baten en lasten: &#8220;wat mag het kosten?&#8221;.
3.Het college stelt per programma indicatoren voor met betrekking tot de beoogde maatschappelijke effecten en de te leveren goederen en diensten.
4.De raad stelt de indicatoren, bedoeld in het derde lid, vast.
5.Het college draagt zorg voor het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde goederen en diensten en de maatschappelijke effecten, opdat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst.

Artikel 3. Producten
1.Bij iedere begroting en jaarstukken wordt een overzicht gegeven van de toedeling van de producten uit de productraming aan de programma&#8217;s.
2.De onderverdeling van de programma&#8217;s in de producten staat voor de raadsperiode vast, tenzij er dringende redenen zijn tot wijzigen. Wijzigingen worden bij de begroting expliciet vermeld.

Artikel 4. Kaders begroting
1.Het college biedt uiterlijk 1 juni van het begrotingsjaar een nota aan over de kaders voor het volgende begrotingsjaar en de drie opvolgende jaren. In deze nota worden de bevindingen betrokken uit de rapportage van de begrotingsuitvoering bedoeld in artikel 7 en de jaarstukken bedoeld in artikel 8.
2.De raad stelt deze nota uiterlijk 1 juli van het begrotingsjaar vast.

Uitvoering

Artikel 5. Uitvoering begroting
1.Het college stelt regels die waarborgen dat de uitvoering van de begroting rechtmatig, doelmatig en doeltreffend verloopt.
2.Het college draagt ten aanzien van de productenraming er zorg voor dat:
ade lasten en baten, door middel van kostentoerekening, eenduidig zijn toegewezen aan de producten van de productraming; 
bde budgetten uit de productraming en kredieten voor investeringen passen binnen de kaders zoals geautoriseerd bij de vaststelling van de uiteenzetting van de financi&#235;le positie;
cde lasten van de producten niet dusdanig worden overschreden dat de realisatie van andere producten binnen hetzelfde programma onder druk komt.
3.Het college draagt er zorg voor dat de lasten van de programma&#8217;s zoals geautoriseerd in de (gewijzigde) begroting niet worden overschreden. 
 
Beheersing en Interne controle

Artikel 6. Interne controle
1.Het college draagt ten behoeve van het getrouwe beeld en de rechtmatigheid van de jaarrekening zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.
2.Het college draagt zorg voor de interne toetsing van bedrijfsonderdelen op juistheid, volledigheid en tijdigheid van de bestuurlijke informatievoorziening, de rechtmatigheid van beheershandelingen en op misbruik en oneigenlijk gebruik van de gemeentelijke regelingen. 
3.Het college zorgt op basis van de resultaten van de toets bedoeld in het tweede lid indien nodig voor een plan van verbetering. Het college neemt op basis van het plan van verbetering maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.
4.De resultaten van de toets en het plan van verbetering worden ter kennisgeving aan de raad aangeboden.

Rapportage en Verantwoording

Artikel 7. Tussentijdse rapportage en informatie
1.Het college informeert de raad door middel van tussentijdse rapportages (&#8220;Voortgangsrapportages&#8221;) over de realisatie van de begroting van de gemeente over de eerste drie maanden en de eerste acht maanden van het lopende boekjaar.
2.Deze rapportages worden aan de raad aangeboden op de volgende tijdstippen:
ade driemaands rapportage v&#243;&#243;r 15 mei van het lopende begrotingsjaar;
bde achtmaands rapportage v&#243;&#243;r 15 oktober van het lopende begrotingsjaar.
3.De inrichting van de rapportages sluit aan bij de programma-indeling van de begroting.
4.De rapportages gaan in op afwijkingen, zowel wat betreft de lasten, de geleverde goederen en diensten en indien daar aanleiding voor is de maatschappelijke effecten. In de rapportages wordt in ieder geval aandacht besteed aan afwijkingen van:
ainkomsten uit de algemene uitkering;
bde rente-ontwikkeling op de kapitaalmarkt;
cresultaten uit grondexploitatie;
drealisatie op begrote subsidieverwachtingen.
5.Het college informeert in ieder geval vooraf de raad en neemt pas een besluit, nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen voorzover het betreft niet bij begroting vastgestelde afzonderlijke verplichtingen inzake:
ainvesteringen groter dan &#8364; 100.000;
baankoop en verkoop van goederen en diensten groter dan &#8364; 25.000;
chet verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan &#8364; 25.000.
6.Het college informeert vooraf de raad en neemt pas een besluit nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen indien het college nieuwe meerjarige verplichtingen aangaat waarvan de jaarlijkse lasten groter zijn dan &#8364; 10.000.

Artikel 8. Jaarstukken
1.Het college draagt zorg voor een adequate vertaling van de verantwoording van de diensten naar de productenrealisatie en naar de programma verantwoording.
2.Het college legt verantwoording af over de uitvoering van de programma&#8217;s. In de verantwoording geeft het college aan:
awat is bereikt;
bwelke goederen en diensten zijn geleverd;
cwat de kosten zijn;
dhoe de resultaten zich verhouden tot de in de begroting gestelde doelen.
3.De raad bepaalt aan de hand van de uitvoering van de programma&#8217;s of de beleidsdoelen van de programma&#8217;s voor het lopende jaar bijstelling behoeven.

Titel 2. Financi&#235;le positie

Kaderstellen

Artikel 9. Financi&#235;le positie
1.Het college draagt er zorg voor, dat al het beleid waartoe de raad heeft besloten, in de uiteenzetting van de financi&#235;le positie en de meerjarenramingen is opgenomen.
2.Het totaalbedrag aan verleende garanties en waarborgen worden bij de uiteenzetting van de financi&#235;le positie expliciet vermeld.
3.De raad autoriseert met het vaststellen van de financi&#235;le positie de investeringskredieten.

Artikel 10. Waardering &amp; afschrijving vaste activa
1.Geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief het saldo van agio en disagio worden lineair in ten hoogste 4 jaar afgeschreven.
2.Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.
3.De materiele vaste activa met economisch nut, zoals bedoeld in artikel 35 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, worden afgeschreven op de wijze zoals genoemd in de nota Afschrijvingsbeleid en in de termijnen, zoals vermeld in de tabel bij deze nota. Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan &#8364; 10.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Deze laatst genoemden worden altijd geactiveerd.
4.Onder activa met een meerjarig maatschappelijk nut, zoals bedoeld in artikel 35 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, kunnen worden verstaan investeringen in aanleg en onderhoud van onder andere: (inrichting) wegen, waterwegen, civiele kunstwerken, groen en kunstwerken.
5.Aankoop en vervaardiging van activa met een meerjarig maatschappelijk nut worden onder aftrek van bijdragen van derden en bestemmingsreserves ten laste van de exploitatie gebracht. Hiervan kan bij raadsbesluit worden afgeweken. In geval van activering bij raadbesluit wordt het actief afgeschreven op de wijze zoals in het raadsbesluit is vermeld en over de verwachte levensduur van het actief of een kortere, door de raad aan te geven tijdsduur.

Artikel 11. Voorziening voor oninbare vorderingen
1.Voor openstaande vorderingen betreffende:
aonroerende zaakbelasting gebruikers;
bonroerende zaakbelasting eigenaren;
crioolrechten;
den reinigingsrechten;
wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historische  percentage van oninbaarheid.
2.Voor de overige vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen ouder dan drie maanden.
3.De voorziening genoemd in lid 1 en lid 2 wordt niet eerder gevormd dan wanneer in drie achtereenvolgende jaren meer dan &#8364; 15.000 per jaar oninbaar is verklaard. 

Artikel 12. Reserves en voorzieningen
1.Het college biedt  tenminste eenmaal in de vier jaar een (bijgestelde) nota reserves en voorzieningen aan.
2.De nota behandelt:
ade vorming en besteding van reserves;
bde vorming en besteding van voorzieningen;
cde toerekening en verwerking van rente over de reserves en de voorzieningen, in relatie tot de nota weerstandsvermogen bedoeld in artikel 17.
3.De raad stelt de nota vast binnen drie maanden nadat de nota is aangeboden.

Artikel 13. Kostprijsberekening
1.Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van producten en diensten van de gemeente wordt een systeem van kostentoerekening gehanteerd. Bij de kostentoerekening worden naast de directe kosten alleen die indirecte kosten betrokken, die rechtstreeks samenhangen met de door de gemeente verleende diensten.
2.Bij de indirecte kosten worden betrokken de bijdragen aan reserves voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa, de kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa en voor rioolrechten, reinigingsrechten en afvalstoffenheffing de compensabele BTW.
3.De omslagrente voor de rentetoerekening van de kapitaallasten wordt bepaald door het rentetotaal van de uitstaande leningen, de bij begroting vastgestelde gecalculeerde rente over het eigen vermogen en voorzieningen en de rente over het tekort aan financieringsmiddelen.

Artikel 14: Financieringsfunctie 
In het (vastgestelde) treasurystatuut zijn de regels opgenomen voor het treasurybeheer en treasuryfunctie die als volgt wordt gedefinieerd: het sturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financi&#235;le vermogenswaarden, de financi&#235;le geldstromen, de financi&#235;le posities en de hieraan verbonden risico&#180;s.
.
Artikel 15. Registratie bezittingen, activa en vermogen
1.Het college draagt zorgt voor een actuele en volledige registratie van bezittingen. In de registratie worden ook opgenomen niet-geactiveerde kunstvoorwerpen met cultuurhistorische waarde en de niet- of netto-geactiveerde investeringen in de openbare ruimte.
2.Het college draagt er zorg voor, dat de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de gemeente systematisch worden gecontroleerd, met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de (debiteuren-) vorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen en de (crediteuren-) schulden jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen tenminste eenmaal in de 4 jaar.
3.Bij afwijkingen in de registratie van bezittingen neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen. De resultaten van de controle en eventuele plannen van verbetering worden ter kennisgeving aan de raad aangeboden.

Titel 3. Paragrafen

Artikel 16. Lokale heffingen
1.De paragraaf lokale heffingen in de programmabegroting behandelt in ieder geval:
ade samenstelling van het pakket aan gemeentelijke belastingen en heffingen;
bde verdeling van de druk van de belastingen over de diverse bevolkingsgroepen en belanghebbenden;
cde kostendekkendheid van de heffingen;
dde druk van de lokale belastingen en heffingen;
ehet kwijtscheldingsbeleid en het tarievenbeleid. 	
2.Voorts wordt in de paragraaf lokale heffingen een overzicht gegeven van de verordeningen met de bijbehorende vaststellingsdata waarin tarieven, heffingen en prijzen zijn vastgelegd. Het college draagt er zorg voor dat er een actueel overzicht is van de tarieven, heffingen, prijzen en kosten per verstrekte dienst. 
3.Voor het vaststellen van de hoogte van gemeentelijke tarieven, heffingen en prijzen door de raad verstrekt het college aan de raad per verordening de actueel geraamde hoeveelheden per door de gemeente verstrekte dienst, waarover de tarieven, heffingen en prijzen in rekening worden gebracht en per verordening het totaal van de geraamde kosten van de erin genoemde door de gemeente verstrekte diensten.
4.Bij de programmabegroting en jaarstukken doet het college in de paragraaf lokale heffingen verslag van: de opbrengsten per lokale heffing, het volume en bedrag aan kwijtscheldingen, de kostendekkendheid van de rioolrechten en de afvalstoffenheffing; de (ontwikkeling van de) lokale lastendruk voor eenpersoonshuishoudens, meerpersoonshuishoudens en bedrijven.

Artikel 17. Weerstandsvermogen en risicomanagement
1.Het college biedt eenmaal in de vier jaar een (bijgestelde) nota weerstandsvermogen en risicomanagement aan. In deze nota wordt ingegaan op het risicomanagement, het opvangen van risico&#8217;s door verzekeringen, voorzieningen, het weerstandsvermogen of anderszins. In de nota wordt tevens het gewenste weerstandscapaciteit bepaald. De raad stelt de nota vast binnen drie maanden nadat de nota is aangeboden. 
2.Het college geeft aan in de paragraaf weerstandsvermogen van de programmabegroting en van de jaarstukken de risico&#8217;s van materieel belang  en een inschatting van de kans dat deze risico&#8217;s zich voordoen. Het college brengt hierbij in elk geval de risico&#8217;s in beeld en actualiseert de risico&#8217;s genoemd in de nota bedoeld in het eerste lid. Hierbij wordt speciale aandacht gegeven aan:
ategenvallende rente-ontwikkeling op de kapitaalmarkt;
btegenvallende resultaten uit grondexploitatie;
ctegenvallende realisatie op begrote subsidieverwachtingen;
dlopende en te verwachten claims van derden;
enog niet getaxeerde kosten van (vermoede) milieuverontreiniging;
foverschrijding openeinde regelingen en subsidies;
gdreigend faillissement van verbonden partijen;
hdreigend faillissement van derden bij wie borgstellingen, garanties, leningen of vorderingen uitstaan.
3.Het college geeft aan in de paragraaf weerstandsvermogen van de programmabegroting en van de jaarstukken de weerstandscapaciteit en in hoeverre schade en verliezen als gevolg van de risico&#8217;s van materieel belang met de weerstandscapaciteit kunnen worden opgevangen.

Artikel 18. Onderhoud kapitaalgoederen
1.De paragraaf onderhoud kapitaalgoederen in de programmabegroting geeft het kader weer voor de inrichting van het onderhoud en het beoogde onderhoudsniveau voor het openbaar groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair en eveneens de normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag. 
2.Het college biedt ten minste eens in de vijf jaar een gemeentelijk rioleringsplan (GRP) aan. Dit plan geeft het kader weer voor de inrichting van het onderhoud, het beoogde onderhoudsniveau en de uitbreiding van de riolering alsmede de kwaliteit van het milieu en eveneens de normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag. De raad stelt de nota vast binnen drie maanden nadat het is aangeboden.
3.In de paragraaf behorende bij de jaarlijkse begroting worden tevens voorstellen gedaan voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen en eveneens de normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag. 
4.Bij de programmabegroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen verslag over de voortgang van het geplande onderhoud en het eventuele achterstallig onderhoud aan openbaar groen, water, wegen, kunstwerken, straatmeubilair, riolering, gebouwen etc.

Artikel 19. Financiering
Bij de programmabegroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf financiering in ieder geval verslag van:
a.de kasgeldlimiet;
b.de renterisico norm;
c.de liquiditeitsplanning en de financieringsbehoefte voor de komende drie jaar;
d.de rentevisie;
e.de rentekosten en rente-opbrengsten verbonden aan de financieringsfunctie.

Artikel 20. Bedrijfsvoering
1.In de paragraaf bedrijfsvoering in de programmabegroting wordt aandacht geschonken aan de relatie tussen het gemeentelijk apparaat en de inwoners van de gemeente.
2.In de paragraaf bedrijfsvoering in het jaarverslag wordt gerapporteerd over de bij de begroting bepaalde onderwerpen aangaande de bedrijfsvoering alsmede over nieuwe ontwikkelingen. Daarbij wordt speciale aandacht gegeven aan:
aaantal personeelsleden in dienst ;
bde instroom, uitstroom en het percentage ziekteverzuim van personeel;
cde loonkosten;
dde kosten inhuren derden;
ede huisvestingskosten;
fde stand van zaken m.b.t. de gemeentelijke automatisering en de daarmee gemoeide kosten;
gontwikkelingen m.b.t. de inrichting en ontwikkeling van de organisatie;
hde gemeentelijke huisvesting;
ihet gemeentelijk materieel.
3.Het college rapporteert in de paragraaf bedrijfsvoering van de programmabegroting en jaarstukken over de voortgang van de onderzoeken naar de doelmatigheid en doeltreffendheid, bedoeld in artikel 213a Gemeentewet en de uitputting van de bijbehorende budgetten.

Artikel 21. Verbonden partijen
1.In de paragraaf verbonden partijen in de programmabegroting wordt van elk van de verbonden partijen weergegeven het openbaar belang, het eigen vermogen, de solvabiliteit, het financieel resultaat en het financieel belang en de zeggenschap van de gemeente.
2.De paragraaf bevat voorts de kaders voor het beleid aangaande (het aangaan van nieuwe) participaties met name de condities waaronder het publiek belang is gediend met behartiging door verbonden partijen, de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de verbonden partijen en de financi&#235;le voorwaarden.
3.In de programmabegroting en de jaarstukken wordt in de paragraaf verbonden partijen in elk geval ingegaan op nieuwe verbonden partijen, het be&#235;indigen van bestaande verbonden partijen, het wijzigen van bestaande verbonden partijen en eventuele problemen bij bestaande verbonden partijen.

Artikel 22. Grondbeleid
1.In de paragraaf grondbeleid van de programmabegroting wordt aandacht besteed aan:
ade relatie met de programma&#8217;s van de begroting;
bde strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente;
cte ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;
dde voorraadverwerving en uitgifte van gronden;
ede uitgifte van gronden in erfpacht en de bijstelling van erfpachtvergoedingen.
2.In de paragraaf grondbeleid van de programmabegroting en de jaarstukken wordt ingegaan op de uitvoering van het grondbeleid, met name de belangrijkste financi&#235;le ontwikkelingen zoals verlies/winstverwachtingen, de verwerving van gronden e.d. en de relaties van het grondbeleid met de programma&#8217;s.

Artikel 23. Verstrekking subsidies
1.Het college biedt tenminste eens in de vier jaar een (bijgestelde) nota verstrekking gemeentelijke subsidies aan. De nota bevat het kader voor de verstrekking van gemeentelijke subsidies en een overzicht van de toegekende gemeentelijke subsidies.
2.De raad stelt de nota vast binnen drie maanden na aanbieding van de nota door het college.

Titel 4. Financi&#235;le organisatie en administratie

Artikel 24. Administratie
De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:
a.het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de organisatie-eenheden;
b.het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van activa met economisch nut, activa met maatschappelijk nut, voorraden, vorderingen en schulden, enzovoorts;
c.het verschaffen van informatie aan de budgethouders en voor het maken van kostencalculaties;
d.het bevorderen van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en ter zake geldende wet- en regelgeving;
e.het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en ter zake geldende wet- en regelgeving;
f.de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen.

Artikel 25. Financi&#235;le administratie
Het college draagt er zorg voor dat:
a.de inrichting en de werking van de financi&#235;le administratie voldoet aan het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten en andere relevante wet- en regelgeving;
b.de vereiste informatie verstrekt wordt aan het rijk, de provincie en de Europese Unie, alsmede   aan andere instellingen die specifieke verantwoordingsverplichtingen opleggen aan gemeenten.

Artikel 26. Financi&#235;le organisatie
Het college draagt de zorg voor en legt (in een besluit) vast:
a.een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de organisatie-eenheden;
b.een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie aan beleids- en beheersorganen is gewaarborgd;
c.de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;
d.de regels voor de opdrachtverlening en de verrekening van leveringen tussen de organisatie-eenheden van de gemeente;
e.de te maken afspraken met de organisatie-eenheden over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;
f.de regels voor de verlening van d&#233;charge over het gevoerde beheer van de diensten.

Artikel 27. Aanbesteding en inkoop
Het college draagt zorg voor en legt (in een besluit) vast de interne regels (protocol) voor de inkoop en aanbesteding van werken en diensten. De regels waarborgen dat wordt gehandeld in overeenstemming met de regels terzake van de Europese Unie.

Artikel 28. Subsidieverstrekking en steunverlening
Het college draagt zorg voor en legt (in een besluit) vast de interne regels (protocol) voor de toekenning van steunverlening aan ondernemingen en subsidies. De regels waarborgen dat wordt gehandeld in overeenstemming met de regels terzake van de Europese Unie en de subsidieverordening van de gemeente Grootegast. 

Titel 5. Slotbepalingen

Artikel 29. Inwerkingtreding
Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking per 1 januari 2005 onder gelijktijdige intrekking van de vastgestelde &#8220;Financi&#235;le verordening gemeente Grootegast 2003&#8221; van 11 november 2003, met dien verstande dat de begroting, meerjarenraming, de jaarstukken, de uitvoeringsinformatie en de informatie voor derden en de daarbij behorende toelichtingen met ingang van de begroting voor het begrotingsjaar 2005 nagenoeg voldoen aan de bepalingen van deze verordening.

Artikel 30. Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald onder de naam &#8220;Financi&#235;le verordening gemeente Grootegast 2005&#8221;.

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 13 december 2005,

H.R. Kastermans, griffier

K.B. Dijkstra, voorzitter
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening voor controle financieel beheer en inrichting financi&#235;le organisatie" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b2bc1860601fc/versie-d0c5d4661e2c0f0c0120e74624d001ea.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast,

gelet op artikel 213 Gemeentewet en het Besluit accountantscontrole gemeenten,

B E S L U I T

vast te stellen:

&#8216;Verordening voor de controle op het financieel beheer en op de inrichting van de financi&#235;le organisatie van de gemeente Grootegast&#8217;.

Artikel 1. Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:

a.	accountant
een door de raad benoemde:
registeraccountant of
accountant-administratieconsulent met een aantekening in het inschrijvingsregister als bedoeld in het derde lid van artikel 36, Wet op de Accountant-Administratieconsulenten of
organisatie waarin voor de accountantscontrole bevoegde accountants samenwerken,
belast met de controle van de in artikel 197 Gemeentewet bedoelde jaarrekening.

b.	accountantscontrole
de controle van de in artikel 197 Gemeentewet bedoelde jaarrekening uitgevoerd door de door de raad benoemde accountant van:
het getrouwe beeld van de in de jaarrekening gepresenteerde baten en lasten en de grootte en samenstelling van het vermogen;
het rechtmatig tot stand komen van de baten en lasten en balansmutaties;
het in overeenstemming zijn van de door het college opgestelde jaarrekening met de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels bedoelt in artikel 186 Gemeentewet;
de inrichting van het financieel beheer en de financi&#235;le organisatie gericht op de vraag of deze een getrouwe en rechtmatige verantwoording mogelijk maken;
waarbij de nadere regels die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden gesteld op grond van het zesde lid van artikel 213 Gemeentewet, in acht worden genomen. 

c.	rechtmatigheid in het kader van de accountantscontrole
het overeenstemmen van het tot stand komen van de financi&#235;le beheershandelingen en de vastlegging daarvan met de relevante wet- en regelgeving, zoals bedoeld in het Besluit accountantscontrole gemeenten.

d.	deelverantwoording
een in opdracht van de raad ten behoeve van de verslaglegging opgestelde verantwoording van een afzonderlijke organisatie-eenheid binnen de gemeentelijke organisatie, welke verantwoording onderdeel uit maakt van de jaarrekening.
Artikel 2. Opdrachtverlening accountantscontrole
1.De accountantscontrole  wordt opgedragen aan een door de raad te benoemen accountant. De benoeming van de accountant geschiedt voor een periode van maximaal 4 jaar.
2.Het college bereidt in overleg met de raad de aanbesteding van de accountantscontrole voor.
3.De raad stelt voor de aanbesteding van de accountantscontrole het programma van eisen vast. In het programma van eisen worden voor de jaarlijkse accountantscontrole opgenomen:
a.de toe te passen goedkeuringstoleranties (en afwijkende rapporteringstoleranties) bij de controle van de jaarrekening (ten aanzien van  fouten in de jaarrekening 1 % van de omvangsbasis en ten aanzien van onzekerheden in  de controle 3 % van de omvangsbasis);
b.de apart te controleren deelverantwoordingen en de daarbij toe te passen omvangsbases en goedkeuringstoleranties (en afwijkende rapporteringstoleranties );
c.de inrichtingseisen voor het verslag van bevindingen;
d.de eventueel aanvullende uit te voeren tussentijdse controles;
e.de frequentie en inrichtingseisen van de aanvullende tussentijdse rapportering;
f.en voor ieder afzonderlijk te controleren begrotingsjaar:
g.de posten van de jaarrekening en deelverantwoordingen met bijbehorende afwijkende rapporteringstoleranties, waaraan de accountant bij zijn controle specifiek aandacht dient te besteden;
h.de gemeentelijke functies/producten en of organisatieonderdelen met bijbehorende afwijkende rapporteringstoleranties, waaraan de accountant bij zijn controle specifiek aandacht dient te besteden.
4.In afwijking van het gestelde in lid 3, letters f en g kan de raad in het programma van eisen opnemen, dat de raad jaarlijks voorafgaand aan de accountantscontrole in overleg met de accountant vaststelt de posten van de jaarrekening, de posten van de deelverantwoordingen, de gemeentelijke producten en de gemeentelijke organisatieonderdelen, waaraan de accountant bij zijn controle specifiek aandacht dient te besteden en welke rapporteringstoleranties hij daarbij dient te hanteren.
5.In geval van Europese aanbesteding van de accountantscontrole stelt de raad voor de selectie van de accountant de selectiecriteria vast en per selectiecriterium de bijbehorende weging vast.
Artikel 3. Informatieverstrekking door college
1.Het college is verantwoordelijk voor de samenstelling van de jaarrekening conform de geldende interne- en externe wet- en regelgeving en overlegt deze aan de accountant voor controle.
2.Het college draagt er zorg voor dat alle aan de jaarrekening ten grondslag liggende verordeningen, nota&#8217;s, collegebesluiten, deelverantwoordingen, administraties, plannen, overeenkomsten, berekeningen e.d. voor de accountant ter inzage liggen en goed toegankelijk zijn.
3.Bij de jaarrekening bevestigt het college schriftelijk aan de accountant, dat alle hem bekende informatie van belang voor de oordeelsvorming van de accountant is verstrekt.
4.Het college overlegt de gecontroleerde jaarrekening samen met de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen voor uiterlijk 1 juni van elk jaar aan de raad.
5.Alle informatie die na afgifte van de accountantsverklaring en voor behandeling van de jaarrekening in de raad beschikbaar komt en die van invloed is op het beeld dat de jaarrekening geeft, wordt terstond door het college aan de raad en de accountant gemeld.
Artikel 4. Inrichting accountantscontrole
1.De accountant bepaalt binnen het kader van de opdrachtverlening de wijze waarop de accountantscontrole wordt ingericht, alsmede de aard en de omvang van de daarbij behorende werkzaamheden.
2.De accountant bepaalt binnen het kader van de opdrachtverlening de frequentie van de uit te voeren controles. De accountant kan de controlewerkzaamheden zonder voorafgaande kennisgeving uitvoeren.
3.Ter bevordering van een effici&#235;nte en doeltreffende accountantscontrole kan periodiek (afstemmings-) overleg plaatsvinden tussen de accountant en (een vertegenwoordiger uit) de raad, (een vertegenwoordiger van) de rekenkamer(functie), de portefeuillehouder Middelen, de gemeentesecretaris en het hoofd afdeling Middelen.
Artikel 5. Toegang tot informatie
1.De accountant is bevoegd tot het opnemen van alle kassen, waardepapieren en voorraden en het inzien van alle boeken, notulen, brieven, computerbestanden en overige bescheiden, waarvan hij inzage voor de accountantscontrole nodig oordeelt. Het college draagt er zorg voor dat de accountant voor de uitvoering van zijn controlewerkzaamheden een onbelemmerde  toegang heeft tot alle kantoren, magazijnen, werkplaatsen, terreinen en informatiedragers van de gemeente.
2.De accountant is bevoegd om van alle ambtenaren mondelinge en schriftelijke inlichtingen en verklaringen te verlangen die hij voor de uitvoering van zijn opdracht denkt nodig te hebben. Het college draagt er zorg voor, dat de desbetreffende ambtenaren hieraan hun medewerking verlenen.
3.Het college draagt er zorg voor, dat alle organisatie-eenheden van de gemeente zijn gehouden de accountant alle informatie te verstrekken, opdat de accountant zich een juist en volledig oordeel kan vormen over de rechtmatige totstandkoming van baten, lasten, balansmutaties en het gevoerde beheer en over de getrouwheid van de daarover verstrekte informatie.
Artikel 6. Overige controles en opdrachten
1.Het college kan de door de raad benoemde accountant opdracht geven tot het uitvoeren van specifieke werkzaamheden met betrekking tot de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid voor zover de onafhankelijkheid van de accountant daarmee niet in het geding komt. Het college informeert de raad vooraf over deze aan de accountant te verstrekken opdrachten.
2.Het college draagt de zorg voor de uitvoering van het beleid betreffende de specifieke uitkeringen volgens de eisen van rechtmatigheid van de ministeries. Het college is voor de controle van de rechtmatige besteding van specifieke uitkeringen bevoegd de opdracht te verlenen aan een andere dan de door de raad benoemde accountant, indien dit in het belang van de gemeente is.
3.Het college draagt de zorg voor de verantwoording aan derden (Belastingdienst, ABP, Sociale verzekeringsbank, CBS, e.d.) en neemt hierbij de gestelde controle-eisen in acht. Indien een deel van deze vereisten moet worden uitgevoerd door een accountant, is het college bevoegd hiervoor de opdracht verlenen aan een andere dan de door de raad benoemde accountant, indien dit in het belang van de gemeente is.
Artikel 7. Rapportering
1.Indien de accountant bij een controle afwijkingen constateert die leiden tot het niet afgeven van een goedkeurende verklaring, meldt hij deze terstond schriftelijk aan de raad en zendt een afschrift hiervan aan het college.
2.In aanvulling op het in de wet voorgeschreven verslag van bevindingen brengt de accountant over de door hem uitgevoerde (deel)controles verslag uit over zijn bevindingen van niet van bestuurlijk belang aan de ambtenaar van wie het geldelijk beheer, het vermogensbeheer, de administratie en de beheersdaden zijn gecontroleerd, het hoofd van de afdeling waar de ambtenaar werkzaam is, het hoofd Middelen dan wel andere daarvoor in aanmerking komende ambtenaren.
3.De accountantsverklaring en het verslag van bevindingen worden voor verzending aan de raad door de accountant aan het college voorgelegd met de mogelijkheid voor het college om op deze stukken te reageren.
4.De accountant bespreekt voorafgaand aan de raadsbehandeling van de jaarstukken het verslag van bevindingen met de raad of een voor dit doel door de raad ingestelde vertegenwoordiging daarvan.
Artikel 8. Inwerkingtreding
Deze verordening treedt met terug werkende kracht in werking per 1 oktober 2008 onder gelijktijdige in trekking van de vastgestelde &#8220;Verordening voor de controle op het financieel beheer en op de inrichting van de financiele organisatie van de gemeente Grootegast 2005&#8221; van 13 december 2005. 
Artikel 9. Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als &#8220;Controleverordening gemeente Grootegast 2005&#8221;.

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 16 december 2008,

H.R. Kastermans, griffier			            K.B. Dijkstra, voorzitter
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening winkeltijden" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011bb17ab7820438/versie-d0c5d466256f74de012607ec63430083.html">
	<tekst>
	Verordening winkeltijden gemeente Grootegast

De raad van de gemeente Grootegast,

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 17 november 2009,

gelet op de Winkeltijdenwet en artikel 149 van de Gemeentewet, besluit vast te stellen de volgende:

&#8216;Verordening winkeltijden gemeente Grootegast&#8217;
Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
a.de wet: de Winkeltijdenwet;
b.feestdagen: nieuwjaarsdag, tweede paasdag, hemelvaartsdag, tweede pinksterdag, eerste kerstdag en tweede kerstdag.
Artikel 2 Beslistermijn
1)Het college van burgemeester en wethouders beslist op een aanvraag van een ontheffing binnen 4 weken.
2)Het college van burgemeester en wethouders kan de beslissing voor ten hoogste 4 weken verdagen.
Artikel 3 Overdracht van de ontheffing
1)Ontheffingen op grond van deze verordening zijn overdraagbaar na verkregen toestemming van het college van burgemeester en wethouders.
2)In geval van een voorgenomen overdracht van de in het eerste lid bedoelde ontheffingen doet de houder van de ontheffing hiervan onmiddellijk schriftelijk mededeling aan het college van burgemeester en wethouders onder vermelding van de naam en het adres van de voorgestelde rechtverkrijgende.
Artikel 4 Intrekken of wijzigen van de ontheffing
Het college van burgemeester en wethouders kan een ontheffing intrekken of wijzigen indien:
a.ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de ontheffing is vereist;
c.het gebruik van de winkel of de uitoefening van een bedrijf anders dan in een winkel op basis van de ontheffing gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of het woon en leefklimaat ter plaatse;
d.de aan de ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
e.van de ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;
f.de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.
Artikel 5 Ontheffing zon- en feestdagenregeling voor afzonderlijke situaties
Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van de in artikel 2 van de wet vervatte verboden, voorzover deze betrekking hebben op de zondag, nieuwjaarsdag, tweede paasdag, hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en eerste of tweede kerstdag, ten behoeve van:
a.bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard;
b.het uitstallen van goederen.
Artikel 6 Verbod straatverkoop bepaalde goederen op zon- en feestdagen
Het college van burgemeester en wethouders kan bepalen dat de vrijstelling genoemd in artikel 12 van het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet niet geldt voor de gehele gemeente of voor een of meer delen van de gemeente.
Artikel 7 Openstelling op werkdagen tussen 22.00 en 06.00 uur
1)Het college van burgemeester en wethouders kan op aanvraag ontheffing verlenen van de verboden van artikel 2 van de wet, voorzover deze betrekking hebben op werkdagen.
2)De ontheffing kan worden geweigerd indien de woon en leefsituatie of de openbare orde in de omgeving van de winkel op ontoelaatbare wijze nadelig wordt be&#239;nvloed door de openstelling van de winkel.
Artikel 8 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgende op die waarop deze bekend is gemaakt.
Artikel 9 Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als &apos;Verordening winkeltijden gemeente Grootegast&apos;.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 15 december 2009.


H.R. Kastermans, griffier				K.B. Dijkstra, voorzitter

Artikelsgewijze toelichting op de Verordening winkeltijden gemeente Grootegast

Artikel 1 Begripsbepalingen
Voor de omschrijving van het begrip feestdagen is aansluiting gezocht bij artikel 2 van de wet.
Koninginnedag is in de wet niet meer aangemerkt als een feestdag.
Artikel 3 Overdracht van de ontheffing
De bepaling bindt de overdracht van de ontheffing aan de toestemming van burgemeester en wethouders. Deze tussenkomst geeft het college de gelegenheid om inzicht te krijgen in de handel en wandel van de opvolger.
Artikel 5 Ontheffing zon- en feestdagenregeling voor afzonderlijke situaties
Het artikel is gebaseerd op artikel 4 van de wet. Het stellen van voorschriften en beperkingen is mogelijk.
Artikel 6 Verbod straatverkoop van bepaalde goederen op zon- en feestdagen
De vrijstelling betreft het te koop aanbieden en verkopen van voor directe consumptie geschikte eetwaren en alcoholvrije dranken. 
Artikel 7 Openstelling op werkdagen tussen 22.00 en 06.00 uur
Artikel 7 van de wet geeft de mogelijkheid de openingstijden op werkdagen tussen 22.00 en 06.00 uur te reguleren. Dat kan door gebieden aan te wijzen waarin het verbod niet geldt of door vormen van detailhandel aan te wijzen waarvoor het verbod niet geldt. Ook kan in afzonderlijke gevallen ontheffing verleend worden.

De modelverordening gaat ervan uit dat voor de nachtelijke openstelling de ontheffing het belangrijkste instrument is. Per geval is dan een afweging te maken of de gewenste openstelling zich verhoudt met belangen van de woon en leefomgeving en de openbare orde.
De vrijstellingen en ontheffingen kunnen onder beperkingen en voorschriften worden verleend. In het Vrijstellingenbesluit is voor een aantal overige vormen van detailhandel alleen de openstelling op zon en feestdagen geregeld. De openstelling van deze vormen van detailhandel op de uren tussen 22.00 en 06.00 uur op werkdagen wordt door de verordeningsbepaling geregeld.
	</tekst>
</verordening>
</folder>
<folder name="Maatschappelijke zorg en welzijn">
<verordening name="Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Grootegast" url="verordening-d0c5d4661e2c0f0c01201e6516d701af/versie-d0c5d4661e2c0f0c01201e6516d701b0.html">
	<tekst>
	Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Grootegast
Hoofdstuk 1. Bijzondere regels over het persoonsgebonden budget.
Artikel 1. Regels rond verstrekking en verantwoording. 
1.Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de aanvrager.
2.Verstrekking als persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien:
a.op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget;
b.aanvrager een in het verleden verstrekte persoonsgebonden budget niet geheel overeenkomstig het doel heeft aangewend;
c.de voorziening uitsluitend in natura wordt verstrekt.
3.Woonvoorzieningen die uitsluitend in natura worden verstrekt zijn:
4.mobiele tilliften, losse douchestoelen die meer bedragen dan &#8364; 100,00, douchebrancards, toiletstoelen die meer bedragen dan &#8364; 100,00.
5.Een sportrolstoel wordt uitsluitend verstrekt als persoonsgebonden budget. Het bedrag van dit persoonsgebonden budget bedraagt voor een sportrolstoel voor minder intensief gebruik &#8364; 2.404,00 en voor intensief gebruik (deelname aan basketbal en tennis) &#8364; 2.796,00, welk bedrag bedoeld is als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel voor een periode van drie jaar.
6.De verantwoording van het persoonsgebonden budget door de budgethouder aan het college vindt steekproefsgewijs plaats. De omvang van de steekproef wordt bepaald door het college en is afhankelijk van de hoeveelheid geconstateerde onrechtmatige verstrekkingen.
7.Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het persoonsgebonden budget dient te worden aangeschaft en aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk omschreven program van eisen bij de toekenningsbeschikking gevoegd.
Hoofdstuk 2. Eigen bijdragen en besparingsbijdrage.
Artikel 2. Omvang van eigen bijdragen hulp bij het huishouden.
1.Het bedrag dat ongehuwde personen jonger dan 65 dienen te betalen bedraagt &#8364; 16,80 per vier weken, terwijl het percentage van het inkomen boven &#8364; 16.301,00 dat boven dit bedrag per vier weken betaald moet worden 15% bedraagt.
2.Het bedrag dat ongehuwde personen van 65 jaar of ouder dienen te betalen bedraagt 
&#8364; 16,80 per vier weken, terwijl het percentage van het inkomen boven &#8364; 14.365,00 dat boven dit bedrag per vier weken betaald moet worden 15% bedraagt.
3.Het bedrag per vier weken dat gehuwde personen waarvan een of beiden jonger is/zijn dan 65 jaar dienen te betalen bedraagt &#8364; 24,20 per vier weken, terwijl het percentage van het inkomen boven &#8364; 21.002,00 dat boven dit bedrag per vier weken betaald moet worden 15% bedraagt.
4.Het bedrag per vier weken dat gehuwde personen die beiden 65 jaar of ouder zijn dienen te betalen bedraagt &#8364; 24,20 per vier weken, terwijl het percentage van het inkomen boven &#8364; 19.759,00 dat boven dit bedrag per vier weken betaald moet worden 15% bedraagt.


In tabelvorm ziet bovenvermelde er als volgt uit:
Leefeenheid
Leeftijd
Inkomen/eigen bijdrage 
.1Inkomen/eigen bijdrage
Alleenstaand
65 jr. en ouder
&lt; &#8364; 14.365,00 ? &#8364; 16,80 
&gt; &#8364; 14.365,00 ? &#8364; 16,80 + 15% van (inkomen minus &#8364; 14.162,00)
Alleenstaand
&lt; 65 jr.
&lt; &#8364; 16.301,00 ? &#8364; 16,80 
&gt; &#8364; 16.301,00 ? &#8364; 16,80 + 15% van (inkomen minus &#8364; 16.137,00)
Gehuwd/samenwonend
65 jr. en ouder
&lt; &#8364; 19.759,00 ? &#8364; 24,20  
&gt; &#8364; 19.759,00 ?&#8364; 24,20 + 15% van (inkomen minus &#8364; 19.837,00)
Gehuwd/samenwonend
Een of beiden &lt; 65 jr.
&lt; &#8364; 21.002,00 ? &#8364; 24,20  
&gt; &#8364; 21.002,00 ?&#8364; 24,20 + 15% van (inkomen minus &#8364; 20.810,00)

Toelichting inkomen:
Het totaal van de (bruto) inkomsten per jaar van het huishouden die geregistreerd staan bij de Belastingdienst en betrekking hebben op een periode die twee jaar ligt voor het jaar dat de bijdrage wordt berekend. Dus in 2008 wordt het (verzamel)inkomen van 2006 genomen en op dat bedrag wordt de eigen bijdrageregeling toegepast. Hiervan kan worden afgeweken indien er bij de persoon grote financi&#235;le wijziging heeft voorgedaan. 

Artikel 3. Besparingsbijdrage.
1.Het bedrag dat als besparingsbijdrage gevraagd wordt bij verstrekking van:
a.een driewielfiets of een fiets in bijzondere uitvoering bedraagt &#8364; 341,00 indien aanvrager 12 jaar of ouder is en &#8364; 187,00 bij een kind jonger dan 12 jaar;
b.een bijzondere uitvoering autozitje bedraagt &#8364; 117,00;
c.een bijzondere uitvoering fietszitje bedraagt &#8364; 63,00;
d.een aangepaste bus in eigendom bedraagt &#8364; 13.437,00;
e.een aangepaste keuken bedraagt &#8364; 2.041,00.
Hoofdstuk 3. Hulp bij het huishouden.
Artikel 4. Vaststelling bedrag persoonsgebonden budget hulp bij het huishouden.
1.De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in klassen, waarbij de volgende klassen met de daarbij behorende uren wordt toegekend:
Klasse 1:	0	tot	2	uur per week;
Klasse 2:	2	tot	4	uur per week
Klasse 3:	4	tot	7	uur per week;
Klasse 4:	7	tot 	10	uur per week;
Klasse 5:	10	tot 	13	uur per week;
Klasse 6:	13	tot 	16	uur per week.
Bij de indicatie van hulp bij het huishouden wordt onderscheid gemaakt in HH1 (huishoudelijke hulp, de zgn. &#8216;alphahulp&#8217;) en HH2 (huishoudelijke verzorging). 
2.In geval van keuze voor een persoonsgebonden budget wordt een bedrag per uur beschikbaar gesteld ter hoogte van het gemiddelde van de loonkostencomponent van de zorgaanbieders waarmee de gemeente Grootegast een overeenkomst heeft gesloten. Voor HH 1 bedraagt de vergoeding &#8364; 12,90 per uur. Voor HH2 bedraagt de vergoeding &#8364; 18,26 per uur.
3.Bij additionele uren die boven klasse 6 op basis van de hardheidsclausule worden toegekend, bedraagt het persoonsgebonden budget voor HH 1 &#8364; 12,90 per uur en voor HH2 &#8364; 18,26 per uur. Deze bedragen zijn vastgesteld aan de hand van het gemiddelde van de loonkostencomponent van de zorgaanbieders waarmee de gemeente Grootegast een overeenkomst heeft gesloten. 

Hoofdstuk 4. Woonvoorzieningen.
Artikel 5.
1.De financi&#235;le tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte.
2.Het in artikel 190 van de van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning voorzieningen maatschappelijke ondersteuning genoemde afschrijvingsschema luidt als volgt:
voor het eerste jaar 100% van de verstrekte financi&#235;le tegemoetkoming c.q. persoonsgebonden budget;
voor het tweede jaar 80% van de verstrekte financi&#235;le tegemoetkoming c.q. persoonsgebonden budget;
voor het derde jaar 60% van de verstrekte financi&#235;le tegemoetkoming c.q. persoonsgebonden budget;
voor het vierde jaar 40% van de verstrekte financi&#235;le tegemoetkoming c.q. persoonsgebonden budget;
voor het vijfde jaar 20% van de verstrekte financi&#235;le tegemoetkoming c.q. persoonsgebonden budget;
voor het zesde jaar 0% van de verstrekte financi&#235;le tegemoetkoming c.q. persoonsgebonden budget;
3.Het bedrag voor de verhuiskostenvergoeding als genoemd in artikel 14, eerste lid onder a van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning voorzieningen maatschappelijke ondersteuning bedraagt maximaal &#8364; 2.507,00.
4.Het bedrag dat verstrekt wordt bij het bezoekbaar maken als genoemd in artikel 17, tweede tot en met vijfde lid van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning voorzieningen maatschappelijke ondersteuning bedraagt maximaal &#8364; 2.507,00.
5.De financi&#235;le tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor het verwerven van grond voor een aanbouw, uitbreiding of nieuwbouw van een vertrek bedraagt &#8364; 350,00 per omgerekende m2.
6.Onderstaande bijlagen worden geacht integraal deel uit te maken van dit besluit:
Bijlage II:financi&#235;le tegemoetkoming of persoonsgebonden budget ingevolge het verwerven van grond;
Bijlage III:Maximale financi&#235;le tegemoetkoming of persoonsgebonden budget voor kosten van onderhoud, keuring en reparatie van diverse woonvoorzieningen

Artikel 6
1.de aanneemsom voor het treffen van een voorziening(hierin begrepen de loon- en materiaalkosten, alsmede de kosten voor demontage, opslag en revisie bij hergebruik hulpmiddelen, apparatuur en installaties);
2.de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991;
Tevens zijn inbegrepende kosten van werkzaamheden die de sociale verhuurders door de eigen technische dienst uitvoeren;
Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, dan vervalt de post loonkosten en worden alleen de materiaalkosten als subsidiabel aangemerkt;
3.het architectenhonorarium, alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld. Het architectenhonorarium wordt tot ten hoogste 10% van de aanneemsom exclusief btw subsidiabel geacht;
4.de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom exclusief btw;
5.de leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening;
6.de verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting;
7.de door het college schriftelijk goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn;
8.de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek, c.q. bodemonderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing;
9.de kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening;
10.de administratiekosten die de verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening, voor zover de kosten onder 1 t/m 11 minder dan &#8364; 1.000,00 bedragen een vaste vergoeding van &#8364; 55,93, voor zover de kosten onder 1 t/m 11 meer dan &#8364; 1.000,00 bedragen, 10 % van de kosten met een maximum &#8364; 559,35.

Hoofdstuk 5. Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel 
Artikel 7
1.Het persoonsgebonden budget voor aanpassing van een auto wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst-adequate voorziening.
2.Het persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de huurprijs van de goedkoopst-adequate voorziening inclusief onderhoud en reparatie zoals dat door het college met de leverancier is overeengekomen. Voor een scootmobiel wordt uitgegaan van een 12 km uitvoering.
3.Een persoon die ge&#239;ndiceerd is voor een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer als bedoeld in artikel 20, sub a van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, kan in plaats daarvan desgevraagd in aanmerking komen voor een financi&#235;le tegemoetkoming van &#8364; 376,00 op jaarbasis. De financi&#235;le tegemoetkoming wordt achteraf per kwartaal in gelijke delen betaalbaar gesteld.



Artikel 8.
1.	De inkomensgrens waarboven een auto, met een auto vergelijkbare voorzieningen en de daarmee samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten niet voor verstrekking of vergoeding in aanmerking komen, zoals genoemd in artikel 21 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning voorzieningen maatschappelijke ondersteuning,  bedraagt:
1,5 x &#8364; 11.579,00 = &#8364; 17.369,00 voor alleenstaanden en 
1,5 x &#8364; 16.541,00 = &#8364; 24.812,00 voor echtparen/samenwonende partners.

Artikel 9.
1.Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een (eigen) auto bedraagt &#8364; 975,00;
2.Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een bruikleenauto bedraagt &#8364; 627,00;
3.Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een taxi bedraagt &#8364; 975,00;
4.Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een rolstoeltaxi bedraagt &#8364; 1.466,00.
Bovenvermelde bedragen worden per kwartaal omgerekend en achteraf per kwartaal betaalbaar gesteld.
Hoofdstuk 6. Verplaatsen in en rond de woning.
Artikel 10.
Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt vastgesteld aan de hand van de goedkoopst-adequate huurprijs inclusief onderhoud en reparatie zoals die door het college met de leverancier is overeengekomen.
Hoofdstuk 7. samenhangende afstemming.
Artikel 11. Samenhangende afstemming.
Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te stemmen op de situatie van de aanvrager wordt bij het onderzoek inzake het advies ex artikel 29 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning indien van toepassing aandacht besteed aan:
a.de algemene gezondheidstoestand van de aanvrager;
b.de beperkingen die de aanvrager in zijn functioneren ondervindt als gevolg van ziekte of gebrek;
c.de woning en de woonomgeving van de aanvrager;
d.het psychisch en sociaal functioneren van de aanvrager;
e.de sociale omstandigheden van de aanvrager.
Bij de besluitvorming en de motivering van het besluit wordt door het college bij deze bevindingen aangesloten.
Hoofdstuk 8. slotbepalingen.
Artikel 12. Citeertitel.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit maatschappelijke ondersteuning Grootegast (versie 2009).

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Grootegast op 
16 december 2008.

H.R. Kastermans, raadsgriffier				K.B. Dijkstra, raadsvoorzitter
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Notitie Mantelzorgwonen" url="verordening-d0c5d4662e0c9290012e9eb34dc90001/versie-d0c5d4662e0c9290012e9eb3503a0002.html">
	<tekst>
	Notitie Mantelzorgwonen

Gemeente Grootegast






























Januari 2011










Regels

Beleidsregels voor mantelzorgwonen
Hoofdstuk 1. 	Inleiding

1.1 Inleiding
Bij de gemeente Grootegast komt een toenemend aantal vragen binnen rond wonen met mantelzorg. Concreet hebben de verzoeken in de regel betrekking op het verbouwen van een (al dan niet bestaande) aanbouw of een (al dan niet bestaand) vrijstaand bijgebouw tot woonruimte voor een zorgbehoevende, zodat de betrokkene enerzijds over voldoende privacy beschikt en anderzijds zorg van familie en/of vrienden tot zijn of haar beschikking heeft wanneer dat noodzakelijk is. Gezien de maatschappelijke ontwikkelingen is het van belang hier beleid voor te ontwikkelen. 

1.2 Aanleiding beleidsregels mantelzorg
In januari 2007 is de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in werking getreden. Het doel van de Wmo is dat zoveel mogelijk mensen mee kunnen doen in de samenleving. Zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen is hiervan een belangrijk onderdeel. Ander uitgangspunt is dat mensen zoveel mogelijk voor zichzelf &#233;n voor anderen (&#8216;de naaste&#8217;) zorgen. Mensen die in het dagelijkse leven hulp nodig hebben kunnen via de Wmo ondersteuning vragen van hun gemeente.

Door de invoering van de Wmo is mantelzorgondersteuning een nieuwe wettelijke taak van gemeenten geworden. De opdracht aan gemeenten om intensief met mantelzorgondersteuning bezig te zijn, houdt verband met het cruciale belang van mantelzorg voor het welslagen van de Wmo. In de Wmo wordt een app&#232;l gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van burgers om zoveel mogelijk voor elkaar te zorgen. Als dat niet meer lukt, kunnen zij zich tot gemeenten wenden voor voorzieningen en diensten die onder de Wmo vallen. Dit zijn onder meer de voormalige WVG-voorzieningen (Wet Voorzieningen Gehandicapten) en hulp bij het huishouden. 

Op dit moment ontvangen kwetsbare burgers het leeuwendeel van de dagelijkse hulp in de thuissituatie (80%) van familieleden, vrienden en andere naasten, de mantelzorgers. In cijfers uitgedrukt is de financi&#235;le waarde van mantelzorg &#8364; 7,7 miljard tegenover &#8364; 2 miljard in de thuiszorg. Voor gemeenten is de mantelzorger een onmisbare partner in het lokale zorgbeleid. Hun inzet helpt het beroep op Wmo-voorzieningen te beperken of uit te stellen.

Dit vraagt wel om ondersteuning van mantelzorgers, anders houden zij de zorg niet vol. Mantelzorg kan veel voldoening geven, maar het eigen leven dreigt soms in de knel te komen, vooral als de zorg lang gaat duren. Mantelzorgers lopen dan het risico om overbelast te raken, hun werknemerschap niet meer naar behoren te vervullen of geen tijd meer te hebben voor vrienden en (andere) familieleden. Het uitgangspunt van landelijk overheidsbeleid ten aanzien van mantelzorg is dat de zorg voor een naaste verenigbaar moet zijn met maatschappelijke participatie van de mantelzorger. Goede randvoorwaarden kunnen mantelzorgers stimuleren om hulp aan hun naaste te (blijven) geven. Stimuleren door steunen is dus het devies voor gemeentelijk mantelzorgbeleid.

Gemeenten bepalen zelf de toegang, de vorm en inhoud van de voorzieningen binnen de Wmo. Tegelijkertijd zijn ze ook volledig verantwoordelijk voor de financiering ervan. Dat betekent, dat de gemeenten er zowel financieel als zorginhoudelijk belang bij hebben dat mantelzorgers (een deel van) de verzorging van zorgbehoevenden op zich nemen. Op die manier kunnen zorgbehoevenden zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen met zo weinig mogelijk professionele ondersteuning. Voor de mantelzorg dient voor de zorgbehoevende echter voldoende woonruimte met dito voorzieningen en privacymogelijkheden voorhanden te zijn. De bestaande woonruimten van de zorgverlenende betrokkenen blijken hiertoe soms niet voldoende.

Mezzo is een Landelijke Vereniging voor Mantelzorgers en Vrijwilligerszorg. Deze organisatie zet zich in voor mensen die langdurig en onbetaald voor een ander zorgen. Deze organisatie heeft wensen en knelpunten met betrekking tot &#8216;inwonen&#8217; ge&#239;nventariseerd en aanbevelingen gedaan in het rapport &#8216;Mantelzorgers en hun woonwensen&#8217;. De knelpunten vari&#235;ren van problemen in het kader van woningtoewijzing, langdurige procedures voor bijvoorbeeld de toewijzing van een traplift en moeizame vergunningsprocedures met betrekking tot uitbreiding van de woning of gebruik van een bijgebouw. Een deel van de oplossingen die Mezzo aandraagt ligt in de sfeer van snellere procedures, voldoende aanbod aangepaste woningen en verkorting wachtlijsten. Met betrekking tot woningaanpassingen en uitbreidingen ten behoeve van mantelzorg worden gemeenten gevraagd te werken aan meer flexibele en snelle oplossingen. 

2. Wonen met mantelzorg

2.1 Rijksopgave
Eind 2002 is in de provincie Noord-Brabant discussie ontstaan over tijdelijke inwoning van ouderen bij hun mantelzorgers. De provincie Noord-Brabant heeft hierop besloten een voorbeeldregeling te willen stellen als handreiking voor gemeenten. 

Het ministerie van VROM heeft dan ook samen met de provincie Noord-Brabant in beeld gebracht welke mogelijkheden er zijn om de maatschappelijke vraag naar wonen ten behoeve van mantelzorg te faciliteren. Er zijn voor wat betreft het ruimte-aspect mogelijkheden langs twee gedachtelijnen: 
1oplossing binnen het bestemmingsplanregime; 
2het realiseren van een extra woonbestemming.

Binnen deze twee gedachtelijnen heeft het ministerie van VROM een aantal mogelijkheden geformuleerd:
1A.	Inwonen in dezelfde woning 
Al dan niet door aan- of uitbouw van de bestaande woning.

1B.	Inwonen op afstand 
Inwonen in een (vrijstaand) bijgebouw bij een woning, zoals een schuur of een garage. Zo&apos;n bijgebouw dient een bestemming ten dienste van het wonen te hebben; het bijgebouw blijft onderdeel van de bestaande woning. Er is geen sprake van een nieuwe bestemming; de gebruiksmogelijkheden van bijgebouwen die vallen onder de bestemming wonen worden verruimd. 

1C. 	Tijdelijke woning
Zowel de Woningwet als de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bieden de mogelijkheid voor niet-permanente huisvesting voor een periode van ten hoogste 5 jaar (artikel 3.22 Wro). 

2A. 	Splitsing
Splitsing van een bestaand gebouw om een extra woning voor mantelzorg te realiseren. Hiervoor moet het provinciale streekplan (POP) worden gewijzigd. De keuze of en hoe streekplannen worden gewijzigd valt onder de beleidsvrijheid van de provincies. 

2B. 	Functieverandering van een gebouw tot zelfstandig gebouw
Een bestaand bijgebouw, zoals een stal, schuur of garage, op dezelfde kavel als het hoofdgebouw, wordt omgebouwd tot zelfstandige woning.

2C. 	Ruimte voor ruimte regeling
Onder strikte voorwaarden kan bij functieverlies van grote gebouwen in het buitengebied, zoals agrarische bebouwing, tot sloop en vervangende nieuwbouw worden overgegaan. 

De twee mogelijkheden &apos;inwonen&apos; (1A) en &apos;inwonen op afstand&apos; (1B) bieden op de korte termijn de meeste kans van slagen. De mogelijkheden &#8220;tijdelijke woning&#8221; (1C) en splitsing (2 A) worden landelijk en provinciaal inmiddels in toenemende mate toegepast. Het plaatsen van een tijdelijke woning behoort in diverse gemeenten (soms juridisch door burgers afgedwongen) tot de mogelijkheden. Ervaringen met functieverandering van gebouwen hebben als belangrijk knelpunt dat deze na be&#235;indiging van de mantelzorgrelatie, niet in de oorspronkelijke staat teruggebracht (kunnen) worden. De mogelijkheid van de bouw van een extra woning in het buitengebied is als gevolg van het rijks- en provinciale beleid niet tot nauwelijks mogelijk. 

De voorbeeldregeling van de provincie Noord-Brabant heeft als basis gediend voor deze Notitie Mantelzorgwonen, waarbij rekening is gehouden met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden op 1 juli 2008 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden op 1 oktober 2010. 

2.2 Provinciaal beleid
Op 5 november 2008 hebben Provinciale Staten van Groningen de Sociale Agenda 2009 - 2012 vastgesteld. In deze agenda staan de sociale thema&apos;s waar de komende periode aan gewerkt gaat worden. De wettelijke taak van de provincie ligt in de co&#246;rdinerende rol van de mantelzorg. In Groningen zijn voor mantelzorgers lokale steunpunten opgezet, waarvoor de gemeenten de verantwoordelijkheid dragen. Het provinciale co&#246;rdinatiepunt vrijwillige thuiszorg en mantelzorg ondersteuning (PVCTM) biedt de lokale steunpunten ondersteuning. 

2.3 Gemeente Grootegast
In de Wmo startnotitie 2007 hebben college en gemeenteraad van de gemeente Grootegast zich uitgesproken voor het cre&#235;ren van meer mogelijkheden voor het koppelen van ambulante zorg in de eigen woning, kangoeroewoningen en het splitsen van grote woningen/panden en het ontwikkelen van beleid op dit punt. In alle situaties is het criterium dat er sprake is van mantelzorg in of bij een woning. 

Een mantelzorgwoning kan bestaan uit een inpandige, geheel of gedeeltelijk zelfstandige wooneenheid, een wooneenheid die in een aanbouw of bijgebouw gerealiseerd wordt of een mobiele mantelzorgwoning die weggehaald kan worden zodra de mantelzorgrelatie ophoudt te bestaan. De zelfstandige woonruimte is altijd van tijdelijke aard: voor de duur van de mantelzorgrelatie.

In onderhavige Notitie Mantelzorgwonen is beleid geformuleerd en zijn beleidsregels opgesteld ten aanzien van mantelzorgwonen in de gemeente Grootegast. De Notitie Mantelzorgwonen geldt als aanvullend beleidskader voor alle vigerende bestemmingsplannen (zowel binnen de kernen als het buitengebied). De beleidsregels geven een toetsingskader voor de toepassing van afwijkingen van het bestemmingsplan op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
3.Doel en toepassing van de beleidsregels
doel
Het doel van deze Notitie Mantelzorgwonen is om de maatschappelijke vraag naar huisvesting ten behoeve van mantelzorg te faciliteren. Er is gekeken of dit onderwerp zich leent voor een gebiedsgerichte aanpak door bij de toepassing van het beleid een onderscheid te maken tussen het buitengebied en de bebouwde kommen van de gemeente Grootegast. Door een dergelijke aanpak kan per gebied worden bezien onder welke specifieke voorwaarden de beleidsregels toegepast kunnen worden. Er is voor gekozen om een onderscheid te maken tussen huisvesting ten behoeve van zorg binnen de bebouwde kom en zorg buiten de bebouwde kom. Gemakshalve kan de begrenzing van het bestemmingsplan Buitengebied (vastgesteld op 1 juni 2010) als richtlijn gelden. De beleidsregels kunnen worden toegepast op elke bestemming waar wonen mogelijk is.



4.Begripsbepaling 

4.1 Mantelzorg 
In de Wet maatschappelijke ondersteuning (artikel 1, Iid 1 onder b) wordt het begrip mantelzorg als volgt gedefinieerd: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpbehoevend beroep, wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Mantelzorg is dus niet de alledaagse zorg voor bijvoorbeeld een gezond kind.

4.2 Inwoning en bijwoning
In de beleidsregels wordt een onderscheid gemaakt tussen de begrippen inwoning en bijwoning.
Van inwoning is sprake als iemand (in het kader van mantelzorg) inwoont in een (aangebouwd bijgebouw van een) woning en daarbij gebruik maakt van gemeenschappelijke of eigen voorzieningen. Er is sprake van inwoning als er &#233;&#233;n gezamenlijke hoofdtoegang is. 
Van bijwoning is sprake van een voor bewoning geschikt (aangebouwd) bijgebouw (met een eigen toegang en eigen voorzieningen) bij de bestaande woning. De bijwoning is door mantelzorg gerelateerd aan de hoofdwoning. Er is geen sprake van een eigen huisnummer/adres.

5.Nieuwe regeling en voorwaarden

Mantelzorgactiviteiten worden binnen de gemeente Grootegast zowel toelaatbaar geacht in het hoofdgebouw (de woning zelf), aangebouwd aan de woning en in een vrijstaand bijgebouw. Voor het bijgebouw geldt dat dit uitsluitend mogelijk is als er aantoonbaar geen mogelijkheden zijn in het hoofdgebouw om mantelzorg voor beide partijen mogelijk te maken. De Notitie Mantelzorgwonen is van toepassing op woningen en dienstwoningen en geldt zowel voor nieuwe als voor bestaande bebouwingssituaties (nieuwbouw en herbouw). 

5.1 Algemeen geldende voorwaarden
Aan de toepassing van de Notitie Mantelzorgwonen wordt een aantal specifieke procedurele en inhoudelijke toetsingscriteria gekoppeld. Deze criteria hebben betrekking op de indieningvereisten van een aanvraag voor mantelzorgwonen en de eventueel noodzakelijke omgevingsvergunning, op de hiervoor te doorlopen procedure en op de voorwaarden op grond waarvan medewerking wordt verleend. Deze voorwaarden staan vermeld in artikelen 2, 3 en 4 van de beleidsregels. Kort samengevat wordt alleen medewerking verleend indien aan de volgende algemeen geldende voorwaarden is voldaan.

1.Er moet sprake zijn van een tijdelijke woonbehoefte. De mantelzorgactiviteit mag zowel in het hoofdgebouw, een aangebouwd bijgebouw en in een vrijstaand gebouw op het bij de (dienst)woning behorende erf plaatsvinden;
2.De mantelzorgbehoefte moet aantoonbaar worden gemaakt door middel van een indicatieadvies; hierover dient een ter zake deskundige advies te worden gevraagd, bijvoorbeeld bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). De verlener en ontvanger van mantelzorg verklaren (op een formulier &apos;verklaring mantelzorg&apos;) dat de zorg en hulp geheel vrijwillig en buiten organisatorisch verband gegeven wordt;
3.De bereikbaarheid van algemene voorzieningen en nutsvoorzieningen en voor hulpdiensten moet gewaarborgd blijven;
4.Er mag geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de belangen van omwonenden en (agrarische) bedrijven en er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bebouwing;
5.De realisering van de tijdelijke woonruimte in een bijgebouw of aanbouw moet mogelijk en aanvaardbaar zijn binnen het bouwbesluit, met als prioritering veiligheid en gezondheid; 
6.Bij be&#235;indiging van de zorgbehoefte (als gevolg van verhuizing of overlijden) of bij be&#235;indiging van de mantelzorg (de mantelzorger wil of kan mantelzorg niet langer leveren, door bijvoorbeeld hulpbehoevendheid of overlijden), moet de oude situatie worden hersteld of moet het bijgebouw/bedrijfsgebouw conform de bestemming in gebruik worden genomen en moet deze dusdanig worden ontmanteld dat zelfstandige bewoning niet meer mogelijk is.

5.2 Aanvullende voorwaarden
5.2.1 Buitengebied
In het bestemmingsplan Buitengebied Grootegast zijn expliciet regels gesteld ten aan zien van mantelzorgwonen in een aanbouw of bijgebouw. Deze regels zijn opgenomen in artikel 46 Algemene ontheffingsregels.
Middels een omgevingsvergunning artikel 2.1 lid 1 sub c juncto 2.12 lid 1 onder a sub 1 van de Wet algemene bepaingen omgevingsrecht (Wabo) kan binnenplans afgeweken worden van het bestemmingsplan ten behoeve van mantelzorgwonen in een aanbouw of een bijgebouw. Burgemeester en wethouders kunnen binnenplans afwijken van de bestemmingsplanregels ten behoeve van mantelzorgwonen in een aanbouw of bijgebouw, mits: 
1.de zorgbehoefte objectief aannemelijk is gemaakt;
2.is aangetoond dat in het hoofdgebouw geen mogelijkheden zijn voor mantelzorgwonen;
3.mantelzorgwonen plaatsvindt op een oppervlakte van maximaal 70 m2;
4.de gezamenlijke oppervlakte van woning met aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen inclusief de oppervlakte ten behoeve van mantelzorgwonen niet meer bedraagt dan 300m2;
5.het bijgebouw een ruimtelijke eenheid vormt met de woning;
6.verzekerd is dat na be&#235;indiging van het mantelzorgwonen de daarvoor aangewende oppervlakte niet als zelfstandige woning in gebruik wordt genomen.

5.2.2	Dorpen
In de geactualiseerde bestemmingsplannen voor de verschillende dorpen van de gemeente Grootegast is geen expliciet beleid geformuleerd ten aanzien van mantelzorgwonen. De vraag of een bepaald gebruik, in onderhavig geval het mantelzorgwonen, strijdig is met de woonbestemming, moet worden beantwoord aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft. Gekeken dient te worden of de ruimtelijke uitstraling te rijmen valt met de woonfunctie. De ruimtelijke uitstraling van mantelzorgwonen kan gezien worden overeenkomstig het aan-huis-verbonden-beroep, zoals gedefinieerd in de begripsbepalingen van de bestemmingsplannen voor de dorpen. 

De geactualiseerde bestemmingsplannen voor de dorpen van de gemeente Grootegast bevatten regels ten aanzien van de toelaatbaarheid van een aan-huis-verbonden beroep. Binnen het woonhuis en de bijbehorende gebouwen wordt een aan-huis-verbonden beroep toegestaan. Hiervoor in de plaats kan &apos;mantelzorgwonen&apos; worden gelezen. Geconcludeerd kan worden dat er binnen het woonhuis zelf ruimte gecre&#235;erd kan worden ten behoeve van mantelzorgwonen en dat er in de bijgebouwen tot een oppervlakte van maximaal 50 m2 ruimte kan worden gecre&#235;erd ten behoeve van mantelzorgwonen. Uiteraard gelden ook hiervoor de reeds genoemde algemene voorwaarden. 

5.3Afwijking 
Mocht het geldende bestemmingsplan niet voorzien in een bebouwings/ gebruiksregeling voor mantelzorgwonen en is er geen regeling opgenomen voor aan-huis-verbonden beroep, dan kan een afwijking van het bestemmingsplan op basis van de Wabo worden toegepast.

6. Mantelzorg en Wmo

6.1 Objectivering zorgbehoefte
De Notitie Mantelzorgwonen is, zoals de naam al aangeeft, bedoeld voor mantelzorgers. In hoofdstuk 4 van deze notitie wordt het begrip mantelzorg gedefinieerd. Daarnaast is het belangrijk om op een objectieve manier te kunnen vaststellen dat mantelzorg noodzakelijk is. Hiertoe moet een indicatie worden gesteld door een indicatieorgaan, bijvoorbeeld het CIZ. Als de hulpbehoevende al in het bezit is van een indicatie, wordt gekeken of deze indicatie voldoende gegevens bevat om te bepalen of de persoon een beroep kan doen op deze Notitie Mantelzorgwonen.  

In de indicatie moet staan dat er sprake is van mantelzorg voor minimaal 6 maanden. Indien er niet reeds een CIZ indicatie aanwezig is kan een zogeheten 0-uren indicatie professionele AWBZ zorg worden aangevraagd bij het CIZ. Voorwaarde voor een dergelijke indicatie is dat de mantelzorger zorg biedt die anders door professionele zorgverleners wordt geboden. Door deze indicatie op 0 uren professionele zorg te laten zetten kan de mantelzorger zelf de zorg blijven geven en hoeft men geen gebruik te maken van professionele zorgverleners. Deze zorg kan bestaan uit persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding. Huishoudelijke zorg wordt ge&#239;ndiceerd door de gemeente vanuit de Wmo. Als er bij een mantelzorgwoning sprake is van een gezamenlijk huishouden is de kans aanwezig dat de aanspraak op huishoudelijke zorg vanuit de Wmo vervalt.

6.2 Financiering
Binnen de Wmo bestaat de mogelijkheid om de woning aan te passen om de zorgbehoevende in de woning te kunnen laten wonen. De kosten voor de aanpassing van de woning worden dan (gedeeltelijk) uit de Wmo bekostigd. 

Kosten voor plaatsing van een mantelzorg/woonunit zijn voor de initiatiefnemer. De reden hiervoor is dat het uitgangspunt van de Wmo de goedkoopst adequate oplossing is, waarbij in eerste plaats wordt gekeken naar aanpassing van de eigen woning. Dit is de woning waar de mantelzorgvrager nu woont. Gaat de mantelzorgvrager inwonen bij een van de kinderen, dan betreft het geen aanpassing van de eigen woning. Als dit niet de goedkoopst adequate oplossing is, zal de gemeente deze kosten daarom niet vergoeden. Blijft de mantelzorger wonen in de eigen woning, en komt een van de kinderen bijwonen, dan zal alleen de goedkoopst adequate oplossing worden vergoed. Alle woonvoorzieningen die dat te boven gaan, zijn niet de goedkoopst adequate oplossing, en worden dus niet door de gemeente vergoed.

Net als bij het aanpassen van de woning van een hulpbehoevende, worden aanpassingen van een mantelzorgwoning per situatie bekeken. Hierbij gelden de Wmo-verordening, Notitie Mantelzorgwonen en het verstrekkingenboek Wmo van de gemeente Grootegast steeds als uitgangspunt.

7.Handhaving

7.1.Algemeen
De toezichthouders/ handhavers van de afdeling Ruimte richten zich op de handhaving van de fysieke leefomgeving. Met betrekking tot mantelzorgwonen kan het, vanwege de langdurige en intensieve zorg, nodig zijn dat op het adres waar de mantelzorg wordt verleend, verbouwingen nodig zijn om dit mogelijk te maken. Als het pand voor inwonen geschikt gemaakt wordt, zal dit over het algemeen geen probleem opleveren. Ook niet na de be&#235;indiging van de mantelzorg. Wel kan het zijn dat aanpassingen zijn gecre&#235;erd of een traplift in bruikleen is gegeven die (gedeeltelijk) vanuit de Wmo zijn bekostigd. In sommige situaties kan het zijn, als dit in de voorwaarden zo is opgenomen, dat een deel alsnog terug moet worden betaald (antispeculatiebeding) of terug moet worden gegeven (in bruikleen verstrekte (losse) woonvoorzieningen en/of woningaanpassingen). Voor het bewoonbaar maken van een vrijstaand bijgebouw is het anders. In veel gevallen zal dan een  omgevingsvergunning voor het afwijken van het geldende bestemmingsplan moeten worden verleend. Hieraan zijn voorwaarden verbonden. 

7.2 Vervallen zorgbehoefte.
In het geval van het vervallen van de zorgbehoefte gelden de volgende voorwaarden:
De zorgbehoevende of de mantelzorger doet schriftelijk bericht aan de gemeente Grootegast van verhuizing, overlijden of verdwijnen van de zorgbehoefte;
Na vervallen van de mantelzorgrelatie dient het bijgebouw/bedrijfswoning conform de bestemming in gebruik te worden genomen. Dit houdt in dat na be&#235;indiging van de mantelzorg de daarvoor aangewende oppervlakte niet als zelfstandige (be)woning in gebruik mag worden genomen;
Ingeval er sprake is van een achterblijvende partner zal de situatie voor een jaar worden gedoogd, om zodoende de achterblijvende partner de gelegenheid te geven vervangende woonruimte te vinden of een op zich zelf betrekking hebbende omgevingsvergunning aan te vragen.

Voorkomen moet worden dat het gebruik van het (aangebouwd) bijgebouw na be&#235;indiging van de mantelzorg nog dienst doet als zelfstandig woongedeelte. Dit om tegen te gaan dat een vrijstaand of aangebouwd bijgebouw, die ten behoeve van de zorg is ingericht als woning, als recreatiewoning of als extra woning wordt gebruikt. Hierdoor ontstaat een oneigenlijk gebruik van de bestemming en dus strijd met het bestemmingsplan. Overigens zal, als er sprake is van (ver)bouwactiviteiten in bepaalde gevallen een omgevingsvergunning voor het bouwen moeten worden aangevraagd. In het kader van deze procedure zal de aanvraag getoetst worden aan onder andere geluid-, milieu,- en brandweer aspecten. Het spreekt voor zich dat de vergunning niet verleend kan worden als niet aan de wettelijke eisen kan worden voldaan. 

7.3 Toezicht en handhaving
Het team Wmo-consulenten zal twee keer per jaar de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) controleren of de zorgbehoevende als ook de mantelzorger nog op het bewuste adres wonen. Eens per jaar wordt er een huisbezoek afgelegd waarin wordt nagegaan of de situatie nog voldoet aan de gestelde voorwaarden. Als de mantelzorg is of lijkt be&#235;indigd zullen de toezichthouders/ handhavers van de afdeling Ruimte worden ge&#239;nformeerd. Zij zullen indien nodig controleren of de woning, de aanbouw, het vrijstaande bijgebouw, in overeenstemming met de voorwaarden waaronder de omgevingsvergunning is verleend, in de originele staat is teruggebracht of is verwijderd. Als dit (nog) niet is gebeurd, zullen de bewoners worden aangeschreven om de overtreding ongedaan te maken. Uiteindelijk kan bestuursdwang toegepast worden. 

8.Wettelijk kader en procedure

8.1 Wettelijk kader
De Notitie Mantelzorgwonen geldt als aanvullend beleidskader voor alle vigerende bestemmingsplannen (zowel binnen de kernen als het buitengebied). De beleisdsregels geven een toetsingskader voor de toepassing van afwijkingen van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.1 lid 1 onder c juncto 2.12 lid 1 onder a sub 1 en 2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

8.2 Procedure
8.2.1 Traject WMO
Om te beoordelen of er sprake is van mantelzorg en woningaanpassing in het kader van de Wmo wordt de aanvraag voorgelegd aan het Zorgloket. 

De Wmo consulenten:
nemen contact op met de mantelzorgvrager en mantelzorger voor een afspraak;
toetsen of er aangetoond wordt dat er sprake is van een mantelzorgrelatie door middel van een indicatie van bijvoorbeeld CIZ;
indien er geen indicatie voor handen is biedt de Wmo consulent ondersteuning bij de aanvraag van een 0-uren indicatie bij het CIZ (beschikbaar in het kader van het mantelzorgcompliment);
dragen zorg voor ondertekening van het formulier &apos;verklaring mantelzorg&apos; (art 6.1);
of er sprake is van een aanvraag woningaanpassing in het kader van de Wmo;
nemen de aanvraag tot woningaanpassing in behandeling met inachtneming van de geldende beleidsregels en procedure (onder andere: goedkoopst, meest adequaat).

Indien er sprake blijkt van mantelzorg en er is behoefte aan een woningaanpassing of het geschikt maken van bijgebouwen voor mantelzorgwonen in strijd met het bestemmingsplan, dan dient er een verzoek om een omgevingsvergunning te worden ingediend.

8.2.2 Traject Ruimte

Ontvankelijkheidtoets van de aanvraag om een omgevingsvergunning;
Afhankelijk van de aanvraag zal er een reguliere of uitgebreide procedure doorlopen moeten worden voor het afwijken van het bestemmingsplan of tevens voor het bouwen;
De reguliere procedure van de Wabo duurt 8 weken, de uitgebreide procedure duurt 26 weken. Beide procedures kunnen eenmalig worden verlengd met 6 weken.

Regels

Beleidsregels voor mantelzorgwonen

In verband met de beleidsvrijheid, die het college bij het verlenen van omgevingsvergunningen op grond van de Wabo heeft, en omdat het college het wenselijk acht eenduidig vast te leggen hoe zij met deze beleidsvrijheid omgaat bij het verlenen van genoemde omgevingsvergunningen in het kader van mantelzorgwonen, stelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast de volgende &quot;Beleidsregels voor mantelzorgwonen&quot; vast:

Artikel 1 Begripsbepalingen 
1.Mantelzorg:
langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt;
2.Mantelzorgbehoevende
een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak.
3.Mantelzorger: 
diegene die (deels) in een behoefte van een mantelzorgbehoevende voorziet. 
4.Betrokkenen: 
mantelzorgverlener(s), mantelzorgbehoevende en eigenaar van het perceel.
5.Inwoning:
in een (aangebouwd bijgebouw van een) woning en daarbij gebruik makend van gemeenschappelijke of eigen voorzieningen. Er is sprake van inwoning als er een gezamenlijke hoofdtoegang is.
6.Bijwoning: 
een voor bewoning geschikt bijgebouw (met een eigen toegang en eigen voorzieningen) bij de bestaande woning. De bijwoning is, door mantelzorg, gerelateerd aan de hoofdwoning. Er is echter geen sprake van een eigen huisnummer/adres.
7.Hoofdgebouw:
een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste gebouw is aan te merken.
8.Aanbouw:
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
9.Bijgebouw:
een op zichzelf staand, vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
10.Woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van &#233;&#233;n afzonderlijk huishouden.
11.Afhankelijke woonruimte:
een aanbouw c.q. een vrijstaand bijgebouw waarin &#233;&#233;n of meerdere hulpbehoevenden vanuit het oogpunt van mantelzorg gehuisvest zijn en dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning.
12.Bedrijfswoning:
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, slechts bestemd voor de huisvesting van (het huishouden van ) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van de grond ter plaatse van het gebouw of het terrein, noodzakelijk moet worden geacht.

Artikel 2  Aanvragen omgevingsvergunning
De aanvraag moet geschieden door de eigenaar van het perceel, aan wie ook de omgevingsvergunning zal worden verleend. 
Bij een aanvraag om een afwijking van het bestemmingsplan dienen de volgende gegevens overlegd te worden:
een schetsplan en een situatietekening schaal 1:100;
een goede ruimtelijke onderbouwing, waaruit blijkt dat het initiatief geen afbreuk doet aan de milieusituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
een indicatieadvies van een indicatieorgaan (bijvoorbeeld het CIZ) waaruit de noodzaak van mantelzorg blijkt;
een ondertekend formulier verklaring mantelzorg, waarin mantelzorgverlener en mantelzorgbehoevende verklaren akkoord te gaan met het uitoefenen van de mantelzorgactiviteit op het betreffende perceel.

Artikel 3 Vormvereisten en procedurele toetsing van aanvragen
1.Alvorens een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, vraagt het college van burgemeester en wethouders onafhankelijk advies aan een indicatieorgaan (bijvoorbeeld het CIZ), waarin nut en noodzaak voor de activiteit en/of de hiermee gemoeide vergroting van de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing bij het hoofdgebouw wordt aangetoond;
2.Aanvullend op het bepaalde in artikel 3 sub 1 dient bij het advies van de inhoudelijke deskundige de geschiktheid van de locatie/het object te worden betrokken. Eventuele aanbevelingen ten aanzien van de locatie/het object dienen onderdeel uit te maken van de aanvraag c.q. het indicatieadvies.
Artikel 4 Inhoudelijke toetsing aanvragen
1.Aan mantelzorgwonen (aan huis) wordt alleen medewerking verleend indien aan de volgende voorwaarden voldaan is:
aMantelzorgwonen mag plaatsvinden in hoofdgebouwen, in uit-, aanbouwen of in (aan	gbouwde) bijgebouwen. Er mag hierbij zowel sprake zijn van een burgerwoning als van een bedrijfswoning. Voor het bijgebouw geldt dat dit uitsluitend mogelijk is als aantoonbaar geen mogelijkheden zijn in het hoofdgebouw.
bDe zorgbehoefte moet aantoonbaar zijn gemaakt middels een indicatieadvies en worden onderbouwd middels een advies van een ingevolge artikel 3.1. in te schakelen deskundige.
cDe gezamenlijke oppervlakte van hoofdgebouw, aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen inclusief de oppervlakte ten behoeve van mantelzorgwonen mag niet meer bedragen dan 300 m&#178;.
dBewoning kan slechts plaatsvinden binnen de oppervlakte die binnen het van toepassing zijnde bestemmingsplan is opgenomen voor aan-, uit-, en bijgebouwen, met een maximum van 50 m&#178; binnen de dorpen en 70 m2 binnen het buitengebied, met in achtneming van de volgende voorwaarden:
1voor de bepalingen van de maximale bouwhoogte (goot- en nok) gelden de bepalingen uit de betreffende bestemmingsplannen en
2de nieuw te bouwen afhankelijke woonruimte moet op een maximale afstand van 20 meter van het hoofdgebouw worden gerealiseerd, dan wel op de maximale afstand die het vigerende bestemmingsplan eventueel noemt als die minder is.
3het bijgebouw moet een ruimtelijke eenheid vormen met de woning;
eDe bereikbaarheid van algemene voorzieningen, nutsvoorzieningen en voor hulpdiensten moet gewaarborgd blijven;
fEr mag geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de belangen van omwonenden en van (agrarische) bedrijven;
gEr mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bebouwing;
hHet (hoofd)gebouw dat geschikt wordt gemaakt voor mantelzorgwonen dient te voldoen aan de voorschriften van het Bouwbesluit, Bouwverordening en Wmo-verordening. De realisering van de tijdelijke woonruimte in een bijgebouw of aanbouw moet mogelijk en aanvaardbaar zijn binnen milieuhygi&#235;nische en brandveilige randvoorwaarden van genoemde besluiten.
2.Vervallen zorgbehoefte
aDe zorgbehoevende of de mantelzorger doet schriftelijk bericht aan de gemeente Grootegast van verhuizing, overlijden of verdwijnen van de zorgbehoefte. 
bNa vervallen van de zorgbehoefte dient het bijgebouw/bedrijfswoning conform de bestemming in gebruik te worden genomen en mag de voor mantelzorgwonen aangewende oppervlakte niet als zelfstandige woning in gebruik worden genomen.
cIngeval er sprake is van een achterblijvende partner zal de situatie voor een jaar worden gedoogd, om zodoende de achterblijvende partner de gelegenheid te geven vervangende woonruimte te vinden of een op zich zelf betrekking hebbende omgevingsvergunning aan te vragen.

Artikel 5 Financiering
Waar mogelijk wordt een koppeling gelegd met de financieringsmogelijkheden van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

Artikel 6 Bouwbesluit
Daar waar mogelijk zal voor onderdelen van het bouwbesluit ontheffing worden verleend. Hierbij zal echter geen ontheffing worden verleend voor die zaken betreffende veiligheid, gezondheid, milieu en hygi&#235;ne.

Artikel 7 Toepassing regeling
Deze beleidsregels zijn van toepassing uitsluitend op bestemmingen van gronden op grond waarvan de bouw van een woning- of een bedrijfs-/dienstwoning is toegestaan.

Artikel 8. Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze beleidsregels, indien toepassing van de beleidsregels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 9. Strijdig gebruik
Tot een gebruik, strijdig met de bestemmingsplannen van de gemeente Grootegast, wordt in ieder geval gerekend:
het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte of als woon/ verblijfsruimte ten behoeve van recreatieve doeleinden.

Artikel 10 Intrekking
Burgemeester en wethouders kunnen een verleende omgevingsvergunning intrekken, indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is, of indien is geconstateerd dat de verleende omgevingsvergunning wordt benut ten behoeve van een doel, strijdig met de in artikel 4.1 bepaalde uitgangspunten, of indien sprake is van strijdig gebruik als bedoeld in artikel 9.

Artikel 11 Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na die, waarop zij bekend zijn gemaakt. 

Artikel 12 Citeertitel
Deze notitie, inclusief de beleidsregels, kunnen aangehaald worden als &quot;Notitie Mantelzorgwonen&quot;.



Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Grootegast,


Burgemeester en wethouders van Grootegast,




E.Par&#233;, secretaris				K.B.Dijkstra, burgemeester
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Tijdelijke Verordening regels Wet investeren in jongeren gemeente Grootegast 2009" url="verordening-d0c5d466242391410124e3407688001c/versie-d0c5d466242391410124e3407688001d.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast;
Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 29 september 2009
gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 12, van de Wet investeren in jongeren;
overwegende, dat het noodzakelijk is om tot de datum waarop de verordeningen bedoeld in de Wet investeren in jongeren in werking treden, voor een beperkte periode regels te stellen die waarborgen dat de uitvoering van de wet zoveel mogelijk in overeenstemming met de Wet werk en bijstand en de in dat kader vastgestelde verordeningen plaatsvindt;
b e s l u i t :
vast te stellen de tijdelijke verordening regels Wet investeren in jongeren gemeente Grootegast 2009.

PARAGRAAF 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
1.de wet: de Wet investeren in jongeren;
2.het college: het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast.
PARAGRAAF 2 TOEPASSELIJKHEID VERORDENINGEN WWB
Artikel 2. Werkleeraanbod
De regels met betrekking tot de inhoud van het werkleeraanbod, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel a, van de wet, luiden als volgt:
1.De voorzieningen die op grond van de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand Grootegast aan personen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet werk en bijstand, kunnen worden aangeboden, kunnen onder dezelfde voorwaarden door het college worden ingezet voor het vaststellen van de inhoud van het werkleeraanbod.
2.In afwijking van het eerste lid, kunnen de volgende voorzieningen niet worden ingezet:
1.Onbeloonde additionele arbeid;
2.premies voor werkaanvaarding of scholing;
3.vrijlating van inkomsten, en
4.onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk.

Artikel 3. Het verlagen van de inkomensvoorziening
De regels met betrekking tot het verlagen van de inkomensvoorziening, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van de wet, luiden als volgt:

1.Voor de toepassing van artikel 41, eerste lid, van de wet, zijn de artikelen 1 tot en met 13 en 17 van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand Grootegast 2004 van overeenkomstige toepassing.
2.Voor het verlagen van de inkomensvoorziening als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet, zijn de artikelen 2, 9 en10 van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand Grootegast 2004 van overeenkomstige toepassing.
3.Voor het verlagen van de inkomensvoorziening als gevolg van schending van de overige verplichtingen, bedoeld in artikel 45, van de wet, is artikel 9 van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand Grootegast 2004 van overeenkomstige toepassing.
4.Voor het verlagen van de inkomensvoorziening als gevolg van zeer ernstige misdragingen als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de wet, zijn de artikelen 2 en 17 van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand Grootegast 2004 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4. Het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik
De regels met betrekking tot het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel c, van de wet, luiden als volgt:
De in de Handhavingverordening Wet werk en bijstand Grootegst in artikel 2 gestelde regels, zijn van overeenkomstige toepassing. 
Artikel 5. Cli&#235;ntenparticipatie
De regels met betrekking tot de wijze waarop jongeren of hun vertegenwoordigers worden betrokken bij de uitvoering van de wet, luiden als volgt:
De in de Verordening &#8220;platform cli&#235;ntenparticipatie Grootegast 2004&#8221; gestelde regels, zijn van overeenkomstige toepassing. 
Artikel 6. Het verhogen en verlagen van de norm
De regels met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel e, van de wet, luiden als volgt:

De in de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Grootegast 2009 gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing. 

PARAGRAAF 3 SLOTBEPALINGEN
Artikel 7. Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule
1.In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
2.Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 8. Inwerkingtreding en geldigheidsduur
Deze regeling treedt in werking op 1 oktober 2009. De artikelen 2 tot en met 6 vervallen ieder voor zich per datum inwerkingtreding van de specifiek op het desbetreffende artikel betrekking hebbende verordening in het kader van de wet. De regeling geldt totdat de artikelen 2 tot en met 6 allen zijn komen te vervallen, doch uiterlijk tot 1 november 2010. 
Artikel 9. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke verordening regels Wet investeren in jongeren gemeente Grootegast. 

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Grootegast in de openbare vergadering van 13 oktober 2009
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening cli&#235;ntenparticipatie Wet sociale werkvoorziening" url="verordening-d0c5d4661c0c5e38011db3db6cff018a/versie-d0c5d4661c0c5e38011db3db6cff018b.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 27 mei 2008, nr. &#8230;&#8230;, inzake&#8230;..; 

gelet op artikel 2, derde lid, van de Wet sociale werkvoorziening;

overwegende dat de raad bij verordening nadere regels dient vast te stellen met betrekking tot cli&#235;ntenparticipatie;

overwegende dat de gemeenten Grootegast, Leek, Marum, Noordenveld en Zuidhorn samenwerken in het werkvoorzieningschap Novatec voor wat betreft de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening, en dat het van belang is dat de samenwerkende gemeenten eensluidende verordeningen cli&#235;ntenparticipatie Wet sociale werkvoorziening en &#233;&#233;n cli&#235;ntenraad hebben;

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening cli&#235;ntenparticipatie Wet sociale werkvoorziening 

Artikel 1  Begripsomschrijvingen  
In deze verordening wordt verstaan onder: 
a.wet: Wet sociale werkvoorziening;
b.Novatec: werkvoorzieningschap Novatec, zoals genoemd in de Gemeenschappelijke regeling Novatec 2006;
c.Wsw-gerechtigden: ingezetenen die voor de wet ge&#239;ndiceerd zijn of hun wettelijk vertegenwoordigers, te weten: Wsw-gerechtigden op de wachtlijst, Wsw-gerechtigden als werknemer van een sw-bedrijf, Wsw-gerechtigden als werknemer bij een reguliere werkgever, en /of hun vertegenwoordigers die als zodanig gerechtigd zijn;
d.cli&#235;ntenparticipatie Wsw: de gestructureerde wijze waarop Wsw-gerechtigden betrokken worden bij de beleidsvoorbereiding, beleidsvaststelling, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk Wsw-beleid, als bedoeld in artikel 2 van de wet. 

Artikel 2  Doelstellingen
Cli&#235;ntenparticipatie Wsw heeft de volgende doelstellingen:
a.het bewerkstelligen dat Wsw-gerechtigden en hun belangenorganisaties vanuit een onafhankelijke positie optimaal betrokken zijn bij de voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk Wsw-beleid;
b.het bijdragen aan de totstandkoming of verbetering van het gemeentelijk Wsw-beleid, gericht op het bieden van gelijke arbeidsmogelijkheden aan burgers met een functiebeperking of chronische aandoening wat bijdraagt aan het realiseren van volwaardig burgerschap. 

Artikel 3  Wsw-raad
1.Er is een cli&#235;ntenraad van Wsw-gerechtigden en vertegenwoordigers uit hun belangenorganisaties, hierna te noemen: Wsw-raad. Dit is een door Novatec als zodanig erkende en in het gebied van de vijf gemeenten actief zijnde cli&#235;ntenraad van Wsw-gerechtigden en vertegenwoordigers uit hun belangenorganisaties, als bedoeld in artikel 2 van de wet. 
2.Indien er geen Wsw-raad is bevordert het dagelijks bestuur van Novatec actief de totstandkoming van een Wsw-raad. 

Artikel 4  Taken 
1.De Wsw-raad heeft tot taak het gevraagd en ongevraagd schriftelijk uitbrengen van adviezen aan het dagelijks bestuur van Novatec inzake het gemeentelijk Wsw-beleid.
2.De aspecten van het beleid waarbij de Wsw-raad wordt betrokken zijn:  
a.de voorbereiding van het beleid;
b.de vaststelling van het beleid; 
c.de uitvoering van het beleid;
d.de evaluatie van het beleid. 
3.De Wsw-raad is niet bevoegd te adviseren naar aanleiding van zaken die tot de bevoegdheid van de OR behoren en naar aanleiding van individuele klachten, bezwaarschriften en andere zaken die op individuele klanten betrekking hebben, met uitzondering van de procedures en regelingen.  

Artikel 5  Samenstelling 
1.De Wsw-raad is samengesteld uit Wsw-gerechtigden en vertegenwoordigers uit hun belangenorganisaties. 
2.De Wsw-raad bestaat uit een oneven aantal leden met een maximum van 11 leden.
3.Minimaal tweederde van het aantal leden in de Wsw-raad bestaat uit Wsw-gerechtigden.
4.De samenstelling van de Wsw-raad vormt zoveel mogelijk een afspiegeling van de gemeenten. 
5.De leden worden benoemd door het dagelijks bestuur van Novatec, op voordracht van de Wsw-raad. Alleen bij de samenstelling van de eerste Wsw-raad worden de leden voorgedragen en benoemd door het dagelijks bestuur van Novatec. 
6.De benoeming op grond van deze verordening geldt voor een periode van maximaal vier jaar met een mogelijke verlenging van eenmaal vier jaar. 
7.De leden kiezen uit hun midden een bestuur en benoemen een voorzitter. 
8.De voorzitter maakt geen deel uit van de Wsw-raad, en fungeert als onafhankelijk en technisch voorzitter. De voorzitter is niet lid van een college of een gemeenteraad, is niet werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een college of een gemeenteraad, en is niet werkzaam in een bedrijf waarbij belangenverstrengeling kan optreden.  
9.De leden verrichten hun werkzaamheden zonder last, maar voeren voor zover van toepassing wel ruggespraak met hun achterban.

Artikel 6  Overleg
1.Voor overleg met de Wsw-raad wijst het dagelijks bestuur van Novatec een vertegenwoordiger uit zijn midden aan. Deze vertegenwoordiger maakt geen deel uit van de Wsw-raad.
2.Tussen de vertegenwoordiger van Novatec en de Wsw-raad vindt minimaal twee keer en maximaal vier keer  per jaar een structureel overleg plaats.
3.Voorafgaand aan elk overleg stelt de vertegenwoordiger van Novatec in overleg met de voorzitter van de Wsw-raad een agenda op en verzendt deze aan de leden van de Wsw-raad. 
4.Van elk overleg tussen de Wsw-raad en de vertegenwoordiger van Novatec wordt een verslag gemaakt. Het verslag wordt vastgesteld bij het eerstvolgende overleg.
5.Van overleg en afspraken met de Wsw-raad doet het dagelijks bestuur van Novatec binnen redelijke termijn schriftelijke rapportage aan de Wsw-raad. Daarbij wordt in ieder geval aangegeven wat er met de door de Wsw-raad gegeven adviezen is gedaan. 

Artikel 7  Advies
1.In het kader van de cli&#235;ntenparticipatie Wet sociale werkvoorziening vraagt het dagelijks bestuur van Novatec de Wsw-raad tijdig om advies. 
2.De Wsw-raad is ook gerechtigd uit eigener beweging advies uit te brengen aan het dagelijks bestuur van Novatec.
3.Het dagelijks bestuur van Novatec vraagt de Wsw-raad in ieder geval om advies bij de onderwerpen zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid. 
4.In de gevallen waarin Novatec zaken aan de gemeenteraad voorlegt, wordt het advies van de Wsw-raad bijgevoegd.
5.In het geval het dagelijks bestuur van Novatec afwijkt van het advies van de Wsw-raad, wordt dit bij het voorstel vermeld, waarbij tevens is aangegeven op welke gronden van het advies van de Wsw-raad is afgeweken.
6.Het dagelijks bestuur van Novatec zorgt voor een goede en tijdige informatievoorziening aan de Wsw-raad met betrekking tot zaken die tot het taakgebied van de Wsw-raad behoren.

Artikel 8  Vergaderingen 
1.De Wsw-raad stelt een reglement van orde op.
2.De vergaderingen van de Wsw-raad zijn openbaar. De Wsw-raad kan besluiten tot het houden van een besloten vergadering.

Artikel 9  Besluitvorming
1.De Wsw-raad kan beraadslagen en besluiten indien ten minste de helft van het aantal leden ter vergadering aanwezig is.
2.Alle besluiten worden genomen bij meerderheid van geldig uitgebrachte stemmen.

Artikel 10  Faciliteiten 
1.Het dagelijks bestuur van Novatec kent jaarlijks ten behoeve van de werkzaamheden van de Wsw-raad een budget toe in de vorm van een subsidie aan de hand van de door de Wsw-raad ingediende begroting.
2.De Wsw-raad dient jaarlijks v&#243;&#243;r 1 oktober een begroting in. De begroting wordt binnen twee maanden door het dagelijks bestuur van Novatec vastgesteld.
3.In de door de Wsw-raad in te dienen begroting kunnen bedragen worden opgenomen voor de te ramen kosten ten behoeve van de volgende faciliteiten:
a.kosten voor deskundigheidsbevordering;
b.reiskosten en eventuele verblijfskosten;
c.aanschaf van documentatie, literatuur en vaktijdschriften;
d.kosten lidmaatschap van provinciale en landelijke cli&#235;ntenorganisaties;
e.het bezoeken van bijeenkomsten, georganiseerd door provinciale en landelijke cli&#235;ntenorganisaties; 
f.faciliteiten voor het verzorgen van voorlichting en public relations;
g.faciliteiten voor het maken van kopie&#235;n en de verzending van stukken.
4.De middelen worden zodanig ter beschikking gesteld dat de Wsw-raad redelijkerwijze in staat kan worden geacht om zijn taken op een adequate manier uit te oefenen.
5.De Wsw-raad legt middels een financieel verslag binnen drie maanden na afloop van elk kalenderjaar verantwoording af aan het dagelijks bestuur van Novatec over de besteding van de subsidie. Tevens brengt de Wsw-raad dan verslag uit aan het dagelijks bestuur van Novatec van zijn activiteiten en bevindingen in het voorgaande jaar.   

Artikel 11  Wijziging en intrekking van deze verordening 
Wijziging en intrekking van deze verordening vindt niet plaats dan nadat de Wsw-raad daarover is gehoord.

Artikel 12  Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening cli&#235;ntenparticipatie Wet sociale werkvoorziening gemeente Grootegast.

Artikel  13  Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2008. Indien publicatie plaatsvindt na 30 juni, treedt zij in werking met ingang van de dag na publicatie, en werkt zij terug tot en met 1 juli. 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad d.d. 10 juni 2008,

De voorzitter,

De secretaris,
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken Wet sociale werkvoorziening" url="verordening-d0c5d4661c0c5e38011db407d42001b4/versie-d0c5d4661c0c5e38011db407d42001b5.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 27 mei 2008, nr. &#8230;&#8230;, inzake&#8230;..; 

gelet op artikel 7, tiende lid, van de Wet sociale werkvoorziening;

overwegende dat de raad bij verordening nadere regels dient vast te stellen met betrekking tot het verstrekken van persoonsgebonden budgetten;

overwegende dat de gemeenten Grootegast, Leek, Marum, Noordenveld en Zuidhorn samenwerken in het werkvoorzieningschap Novatec voor wat betreft de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening, en dat het van belang is dat de samenwerkende gemeenten eensluidende verordeningen persoonsgebonden budget begeleid werken Wet sociale werkvoorziening hebben; 

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken Wet sociale werkvoorziening

Artikel 1  Begripsomschrijvingen  
In deze verordening wordt verstaan onder: 
a.wet: Wet sociale werkvoorziening;
b.Novatec: werkvoorzieningschap Novatec, zoals genoemd in de Gemeenschappelijke regeling Novatec 2006;
c.periodieke subsidie: subsidie zoals bedoeld in artikel 7 van de wet;
d.ge&#239;ndiceerde: blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking als bedoeld in artikel 11 van de wet tot de doelgroep behorende;
e.begeleid werken: een reguliere dienstbetrekking onder aangepaste omstandigheden als bedoeld in artikel 7 van de wet. 

Artikel 2  De hoogte van de rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten 
Het dagelijks bestuur van Novatec stelt elk jaar v&#243;&#243;r 31 december de hoogte vast van de rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten voor elk te verstrekken persoonsgebonden budget voor het daarop volgende kalenderjaar.

Artikel 3  Invulling voorwaarden adequate werkplek 
1.Het dagelijks bestuur van Novatec verstrekt op aanvraag aan iedere ge&#239;ndiceerde die daar recht op heeft een persoonsgebonden budget begeleid werken Wsw, indien werkgever en begeleidingsorganisatie er zorg voor dragen dat de arbeidsplaats voor de ge&#239;ndiceerde adequaat wordt ingevuld. 
2.De werkgever voldoet aan de volgende vereisten:
a.voor zover de werkgever inschrijvingsplichtig is, staat zijn onderneming ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;
b.de aangeboden arbeidsplaats en de omvang daarvan zijn, gelet op de indicatiestelling en mogelijkheden van de ge&#239;ndiceerde, als passend aan te merken; 
c.de salari&#235;ring is conform de voor het bedrijf of de branche geldende CAO of arbeidsvoorwaarden; 
d.de duur van het dienstverband bedraagt tenminste zes maanden, met een mogelijkheid tot verlenging. 
3.De begeleidingsorganisatie voldoet aan de volgende vereisten:
a.voor zover de begeleidingsorganisatie inschrijvingsplichtig is, staat de organisatie ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;
b.de begeleidingsorganisatie en/of haar medewerkers zijn gekwalificeerd voor het begeleiden van de doelgroep, c.q. de ge&#239;ndiceerde voor wie het persoonsgebonden budget is bestemd; 
c.de begeleidingorganisatie heeft aantoonbare kennis en ervaring in het werkveld; 
d.de begeleidingsorganisatie geeft de ge&#239;ndiceerde de garantie terug te kunnen keren naar een Wsw-dienstbetrekking.  

Artikel 4  De wijze van vaststelling van de loonkostensubsidie aan de werkgever 
1.Het dagelijks bestuur van Novatec stelt jaarlijks de hoogte van de loonkostensubsidie aan de werkgever vast. 
2.De te verstrekken loonkostensubsidie wordt bepaald op basis van de loonwaarde van de ge&#239;ndiceerde. Het dagelijks bestuur van Novatec laat de loonwaarde vaststellen aan de hand van een loonwaarde-onderzoek. Daarbij wordt een onafhankelijke deskundige ingeschakeld. 

Artikel 5  Herziening van de loonkostensubsidie 
1.Op verzoek van de werkgever kan een loonkostensubsidie worden herzien als hier - gelet op de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit van de werknemer - aanleiding voor is, met toepassing van artikel 4, tweede lid.   
2.De loonkostensubsidie kan ambtshalve worden gewijzigd als hier gerede aanleiding toe is, met toepassing van artikel 4, tweede lid.  

Artikel 6  De vergoeding aan de begeleidingsorganisatie
1.De hoogte van de vergoeding aan de begeleidingsorganisatie en de omvang van het aantal uren begeleiding wordt door partijen in onderling overleg vastgesteld. Tussentijdse aanpassingen hierin zijn mogelijk indien partijen dit vooraf overeenkomen. 
2.De in het eerste lid genoemde vergoeding wordt alleen uitgekeerd wanneer dit leidt tot het tot stand komen van een arbeidsovereenkomst. 

Artikel 7  Vergoeding voor eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht
1.Het dagelijks bestuur van Novatec kan een vergoeding verstrekken voor de eenmalige kosten van aanpassing van de omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht als uit een deskundigenrapport blijkt dat, voor zover er geen andere voorliggende voorzieningen zijn, aanpassingen op de werkplek noodzakelijk zijn, deze persoonsgerelateerd zijn, en het niet redelijk is dat deze kosten door de werkgever worden gedragen. 
2.Kosten voor aanschaf van apparatuur, kosten voor de werkplek en kosten voortvloeiend uit arbo wetgeving die de werkgever uit hoofde van normaal en goed werkgeverschap voor iedere werknemer zou moeten maken komen niet in aanmerking voor vergoeding door het dagelijks bestuur van Novatec. 
3.Een vergoeding wordt alleen verstrekt indien er sprake is van een dienstverband van minimaal zes maanden. 
4.Het dagelijks bestuur van Novatec regelt de wijze van uitbetaling van de vergoeding. 

Artikel 8  Indienen van de aanvraag
1.De aanvraag voor een persoonsgebonden budget wordt ingediend door middel van een volledig ingevuld aanvraagformulier. De aanvraag wordt mede-ondertekend door de werkgever en de begeleidingsorganisatie. 
2.Het dagelijks bestuur van Novatec stelt ten behoeve van de aanvraag een aanvraagformulier vast. 

Artikel 9  Beslistermijn
1.Het dagelijks bestuur van Novatec besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens. 
2.Het dagelijks bestuur van Novatec kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het dagelijks bestuur van Novatec stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. 

Artikel 10  Het besluit tot verlenen van de periodieke subsidie
1.Het besluit tot het verlenen van een periodieke subsidie bevat in ieder geval:
a.de hoogte van de periodieke subsidie en de wijze waarop deze kan worden aangepast;
b.wijze van bevoorschotting van de subsidie;
c.de verplichtingen van de werkgever.
2.Voordat het in het eerste lid bedoelde besluit genomen kan worden, overlegt de werkgever alle benodigde bewijsstukken aan het dagelijks bestuur van Novatec. 

Artikel 11  Het vaststellen van de periodieke subsidie
1.De werkgever verstrekt binnen acht weken na afloop van het kalenderjaar aan het dagelijks bestuur van Novatec een schriftelijke opgave van het door hem in het voorgaande jaar betaalde bruto loon van de ge&#239;ndiceerde, vermeerderd met alle werkgeverslasten.
2.Het dagelijks bestuur van Novatec stelt de periodieke subsidie binnen acht weken na ontvangst van deze opgave vast. 

Artikel 12  Verrekening met de voorschotten 
De subsidie wordt overeenkomstig de vaststelling binnen acht weken betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.  
 
Artikel 13  Verplichtingen van de werkgever
De werkgever doet onmiddellijk schriftelijke mededeling aan het dagelijks bestuur van Novatec van alle feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de verstrekking van de subsidie. 

Artikel 14  Hardheidsclausule 
Aan de het dagelijks bestuur van Novatec wordt de bevoegdheid toegekend om in bijzondere gevallen af te wijken van deze verordening, indien toepassing hiervan leidt tot strijdigheid met de redelijkheid en billijkheid.  

Artikel 15  Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken Wet sociale werkvoorziening gemeente Grootegast.

Artikel  16  Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2008. Indien publicatie plaatsvindt na 30 juni, treedt zij in werking met ingang van de dag na publicatie, en werkt zij terug tot en met 1 juli. 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad d.d. 10 juni 2008,

De voorzitter,

De secretaris,
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening volgorde wachtlijst Wet sociale werkvoorziening" url="verordening-d0c5d4661c0c5e38011db3f233ee019f/versie-d0c5d4661c0c5e38011db3f233ee01a0.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 mei 2008, nr. &#8230;&#8230;, inzake&#8230;..; 

gelet op artikel 12, tweede lid, van de Wet sociale werkvoorziening;

overwegende dat de raad bij verordening nadere regels kan vaststellen met betrekking tot het wachtlijstbeheer;

overwegende dat de gemeenten Grootegast, Leek, Marum, Noordenveld en Zuidhorn samenwerken in het werkvoorzieningschap Novatec voor wat betreft de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening, en dat het van belang is dat de samenwerkende gemeenten eensluidende verordeningen volgorde wachtlijst Wet sociale werkvoorziening hebben; 

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening volgorde wachtlijst Wet sociale werkvoorziening

Artikel 1  Begripsomschrijvingen  
In deze verordening wordt verstaan onder: 
a.wet: Wet sociale werkvoorziening;
b.Novatec: werkvoorzieningschap Novatec, zoals genoemd in de Gemeenschappelijke regeling Novatec 2006;
c.ge&#239;ndiceerde: blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking als bedoeld in artikel 11 van de wet tot de doelgroep behorende;
d.wachtlijst: overzicht van ge&#239;ndiceerden als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet; 
e.begeleid werken: een reguliere dienstbetrekking onder aangepaste omstandigheden als bedoeld in artikel 7 van de wet. 

Artikel 2  Gemeenschappelijk wachtlijstbeheer
1.Het dagelijks bestuur van Novatec voert het wachtlijstbeheer op basis van de gemeentelijke wachtlijsten van Grootegast, Leek, Marum, Noordenveld en Zuidhorn.  
2.Het aantal per gemeente voor plaatsing beschikbare ge&#239;ndiceerden wordt jaarlijks bepaald op basis van de omvang van de wachtlijst per gemeente in verhouding tot de totale omvang van de vijf wachtlijsten tezamen, waarbij 1 januari van het betreffende jaar als peildatum geldt. 
3.Het dagelijks bestuur van Novatec kan nadere uitvoeringsregels opstellen omtrent de uitvoering van het gemeenschappelijk wachtlijstbeheer. 

Artikel 3  Plaatsingsvolgorde 
1.Voor het in aanmerking komen voor een dienstbetrekking in het kader van de wet geldt de volgorde van plaatsing op de wachtlijst, waarbij de datum van de indicatiebeschikking bepalend is. 
2.Voor het in aanmerking komen voor een dienstbetrekking in het kader van de wet wordt, met toepassing van artikel 2, tweede lid, de wachtlijstvolgorde per gemeente gehanteerd.  
3.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt in een bepaald deel van de gevallen de voorrang gegeven aan de volgende categorie&#235;n ge&#239;ndiceerden, in volgorde van afnemende prioriteit: 
a.ge&#239;ndiceerden die reeds gestart zijn met een voortraject voor begeleid werken;
b.ge&#239;ndiceerden met de indicatie voor begeleid werken.  
4.Het in het derde lid beschreven deel wordt jaarlijks per gemeente vastgesteld door het dagelijks bestuur van  Novatec. 
5.Binnen elke categorie als bedoeld in het derde lid is de datum van de indicatiebeschikking bepalend voor de volgorde van plaatsing. 
6.Het dagelijks bestuur van Novatec kan van dit artikel afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van plaatsing van ge&#239;ndiceerden leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.  

Artikel 4  Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening volgorde wachtlijst Wet sociale werkvoorziening gemeente Grootegast.

Artikel  5  Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2008. Indien publicatie plaatsvindt na 30 juni, treedt zij in werking met ingang van de dag na publicatie, en werkt zij terug tot en met 1 juli. 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad d.d. 10 juni 2008,

De voorzitter,

De secretaris,
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Grootegast" url="verordening-d0c5d4661e2c0f0c01200f26e5f60193/versie-d0c5d4661e2c0f0c01200f26e5f60194.html">
	<tekst>
	De Raad van de gemeente Grootegast;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 2 december 2008, &#8230;.;

besluit vast te stellen de volgende:
Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen.
Artikel 1. 	Begripsbepalingen.

In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt verstaan onder:
a.Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;
b.Compensatiebeginsel: de algemene verplichting aan het gemeentebestuur om voor personen met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek voorzieningen te treffen zodat deze in aanvaardbare mate zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke participatie;
c.Beperkingen: moeilijkheden die een persoon heeft met het uitvoeren van activiteiten;
d.Persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op het gebied van het voeren van het huishouden, bij het normale gebruik van de woning; bij het verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel of bij het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden;
e.Mantelzorger: een persoon, die buiten het kader van een hulpverlenend beroep, langdurige zorg biedt aan een hulpbehoevende in zijn directe omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt;
f.Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk en financi&#235;le vermogen om voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken;
g.Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich in en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;
h.Collectieve voorziening: een voorziening die wordt leeverd op basis van directe beschikbaarheid,een beperkte toegangsbeoordeling kent en die een snelle , regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon ondervindt;
i.Individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt aangeboden, voldoende compensatie biedt en doeltreffend, doelmatig en cli&#235;ntgericht wordt verleend;
j.Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten: een door het college vast te stellen bijdrage, die bij de verstrekking van een voorziening in natura, een persoonsgebonden budget (een eigen bijdrage) of een financi&#235;le tegemoetkoming (een eigen aandeel) betaald moet worden en waarop de regels van het Besluit maatschappelijke ondersteuning van toepassing zijn; 
k.Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt;
l.Persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee de aanvrager een of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan verwerven en waarop de in deze verordening en het Besluit maatschappelijke ondersteuning te stellen regels van toepassing zijn;
m.Financi&#235;le tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de aanvrager;
n.Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend; 
o.Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen voorziening, voorzover dit deel van de kosten uitgaat boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van een dergelijke voorziening;
p.Huisgenoot: iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voert conform de bepalingen van artikel 1, lid 4, 5, 6 en 7 Wet maatschappelijke ondersteuning;
q.Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget verschuldigd is.
r.College: het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast;
Artikel 2. 	Beperkingen.
1.Een voorziening kan slechts worden toegekend voorzover:
a.deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te verminderen;
b.deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt;
c.deze in overwegende mate op het individu is gericht.
2.Geen voorziening wordt toegekend:
a.indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is;
b.indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente Grootegast;
c.voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;
d.voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw;
e.voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd;
f.voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt;
g.indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan deze verordening voorafgaande Verordening voorzieningen gehandicapten is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of versterkte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen;
h.voor zover op grond van enige andere wettelijke regeling aanspraak op de voorziening bestaat

Hoofdstuk 2. Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen.

Artikel 3. 	Keuzevrijheid.
Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als financi&#235;le tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het college stelt vast in welke situaties de bij Wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt geboden aan de hand van de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Grootegast neergelegde criteria.
Artikel 4. 	Voorziening in natura.
Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is de bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst tussen de leverancier en de aanvrager van toepassing.
Artikel 5. 	Financi&#235;le tegemoetkoming.
Bij verstrekking van een financi&#235;le tegemoetkoming worden de toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Grootegast in de beschikking opgenomen.
Artikel 6. 	Persoonsgebonden budget.
1.Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de Wet, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
a.een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien van individuele voorzieningen;
b.de omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate te verstrekken voorziening in natura, indien nodig aangevuld met een vergoeding voor instandhoudingkosten, zoals vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Grootegast;
c.de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld wordt door het college vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Grootegast;
d.op het persoonsgebonden budget is de Overeenkomst persoonsgebonden budget gemeente Grootegast van toepassing.
2.De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de omvang en de looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld.
3.Bij de beschikking wordt een program van eisen verstrekt waarin aangegeven is aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening dient te voldoen.
4.Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget ter beschikking gesteld door storting op de rekening van de aanvrager. Budgetten die periodiek worden verstrekt worden echter in termijnen uitbetaald. Het college stelt hiertoe nadere regels.
5.Het college gaat steekproefsgewijs na of het verstrekte persoongebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. De budgethouder is verplicht de daarvoor noodzakelijke stukken, zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Grootegast, op verzoek van het college per ommegaande te verstrekken. De omvang van de steekproef wordt bepaald door het college en is afhankelijk van de hoeveelheid geconstateerde onrechtmatige verstrekkingen.
6.Na ontvangst van de in het vorige lid genoemde bescheiden wordt door het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden budget geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen.
Artikel 7. 	Eigen bijdragen en eigen aandeel.
Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet is de aanvrager een eigen bijdrage aan de gemeente Grootegast verschuldigd of wordt de financi&#235;le tegemoetkoming afgestemd op het inkomen. Burgemeester en wethouders leggen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Grootegast de omvang van de eigen bijdrage en het eigen aandeel vast.
Hoofdstuk 3. Hulp bij het huishouden.
Artikel 8. 	Vormen van hulp bij het huishouden. 
De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken voorziening kan bestaan uit:

a.	hulp bij het huishouden in natura;
b.	een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden.
Artikel 9. 	Recht op hulp bij het huishouden.
Een persoon als bedoeld in artikel 1, onder d. en e. van deze verordening kan voor de in artikel 8 onder a. of b. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien:
a.	aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of;
b.	problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg 

het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken.
Artikel 10. 	Gebruikelijke zorg.
In afwijking van het gestelde in artikel 9 van deze verordening komt een persoon als bedoeld in artikel 1, onder d.en e. van deze verordening niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten.
Artikel 11. 	Omvang van de hulp bij het huishouden.
De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in klassen met de daarbij behorende uren. Deze klassen met de daarbij behorende uren worden vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Grootegast.
Artikel 12. 	Omvang van het persoonsgebonden budget.
De bedragen die per klasse in de vorm van een persoonsgebonden budget worden verstrekt, worden door het college vastgesteld en vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Grootegast.
Hoofdstuk 4. Woonvoorzieningen.
Artikel 13. 	Het recht op een woonvoorziening.
Een persoon als bedoeld in artikel 1 onder d. van deze verordening kan voor een woonvoorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het normale gebruik van de woning belemmeren.
Artikel 14. 	Vormen van woonvoorzieningen.
1.De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit:
a.vergoeding in de kosten van verhuizen en inrichting;
b.woningaanpassing, hieronder wordt begrepen:
i.de aanneemsom voor het treffen van een voorziening(hierin begrepen de loon- en materiaalkosten, alsmede de kosten voor demontage, opslag en revisie bij hergebruik hulpmiddelen, apparatuur en installaties);
ii.de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaaldein de risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991;
iii.Tevens zijn inbegrepende kosten van werkzaamheden die de sociale verhuurders door de eigen technische dienst uitvoeren;
iv.Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, dan vervalt de post loonkosten en worden alleen de materiaalkosten als subsidiabel aangemerkt;
v.het architectenhonorarium, alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld. Het architectenhonorarium wordt tot ten hoogste 10% van de aanneemsomexclusief btw subsidiabel geacht;
vi.de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom exclusief btw;
vii.de leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening;
viii.de verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting;
ix.de door het college schriftelijk goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn;
x.de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek, c.q. bodemonderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing;
xi.de kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening;
xii.de administratiekosten die de verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor de persoon met beperkingen, voor zover de kosten vallen onder de voorwaarden die gesteld zijn in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Grootegast.
c.woonvoorzieningen van niet-bouwkundige en woontechnische aard;
d.onderhoud, keuring en reparatie;
e.tijdelijke huisvesting;
f.huurderving;
g.uitraasruimte;
h.verwijderen van voorzieningen.
2.De woonvoorzieningen kunnen worden verstrekt in natura, in de vorm van een financi&#235;le tegemoetkoming of als persoonsgebonden budget (PGB).
3.Burgemeester en wethouders kunnen aan de eigenaar van de woning niet zijnde de aanvrager een financi&#235;le tegemoetkoming voor de in het eerste lid onder b., d. en f. bedoelde woonvoorziening verstrekken.
Artikel 15. 	Het recht op een woonvoorziening  en het primaat van de verhuizing.
Een persoon als bedoeld in artikel 1, lid d van deze verordening kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 14, eerste lid onder b. en c. van deze verordening in aanmerking worden gebracht wanneer de in artikel 14, eerste lid onder a. van deze verordening genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is.
Artikel 16. 	Uitsluitingen.
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen van:
a.voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur;
b.specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.
Artikel 17.	Hoofdverblijf.
1.Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.
2.In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van &#233;&#233;n woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling.
3.De bezoekbaar te maken woning/aan te passen woning moet in de gemeente Grootegast staan. 
4.De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente vast te leggen maximumbedrag.
5.Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.
Artikel 18.	Beperkingen.
1.De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien:
a.de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;
b.de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door burgemeester en wethouders;
c.deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen;
d.de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak;
e.de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden;
f.de verhuizing heeft plaatsgevonden voordat burgemeester en wethouders schriftelijk op de aanvraag hebben beschikt.
2.Gereedmelding:
a.onmiddellijk na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk binnen 15 maanden na het verlenen van de financi&#235;le tegemoetkoming verklaart de gerechtigde van de financi&#235;le tegemoetkoming aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid.
b.De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling van de financi&#235;le tegemoetkoming. Na de gereedmelding stelt het college vast of is voldaan aan de voorwaarden waaronder de financi&#235;le tegemoetkoming is verleend;
c.Degene aan wie een financi&#235;le tegemoetkoming wordt verstrekt, dient gedurende 5 jaar alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden voor controle beschikbaar te houden.
Artikel 19.	 Terugbetaling bij verkoop.
De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van vijf jaar na de datum van gereedmelding van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan burgemeester en wethouders te melden. De meerwaarde van de woning dient volgens het in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Grootegast door het college vastgestelde afschrijvingsschema te worden terugbetaald.
Hoofdstuk 5. Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.
Artikel 20.	Vormen van vervoersvoorzieningen.
De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen te verstrekken vervoersvoorziening kan bestaan uit:

a. een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer;
b. een vervoersvoorziening in natura;
c. een persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening.
Artikel 21.	Het recht op een vervoersvoorziening.
1.Een persoon als bedoeld in artikel 1, onder d. van deze verordening kan voor de in artikel 20, onder a. van deze verordening vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek:
a.het gebruik van het openbaar vervoer of
b.het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.
2.Een persoon als bedoeld in artikel 1, onder d. van deze verordening die ge&#239;ndiceerd is voor een collectief systeem als bedoeld in artikel 20, onder a. van deze verordening, die daarvan geen gebruik wenst te maken, kan in plaats daarvan desgevraagd in aanmerking komen voor een financi&#235;le tegemoetkoming als vastgesteld en vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Grootegast.
3.Een persoon als bedoeld in artikel 1, onder d. van deze verordening kan voor de in artikel 20, onder b. en c. van deze verordening vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 20, onder a. van deze verordening, onmogelijk maken.
4.
a.Voor een persoon die permanent woonachtig is in het verpleeghuis &#8216;Wilhelminaoord&#8217; te Opende bestaat de onder artikel 20, eerste lid, onder a. van deze verordening genoemde voorziening uit het recht op vervoer middels een door het college aan deze instelling beschikbaar gestelde personenbus. 
b.Vanaf het moment dat een persoon in het verpleeghuis &#8216;Wilhelminaoord&#8217; te Opende woonachtig is, wordt deze persoon geacht gebruik te maken van de onder artikel 21, vierde lid, onder a van deze verordening genoemde vervoersvoorziening. Vanaf dat moment vervalt, indien van toepassing, diens recht op deelname aan het vervoerssysteem als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a., b. of c. van deze verordening.
5.Voor de bij artikel 20, onder b. en c. van deze verordening genoemde voorzieningen geldt dat zij ook in aanvulling op het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 20, onder a van deze verordening verstrekt kunnen worden.
6.Bij het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 21, onder c van deze verordening  kan rekening worden gehouden met de individuele vervoersbehoefte van de persoon als bedoeld in artikel 1, onder d van deze verordening en de mate waarin een collectief systeem als bedoeld in artikel 20, onder a van deze verordening in die vervoersbehoefte kan voorzien.
7.Voor zover de behoefte van echtgenoten/partners niet samenvallen, wordt niet meer dan 1,5 maal een enkele financi&#235;le tegemoetkoming toegekend.
Artikel 22.	Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen.
Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk inkomen van gehuwde personen meer bedraagt dan 1,5 maal in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Grootegast voor de diverse categorie&#235;n genoemde inkomensgrenzen, wordt het bezit van een personenauto algemeen gebruikelijk geacht, zodat een auto of een met een auto vergelijkbare voorziening en de daarmee samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten niet in aanmerking komen voor verstrekking of vergoeding.
Artikel 23.	Vervoer in de directe woon- en leefomgeving.
Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.
Hoofdstuk 6. 	Verplaatsen in en rond de woning.
Artikel 24.	Vormen van rolstoelvoorzieningen.
De door burgemeester en wethouders, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te verstrekken voorziening kan bestaan uit:

a. 	een rolstoelvoorziening in natura;
b. 	een persoonsgebonden budget te besteden aan een rolstoelvoorziening;
c. 	een persoonsgebonden budget te besteden aan een sportrolstoel.
Artikel 25.	Het recht op een rolstoelvoorziening.
1.Een persoon als bedoeld in artikel 1, onder d. van deze verordening kan voor de in artikel 24, onder a. en b. van deze verordening vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek incidenteel zittend verplaatsen in en rond de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.
2.Een persoon als bedoeld in artikel 1, onder d. van deze verordening kan voor de in artikel 24, onder c. van deze verordening vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het sporten zonder sportrolstoel onmogelijk maken.
Artikel 26.	Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners.
In uitzondering op het gestelde in artikel 25, eerste lid komt een persoon die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
Hoofdstuk 7. Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van besluiten.
Artikel 27. 	Gebruik aanvraagformulier.
Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door burgemeester en wethouders ter beschikking gesteld formulier.
Artikel 28.	Aanvragen
Aanvragen in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning dienen te worden ingediend bij het loket Welzijn en Zorg van de gemeente Grootegast. 
Artikel 29.	Inlichtingen, onderzoek en  advies.
1.het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een aanvraag is ingediend:
a.op te roepen in persoon te verschijnen op een door burgemeester en wethouders te bepalen plaats en tijdstip en hem te ondervragen;
b.op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen ondervragen en/of onderzoeken.
2.Het college vraagt een door hen daartoe aangewezen adviesinstantie om advies indien:
a.de medische noodzaak van en/of de inhoud, soort en aard van de gevraagde voorziening niet op voorhand duidelijk is, dan wel zonder inschakeling van de adviesinstantie niet kan worden vastgesteld;
b.de gevraagde voorziening om medische redenen wordt afgewezen;
c.het college dit overigens gewenst vinden.
3.Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hen aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
4.De adviseur dient te beschikken over kennis op de volgende gebieden:
a.medische kennis op het niveau van een arts;
b.sociale kennis;
c.ergonomische kennis;
d.technische kennis.
5.Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de zogenaamde ICF classificatie.
6.Bij een volgende aanvraag voor een voorziening heeft het college de bevoegdheid aan te geven, dat opnieuw advies dient te worden uitgebracht.
7.De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.	
Artikel 30.	Samenhangende afstemming. 
Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te stemmen op de situatie van de aanvrager laten burgemeester en wethouders onderzoek verrichten naar de situatie van de aanvrager.
Artikel 31.	Wijzigingen in de situatie.
Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt, is verplicht aan burgemeester en wethouders mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.
Artikel 32.	Intrekking van een voorziening
1.Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:
a.niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening;
b.op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.
2.Een besluit tot verlening van een financi&#235;le tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
Artikel 33.	Terugvordering
1.Ingeval een voorziening is ingetrokken kan op basis daarvan reeds uitbetaalde financi&#235;le tegemoetkoming of persoonsgebonden budget worden teruggevorderd.
2.In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte gegevens.
Hoofdstuk 8. 	Slotbepalingen.
Artikel 34.	 Hardheidsclausule.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 35. 	Bevoegdheid burgemeester en wethouders.
Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Grootegast geldende bedragen verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de prijsindex gezinsconsumptie volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Artikel 36.	 Evaluatie.
Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per jaar ge&#235;valueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze verordening aangepast. Burgemeester en wethouders zenden hiertoe binnen 6 maanden na de inwerkingtreding van de verordening en vervolgens telkens na afloop van het kalenderjaar aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effectiviteit van de verordening in de praktijk.
Artikel 37.	Inwerkingtreding.
Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 maart 2009.
Gelijktijdig met het in werking treden van deze verordening wordt de laatstelijk bij raadsbesluit van 19 september 2006 vastgestelde &#8216;Verordening voorzieningen Maatschappelijke ondersteuning gemeente Grootegast ingetrokken. 
Artikel 38.	Citeertitel.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Grootegast (versie 2009).

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Grootegast op 16 december 2008.

H.R. Kastermans, raadsgriffier				K.B. Dijkstra, raadsvoorzitter
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening Wet kinderopvang" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011bb63acc290480/versie-d0c5d466192e0ce6011bb63acc290481.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast;

Gelezen het voorstel van het college van 12 november 2004, inzake verordening kinderopvang;

Gelet op artikel 25 van de wet kinderopvang en artikel 149 van de Gemeentewet;

Overwegende dat het noodzakelijk is de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming van de gemeente in de kosten van kinderopvang bij verordening te regelen;

BESLUIT

Vast te stellen de volgende verordening

verordening Wet kinderopvang

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder: 
a.het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast; 
b.de wet: de Wet kinderopvang. 

Paragraaf 2 Vaststelling noodzaak van kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie

Artikel 2 Te verstrekken gegevens
1.Een aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie als bedoeld in artikel 23 van de wet bevat in ieder geval de volgende gegevens: 
a.naam en adres van de ouder; 
b.indien van toepassing: naam van de partner en, indien dit een ander adres is dan het adres van de ouder: het adres van de partner; 
c.naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de aanvraag betrekking heeft; 
d.de overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming. 
2.Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld aanvraagformulier. 
3.Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede ondertekend door de partner 

Artikel 3 Beslistermijn
1.Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens. 
2.Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken opschorten. Het college stelt hiervan de ouder schriftelijk in kennis. 

Artikel 4 Inhoud van de beschikking
Het besluit tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie bevat in ieder geval: 
a.de geldigheidsduur van de indicatie; 
b.de omvang van de kinderopvang die noodzakelijk wordt geacht. 

Artikel 5 Weigeringsgronden
Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie vast te stellen indien: 
a.de ouder en de partner reeds een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang ontvangt of kan ontvangen; of 
b.de ouder of de partner niet behoort tot de personen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k of l. 

Paragraaf 3 Aanvraag van de tegemoetkoming

Artikel 6 Te verstrekken gegevens bij de aanvraag
1.Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten omvat: 
a.naam, adres en sofi-nummer van de ouder; 
b.indien van toepassing: naam en sofi-nummer van de partner en, indien dit een adres is dan het adres van de ouder: het adres van de partner; 
c.naam, geboortedatum en sofi-nummer van het kind of kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking op heeft; 
d.een offerte of contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin in ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren kinderopvang per kind, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de opvang; 
e.gegevens of verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in artikel 22 van de wet; 
f.overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming. 
2.Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
3.Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede ondertekend door de partner.

Paragraaf 4 Verlening van de tegemoetkoming

Artikel 7 het besluit tot het verlenen van de tegemoetkoming
1.Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens. 
2.Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken opschorten. Het college stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis. 

Artikel 8 Weigeringsgrond
Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort tot de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet. 

Artikel 9 Ingangsdatum tegemoetkoming
1.De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst is genomen. 
2.Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de kinderopvang daadwerkelijk zal plaatsvinden 

Artikel 10 De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend
1.De tegemoet wordt verleend voor een periode van een jaar. 
2.In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming voor een andere periode verlenen. 

Artikel 11 Omvang van de kinderopvang
1.Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd. 
2.In afwijking van het eerste lid verleent het college bij een ouder als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel a, van de wet tegemoetkoming voor het aantal uren kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is voor de combinatie arbeid en zorg. 

Artikel 12 Inhoud van de beschikking
Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang bevat in ieder geval: 
a.De vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen de ouder behoort; 
b.De naam en de geboortedatum van het kind of kinderen waarop de tegemoetkoming betrekking heeft; 
c.De naam en het adres van het kindercentrum of gastouderbureau waar de kinderopvang plaatsvindt; 
d.De periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend. 
e.De wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald en het bedrag dat op basis hiervan wordt verleend; 
f.De wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald; 
g.De verplichting van de ouder 

Artikel 13 De bevoorschotting van de tegemoetkoming
1.De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse termijnen uitbetaald. 
2.Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van bevoorschotting. 

Paragraaf 5 Vaststelling van de tegemoetkoming

Artikel 14 Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming
1.De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode. 
2.Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst van het overzicht van de kosten vast. 

Artikel 15 Verrekening van de voorschotten
De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier weken betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten. 

Paragraaf 6 Verplichting van de ouder

Artikel 16 Inlichtingenplicht
1.De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het bekend worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van een lagere tegemoetkoming. 
2.De ouder of de partner verstrekt desgevraagd aan het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn. 

Paragraaf 7 Slotbepalingen

Artikel 17 Inwerkingtreding
1.Onder toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet treedt deze verordening in werking een dag na haar bekendmaking. 
2.In afwijking van het eerste lid treedt paragraaf 2 van deze verordening in werking op het moment dat artikel 23 van de Wet kinderopvang in werking treedt. 

Artikel 18 Citeertitel
De verordening wordt aangehaald als: &#8220;Verordening Wet kinderopvang gemeente Grootegast&#8221;. 

Aldus besloten in een openbare raadsvergadering van 23 november 2004,

K.B Dijkstra, voorzitter

H.R. Kastermans, raadsgriffier
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening WMO-adviesraad" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011bb6573d3a0495/versie-d0c5d466256f74de0126093dbd6200b6.html">
	<tekst>
	Gemeente Grootegast
Verordening WMO-adviesraad

De raad van de gemeente Grootegast, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 27 maart 2007, gelet op de verplichting tot burgerparticipatie op basis van artikel 9, 11 en 12 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), alsmede gelet op artikel 150 van de Gemeentewet, besluit vast te stellen de &apos;Verordening Wmo-adviesraad gemeente Grootegast&apos;;
Artikel 1 Begripsbepalingen.
WMO: de Wet Maatschappelijke Ondersteuning.
WMO-adviesraad: het inspraakorgaan in het kader van burgerparticipatie zoals bedoeld in de WMO, ingesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast.
Voorbereidingsgroep een tijdelijke groep vertegenwoordigers van belangen- en cli&#235;ntenorganisaties in de gemeente Grootegast, die de vorming en samenstelling van de WMO-adviesraad voorbereiden.
Werkgebied: het grondgebied van de gemeente Grootegast.
Artikel 2 Taken.
De WMO-adviesraad heeft de volgende taken:
 a.uitbrengen van adviezen - gevraagd en ongevraagd &#8211; aan burgemeester en wethouders over de hoofdlijnen van het te voeren gemeentelijk beleid als bedoeld in artikel 1, lid 1 onder g van de WMO bezien vanuit de positie van vragers naar maatschappelijke ondersteuning, alsmede over de uitvoering en uitgaven hiervan;
 b.op een actieve wijze verzamelen van zoveel mogelijk relevante informatie omtrent maatschappelijke ondersteuning en de vragers van maatschappelijke ondersteuning om genoemde adviesfunctie zo goed mogelijk te kunnen uitvoeren;
 c.bevorderen van overleg en samenwerking met organisaties, instellingen, groeperingen en personen die te maken krijgen met de WMO.
Artikel 3 Samenstelling.
 1.Bij de instelling van de WMO-adviesraad wordt gestreefd naar een evenwichtige samenstelling, die recht doet aan de participatie van organisaties van vragers naar maatschappelijke ondersteuning en van inwoners van de gemeente Grootegast met persoonlijke betrokkenheid bij vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning die niet tot die organisaties behoren.
 2.De WMO-adviesraad bestaat uit minimaal 5 en maximaal 9 leden die gezamenlijk alle prestatievelden van de WMO kunnen overzien.
 3.Met inachtneming van het bepaalde in lid 1 en 2 van dit artikel kunnen tot lid van de WMO-adviesraad worden benoemd:
 a)in de gemeente woonachtige vertegenwoordigers van organisaties van de kant van vragers op het gebied van maatschappelijke ondersteuning;
 b)inwoners van de gemeente van wie op grond van hun persoonlijke kwaliteiten een grote betrokkenheid verwacht mag worden bij meerdere onderdelen van de WMO met een netwerk waardoor ze veel signalen krijgen uit de samenleving.
 4.Uitgesloten van lidmaatschap van de WMO-adviesraad zijn mensen die beroepsmatig betrokken zijn of raken de inkoop en/of aanbesteding van zorg of hulpdiensten aan de gemeente Grootegast.
 5.Van de leden van de WMO-adviesraad wordt verwacht dat zij integer omgaan met de schriftelijke of mondelinge informatie die hen ter beschikking komt.
Artikel 4 Benoeming.
1.Leden van de WMO-adviesraad worden geworven op basis van een profielschets en door middel van een open sollicitatie
2.De voordracht van (nieuwe) leden vindt plaats op basis van gesprekken met een selectiecommissie van (de voorbereidingsgroep van) de WMO-adviesraad.
3.De selectiecommissie gebruikt daarbij de in artikel 3 genoemde eisen en de profielschets.
4.Bij meerdere kandidaten wordt in de voordracht de volgorde en het eventuele meerderheid- en minderheidsadvies vermeld.
5.De leden van de WMO-adviesraad worden door burgemeester en wethouders benoemd.
Artikel 5 Zittingsduur
 1.De leden van de WMO-adviesraad worden benoemd voor een periode van vier jaar.
 2.Periodiek aftredende leden kunnen terstond worden herbenoemd, met dien verstande dat zij maximaal twee perioden van vier jaar in de WMO-adviesraad zitting kunnen nemen. 
 3.De benoeming in een tussentijds openvallende plaats vindt plaats binnen drie maanden na het openvallen van die plaats.
Artikel 6 Be&#235;indiging lidmaatschap.
 1.Het lidmaatschap van de WMO-adviesraad eindigt door:
 a)het aflopen van de zittingsperiode;
 b)overlijden;
 c)te bedanken als lid;
 d)door vertrek uit de gemeente Grootegast.
 e)wanneer zij in hun zittingsperiode beroepsmatig betrokken raken bij de inkoop of aanbesteding van zorg- en/of hulpdiensten aan de gemeente Grootegast.
 2.Burgemeester en wethouders kunnen op aanbeveling van de WMO-adviesraad een lid ontslaan, indien een lid zonder geldige redenen zijn/haar taak verzuimt.
Artikel 7 Voorzitter.
De WMO-adviesraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter. 
Artikel 8 Secretaris.
De WMO-adviesraad kiest uit zijn midden een secretaris.
Artikel 9 Informatieverschaffing.
De WMO-adviesraad ontvangt van burgemeester en wethouders onverwijld alle informatie die nodig is voor haar taakvervulling.
Artikel 10. Adviesbevoegdheid
1.In het kader van de in artikel 2 genoemde taken brengt de WMO-adviesraad desgevraagd of uit eigen beweging advies uit aan burgemeester en wethouders.
2.2. Als burgemeester en wethouders bij besluitvorming afwijken van het advies delen zij schriftelijk de redenen daarvan aan de WMO-adviesraad mee.
Artikel 11. Werkwijze.
 1.De WMO-adviesraad vergadert minimaal 4 x per jaar en voorts zo dikwijls als het door de voorzitter of door tenminste twee zitting hebbende leden nodig wordt geacht.
 2.De voorzitter draagt er zorg voor dat de uitnodiging voor een vergadering tenminste 10 werkdagen voor de te houden vergadering aan de leden wordt verzonden.
 3.Openbare vergaderingen en bijeenkomsten van de WMO-adviesraad worden in de media aangekondigd.
 4.Tenminste eenmaal per jaar houdt de WMO-adviesraad een bijeenkomst met alle belangen- en cli&#235;ntenorganisaties werkzaam in het werkgebied en/of voor inwoners van de gemeente Grootegast over actuele WMO-relevante thema&#8217;s.
Artikel 12. Besluitvorming
1.Besluiten van de WMO-adviesraad worden bij meerderheid van stemmen genomen. Blanco stemmen worden daarbij niet meegerekend.
2.De WMO-adviesraad neemt besluiten zonder last of ruggespraak.
3.Indien bij het nemen van een besluit door geen der leden stemming wordt gevraagd wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen.
4.Wanneer een besluit niet met algemene stemmen is aangenomen wordt in het verslag van de vergadering dan wel in het eventueel uitgebrachte advies melding gemaakt van de bij de bespreking naar voren gebrachte afwijkende meningen alsmede van de stemverhouding.
5.De WMO-adviesraad mag niet beraadslagen of besluiten als niet tenminste de helft van het aantal stemgerechtigde leden aanwezig is.
6.Indien op grond van het gestelde in het voorgaande lid een vergadering niet kan worden gehouden, schrijft de voorzitter binnen twee weken een nieuwe vergadering uit die ongeacht het aantal aanwezigen kan beraadslagen en besluiten.
7.De WMO-adviesraad stemt over personen schriftelijk.
8.De leden stemmen niet mee bij keuzes, voordrachten of aanbevelingen die hen persoonlijk aangaan.
Artikel 13. Faciliteiten.
 1.Burgemeester en wethouders bieden (de secretaris van) de WMO-adviesraad ambtelijke ondersteuning ten behoeve van de volgende werkzaamheden:
 a)de voorbereiding en planning van vergaderingen;
 b)het maken van vergadernotulen;
 c)het ter vergadering uitnodigen van externe deskundigen en gemeentelijke contactambtenaren;
 d)het verzamelen van benodigde documentatie.
 2.De ambtelijke ondersteuning wordt vooreerst vastgesteld op een maximum van gemiddeld 5 uur per maand.
 3.Burgemeester en wethouders stellen aan de WMO-adviesraad een budget ter beschikking ten behoeve van de volgende activiteiten
 a)vergoeding voor deskundigheidsbevordering;
 b)vergoeding reiskosten a &#8364; 0,19 per km en eventuele verblijfskosten;
 c)een onkostenvergoeding van &#8364; 10,&#8211; per lid per maand;
 d)aanschaf van documentatie, literatuur en vaktijdschriften;
 e)faciliteiten voor het verzorgen van voorlichting en public relations;
 f)faciliteiten in de vorm van het beschikbaar stellen van een vergaderruimte, het maken van kopie&#235;n en de verzending van stukken.
 4.Deze middelen worden zodanig ter beschikking gesteld dat de WMO-adviesraad redelijkerwijs in staat kan worden geacht om in het kader van de uitvoering van deze verordening de belangen te behartigen van de in de gemeente woonachtige burgers.
 5.De WMO-adviesraad draagt binnen drie maanden na afloop van elk kalenderjaar zorg voor een financieel verslag, waarin verantwoording wordt afgelegd over de besteding van de verkregen middelen en een werkplan, inclusief begroting voor het nieuwe jaar als bedoeld in lid 3. Afhankelijk van de resultaten zal achteraf al dan niet bijstelling plaatsvinden.
Artikel 14. Slotbepalingen.
 1.Indien er geen WMO-adviesraad binnen de gemeente functioneert zullen burgemeester en wethouders de burgerparticipatie in het kader van de WMO actief bevorderen door:
 a)opdracht te geven om een zodanige WMO-adviesraad tot stand trachten te brengen;
 b)hiervoor de financi&#235;le middelen ter beschikking te stellen;
 c)andere benodigde faciliteiten ter beschikking te stellen.
 2.Opheffing van de WMO-adviesraad kan slechts geschieden:
 a)bij besluit van burgemeester en wethouders, de WMO-adviesraad gehoord;
 b)bij vervallen van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
 3.Aanvullingen of wijzigingen van deze verordening WMO-adviesraad worden vastgesteld door burgemeester en wethouders, de WMO-adviesraad gehoord.
 4.Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening WMO-adviesraad.
Artikel 15. Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op 16 december 2009
Aldus vastgesteld op 15 december 2009


H. Kastermans, raadsgriffier 				K.B. Dijkstra, raadsvoorzitter
	</tekst>
</verordening>
</folder>
<folder name="Onderwijs">
<verordening name="Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011bb6d9e75c04ab/versie-d0c5d466192e0ce6011bb6d9e75c04ac.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Grootegast; inzake peuterspeelzalen;

overwegende dat het wenselijk is regels te stellen ten aanzien van de kwaliteit van de peuterspeelzalen;

BESLUIT

vast te stellen de volgende verordening

Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen

Hoofdstuk 1 Algemene bepaling

Artikel 1 Begripsomschrijvingen
In de verordening wordt verstaan onder: 
a.peuterspeelzaalwerk: het bieden van speelgelegenheid aan kinderen van twee tot vier jaar gedurende &#233;&#233;n of meer dagdelen per week van maximaal 3,5 uur met als doel de ontwikkeling van de kinderen te bevorderen en hen samen te laten spelen; 
b.peuterspeelzaal: een voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt; 
c.houder: degene die een peuterspeelzaal exploiteert; 
d.beroepskracht: degene die in een peuterspeelzaal werkzaamheden verricht die zijn opgenomen in de voor het peuterspeelzaalwerk geldende CAO en die beschikt over een voor deze werkzaamheden passende beroepskwalificaties; 
e.begeleider: degene die anders dan als beroepskracht is belast met de begeleiding van kinderen bij een peuterspeelzaal. 

Hoofdstuk 2 Meldingsplicht

Artikel 2 Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal
1.Degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen binnen de gemeente doet daarvan melding aan het college. 
2.De melding vindt plaats met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier zoals bijgevoegd in bijlage 1. 

Artikel 3 Ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk
De houder geeft in de melding aan het college aan voor welk ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk hij kiest, waarbij de volgende ambitieniveaus worden onderscheiden: 
a.ambitieniveau 0: &#8216;spelen en ontmoeten&#8217;; 
b.ambitieniveau 1: &#8216;spelen, ontmoeten, ontwikkelen en signaleren&#8217;; 
c.ambitieniveau 2: &#8216;spelen, ontmoeten, ontwikkelen, signaleren en ondersteunen&#8217;. 

Artikel 4 Termijn van in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal
1.Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen binnen acht weken na het tijdstip van de melding. 
2.Indien uit het onderzoek van de toezichthouder, bedoelde in artikel 17 eerste lid, eerder is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bepalingen in hoofdstuk drie van deze verordening kan de exploitatie vanaf dat moment plaatsvinden. 

Artikel 5 Verbod op het in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal
Het is verboden een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen indien uit het onderzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel 17 eerste lid, blijkt dat niet aan de eisen van de verordening wordt voldaan. 

Artikel 6 Register
1.Het college houdt een register bij van gemelde peuterspeelzalen. In dit register worden na melding onmiddellijk de gegevens opgenomen die ingevolge artikel 2, tweede lid, en artikel 3 zijn verstrekt. 
2.Het college deelt de houder schriftelijk mee dat opneming van de peuterspeelzaal in het register heeft plaatsgevonden. 
3.Het register ligt op het gemeentehuis kosteloos voor een ieder ter inzage. 

Artikel 7 Wijzigingen van gegevens
1.De houder doet van wijzigingen in de gegevens die bij de melding zijn verstrekt, onmiddellijk mededeling aan het college. 
2.Het college deelt de houder schriftelijk mee dat de wijzigingen in het register zijn aangetekend. 

Hoofdstuk 3 De kwaliteitseisen

Artikel 8 Algemene kwaliteitseisen
1.De houder van een peuterspeelzaal biedt peuterspeelzaalwerk aan dat bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving. 
2.De houder organiseert het peuterspeelzaalwerk op zodanige wijze, voorziet de peuterspeelzaal zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling en voert een zodanig pedagogisch beleid, dat een en ander leidt of moet leiden tot verantwoord peuterspeelzaalwerk. 

Artikel 9 Eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid
De houder voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen in elk door hem ge&#235;xploiteerde peuterspeelzaal zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder legt, voor zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en regelgeving, in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico&#8217;s de opvang van kinderen met zich meebrengt. 

Artikel 10 Oppervlakte speelruimte
1.Voor ieder kind is minimaal 3,5 m2 bruto-oppervlakte aan binnenspeelruimte beschikbaar. 
2.Voor ieder kind is buitenspeelruimte beschikbaar, waarvan de bruto-oppervlakte minimaal 4 m2 per kind bedraagt en die voor kinderen bereikbaar is. 

Artikel 11 Groepen en groepsgrootte
1.De opvang van kinderen vindt plaats in vaste groepen in passend ingerichte vaste afzonderlijke ruimtes. 
2.In een groep zijn ten hoogste veertien kinderen gelijkertijd aanwezig. 

Artikel 12 Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep
1.Het aantal beroepskrachten of begeleiders per groep is afhankelijk van het door de houder gekozen ambitieniveau. 
2.Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 0: &#8216;spelen en ontmoeten&#8217; zijn er in elke groep ten minste twee begeleiders aanwezig en is er &#233;&#233;n beroepskracht voor ten minste 50% van de openingsuren aanwezig in de peuterspeelzaal. 
3.Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 1: &#8216;spelen, ontmoeten, ontwikkelen en signaleren&#8217; zijn er in elke groep ten minste &#233;&#233;n beroepskracht en &#233;&#233;n begeleider aanwezig. 
4.Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 2: &#8216;spelen, ontmoeten, ontwikkelen, signaleren en ondersteunen&#8217; zijn er in elke groep ten minste twee beroepskrachten aanwezig. 

Artikel 13 Overeenkomst tussen houder en ouder
Opvang in een peuterspeelzaal geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en een ouder. 

Artikel 14 Informatieplicht aan de ouders
De houder van een peuterspeelzaal informeert de ouder voorafgaand aan het aangaan van deze overeenkomst in ieder geval over: 
a.De plaatsingsprocedure en leveringsvoorwaarden; 
b.Het gekozen ambitieniveau als bedoeld in artikel 3; 
c.Het te voeren beleid, waaronder het beleid inzake veiligheid en gezondheid, alsmede het pedagogisch beleid waarin vanuit de visie op de ontwikkeling van kinderen de visie op de omgang met kinderen is beschreven; 
d.De wijze en frequentie van informatie-uitwisseling na plaatsing van het kind bij de peuterspeelzaal. 

Artikel 15 Verklaring omtrent het gedrag
1.Personen die als beroepskracht werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal zijn in bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justiti&#235;le gegevens. 
2.Deze verklaring wordt aan de houder overlegt voordat een persoon zijn werkzaamheden aanvangt.
3.Indien de houder of de toezichthouder redelijkerwijs vermoedt dat een persoon of begeleider niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder dat die persoon (opnieuw) een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. Desbetreffende persoon overlegt de verklaring binnen een door de houder vast te stellen termijn.

Hoofdstuk 4 Het gemeentelijk toezicht

Artikel 16 Aanwijzing van toezichthouders
Het college wijst toezichthouders aan. 

Artikel 17 Onderzoek door de toezichthouder
1.De toezichthouder onderzoekt na melding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, binnen acht weken of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de voorschriften met de voorschriften in hoofdstuk drie van deze verordening. 
2.Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder eens in de drie jaar of de exploitatie van elke peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de voorschriften in hoofdstuk drie van deze verordening. 
3.Naast het onderzoek bedoeld in het eerste en tweede lid kan de toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door de houder van de voorschriften in hoofdstuk drie van deze verordening. 

Artikel 18 Het inspectierapport
1.De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport. 
2.Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de voorschriften van deze verordening niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport. 
3.Alvorens het rapport vast te stellen, stelt het college de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder zendt in het inspectierapport onverwijld aan de houder die een afschrift daarvan zo spoedig mogelijk ter inzage legt op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats. 
4.De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan openbaar. 

Artikel 19 Aanwijzing en bevel
1.Het college kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven indien op basis van het inspectierapport blijkt dat deze de voorschriften in deze verordening niet of in onvoldoende mate naleeft. 
2.In de aanwijzing geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen. 
3.Indien de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van de opvang bij een peuterspeelzaal zodanig tekortschiet dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, die door het college kan worden verlengd. 
4.De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing onderscheidenlijk het bevel gestelde termijn. 

Artikel 20 Strafbepaling
Overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en de artikelen in hoofdstuk drie van deze verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.  

Hoofdstuk 5 Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 21 Overgangsbepaling
1.Het college neemt in het register de peuterspeelzalen op die op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening voldeden aan de eisen zoals gesteld in de Verordening kinderopvang 1997. 
2.Een houder van een peuterspeelzaal als bedoeld in het eerste lid verstrekt desgevraagd aan het college alle gegevens die nodig zijn voor het register. 
3.Beroepskrachten die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan de houder binnen twee maanden na de inwerkingtreding een verklaring omtrent het gedrag over. 

Artikel 22 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2005. 

Artikel 23 Citeertitel
De verordening wordt aangehaald als: &#8220;Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen gemeente Grootegast&#8221;.
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening leerlingenvervoer" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011bb5ab3f61046a/versie-d0c5d4661c0c5e38011c7a26984f010e.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast,

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 22 augustus 2008, nr. 14,

gelet op de artikelen 4 van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs;

besluit vast te stellen de volgende: 

VERORDENING LEERLINGENVERVOER GEMEENTE GROOTEGASTTITEL 1: ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1: Begripsomschrijving
In deze verordening wordt verstaan onder
a.school:
a.een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs (Stb. 1998, 495);
b.een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra (Stb. 1998, 496);
c.een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs (Stb. 1998, 512);
b.ouders: de ouders, voogden of verzorgers van de leerling;
c.leerling: een leerling van een school als bedoeld onder a;
d.gehandicapte leerling: een leerling bedoeld onder c, die door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken;
e.woning: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft;
f.afstand: de afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;
g.vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt;
h.openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling per trein, metro, tram, bus, veerdienst of auto;
i.aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, treintaxi of bustaxi;
j.eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig, bromfiets of fiets;
k.reistijd: de totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten indien en voorzover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids, een eventuele wachttijd, en de aankomst bij de woning;
l.toegankelijke school:
a.voor wat betreft basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs: de basisschool van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school of de speciale school voor basisonderwijs waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school;
b.voor wat betreft scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs: de school van de soort waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school van de soort waarop de leerling is aangewezen;
m.inkomen: het ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Stb. 2000, 215) vastgestelde gecorrigeerde verzamelinkomen van de ouders in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd.
n.opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer;
o.commissie voor de begeleiding: de commissie die is ingesteld door het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, niet zijnde een instelling, of de bevoegde gezagsorganen van twee of meer scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, niet zijnde instellingen, die hetzelfde expertisecentrum instandhouden.;
p.vervoersvoorziening: een gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider,  of bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider, of aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen. 
q.permanente commissie leerlingenzorg: de commissie als bedoeld in artikel 23 van de Wet op het primair onderwijs;
r.samenwerkingsverband: het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18 van de Wet op het primair onderwijs;
s.regionale verwijzingscommissie: de commissie als bedoeld in artikel 10 g van de Wet op het voortgezet onderwijs;
t.opdc: orthopedagogisch en -didactisch centrum als bedoeld in artikel 10h , derde lid, Wet op het voortgezet onderwijs;
u.ambulante begeleiding: de begeleiding door een personeelslid van een school of instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra van leerlingen die zijn geplaatst op een basisschool of leerlingen die zijn geplaatst op een school voor voortgezet onderwijs en die naar het oordeel van het bevoegd gezag zonder die begeleiding zouden zijn aangewezen op het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs;
v.commissie voor de indicatiestelling: de commissie als bedoeld in artikel 28 c van de Wet op de expertisecentra.
Artikel 2: Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten
1.Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.
2.Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt zij van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op bekostiging vervallen.
3.De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen.
4.Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de bekostiging op aanvraag verstrekt aan de leerling.
Artikel 3: Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school
1.Bekostiging van de vervoerskosten wordt toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen.
2.Indien ouders bekostiging van de vervoerskosten aanvragen voor het bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan in artikel 11 of 15 is bepaald, terwijl een of meer scholen van dezelfde onderwijssoort dichterbij de woning zijn gelegen, ontstaat slechts aanspraak op bekostiging naar eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen.
Artikel 4: Uitbetaling van de bekostiging
Het college bepaalt bij het verstrekken van bekostiging van de vervoerskosten de wijze en het tijdstip van de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de verstrekte bekostiging, met dien verstande dat de tijdsduur, indien dit mogelijk is, voor&#160;meerdere jaren of de hele schoolperiode wordt vastgesteld.
Artikel 5: Aanvraagprocedure
1.Een aanvraag voor bekostiging van de vervoerskosten wordt gedaan door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens.
2.De aanvraag wordt, indien het een aanvraag voor het eerstvolgende schooljaar betreft, voor 1 juni voorafgaand aan dat schooljaar ingediend.
3.Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken.
4.Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens.
5.Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.
6.Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend wordt deze getroffen:
a.met ingang van het nieuwe schooljaar indien de aanvraag voor 1 juni is ingediend;
b.met ingang van de door de ouders verzochte datum als het een aanvraag gedurende het schooljaar betreft, met dien verstande dat de datum waarop bekostiging wordt verstrekt niet ligt voor de datum van ontvangst van de aanvraag door het college.
Artikel 6: Doorgeven van wijzigingen
1.De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten, onder vermelding van de datum van wijziging, onverwijld schriftelijk mede te delen aan het college.
2.Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de verstrekte bekostiging, vervalt de aanspraak op bekostiging en verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de vervoerskosten.
3.Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte bekostiging is verstrekt, vervalt de aanspraak op bekostiging van de vervoerskosten terstond en verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de vervoerskosten.
Het college deelt zijn besluit schriftelijk mee aan de ouders.
4.Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuwe verstrekking van bekostiging.
Artikel 7: Peildatum leeftijd leerling
Voor het verstrekken van bekostiging op basis van artikel 12 is bepalend de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de bekostiging betrekking heeft.
Artikel 8: Andere vergoedingen
De aanspraak op bekostiging wordt verminderd met de aanspraak op een toelage, voorzover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten.

TITEL 2: BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE (NIET-GEHANDICAPTE) LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR PRIMAIR ONDERWIJS
Artikel 9: Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband
Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt bekostiging verstrekt van de kosten van het vervoer over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en:
a.de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, of
b.een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a. bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder a..
Artikel 10: Permanente commissie leerlingenzorg
1.Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een leerling op een school voor primair onderwijs niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking de beslissing te betrekken van de permanente commissie leerlingenzorg over de toelating van de leerling op een speciale school voor basisonderwijs.
2.Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor leerlingenvervoer eventuele adviezen van de permanente commissie leerlingenzorg die voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijn.
Artikel 11: Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets
1.Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes km bedraagt.
2.In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets.
Artikel 12: Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een begeleider
1.Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 11, bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve van 1 begeleider, indien de leerling jonger dan negen jaar is, en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.
2.Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van een begeleider voor bekostiging in aanmerking.
Artikel 13: Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer
Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan het afstandscriterium van artikel 11, en
a.de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, of:
b.openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets.
Artikel 14: Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer
1.Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren.
2.Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren:
a.een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid;
b.een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid.
3.Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid.
4.Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.
5.Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.

TITEL 3: BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR (VOORTGEZET) SPECIAAL ONDERWIJS
Artikel 15: Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets
1.Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan zes kilometer bedraagt.
2.In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets.

Artikel 15a: Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke WEC school cluster 4 
Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 geldt voor de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs uit cluster 4 bezoekt als dichtstbijzijnde toegankelijke school, de school die door de commissie voor de indicatiestelling is geadviseerd. Dit is van toepassing zolang de leerling zijn woonplaats heeft in het gebied van het regionale expertisecentrum waaraan voornoemde commissie is verbonden. 
Artikel 16: Commissie voor de begeleiding
Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een leerling op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere deskundigen te betrekken.
Artikel 17: Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider
1.Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 15, bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve van een begeleider, indien door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet op zijn lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of leeftijd, niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.
2.Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere deskundigen te betrekken.
3.Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider voor bekostiging in aanmerking.
Artikel 18: Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer
1.Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan het afstandscriterium van artikel 15, en
a.de gehandicapte leerling, naar het oordeel van het college niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van openbaar vervoer gebruik te maken, of:
b.de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, of:
c.openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets.
2.Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere deskundigen te betrekken.
Artikel 19: Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer
1.Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren.
2.Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren:
a.een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid;
b.een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid.
3.Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling Binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid.
4.Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.
5.Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.
Artikel 20: Bekostiging vervoerskosten van gehandicapte leerlingen voor scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs
1.Het college verstrekt eveneens bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, in het geval de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school minder bedraagt dan is bepaald in artikel 15, indien het college van oordeel is dat de leerling gehandicapt is.
2.Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere deskundigen te betrekken.
3.Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten zoals bedoeld in het eerste lid, is artikel 19 van toepassing.

TITEL 4: BEPALINGEN OMTRENT WEEKEINDE- EN VAKANTIEVERVOER
Artikel 21: Bekostiging van de kosten van het weekeinde en vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders
Het college bekostigt desgewenst de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft, volgens het bepaalde in deze Titel.
Artikel 22: Bekostiging kosten weekeinde en vakantievervoer
1.Het college verstrekt aan de ouders bekostiging van de kosten van het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voorzover de weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde schoolvakanties.
2.Het college bekostigt de kosten van het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voorzover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.
3.Titel 3 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 16, artikel 17, tweede lid, artikel 18, eerste lid onder b, artikel 18, tweede lid, en artikel 20.
	
TITEL 5: EIGEN BIJDRAGE EN BEKOSTIGING NAAR FINANCI&#203;LE DRAAGKRACHT
Artikel 23: Drempelbedrag
1.Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt dan euro 22.050,-, wordt slechts bekostiging verstrekt voorzover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 bepaalde afstand te boven gaan.
2.In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 bepaalde afstand, indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan euro 22.050,-.
3.De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die op grond van de zone-indeling in de regeling die is gebaseerd op artikel 30 , eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000, voor de afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan.
4.Het bedrag van euro 22.050,-, genoemd in het eerste en tweede lid, wordt met ingang van 1 januari 2009 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van euro 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van euro 22.050,-.
5.Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt.
Artikel 24: Financi&#235;le draagkracht
1.Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financi&#235;le draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag.
2.In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de financi&#235;le draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.
3.De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en zijn afhankelijk van de hoogte van het gecorrigeerde verzamelinkomen van de ouders in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001. 
Zij bedragen: 
Inkomen in euro&#8217;s
Eigen bijdragen in euro&#8217;s
	0 &#8211; 29.500
Nihil
29.500 &#8211; 35.500
115
35.500 &#8211; 41.000
475
41.000 &#8211; 46.500
890
46.500 &#8211; 53.000
1.300
53.000 &#8211; 58.500
1.715
58.500 en verder
Voor elke extra &#8364; 4.500: &#8364;&#160;420 erbij




4.De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2009 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van euro 500,-.
5.De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2009 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van euro 5,-.
6.Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt.

TITEL 6: BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN GEHANDICAPTE LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR PRIMAIR ONDERWIJS EN VOORTGEZET ONDERWIJS
Artikel 25: Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding

1.Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 verstrekt het college bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding aan de ouders van de leerling die een basisschool, speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs bezoekt en die gehandicapt is. Ten aanzien van een leerling van een speciale school voor basisonderwijs neemt het college artikel 9 in acht.
2.Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of slechts gedeeltelijk toekent, dienen zij bij de beschikking het advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken.
3.Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider voor bekostiging in aanmerking.
4.In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders bekostiging van de kosten van het vervoer per fiets dan wel bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets.
Artikel 26: Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer
1.Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een basisschool, speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs bezoekt, indien
2.de leerling, naar het oordeel van het college gehandicapt is. Ten aanzien van een leerling van een speciale school voor basisonderwijs neemt het college artikel 9 in acht. Of:
a.aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, of:
b.aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets.
3.Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken.
Artikel 27: Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer
1.Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren.
2.Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren:
a.een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer met begeleiding, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid;
b.een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid.
3.Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling Binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid.
4.Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.
5.Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.


TITEL 7: SLOTBEPALINGEN
Artikel 28: Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet
In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Artikel 29: Afwijken van bepalingen
Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zonodig na advies te hebben gevraagd aan de permanente commissie leerlingenzorg, de commissie van begeleiding, de regionale verwijzingscommissie of andere deskundigen. 
Artikel 30: Intrekking oude regeling
De verordening leerlingenvervoer gemeente Grootegast 2007 wordt ingetrokken.

Artikel 31: Overgangsregeling
1.Voor een leerling als bedoeld in Titel 6 voor wie in het schooljaar 2001/2002 krachtens de Wet Rea een vervoersvoorziening werd verstrekt, niet zijnde een voorziening in de vorm van een bruikleenauto of een voorziening deel uitmakend van of samenhangend met een leefvervoervoorziening, blijft, indien de ouders dat wensen, zo nodig in afwijking van artikel 3 aanspraak bestaan op een gelijkwaardige voorziening van en naar de school die de leerling in schooljaar 2001-2002 bezocht.
2.Voor de leerling van leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs die in het schooljaar 2001-2002 een vervoersvoorziening kreeg naar een school voor speciaal voortgezet onderwijs, leerwegondersteunend onderwijs, praktijkonderwijs of een opdc, blijft aanspraak bestaan op een vervoersvoorziening van en naar de school of opdc die de leerling in het schooljaar 2001-2002 bezocht indien de afstand van de woning naar de school meer dan 6 km bedraagt. Titel 5 is van overeenkomstige toepassing.
3.De bepalingen in Titel 6 zijn voor de eerste maal van toepassing in het schooljaar 2002-2003. Op het vervoer van leerlingen voorafgaand aan het schooljaar 2002-2003 en daarop betrekking hebbende geschillen, blijven de regelingen zoals luidend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening van toepassing.
Artikel 32: Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na het verstrijken van een termijn van zes weken na de datum van publicatie in de gemeentepagina.
Artikel 33: Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer gemeente Grootegast 2008.


Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 2 september 2008,



H. Kastermans,						K.B. Dijkstra,
raadsgriffier							voorzitter
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs" url="verordening-d0c5d4661c0c5e38011d6741ab690129/versie-d0c5d4662c3baf30012c87902a1f00d5.html">
	<tekst>
	Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 

De raad van de gemeente Grootegast, gelezen het voorstel van het college van 12 oktober 2010;
gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen van 21 september 2010;
gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 76m van de Wet op het voortgezet onderwijs&#160; ;
overwegende dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in de huisvesting voor het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs bij verordening te regelen;
besluit

vast te stellen de volgende: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2010.

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder
a.minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; 
b.bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs&#160; , de Wet op de expertisecentra&#160; en de Wet op het voortgezet onderwijs&#160; bekostigde openbare of bijzondere school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente; 
c.school: school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet) speciaal onderwijs en school voor voortgezet onderwijs; 
d.school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs&#160; ; 
1school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra&#160; , een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra&#160; en een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra&#160; ; 
2school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1&#160; , 2&#160; en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs&#160; . 
e.nevenvestiging: deel van een school dat door de minister ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs&#160; , artikel 76a&#160; of artikel 76b van de Wet op de expertisecentra&#160; of artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs&#160; voor bekostiging in aanmerking is gebracht; 
f.voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2 van deze verordening; 
g.programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze verordening; 
h.overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als bedoeld in artikel 13 van deze verordening; 
i.aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor bekostiging van een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding van een voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze verordening heeft ingediend; 
j.aanvraag: verzoek om bekostiging van een voorziening of om bekostiging van bouwvoorbereiding; 
k.voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening, 10 jaren of langer noodzakelijk is; 
l.voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening, korter dan 10 jaren noodzakelijk is; 
m.permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; 
n.noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 15 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; 
o.gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in lichamelijke oefening; 
p.advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel 95 van de Wet op het primair onderwijs&#160; , artikel 93 van de Wet op de expertisecentra&#160; , artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs&#160; ; 
q.verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. 
r.gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs&#160; , artikel 108 van de Wet op de expertisecentra&#160; , artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs&#160; ; 
s.beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde staten in een geschil als bedoeld in artikel 110 , tweede lid van de Wet op het primair onderwijs&#160; , artikel 108 , tweede lid van de Wet op de expertisecentra&#160; , artikel 76u , tweede lid van de Wet op het voortgezet onderwijs&#160; ; 
t.eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs&#160; , artikel 108 van de Wet op de expertisecentra&#160; , artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs&#160; . 

Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting
Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen onderscheiden:
a.de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen bestaande uit: 
1nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op dezelfde locatie; 
2uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest; 
3gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school; 
4verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten behoeve van de huisvesting van een school; 
5terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder a sub 1&#176; tot en met 4&#176; omschreven voorziening; 
6inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is gebracht; 
7inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is gebracht; 
8medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en medegebruik van een gymnastiekruimte; 
b.aanpassingen aan gebouwen van een school voor basisonderwijs bestaande uit een of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder 1.9; 
c.onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs bestaande uit een of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder 1.10; 
d.herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materi&#235;le schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie; 
e.herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw, onderwijsleerpakket  of leer- en hulpmiddelen en meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden; 

Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen
Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a1 en a2 kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van bouwvoorbereiding. Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 4 van toepassing.

Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen
1.Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per geval. 
2.De genormeerde bekostigingsbedragen worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV en zijn van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a sub 6 en 7. 
3.De bekostiging op basis van feitelijke kosten is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a sub 1 t/m 5 en b t/m e en voorzieningen als bedoeld in artikel 3. 

Artikel 5 Informatieverstrekking
1.Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze verordening. 
2.Het college kan nadere regels stellen aan de gegevensverstrekking. 

HOOFDSTUK 2 Programma en overzicht

Paragraaf 2.1 Aanvragen programma

Artikel 6 Indiening aanvraag
1.Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma wordt voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het college.  
2.Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid, neemt het college niet in behandeling. 

Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag
1.De aanvraag vermeldt in ieder geval: 
ade naam en het adres van de aanvrager; 
bde dagtekening; 
cde naam van de school en, voor zover van toepassing, het gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is bestemd; 
dwelke voorziening wordt aangevraagd; 
ede onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste voorziening; 
fde geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening. 
2.In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de aanvraag vergezeld van: 
aeen prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen 6&#176; tot en met 8&#176; en artikel 2, onder d, e en f; 
bde aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1&#176; tot en met 4&#176;; 
ceen rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt, indien het een voorziening betreft bestaande uit: 
1)nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw; 
2)onderhoud aan een gebouw van een school voor basisonderwijs, of; 
3)herstel van een constructiefout. 
deen begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarop het gestelde in artikel 4, derde lid, van toepassing is;
eeen voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting, indien de aanvraag volgt op een toekenning van een vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 27. 
3.Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 maart in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling. 
4.Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan de beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van 1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6 valt, dan zendt de aanvrager het college onverwijld een afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het aantal leerlingen dat op de wettelijke teldatum staat ingeschreven op de betrokken school. Indien het college het afschrift niet binnen een week na de wettelijke teldatum heeft ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld het afschrift binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college. Indien het afschrift niet binnen de termijn bedoeld in de vorige volzin is verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling. 

Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen
Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en geeft daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden genomen.

Paragraaf 2.2 Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en overzicht

Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting
1.Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe te lichten. 
2.Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is en het college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting dient te worden aangepast. Het college geeft in het voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van de redenen, aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Het college geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan bij de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3. 

Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad
1.Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar voren te brengen. 
2.Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15 september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel. 
3.De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als bedoeld in het eerste lid, kunnen v&#243;&#243;r de in het tweede lid bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan in kennis. 
4.Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en van de reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen. 
5.Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, maakt dit kenbaar tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid. Dit gebeurt aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover het advies van de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. 
6.De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het overleg als bedoeld in het vierde lid. 
7.Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk verslag van het overleg. 
8.Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij de toezending van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg. 
In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending van het afschrift van het advies van de Onderwijsraad. 
9.Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen twee weken plaats na toezending van het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als bedoeld in het vierde lid. 

Paragraaf 2.3 Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht

Artikel 11 Tijdstip vaststelling
1.Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke bedragen per onderwijssoort of per voorziening. 
2.Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6 valt. 

Artikel 12 Inhoud programma
1.De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat geen van de in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs&#160; opgenomen weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor plaatsing op het programma. Daarbij past het college de regels toe met betrekking tot: 
ade beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I ; 
bde prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ; 
cde oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in bijlage III 

Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende voorzieningen neemt het college, aan de hand van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het programma voor zover het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, toereikend zijn. 
2.Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma af te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V. 
3.Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen wordt, voor zover van toepassing, door het college aangegeven: 
ahet genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt gesteld; 
bhet geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin; 
cde voorwaarden betreffende ingebruikneming of buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen. 

Artikel 13 Inhoud overzicht
1.Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma zijn opgenomen. 
2.Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma zijn opgenomen. 

Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht
1.De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending door het college van de besluiten aan de aanvragers. Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het college schriftelijk mededeling over de besluiten aan de overige bevoegde gezagsorganen. 
2.De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd met de bekendmaking ter inzage gelegd. 

Paragraaf 2.4 Uitvoering programma

Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering
1.Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt over: 
ahet bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs&#160; ; 
bhet tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting door de aanvrager; 
ceen andere wijze van uitvoering van het besluit met inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag; 
dde wijze waarop het college toepassing geeft aan de toetsing van het bouwplan en de begroting, alsmede aan de toetsing in verband met wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 16; 
ede controle op en het afleggen van verantwoording over de besteding van de beschikbaar te stellen middelen.; 
fde wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt met als uitgangspunt dat op opdrachten onder het Europese drempelbedrag de richtlijnen zoals vastgelegd in het Besluit overheidsaanbestedingen van toepassing zijn. 
2.De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het college schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen vier weken na afloop van het overleg ter kennis van de aanvrager brengt. Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen overeenstemming te zijn bereikt. 
3.Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16, vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van overeenkomstige toepassing. 
4.Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen. 

Artikel 16 Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overlegging offertes
1.Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid, is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht, dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter instemming in bij het college. 
2.Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het college over de instemming met de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Indien niet binnen deze termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de begroting en vangt de bekostiging aan op het door de aanvrager aangegeven tijdstip. 
3.Het college deelt de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, binnen twee weken na de datum van de beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager. 
4.Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in aanmerking. 
5.De instemming met de bouwplannen, de instemming met de begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven als dat naar het oordeel van het college niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorziening. Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het overleg als bedoeld in artikel 15. 
6.De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. 
7.De beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van overeenkomstige toepassing. 
8.Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte offertes voor de uitvoering van de voorziening. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de offertes over het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de offerte met de laagste prijsstelling bepalend. 

Artikel 17 Aanvang bekostiging
Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financi&#235;le verplichtingen voortkomend uit de realisering van de op het programma geplaatste voorziening.

Artikel 18 Vervallen aanspraak op bekostiging
1.De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien niet door de aanvrager v&#243;&#243;r 1 oktober van het jaar volgend op de vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten en een afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan het college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een huur- of erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst. Een koopovereenkomst vermeldt de datum van aankoop. 
2.De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot verlenging van de termijn, als bedoeld in het eerste lid, bij het college heeft ingediend. 
3.Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt verlengd. 

HOOFDSTUK 3 Aanvragen met spoedeisend karakter

Paragraaf 3.1 Aanvraag 

Artikel 19 Indiening aanvraag
Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, kan worden ingediend bij het college.

Artikel 20 Inhoud aanvraag
1.De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager de volgende gegevens te verstrekken: 
aeen nadere aanduiding van de omstandigheden die de voorziening in de huisvesting spoedeisend maken; 
bde reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon worden aangevraagd in het kader van een nog vast te stellen programma; 
ceen prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen 6&#176; tot en met 8&#176; en artikel 2 onder d, e en f; 
deen begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. 
2.Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de aanvraag niet te behandelen. 

Paragraaf 3.2 Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit

Artikel 21 Tijdstip beslissing
1.Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis gesteld door het college. 
2.Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 

Artikel 22 Inhoud beslissing
1.De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen van de in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs&#160; opgenomen weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling past het college de regels toe met betrekking tot: 
ade beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I ; 
bde prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ; 
cde oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in bijlage III . 
2.De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening omvatten. 
3.3. Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde in bijlage IV   voor de toegewezen voorziening beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. Bij de beschikking stelt het college vast voor welke datum een bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum een afschrift daarvan aan het college moet zijn toegezonden. Binnen vier maanden na de datum van de beschikking door het college moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst zijn gesloten. 

Artikel 23 Uitvoering beslissing
Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering.
Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de termijn, genoemd in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een termijn van drie weken geldt.

Artikel 24 Vervallen aanspraak bekostiging
1.Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde in artikel 18, eerste lid van overeenkomstige toepassing. 
2.De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van de termijn. 
3.Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging op totdat het college op het verzoek beslist. Indien het college het verzoek inwilligt, noemt het college een nieuwe datum waarop de aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het verzoek afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek als vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de oorspronkelijke vervaldatum kan vallen. 

HOOFDSTUK 4 Bekostiging bouwvoorbereiding

Artikel 25 Aanvraag
1.Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding indienen bij het college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van aanbesteding van die voorziening. 
2.De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst.
3.De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens: 
ade naam en het adres van de aanvrager; 
bde dagtekening; 
cde naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding wordt gewenst; 
dd.. de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de gewenste locatie van de voorziening; 
ehet gewenste tijdstip van realisering van de voorziening; 
feen prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten; 
geen rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de vervanging blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand gebouw;
heen begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid, indien de bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als een voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. 
4.Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15 maart de gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid is daarbij van overeenkomstige toepassing. 

Artikel 26 Toelichting en overleg aanvraag
1.Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het overleg over de begroting als bedoeld in het vorige artikel, is het bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing. 
2.Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met de aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het overleg als bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 10, tweede, derde en vierde lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing. 

Artikel 27 Beschikking op aanvraag
1.Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel 11, tweede lid, een beslissing op de aanvraag. 
2.De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover: 
aer voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding beschikbaar zijn; 
bde noodzaak van de gewenste voorziening voldoende vaststaat; 
cer een re&#235;le mogelijkheid is dat de voorziening in het gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking kan worden gebracht. 
3.Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld, echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn financi&#235;le verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het bedrag. 
4.Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing van de voorziening op enig toekomstig programma. 

Artikel 28 Vervallen aanspraak bekostiging
De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar waarin het besluit is genomen, daadwerkelijk is gestart met de bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.

HOOFDSTUK 5 Medegebruik en verhuur

Paragraaf 5.1 Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie

Artikel 29 Aanduiding omstandigheden
Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:
a.er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een school berekend volgens het gestelde in bijlage III, delen A en B en het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of uitbreiding heeft ingediend; 
b.het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien; 
c.er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs&#160; , vastgesteld aan de hand van de voor die school of instelling gangbare berekeningswijze; 
d.er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een school; 

Artikel 30 Omschrijving leegstand
1.Er is sprake van leegstand in een lesgebouw: 
awanneer het betreft een gebouw van een school voor basisonderwijs, indien uit de vergelijking van het aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw in vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A, blijkt dat er ten minste een aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte ter grootte van de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde niet nodig is voor de daar gevestigde school of scholen; 
bwanneer het betreft een gebouw van een school voor voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van de ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er een overschot is aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat er binnen het overschot aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte geen sprake is van onderbenutting van de onderwijsruimten. 

Artikel 31 Nalaten vordering; volgorde van vorderen
1.Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van het onderwijs aan die school of scholen. 
2.Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de aan die scholen reeds ter beschikking staande huisvestingscapaciteit. 
3.Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt: 
aals eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag, tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van leegstand in een ander gebouw een betere oplossing biedt; 
bvervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een school van dezelfde richting is gehuisvest en 
cvervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten behoeve waarvan de vordering plaatsvindt. 
4.Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de in het derde lid opgenomen volgorde afwijken. 

Artikel 32 Overleg en mededeling
1.Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering van leegstand in een lesgebouw voert het college daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in artikel 10. 
2.Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben. 
3.Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert het college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. 
4.Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid, doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben. 
5.De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het tweede en vierde lid, bevat in ieder geval: 
ade naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve waarvan wordt gevorderd; 
been aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve waarvan gevorderd wordt; 
ceen aanduiding van het gebouw waarop de vordering betrekking heeft; 
deen aanduiding van het aantal en het type ruimten dat gevorderd wordt; 
ede periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van het medegebruik. 

Artikel 33 Vergoeding
De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling overleg een vergoeding voor het medegebruik vast. Als het overleg niet tot overeenstemming leidt wordt deze vergoeding gebaseerd op het bedrag dat voor elke groep bij meer dan zes groepen door het ministerie van OCW beschikbaar wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke programma&#8217;s van eisen, zoals jaarlijks gepubliceerd door het ministerie van OCW.

Paragraaf 5.2 Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden

Artikel 34 Aanduiding omstandigheden
Het college kan overgaan tot vordering indien:
a.sprake is van leegstand van een lesgebouw zoals bedoeld in artikel 30.

Artikel 35 Overleg en mededeling
1.Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg met het bevoegd gezag. 
2.In dat overleg komt in ieder geval aan de orde: 
avoor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt; 
bof die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school; 
cwelke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik ondervindt; 
dwat naar de mening van het college en het bevoegd gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik is; 
ede datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang kan nemen. 
3.Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in het eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van de vordering tot medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien het overleg heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder geval die afspraken. Voorzover het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing van het college over deze punten. Indien het bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar te hebben tegen de vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier bedoeld worden afgezien. 

Paragraaf 5.3 Verhuur

Artikel 36 Toestemming college
1.Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het toestemming voor de verhuur aan het college. 
2.Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat een aanduiding van de huurder, en van de bestemming van de te verhuren ruimte. 
3.Het college verleent geen toestemming indien: 
ade bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs&#160; ; 
bde te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een school. 

HOOFDSTUK 6 Einde gebruik gebouwen en terreinen

Artikel 37 Tijdstip be&#235;indiging gebruik; staat van onderhoud
1.Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik ervan zo spoedig mogelijk be&#235;indigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de door het college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een gezamenlijke akte. 
2.Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats vindt, een staat van onderhoud opgemaakt. 
3.De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college na overleg met het bevoegd gezag. 
4.Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt. 
5.Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit naar het oordeel van het college niet nodig is. 

HOOFDSTUK 7 Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs

Artikel 38 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit; inroostering gebruik
1.Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs verstrekt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de voor dat schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de volgende gegevens: 
ade gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in een aantal klokuren; 
bde aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het gebruik wordt gewenst; 
cde tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een schoolweek wordt gewenst. 
2.De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel van toepassing is. 
3.Het college stelt jaarlijks voor 1 juni voorafgaande aan het daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen voor basisonderwijs van de op het grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte. 
4.Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot inroostering het volgende in acht: 
ade afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen in bijlage I.
5.Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor basisonderwijs de volgende gegevens: 
ahet aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in een gymnastiekruimte; 
bde aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt; 
ceen nadere onderverdeling van het aantal klokuren per gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan &#233;&#233;n gymnastiekruimte plaatsvindt; 
dvoor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs voor bekostiging door de gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van de school. 
eHet college neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid onder d slechts op in het voorstel tot inroostering voor zover daarvoor nog capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het totale klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in aanmerking komt. 
6.Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor basisonderwijs. De bevoegde gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een overleg over het voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee weken na toezending van het voorstel. In het overleg worden de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het voorstel tot inroostering. 
7.Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in het derde lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik van de gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het college daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als bedoeld in het zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan wordt dit gemotiveerd. 
8.Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van het college over de inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het volgende schooljaar. Deze mededeling is te beschouwen als een beslissing in de zin van artikel 22 en, indien van toepassing, een beslissing in de zin van artikel 32, vierde lid. 

HOOFDSTUK 8 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 39 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet
In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 40 Indexering
Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek van prijsbijstelling.

Artikel 41 Citeertitel; inwerkingtreding
1.De verordening kan worden aangehaald als: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Grootegast. 
2.Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. 
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 9 november 2010.
De voorzitter, 						De griffier,

K. B. Dijkstra							H.R. Kastermans==
	</tekst>
</verordening>
</folder>
<folder name="Openbare orde en veiligheid">
<verordening name="Brandbeveiligingsverordening" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011bb08e75c2040e/versie-d0c5d4662d3cd86b012d5a947928001a.html">
	<tekst>
	Brandbeveiligingsverordening 2010

De raad van de gemeente Grootegast;

gelezen het voorstel van het college van 14 september 2010

gelet op artikel 3 van de Wet veiligheidsregio&#8217;s en de aanpassing daarop (Stb 2010, 145 en 146);

overwegende dat het verplicht is een verordening vast te stellen omtrent het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt; 

besluit vast te stellen de volgende Brandbeveiligingsverordening 2010:

Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
a.een inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde plaats voor zover die geen bouwwerk is;
b.bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

Artikel 2 Verbodsbepaling
1.Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of te houden, voor zover daarin:
ameer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn of,
baan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft of,
caan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan 10 lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal worden verschaft. 
2.Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met inachtneming van het gestelde in de artikelen 4 en 5.
3.Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het belang waarvoor de gebruiksvergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van inzichten of verandering van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de gebruiksvergunning.
4.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel 3 Weigeringgronden
Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door het stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.

Artikel 4 Gebruikseisen
De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de paragrafen 2.1, 2.2 en 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008, 327) zijn overeenkomstig van toepassing op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige inrichtingen.

Artikel 5 Brandveiligheidsvoorzieningen
De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de paragrafen 2.4, 2.5 2.6, 2.7 2.8 en 2.9 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008, 327) zijn overeenkomstig van toepassing op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige inrichtingen.

Artikel 6 Melden van brand en broei
Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit onmiddellijk aan de brandweer te melden.

Artikel 7 Bossen, heidevelden, venen 
De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of een ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b van de Woningwet, en dat met brandbare gewassen is begroeid, is verplicht de voorschriften op te volgen, die het college geeft tot het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand.

Artikel 8 Bestuurlijke boete
Overtreding van de regels van deze verordening kan worden beboet met een bestuurlijke boete van maximaal het bedrag, genoemd in de Arbeidsomstandighedenwet artikel 34, vierde lid, onder 1&#176;.

Artikel 9 Overgangsrecht
1.Vergunningen die zijn verleend onder werking van de Brandbeveiligingsverordening 1995 en die van kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van deze verordening worden aangemerkt als vergunning krachtens deze verordening.
2.Indien v&#243;&#243;r het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om vergunning op grond van de Brandbeveiligingsverordening 1995 is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast.
3.Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om vergunning krachtens de Brandbeveiligingsverordening 1995 wordt beslist met toepassing van deze verordening.

Artikel 10 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als Brandbeveiligingsverordening 2010. 

Artikel 11 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2010



Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 28 september 2010.



de voorzitter,							de griffier,



K.B. Dijkstra							H.R. Kastermans
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening binnentreden ter uitvoering noodverordening" url="verordening-d0c5d4661c0c5e38011db44aaceb01cc/versie-d0c5d4661c0c5e38011db44aaceb01cd.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 24 september 1996, nr. 9;

gelet op de artikelen 147 en 149a van de Gemeentewet;

overwegende, dat het noodzakelijk kan zijn dat ter uitvoering van een door de burgemeester op grond va artikel 176 van de Gemeentewet vastgesteld algemeen verbindend voorschrift in woningen tegen de wil van de bewoner wordt binnengetreden;

besluit:

vast te stellen de volgende

Verordening binnentreden ter uitvoering noodverordening,

Enig artikel
Zij die belast zijn met de zorg voor de nakoming van een voorschrift van een door de burgemeester op grond van artikel 176 van de Gemeentewet vastgesteld algemeen verbindend voorschrift, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad d.d. 1 oktober 1996,

Voorzitter (K.B. Dijkstra),

Secretaris (mr. Joh. Kooistra),
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening brandweerzorg en rampenbestrijding" url="verordening-d0c5d4661c0c5e38011db51091de01e2/versie-d0c5d4661c0c5e38011db51091de01e3.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast;

gelet op de bepalingen in:
de Brandweer wet 1985;
de Wet Rampen en zware ongevallen;
het Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen;
het Besluit Rampenbestrijdingsplannen Inrichtingen;
het Besluit Risico&#8217;s Zware ongevallen;
het Besluit Brandweerpersoneel 1991;
de Woningwet;
de Wet milieubeheer en
de Gemeentewet;
de Gemeenschappelijke Regeling Hulpverlening en Openbare Gezondheidszorg Groningen;
mede gezien
de Arbeidsomstandighedenwet;
het Besluit Bedrijfsbrandweren;

gezien het advies van de Bestuurscommissie Regionale Brandweer Groningen van 6 mei 2002;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 juni 2002;

overwegende dat:

1.burgemeester en wethouders de zorg hebben voor:
het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken  van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt;
het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan brand;

2.burgemeester en wethouders andere werkzaamheden, dan hiervoor bedoeld, kunnen aanwijzen die de gemeentelijke brandweer verricht;

3.de gemeentelijke brandweer in staat moet zijn adequaat te reageren op de in de gemeente aanwezige c.q. voorzienbare risico&#8217;s en gevaren alsmede adequaat adviseren over veiligheidsaspecten in de ruimtelijke ordening van de gemeente;

4.de Brandbeveiligingsverordening voorschriften bevat omtrent het gebruik van inrichtingen voor zover dit geen bouwwerken zijn als bedoeld in de Woningwet en de Bouwverordening; 

5.de Bouwverordening voorschriften bevat omtrent het gebruik van woningen, woonketen, woonwagens, andere gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, en standplaatsen, waaronder in elk geval zijn begrepen voorschriften met betrekking tot onder meer brandveiligheid;

6.de Wet milieubeheer beoogt het milieu te beschermen, onder meer door de brandveiligheid te bevorderen;

7.burgemeester en wethouders belast zijn met de voorbereiding van de bestrijding van rampen en zware ongevallen in de gemeente, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald en totstandkoming van afspraken dienen te bevorderen, die nodig zijn voor een doelmatige bestrijding van rampen en zware ongevallen;

8.de uitvoering van werkzaamheden ter zake van het beperken en bestrijden van rampen, als bedoeld in artikel 1 van de Wet rampen en zware ongevallen tot de taak van de brandweer behoort;

9.de gemeente dient te beschikken over een door burgemeester en wethouders vast te stellen rampenplan;

10.de burgemeester rampbestrijdingsplannen dient vast te stellen;

11.het opperbevel bij de rampenbestrijding bij de burgemeester berust waarop hij zich laat bijstaan door een gemeentelijke rampenstaf;

12.degene die de leiding over de brandweer heeft belast is met de operationele leiding van de bestrijding van de ramp of een zwaar ongeval, tenzij de burgemeester een andere voorziening treft;

13.een effectieve brandweerzorg en rampenbestrijding tot stand komt door de samenwerking tussen de gemeentelijke brandweren in regionaal verband;

14.de raad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester, ieder voor zover zij bevoegd zijn, de Gemeenschappelijke regeling Hulpverlening en Openbare Gezondheidszorg Groningen, zijnde onder meer de Regionale Brandweer Groningen, mede hebben vastgesteld in de openbare vergadering van de raad op 6 september 1994;

15.de regeling zich ten doel stelt met behulp van intergemeentelijke samenwerking en door een doelmatige organisatie en co&#246;rdinatie uitvoering te geven aan onder meer:
de repressieve en preventieve brandbestrijding, zulks met behoud van de zelfstandigheid van de deelnemende gemeenten;
de hulpverlening bij ongevallen en rampen, alsmede de voorbereiding daarop;

16.de organisatie en werkwijze van de Regionale Brandweer Groningen zullen worden vastgesteld in het regionaal organisatieplan brandweerzorg en rampenbestrijding;

17.onder regionale regie afspraken zijn gemaakt omtrent het kwaliteitsniveau van brandweerzorg en rampenbestrijding in de gehele regio, in onder meer:
het Repressief Dekkingsplan
het Raamplan Crisismanagement Groningen
de piketregeling commandovoering en operationele leiding
het Invoeringsplan Versterking Rampenbestrijding
de notitie pro-actieve/preventie in de regio Groningen
de Brandweernorm Groningen;

18.het wenselijk is de voorzieningen voor de brandweerzorg en rampenbestrijding voor de veiligheidsketen in samenhang te treffen,

b e s l u i t 

vast te stellen de:

Verordening brandweerzorg en rampenbestrijding.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
a.veiligheidsketen: de aaneenschakeling van de beleidsterreinen pro-actie, preventie, preparatie, repressie en nazorg;
b.pro-actie: het wegnemen van structurele oorzaken van onveiligheid en het voorkomen  van het ontstaan daarvan;
c.preventie: het voorkomen en beperkten van brand, zware ongevallen en rampen;
d.preparatie: het voorzien in voorbereidende maatregelen voor een adequate bestrijding van branden, zware ongevallen en rampen;
e.repressie: het op een adequate wijze bestrijden van branden, zware ongevallen en rampen;
f.nazorg: het geven van aandacht aan slachtoffers en ingezet personeel na een brand, zwaar ongeval of ramp;
g.Regionaal organisatieplan brandweerzorgen rampenbestrijding: het door het bestuur van de Regionale Brandweer Groningen vast te stellen plan waarin op hoofdlijnen wordt beschreven welke taken de gemeente zelf uitvoeren, welke taken in samenwerking of regionaal worden uitgevoerd alsmede de wijze van organisatie daarvan. De gemeentelijke beleidsplannen brandweerzorg  en rampenbestrijding maken deel uit van dit plan;
h.Beleidsplan brandweerzorg en rampenbestrijding: het door de burgemeester en wethouders vast te stellen plan waarin wordt beschreven op welke wijze de gemeente de taken op het gebied van de brandweerzorg en rampenbestrijding uitvoert, welke taken de gemeente in samenwerking of regionaal verband uitvoert alsmede de wijze van organisatie daarvan. Het regionale organisatieplan brandweerzorg en rampenbestrijding maakt deel uit van dit plan;
i.ramp of zwaar ongeval: een gebeurtenis, waardoor een ernstige verstoring van de algemene veiligheid is ontstaan, waarop het leven en de gezondheid van vele personen, het milieu of grote materi&#235;le belangen in ernstige mate worden bedreigd of zijn geschaad, en waarbij een geco&#246;rdineerde bestrijding door de diensten en organisaties van verschillende disciplines is vereist om de dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken;
j.raamplan Crisismanagement Groningen: raamplan voor bestuurlijke en operationele rampenbestrijding waarin afspraken zijn gemaakt over de bestuurlijke en operationele taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden in geval van een ernstig incident, calamiteit, ramp of crisis;
k.rampenplan: een door de burgemeester en wethouders vast te stellen plan waarin in algemene zin aangegeven is hoe in geval van een ramp of een dreigende ramp gehandeld dient de worden, teneinde tot een doelmatige bestrijding van de ramp en de gevolgen daarvan te komen;
l.rampbestrijdingsplan: een door burgemeester vast te stellen plan voor de te nemen maatregelen voor elke ramp of elk zwaar ongeval waarvan de plaats, de aard en de gevolgen voorzienbaar zijn, waarin het geheel van die ramp of dat zware ongeval te nemen maatregelen is opgenomen;

Artikel 2 Gemeentelijke brandweer
Burgemeester en wethouders beschikken over een gemeentelijke brandweer.

Artikel 3 Taken brandweer
De taken van de gemeentelijke brandweer bestaan, uit:
1.de uitvoering de brandweerzorg op basis van de veiligheidsketen;
2.het mede uitvoeren van de taken van de regionale brandweer;
3.het uitvoeren van taken in de rampenbestrijding; 
4.door burgemeester en wethouders aangewezen taken voor zover deze niet samenvallen met de taken genoemd onder 1, 2 en 3.

Artikel 4 Rampenplan
De wijze waarop de burgemeester en burgemeester en wethouders uitvoering geven aan hun taken inzake de rampenbestrijding is vastgelegd in het rampenplan op basis van het  Raamplan Crisismanagement Groningen. 
Burgemeester en wethouders stellen &#233;&#233;n maal per vier jaar het rampenplan vast overeenkomstig de eisen die gesteld zijn in de Wet rampen en zware ongevallen.
Het wordt tussentijds geactualiseerd, indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Artikel 5 Rampbestrijdingsplannen
De gemeente beschikt over de noodzakelijke door de burgemeester &#233;&#233;n maal per vier jaar vast te stellen rampbestrijdingsplannen die voldoen aan de eisen die gesteld zijn in de Wet rampen en zware ongevallen, voor elke ramp of elk zwaar ongeval waarvan de plaats, aard en de gevolgen voorzienbaar zijn.
Ze worden tussentijds geactualiseerd, indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Artikel 6 Beleidsplan brandweerzorg en rampenbestrijding
1.Burgemeester en wethouders leggen de gemeenteraad eenmaal per vier jaar een beleidsplan brandweerzorg en rampenbestrijding ter vaststelling voor. Het plan dient afgestemd te zijn op en maakt deel uit van het regionaal organisatieplan brandweerzorg en rampenbestrijding.
2.Het beleidsplan beschrijft:
a.de taken, genoemd in artikel 3 en de wijze waarop aan de inhoud van die taken uitvoering zal worden gegeven; 
b.op welke wijze de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de in de brandweerzorg en de rampenbestrijding betrokken gemeentelijke functionarissen en dienstonderdelen worden uitgeoefend alsmede de mate van geoefendheid;
c.de financi&#235;le en personele middelen die beschikbaar zijn voor de uitvoering van  alle genoemde taken;
d.de afspraken die in regionaal verband zijn gemaakt over de uitvoering van gemeentelijke taken die om een regionale of intergemeentelijke aanpak vragen, aanvullende taken, alswel gemeentelijke taken op verzoek, inzake de brandweerzorg en rampenbestrijding.

Artikel 7 Instructie commandant brandweer 
1.De commandant brandweer heeft de algehele leiding over de uitvoering van de brandweerzorg en rampenbestrijding.
2.Voor hem stellen burgemeester en wethouders een instructie vast. In deze instructie is tenminste geregeld welke taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden betrokkene in de gemeentelijke brandweerzorg en rampenbestrijding vervult alsmede de afspraken die zijn gemaakt over het vervullen van regionale taken.

Artikel 8 Operationele leiding
De operationele leiding bij de brandbestrijding en hulpverlening is geregeld in de mede door de raad vastgestelde &#8220;piketregeling voor de commandovoering en operationele leiding bij de brandweer in de regio Groningen&#8221;.

De operationele leiding bij de bestrijding van ramp of zwaar ongeval is geregeld in het Raamplan Crisismanagement Groningen.

Artikel 9 Personeel
1.De personeelssterkte, de formatie en organisatie van de gemeentelijke brandweer ten behoeve van de uitvoering van de taken in de veiligheidsketen, zijn afgestemd op en vastgelegd in het beleidsplan brandweerzorg en rampenbestrijding.
2.Op de vrijwilligers bij de brandweer is de model-rechtspositieregeling voor vrijwilligers van de brandweer van de VNG van toepassing.

Artikel 10 Opleiding en oefening
1.Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de opleiding en oefening van het brandweerpersoneel, die voor de taakuitoefening noodzakelijk zijn.
2.Tevens dragen zij zorg voor de geoefendheid van de gemeentelijke functionarissen en instanties genoemd in het rampenplan. 
3.Het opleiding- en oefenplan brandweerzorg en rampenbestrijding maakt deel uit van het beleidsplan brandweerzorg en rampenbestrijding.

Artikel 11 Materieel
Het materieel van de gemeentelijke brandweer en het materieel waarover de gemeentelijke brandweer de beschikking heeft ten behoeve van de regionale taken alsmede de plaats waar dat is ondergebracht, zijn beschreven in het beleidsplan brandweerzorg en rampenbestrijding

Artikel 12 Bluswatervoorziening
Burgemeester en wethouders dragen zorg voor zodanige bluswatervoorzieningen en de bereikbaarheid daarvan, dat de brandbestrijding te allen tijde zoveel mogelijk gewaarborgd is.

Artikel 13 Citeertitel en in werking treden
1.Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening brandweerzorg en rampenbestrijding.
2.Deze verordening treedt in werking op een door burgemeester en wethouders te bepalen tijdsip.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad d.d. 25 juni 2002,

De voorzitter,

De secretaris,
	</tekst>
</verordening>
</folder>
<folder name="Openbare Werken en Milieu">
<verordening name="Afvalstoffenverordening" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b4fe30d180232/versie-d0c5d466192e0ce6011b4fe30d180233.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast;

Gelezen het voorstel van het college van 16 oktober 2007;

gelet op artikel 10.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer;

besluit:      
 

vast te stellen de volgende Afvalstoffenverordening.


&#167; 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen
1.In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan:
a.wet: Wet milieubeheer.
b.inzamelen: de activiteiten gericht op het ophalen of innemen van afvalstoffen die binnen de gemeente ter inzameling worden aangeboden en het feitelijk ophalen en innemen daarvan;
c.ter inzameling aanbieden: de wijze van overdragen van afvalstoffen aan een inzamelende persoon of instantie, inclusief het achterlaten van afvalstoffen in daartoe door of vanwege de inzamelende persoon of instantie geplaatste inzamelmiddelen of -voorzieningen of op een daartoe aangewezen plaats;
d.inzamelmiddel: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, bijvoorbeeld een huisvuilzak, minicontainer, afvalemmer, kca-box of big bag, ten behoeve van &#233;&#233;n huishouden;
e.inzamelvoorziening: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(e) bewaarmiddel of -plaats, bijvoorbeeld een verzamelcontainer, wijkcontainer of brengdepot, ten behoeve van meerdere huishoudens;
f.inzameldienst: de krachtens artikel 7, eerste lid, aangewezen inzameldienst, belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen;
g.andere inzamelaars: de krachtens artikel 7, tweede lid, aangewezen personen en instanties, belast met het afzonderlijk inzamelen van categorie&#235;n huishoudelijke afvalstoffen;
h.inzamelvergunning: de vergunning zoals bedoeld in artikel 11;
i.gebruiker van een perceel: degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt;
j.straatafval: huishoudelijke afvalstoffen van zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen, papier, sigarettenpeuken, kauwgom, plastic bekertjes en blikjes, verpakkingsmateriaal, etenswaren, niet zijnde klein chemisch afval, ontstaan buiten een perceel;
k.zwerfafval: huishoudelijke afvalstoffen die door mensen bewust of onbewust zijn weggegooid of achtergelaten op plaatsen die daarvoor niet bestemd zijn, of door indirect toedoen of nalatigheid van mensen op zulke plaatsen is terechtgekomen. Dit afval bestaat voornamelijk uit verpakkingsmateriaal van consumpties (blikjes, flesjes, wikkels, patatbakjes), sigarettenpeuken, kauwgomresten en allerhande gebruiksgoederen als kranten, folders en tissues.
l.wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
m.motorrijtuigen: alle voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het voertuig zelf aanwezig dan wel door elektrische tractie met stroomtoevoer van elders.

Artikel 2 Beslistermijn
1.Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing krachtens deze verordening, binnen 8 weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.
2.Het college kan zijn beslissing voor ten hoogste 8 weken verdagen.

Artikel 3 Indiening aanvraag
1.Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing krachtens deze verordening wordt ingediend minder dan drie weken v&#243;&#243;r het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het college besluiten de aanvraag niet te behandelen.
2.Voor bepaalde, door het college aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen krachtens deze verordening kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.

Artikel 4 Voorschriften en beperkingen
1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden in het belang van de bescherming van het milieu.
2.De houder van een vergunning of ontheffing is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
3.De houder van een vergunning of ontheffing is verplicht deze of een gewaarmerkt afschrift daarvan ter inzage te geven op eerste vordering van een ambtenaar, die op grond van artikel 34 van deze verordening is aangewezen voor en belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde.

Artikel 5 Persoonlijk karakter van de vergunning of ontheffing
De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens verordening anders is bepaald.

Artikel 6 Intrekking of wijziging van de vergunning of ontheffing
De vergunning of ontheffing krachtens deze verordening kan worden ingetrokken of gewijzigd:
a.indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.indien op grond van verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging moet worden gevorderd in het belang van de bescherming van het milieu;
c.indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d.indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn binnen een redelijke termijn;
e.indien de houder dit verzoekt.


&#167; 2 Inzameling van huishoudelijke afvalstoffen

Artikel 7 Aanwijzing inzameldienst en andere inzamelaars
1.Als inzameldienst belast met het ter uitvoering van de wet, de provinciale milieuverordening en deze afdeling inzamelen van afvalstoffen wordt aangewezen de door de commissie reiniging Grootegast, Leek en Marum aangestelde inzamelaar.
2.Naast de inzameldienst kan het college personen of instanties aanwijzen die belast zijn met het ter uitvoering van de wet, de provinciale milieuverordening en deze afdeling afzonderlijk inzamelen van categorie&#235;n huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 8 Afzonderlijke inzameling
1.Door de inzameldienst of de krachtens artikel 7, tweede lid aangewezen personen of instanties worden de volgende categorie&#235;n huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk ingezameld:
a.groente-, fruit- en tuinafval
b.papier en karton;
c.(verpakkings)glas;
d.vlakglas;
e.textiel;
f.metalen en ijzer;
g.klein chemisch gevaarlijk afval;
h.wit- en bruingoed;
i.asbest en asbesthoudend afval;
j.huishoudelijk restafval;
k.grof tuin afval;
l.grof huishoudelijk afval;
m.bouw- en sloopafval: puin;
n.bouw- en sloopafval: hout;
o.autobanden;
p.luiers en incontinentiemateriaal;
q.drankkartons,kunststoffen;
r.batterijen;
s.grond;
2.Het college kan een omschrijving vaststellen van de categorie&#235;n huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 9 Inzamelmiddelen en -voorzieningen
1.De inzameling kan plaatsvinden via:
a.een inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel;
b.een inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen;
c.een inzamelvoorziening op wijkniveau;
d.een brengdepot op lokaal of regionaal niveau.
2.Het college kan aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

Artikel 10 Frequentie van inzamelen
1.Huishoudelijk restafval wordt tenminste een maal per 14 dagen bij elk perceel ingezameld.
2.Groente-, fruit- en tuinafval wordt tenminste een maal per 14 dagen afzonderlijk bij elk perceel ingezameld.
3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor de percelen vermeld in de bijlage.

Artikel 11 Inzamelverbod huishoudelijke afvalstoffen behoudens vergunning
1.Het is verboden zonder inzamelvergunning van het college huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen.
2.De inzamelvergunning kan worden geweigerd in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen.
3.Het verbod geldt niet voor de inzameldienst of de krachtens artikel 7, tweede lid aangewezen personen of instanties.
4.Het verbod geldt niet voor personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur een inzamelplicht hebben gekregen voor categorie&#235;n van huishoudelijke afvalstoffen.

&#167; 3 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen

Artikel 12 Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan anderen
1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst, de krachtens artikel 7, tweede lid aangewezen personen of instanties en aan de houders van een inzamelvergunning.
2.Het verbod geldt niet voor personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur een inzamelplicht hebben gekregen voor categorie&#235;n van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 13 Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen door anderen dan de gebruikers van percelen
1.Het is anderen dan gebruikers van percelen verboden om huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden aan de inzameldienst of de andere inzamelaars.
2.Het college kan besluiten dat het aan anderen dan gebruikers van percelen toegestaan is om huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden aan de inzameldienst of aan de houder van een inzamelvergunning.

Artikel 14 Afzonderlijk ter inzameling aanbieden
1.Het is verboden om de in artikel 8 genoemde categorie&#235;n huishoudelijke afvalstoffen anders dan afzonderlijk ter inzameling aan te bieden. 
2.Het college kan aanwijzen aan welke personen of instanties de in het eerste lid aangewezen categorie&#235;n huishoudelijke afvalstoffen moeten worden aangeboden.
3.Het is verboden de aangewezen categorie&#235;n huishoudelijke afvalstoffen aan te bieden aan anderen  dan de krachtens het tweede lid aangewezen personen of instanties.

Artikel 15 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel
1.Het is voor de gebruiker van een perceel ten behoeve van wie krachtens artikel 9, tweede lid, voor een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen een inzamelmiddel is aangewezen of van gemeentewege is verstrekt, verboden de betreffende afvalstoffen anders aan te bieden dan via het daartoe aangewezen of verstrekte inzamelmiddel.
2.Het is voor de gebruiker van een perceel verboden andere categorie&#235;n huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelmiddel aan te bieden, dan de categorie waarvoor dit inzamelmiddel krachtens artikel 9, tweede lid, is bestemd.
3.Het college kan regels stellen omtrent de plaatsen en wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelmiddel ter inzameling moeten worden aangeboden.
4.Het college kan regels stellen met betrekking tot het maximale gewicht van de afvalstoffen per inzamelmiddel en het maximale aantal inzamelmiddelen dat per keer kan worden aangeboden.
5.Indien van gemeentewege een inzamelmiddel aan de gebruiker van een perceel is verstrekt kan het college regels stellen omtrent de voorwaarden waaronder het inzamelmiddel is verstrekt, het gebruik en het reinigen daarvan.
6.6ndien het inzamelmiddel niet van gemeentewege is verstrekt, kan het college eisen stellen aan het te gebruiken inzamelmiddel.
7.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze ter inzameling aan te bieden dan krachtens dit artikel is bepaald.
8.Het is verboden voor anderen dan de gebruiker van een perceel ten behoeve van wie krachtens artikel 9, tweede lid, een inzamelmiddel is verstrekt of aangewezen, hun afvalstoffen ter inzameling aan te bieden via dit inzamelmiddel.

Artikel 16 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelen
1.Het is de gebruiker van een perceel voor wie krachtens artikel 9, tweede lid, mede ten behoeve van zijn perceel een inzamelvoorziening voor een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen is aangewezen, verboden de betreffende afvalstoffen anders aan te bieden dan via de betreffende inzamelvoorziening.
2.Het is verboden andere categorie&#235;n huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelvoorziening voor een aantal percelen aan te bieden, dan de categorie waarvoor deze inzamelvoorziening krachtens artikel 9, tweede lid, is bestemd.
3.Het college kan regels stellen ten aanzien van de wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelen moet worden aangeboden.
4.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze aan te bieden via een inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelen dan krachtens het derde lid is bepaald.
5.Het is verboden voor anderen dan de gebruikers van percelen voor wie krachtens artikel 9, tweede lid, een inzamelvoorziening is aangewezen, huishoudelijke afvalstoffen aan te bieden via deze inzamelvoorziening.

Artikel 17 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via inzamelvoorzieningen op wijkniveau
1.Het is verboden andere categorie&#235;n huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelvoorziening op wijkniveau aan te bieden dan de categorie waarvoor de inzamelvoorziening krachtens artikel 9, tweede lid, is bestemd.
2.Het college kan regels stellen omtrent de wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden via een inzamelvoorziening op wijkniveau.
3.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze via een inzamelvoorziening op wijkniveau ter inzameling aan te bieden dan krachtens het tweede lid is bepaald.
4.Het verbod in artikel 15, zevende lid, en artikel 16, vierde lid, geldt niet voor het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via inzamelvoorzieningen op wijkniveau overeenkomstig dit artikel.

Artikel 18 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een brengdepot op lokaal of regionaal niveau
1.Het is verboden andere categorie&#235;n huishoudelijke afvalstoffen via een brengdepot op lokaal of regionaal niveau aan te bieden dan de categorie&#235;n waarvoor het brengdepot krachtens artikel 9, tweede lid, is bestemd.
2.De Reinigingscommissie kan regels stellen omtrent de wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden bij het brengdepot op lokaal of regionaal niveau.
3.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze via een brengdepot op lokaal of regionaal niveau ter inzameling aan te bieden dan krachtens het derde lid is bepaald.
4.Het verbod in artikel 15, zevende lid, en artikel 16, vierde lid, geldt niet voor het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een brengdepot op lokaal of regionaal niveau overeenkomstig dit artikel.

Artikel 19 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen zonder inzamelmiddel
1.Het college kan categorie&#235;n huishoudelijke afvalstoffen aanwijzen die zonder inzamelmiddel als bedoeld in artikel 9 van deze verordening ter inzameling kunnen worden aangeboden.
2.Het college kan regels stellen over de wijze waarop deze categorie&#235;n huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden.
3.Het college kan regels stellen over het maximale gewicht, de afmetingen en het volume waarop deze categorie&#235;n huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden.
4.Het is verboden deze categorie&#235;n huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze ter inzameling aan te bieden dan krachtens dit artikel is bepaald.

Artikel 20 Dagen en tijden voor het ter inzameling aanbieden
1.Het college stelt de dagen en tijden vast waarop categorie&#235;n huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden. De Reinigingscommissie stelt de dagen en tijden vast waarop categorie&#235;n huishoudelijke afvalstoffen bij het brengstation De Tweemat kunnen worden aangeboden.
2.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen en tijden ter inzameling aan te bieden dan krachtens het eerste lid is bepaald.

Artikel 21 Het in bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
In afwijking van hetgeen in deze paragraaf is bepaald kan het college regels stellen omtrent het in bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst of andere inzamelaars.

&#167;4 Inzameling van bedrijfsafvalstoffen

Artikel 22 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst
Het college kan categorie&#235;n bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die door de inzameldienst worden ingezameld.

Artikel 23 Ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan de inzameldienst
1.Het is verboden bedrijfsafvalstoffen aan te bieden aan de inzameldienst.
2.Het verbod geldt niet voor de krachtens artikel 22 aangewezen categorie&#235;n bedrijfsafvalstoffen, voorzover degene die gebruik maakt van de inzameling door de inzameldienst voldoet aan de daarmee ontstane belastingplicht op grond van de verordening 
3.Het college kan regels stellen omtrent de dagen, tijden, wijzen en plaatsen waarop de krachtens artikel 22 aangewezen bedrijfsafvalstoffen aan de inzameldienst ter inzameling kunnen worden aangeboden.
4.Het is verboden de krachtens artikel 22 aangewezen bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden in strijd met deze regels.

Artikel 24 Het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan een ander dan de inzameldienst
1.Het college kan regels stellen voor het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan een ander dan de inzameldienst.
2.Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden in strijd met deze regels.

&#167; 5 Zwerfafval

Artikel 25 Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging
1.Het is verboden buiten een daarvoor door het college bestemde plaats en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer een afvalstof, stof of voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins te plaatsen op een wijze die aanleiding kan geven tot hinder of nadelige be&#239;nvloeding van het milieu.
2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
3.Het verbod is niet van toepassing op:
a.het overeenkomstig deze verordening ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen;
b.het thuiscomposteren van groente-, fruit- en tuinafval;
c.voor zover de (afval)stoffen tijdelijk op de weg geraken of worden gebracht als onvermijdelijk gevolg van het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen dan wel het verrichten van andere werkzaamheden op of aan de weg.
4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover de Wet bodembescherming of het Bouwstoffenbesluit voorziet in de beoogde bescherming van het milieu.

Artikel 26 Achterlaten van straatafval
1.Het is verboden straatafval in de openbare ruimte achter te laten zonder gebruik te maken van de van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen.
2.Het is verboden om andere afvalstoffen dan straatafval achter te laten in daartoe van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen.

Artikel 27 Voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereed staande afvalstoffen
1.Het is verboden afvalstoffen of inzamelmiddelen die ter inzameling gereed staan te doorzoeken en te verspreiden.
2.Het is verboden tegen afvalstoffen of inzamelmiddelen, die ter inzameling gereed staan, te stoten, te schoppen of deze omver te werpen.

Artikel 28 Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren
De houder of beheerder van een inrichting waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, is verplicht:
a.een afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp in of nabij de inrichting op een duidelijk zichtbare plaats aanwezig te hebben, waarin het publiek afval kan achterlaten;
b.zorg te dragen dat deze afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp van een zodanige constructie is dat het afval daarin deugdelijk geborgen blijft en dat die afvalbak, -mand of voorwerp steeds tijdig wordt geledigd;
c.zorg te dragen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de inrichting, doch in ieder geval terstond op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met de toezicht op de naleving van dit artikel, in de nabijheid van de inrichting achtergebleven afval, voorzover kennelijk uit of van die inrichting afkomstig, wordt opgeruimd.

Artikel 29 Wegwerpen van reclamebiljetten of ander promotiemateriaal
Degene die in de openbare ruimte reclamebiljetten of dergelijke of ander promotiemateriaal onder het publiek verspreidt, is verplicht deze of de verpakking daarvan terstond op te ruimen of te laten opruimen, indien deze in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats door het publiek worden weggeworpen.

Artikel 30 Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden
1.Het is verboden afvalstoffen, stoffen of voorwerpen zodanig te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten dat de weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig kan worden be&#239;nvloed.
2.Indien bij het laden of lossen of vervoeren van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen deze weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig wordt be&#239;nvloed, is degene die genoemde werkzaamheden verricht alsmede diens opdrachtgever verplicht deze weg te reinigen of te laten reinigen:
a.direct na het ontstaan van de verontreiniging, indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert;
b.direct na be&#235;indiging van de werkzaamheden, indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert;
c.indien de werkzaamheden langer dan een dag duren, elke dag direct na be&#235;indiging van de werkzaamheden.


&#167; 6 Overige onderwerpen die de verordening aangaan

Artikel 31 Verbod opslag van afvalstoffen
1.Het is verboden afvalstoffen op voor het publiek zichtbare plaats in de open lucht en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer op te slaan of opgeslagen te hebben.
2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
3.Het verbod is niet van toepassing op het overdragen of ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst, andere inzamelaars of aan houders van een inzamelvergunning.

Artikel 32 Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden
Het is de eigenaar of kentekenhouder verboden zich te ontdoen van een autowrak, dat afkomstig is van een huishouden, anders dan door afgifte aan inrichtingen, genoemd in artikel 6 van het Besluit Beheer Autowrakken.


&#167; 7 Slotbepalingen

Artikel 33 Strafbepaling
Een gedraging in strijd met de volgende artikelen is een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 3&#186;, Wet op de economische delicten:
Artikel

Onderwerp



Artikel 11

Inzamelverbod huishoudelijke afvalstoffen behoudens vergunning



Artikel 12:

Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke 


afvalstoffen aan anderen



Artikel 13:

Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke 


afvalstoffen door anderen dan gebruikers van percelen



Artikel 14:

Afzonderlijk ter inzameling aanbieden



Artikel 15:

Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een


inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel



Artikel 16:

Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een


inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelen



Artikel 17:

Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via


inzamelvoorzieningen op wijkniveau



Artikel 18:

Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een


brengdepot op lokaal of regionaal niveau



Artikel 19:

Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen zonder


inzamelmiddel
Artikel 20:

Dagen en tijden voor het ter inzameling aanbieden



Artikel 23:

Ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan de


inzameldienst



Artikel 24:

Het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan een ander


dan de inzameldienst



Artikel 25:

Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging



Artikel 26:

Achterlaten van straatafval



Artikel 27

Voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereed staande


afvalstoffen



Artikel 28:

Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en


drinkwaren



Artikel 29:

Wegwerpen van reclamebiljetten of ander promotiemateriaal



Artikel 30:

Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden



Artikel 31:

Verbod op een voor het publiek zichtbare plaats aanwezig hebben


van afvalstoffen



Artikel 32:

Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden

Artikel 34 Toezichthouders
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.
 
Artikel 35 Inwerkingtreding
1.Deze verordening treedt in werking zes weken na bekendmaking.
2.Hoofdstuk 4, afdeling 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Grootegast  (APV Grootegast 2006) wordt met ingang van dezelfde datum ingetrokken.

Artikel 36 Overgangsbepaling
1.Vergunningen en ontheffingen verleend krachtens de verordening bedoeld in artikel 35, tweede lid, blijven - indien en voorzover het gebod of het verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende een jaar na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht.
2.Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de verordening bedoeld in artikel 35, tweede lid, blijven - indien en voor zover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en beperkingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende een jaar na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht.
3.Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing op grond van de verordening bedoeld in artikel 35, tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast.
4.Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing bedoeld in het eerste lid, dan wel voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 35, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 35, tweede lid.
5.In afwijking van het eerste lid, blijft een vergunning of ontheffing van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.
6.Gebod- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in de verordening als bedoeld in artikel 35, tweede lid zijn niet van toepassing:
a.gedurende 6 weken na het in werking treden van deze verordening;
b.ook na de onder a bepaalde termijn, voor zover degene die de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.
7.De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 35, tweede lid heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels en aanwijzingsbesluiten, indien en voorzover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.

Artikel 37 Citeerbepaling
Deze verordening wordt aangehaald als: Afvalstoffenverordening Grootegast 2007


Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Grootegast op .....

De griffier,

De voorzitter,
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Beheersverordening begraafplaatsen" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b9c141f0303b6/versie-d0c5d4662c3baf30012c5982b9b4005f.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 29 oktober 2010, agendapunt 11:

gelet op artikel 35 van de Wet op de lijkbezorging en artikel 149 van de Gemeentewet;

B e s l u i t : 

vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaatsen voor de gemeente Grootegast 2010.

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
a.	begraafplaats(en): de begraafplaats te Grootegast aan de Bovenweg, de begraafplaats te Grootegast aan de Rondweg en de begraafplaats te Niekerk aan de Smidshornerweg;
b.	graf: een zandgraf of keldergraf;
c.	grafkelder: een betonnen of gemetselde constructie waarin een lijk wordt begraven;
d. 	urnenkelder: een betonnen of gemetselde constructie waarin een asbus wordt bijgezet; 
e.	asbus: een bus ter berging van as van een overledene;
f.	urn: een voorwerp ter berging van een of meer asbussen;
g.	particulier graf: een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot:
1.	het doen begraven en begraven houden van lijken van of boven zes jaar;
2.	het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;
3.	het doen verstrooien van as.
h.	particulier kindergraf: een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het 	uitsluitend recht is verleend tot:
1.	het doen begraven en begraven houden van lijken beneden zes jaar;
2.	het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;
3.	het doen verstrooien van as.
i.	particulier urnengraf: een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot:
1.	het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;
2.	het doen verstrooien van as.
j.	particuliere urnennis: een nis waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;
k.	verstrooiingsplaats: een plaats waarop as wordt verstrooid;
l.	grafbedekking: gedenkteken en grafbeplanting op een graf, verstrooiingsplaats;
m.	beheerder: de ambtenaar die belast is met de dagelijkse leiding van de begraafplaats(en) of degene die hem vervangt;
n.	rechthebbende: natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een uitsluitend recht is verleend op een particulier graf, een particulier urnengraf of een particuliere urnennis, dan wel degene die redelijkerwijze geacht kan worden in diens plaats te zijn getreden;

Artikel 2. Uitbreiding begrip particulier graf
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt, voor zover 
van belang onder &apos;particulier graf&apos; mede verstaan: particulier kindergraf, particulier urnengraf 
en particuliere urnennis.


Hoofdstuk 2. Openstelling, orde en rust op de begraafplaats
Artikel 3. Openstelling begraafplaats(en)
1.	De begraafplaats(en) is (zijn) voor eenieder dagelijks toegankelijk gedurende door het college bij nadere regels vast te stellen tijden. Het college maakt deze tijden openbaar bekend.
2.	Ter handhaving van de orde en rust op de begraafplaats(en) kunnen de toegangen tijdelijk worden gesloten.
3.	Het is verboden gedurende de tijd dat de begraafplaats(en) niet voor het publiek geopend is (zijn), zich daarop te bevinden, anders dan voor het bijwonen van een begrafenis of de bezorging van as.

Artikel 4. Ordemaatregelen
1.	Bezoekers, personeel van uitvaartondernemingen en personen die werkzaamheden op de begraafplaats(en) hebben te verrichten, zijn verplicht zich in het belang van de orde, rust en netheid te houden aan de aanwijzingen van de beheerder.
2.	De beheerder kan personen die zich niet aan de in het eerste lid bedoelde aanwijzing houden van de begraafplaats verwijderen of laten verwijderen.
3.	Het is verboden met motorrijtuigen op de begraafplaats(en) te rijden:
a.	elders dan op de daartoe aangewezen rijwegen; motorrijtuigen zijn buiten de rijwegen (slechts) toegestaan voor begrafenissen of voor het vervoer van materialen;
b.	sneller dan 10 km per uur.
4.	Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in de aanhef en onder a van het derde lid.

Artikel 5. Plechtigheden
1.	Herdenkingsbijeenkomsten, onthullingen van gedenktekens en dergelijke plechtigheden op de begraafplaats kunnen slechts plaatsvinden nadat deze ten minste zes werkdagen tevoren zijn gemeld aan de beheerder. Datum en uur van de plechtigheid en de wijze waarop deze zal plaatsvinden worden in overleg met de aanvrager door de beheerder vastgesteld.
2.	De deelnemers aan de plechtigheid, bedoeld in het eerste lid zijn verplicht zich in het belang van de orde, rust en netheid te houden aan de aanwijzingen van de beheerder.

Artikel 6. Opgravingen en ruimen
Bij het opgraven van lijken en de ruiming van graven zijn geen andere personen aanwezig dan degenen die door de beheerder met deze werkzaamheden zijn belast.

Hoofdstuk 3. Voorschriften voor lijkbezorging
Artikel 7. Kennisgeving begraven en asbezorging, openen en sluiten van het graf
1.	Degene die wil doen begraven, as wil doen bijzetten of as wil doen verstrooien, geeft daarvan uiterlijk om 12.00 uur van de werkdag voorafgaande aan die waarop de begraving, bijzetting of verstrooiing zal plaatsvinden, schriftelijk kennis aan de beheerder. De zaterdag geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdag. Indien de burgemeester toestemming heeft gegeven om het lijk binnen 36 uur na het overlijden te begraven moet de kennisgeving aan de beheerder zo tijdig mogelijk worden gedaan.
2.	Het openen van een graf ter begraving of voor het bezorgen van as, en het daarna sluiten van een graf, mag uitsluitend geschieden door het personeel van de begraafplaats op aanwijzingen en onder toezicht van de beheerder. De nabestaanden kunnen deze werkzaamheden onder toezicht van de beheerder geheel of gedeeltelijk zelf verrichten indien zij hun wens daartoe uiterlijk om 12.00 uur van de voorafgaande werkdag mondeling of schriftelijk aan de beheerder hebben kenbaar gemaakt. De zaterdag geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdag. Zij dienen bij deze werkzaam-heden de aanwijzingen van de beheerder op te volgen.

Artikel 8. Over te leggen stukken
1.	Tot begraving wordt niet overgegaan dan nadat het verlof tot begraven is overgelegd aan de beheerder.
2.	Indien de begraving of de bezorging van as in een particulier graf zal plaatsvinden, dient een machtiging daartoe aan de beheerder te worden overgelegd ondertekend door de rechthebbende of, indien deze is overleden, door degene die in de uitvaart voorziet.
3.	De beheerder onderzoekt of de overgelegde stukken toereikend zijn.

Artikel 9. Tijden van begraven en asbezorging
1.	De tijd van begraven en het bezorgen van as is: op maandag tot en met zaterdag van 09.00 uur tot 16.00 uur;
2.	Het college kan in bijzondere gevallen van deze tijden afwijken.

Hoofdstuk 4. Indeling en uitgifte van de graven
Artikel 10. Indeling graven en asbezorging
1.	Op de begraafplaats(en) kunnen worden uitgegeven:
a.	particuliere graven:
b.  particuliere kindergraven;
c.  particuliere urnengraven;
d.	particuliere urnennissen;

2.	Het college bepaalt bij nader vast te stellen regels hoeveel lijken en hoeveel asbussen met of zonder urnen er kunnen worden bijgezet in de particuliere graven en hoeveel verstrooiingen van as er op de particuliere graven kunnen plaatshebben. Het college bepaalt tevens de afmetingen en de uitgifteduur van de particuliere graven. De uitgifteduur kan niet korter zijn dan de minimumtermijn vastgesteld in de Wet op de lijkbezorging.

Artikel 11. Volgorde van uitgifte
1.	De particuliere graven worden slechts voor directe begraving en in volgorde van ligging uitgegeven.
2.	Het college kan een particulier graf toewijzen anders dan voor directe begraving en buiten de volgorde van uitgifte, indien dit wegens de situatie op de begraafplaats(en) niet bezwaarlijk is.

Artikel 12. Categorie&#235;n
Het college kan bij nader vast te stellen regels de particuliere graven onderverdelen in categorie&#235;n. Het college bepaalt voor de verschillende categorie&#235;n de situering en oppervlakte.

Artikel 13. Termijnen particuliere graven
Het college verleent, voor zover de daartoe bestemde ruimte van de begraafplaats(en) dat 
toelaat, op een daartoe bij hen schriftelijk in te dienen aanvraag, voor onbepaalde tijd het 
recht op een particulier graf. De termijn begint te lopen op de datum waarop het particuliere 
graf is uitgegeven.

Artikel 14. Grafkelder en urnenkelder
Het college kan aan de rechthebbende op een particulier graf vergunning verlenen tot het daarin voor eigen rekening doen aanbrengen van een grafkelder of urnenkelder overeen-komstig de door het college te stellen voorwaarden.

Artikel 15. Overschrijving van verleende rechten
1.	Het recht op een particulier graf kan op aanvraag van de rechthebbende worden overgeschreven op naam van een ander natuurlijk persoon of rechtspersoon.

2.	Na het overlijden van de rechthebbende kan het recht op het particuliere graf worden overgeschreven op naam van een natuurlijk persoon of rechtspersoon, indien de aanvraag daartoe wordt gedaan binnen zes maanden na het overlijden van de rechthebbende. Indien de overleden rechthebbende in het graf dient te worden begraven, of indien de asbus met zijn resten in het graf dient te worden bijgezet, dient het verzoek tot overschrijving daaraan voorafgaand te worden gedaan.
3.	Indien na het overlijden van de rechthebbende de aanvraag tot overschrijving aan het college niet wordt gedaan binnen de in het tweede lid van dit artikel gestelde termijn van zes maanden, is het college bevoegd het recht op het particuliere graf te doen vervallen.
4.	Na het verstrijken van de in het tweede lid genoemde termijn van zes maanden kan het college het particuliere graf alsnog op naam stellen van een nieuwe rechthebbende, tenzij dit recht betrekking heeft op een particulier graf dat inmiddels is geruimd.

Artikel 16. Afstand doen van graven
1.De rechthebbende kan schriftelijk afstand doen van het recht op een particulier graf ten behoeve van de gemeente.
2.Het college van burgemeester en wethouders kan op aanvraag van de rechthebbende overgaan tot terugbetaling van het destijds betaalde tarief voor het recht op het eigen (particuliere) graf, mits van het recht tot begraving daarin geen gebruik is gemaakt.
 
Hoofdstuk 5. Grafbedekkingen
Artikel 17. Vergunning grafbedekking
1.	Voor het hebben van een grafbedekking is een schriftelijke vergunning nodig van het college.
2.	De rechthebbende van een particulier graf vraagt de vergunning voor het hebben van een grafbedekking aan.
3.	Het college kan nadere regels vaststellen omtrent de wijze van aanvragen van de vergunning, de aard en de afmetingen van de grafbedekking en de wijze van aanbrengen.
4.	Het college kan de vergunning weigeren indien:
a.	niet voldaan wordt aan de vastgestelde nadere regels, genoemd in het derde lid;
b.	de grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats;
c.	de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is;
d.	de constructie van de grafbedekking ondeugdelijk is. 

Artikel 18. Onderhoud door de gemeente
Ten aanzien van de graven waarvan het onderhoud aan de gemeente is overgedragen, voorziet het college in het schoonhouden en eventueel bijschilderen van het gedenkteken en in de zorg voor de winterharde beplantingen.

Artikel 19. Onderhoud door rechthebbende 
1.	Het (doen) plaatsen, aanbrengen, herstellen, vernieuwen of verwijderen van de grafbedekking geschiedt door, voor rekening van en voor risico van de rechthebbende.
2.	De rechthebbende is verplicht de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen.
3.	Indien de rechthebbende nalaat de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen, kan het college de hiervoor in aanmerking komende voorwerpen of zo nodig de gehele grafbedekking doen verwijderen. Het verwijderde blijft gedurende dertien weken ter beschikking van de rechthebbende en vervalt daarna aan de gemeente, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is.
4.	De verwijdering vindt niet plaats dan nadat het college de rechthebbende door middel van een verklaring schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van de toestand van de grafbedekking. Wanneer het adres van de rechthebbende niet bekend is maakt het college de verklaring bij de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend. Bij het graf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht.
5.	Het college kan de rechthebbende per aanschrijving verplichten een beschadiging aan de grafbedekking te herstellen binnen de door het college gestelde termijn indien de beschadiging zodanig is dat deze naar het oordeel van het college het uiterlijk aanzien van de begraafplaats schaadt of indien de beschadiging van de grafbedekking gevaar op levert voor derden.

Artikel 20. Niet-blijvende grafbeplanting 
Niet-blijvende beplanting op een graf die in een verwaarloosde staat verkeert kan door de beheerder worden verwijderd zonder dat aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding. Losse bloemen, planten, kransen en dergelijke kunnen, wanneer zij verwelkt zijn, door de beheerder worden verwijderd. Linten, siervazen en dergelijke voorwerpen worden gedurende dertien weken ter beschikking gehouden van de rechthebbende indien deze daartoe tevoren een aanvraag heeft ingediend bij de beheerder.

Hoofdstuk 6. Ruiming van graven, urnengraven en urnennissen
Artikel 21. Ruiming, bezorging van overblijfselen en as
1.	Het voornemen van het college om een graf te ruimen wordt ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop het graf geruimd zal worden per brief aan de rechthebbende bekend gemaakt. 

	Wanneer het adres van de rechthebbende niet bekend is maakt het college het voornemen tot ruiming van het graf gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip van ruiming door middel van een bij het graf te plaatsen bordje en bij de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend.
2.	De beheerder draagt er zorg voor dat met de bij de ruiming van het graf nog aanwezige menselijke resten te allen tijde respectvol wordt omgegaan en dat bezoekers van de begraafplaats niet met menselijke resten worden geconfronteerd.
3.	De bij de ruiming van het graf nog aanwezige menselijke resten worden begraven en de as wordt verstrooid op een van de daartoe bestemde gedeelten van de begraaf-plaats(en).
4.	De rechthebbende op een particulier graf kan bij de beheerder een aanvraag indienen om de menselijke resten te doen verzamelen om deze opnieuw in dezelfde grafruimte te doen plaatsen dan wel om deze te cremeren of elders opnieuw te doen begraven. De rechthebbende op een particulier urnengraf of particuliere urnennis kan bij de beheerder een aanvraag indienen de asbus ter beschikking te houden om elders bij te zetten of om de as te doen verstrooien.

Hoofdstuk 7. In stand houden historische graven en opvallende grafbedekking
Artikel 22. Lijst
1.	Het college houdt een lijst bij van graven die van historische betekenis zijn of waarvan de grafbedekking een opvallende kwaliteit heeft.
2.	Alvorens tot ruiming van graven wordt overgegaan onderzoekt het college of er graven zijn die in aanmerking komen om op de lijst te worden bijgeschreven.
3.	De gemeenteraad beslist over het ruimen van graven en het verwijderen van grafbedekkingen die op de in het eerste lid bedoelde lijst staan.

Hoofdstuk 8. Inrichting register
Artikel 23. Voorschriften
1.	Het college stelt voorschriften vast voor het register van de begraven lijken.
2.	Het register wordt bijgehouden door de beheerder.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen
Artikel 24. Intrekking oude regeling
De verordening op het beheer en het gebruik van de algemene begraafplaatsen in de gemeente Grootegast, vastgesteld door de raad van de gemeente Grootegast in de openbare vergadering van 4 april 1995, wordt ingetrokken.

Artikel 25. Overgangsbepaling
1.	Besluiten van het college die genomen zijn krachtens de verordening op het beheer en het gebruik van de algemene begraafplaatsen in de gemeente Grootegast, vastgesteld op 4 april 1995, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.
2.	Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om vergunning op grond van de verordening op het beheer en het gebruik van de algemene begraafplaatsen in de gemeente Grootegast, vastgesteld op 4 april 1995, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet op de aanvraag is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast.

Artikel 26. Strafbepaling
1.	Hij die handelt in strijd met enige bepaling van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie.
2.	Overtreding van artikel 3 tot en met 6 van deze verordening kan worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

Artikel 27. Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na de datum van uitgifte van de Streekkrant, waarin zij is geplaatst.

Artikel 28. Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Grootegast 2010.


Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 9 november 2010.


De voorzitter,							De griffier,



K.B. Dijkstra							H.R. Kastermans
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Exploitatieverordening" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011ba26755cf03f7/versie-d0c5d466192e0ce6011ba26755cf03f8.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast:

gelezen het voorstel van burgermeester en wethouders van d.d. 2 september 1997, agendapunt nr. 8;

gehoord het advies van de commissie voor Openbare Werken en Ruimtelijke Ordening;

gelet op artikel 42 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, artikel 22 Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht;

besluit:

vast te stellen de volgende

Verordening houdende de voorwaarden waaronder de gemeente medewerking zal verlenen aan het in exploitatie brengen van gronden (exploitatieverordening).

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Algemene begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
a.Medewerking aan het in exploitatie brengen van gronden: het door of met medewerking van de gemeente treffen van voorzieningen van openbaar nut, waardoor de in het exploitatiegebied gelegen onroerende zaken gebaat worden;
b.Exploitatiegebied: een als zodanig door de gemeenteraad aangewezen gebied, dat gebaat is door de aanleg van voorzieningen van openbaar nut; 
c.Exploitant: de genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een in het exploitatiegebied gelegen onroerende zaak welke door het treffen van voorzieningen van openbaar nut gebaat is;
d.Exploitatieovereenkomst: de overeenkomst , onder welke naam dan ook gesloten, waarin de gemeente met een exploitant de voorwaarden overeenkomt waaronder de gemeente voorzieningen van openbaar nut zal treffen of daaraan medewerking zal verlenen;
e.Bekostigingsbesluit: een besluit van de gemeenteraad als bedoeld in artikel 222, tweede lid, van de Gemeentewet;
f.Aangevuld bekostigingsbesluit: een besluit van de gemeenteraad waarin niet alleen overeenkomstig artikel 222, tweede lid, van de Gemeentewet, wordt besloten in welke mate de aan de voorzieningen verbonden lasten zullen kunnen worden verhaald op een daarbij aangebuid gebied, maar waarin ook een omschrijving van de voorzieningen van openbaar nut en een begroting van kosten en opbrengsten is opgenomen;
g.Voorzieningen van openbaar nut, waardoor de in het exploitatiegebied gelegen onroerende zaken gebaar worden; onder meer:
1.riolering, met inbegrip van de bijbehorende werken;
2.wegen, parkeergelegenheden, pleinen, trottoirs, voet- en rijwielpaden, straatmeubilair, waterpartijen, watergangen, bruggen, tunnels en andere rechtstreeks met de aanleg en inrichting van deze voorzieningen en kunstwerken verband houdende werken;
3.plantsoenen en andere groenvoorzieningen, waaronder begrepen de aanleg en inrichting van openbare speelplaatsen en speelweiden alsmede de sierende elementen welke rechtstreeks voortvloeien uit een juiste uitvoering van een verzorgd bestemmingsplan;
4.openbare verlichtingen, brandkranen met de nodige aansluitingen;
5.waterhuishoudkundige voorzieningen, met inbegrip van drainagevoorzieningen;
h.Afstand van gronden aan de gemeente: eigendomsoverdracht van gronden aan de gemeenten.

Artikel 2 Kosten van exploitatie
Voor de berekening ten behoeve van de begroting van kosten en ten behoeve van de vaststelling van de exploitatiebijdragen, wordt onder de kosten, verband houdende met het verlenen van medewerking aan het in exploitatie brengen van grond begrepen:
1.De inbrengwaarde van alle binnen het exploitatiegebied gelegen gronden, zijnde:
a.De waarde van de grond;
b.De waarde van de opstallen die voor de verwezenlijking van de bestemming niet gehandhaafd kunnen worden;
c.De kosten van het vrijmaken van de gronden van opstallen;
d.De kosten van het vrijmaken van e gronden van zich in de grond bevindende resten, zoals funderingen, leidingen en kabels, en het van persoonlijke rechten en last, eigendom, bezit of beperkt recht, zakelijke lasten, alsmede de kosten van schadevergoedingen.
2.De kosten van aanleg binnen een exploitatiegebied door de gemeente van de onder artikel 1, onder g. omschreven voorzieningen van openbaar nut.
3.De kosten van aanleg van voorzieningen van openbaar nut buiten het exploitatiegebied voor zover de binnen het exploitatiegebied liggende onroerende zaken door deze voorzieningen direct dan wel indirect gebaat zijn.
4.De kosten van:
a.Het dempen van sloten en het verrichten van grondwerken ten behoeve van voorzieningen van openbaar nut met inbegrip van het egaliseren, ophogen en afgraven;
b.Het verrichten van bodemonderzoek en &#8211;sanering, voor zover het de ondergrond van de voorzieningen van openbaar nut betreft en voor zover verhaal bij derden van de daarmee verband houdende kosten niet in de rede ligt;
c.In verband met de milieuwetgeving of milieutechnisch noodzakelijke maatregelen en voorzieningen ter uitvoering van een bestemmingsplan;
d.De verwerving van de ondergrond van voorzieningen van openbaar nut buiten het exploitatiegebied;
e.Het slopen van opstallen op de ondergrond van voorzieningen van openbaar  nut buiten het exploitatiegebied;
f.Alle overige werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor het verlenen van medewerking aan het in exploitatie brengen van gronden, in ieder geval:
1.de kosten van planontwikkeling, planvoorbereiding en planbeheer en plantoezicht. Onder deze kosten wordt ten minste verstaan: de kosten verband houdende met het opstellen van structuurplannen en het bestemmingsplan, het opstellen van planmatige uitwerkingen of wijzigingen, het vervaardigen van besluiten tot het verlenen van vrijstellingen van een bestemmingsplan alsmede van overige planologische maatregelen voor zover deze nodig zijn voor het in exploitatie brengen van gronden binnen het exploitatiegebied;
2.de kosten verband houdende met onderzoeken, voorbereiding en toezicht ten behoeve van de voorzieningen van openbaar nut voor zover deze verband houden met het in exploitatie brengen van gronden binnen het exploitatiegebied;
3.de kosten van het gemeentelijk apparaat, voor zover die rechtstreeks aan het in exploitatie brengen van de gronden kunnen worden toegerekend;
4.de rente van ge&#239;nvesteerde kapitalen en overige lasten, verminderd met rente-opbrengsten;
5.de kosten van tijdelijke beheer van de ondergrond van openbare voorzieningen, zijnde de kosten die ten gevolge van een noodzakelijk actief verwervingsbeleid worden gemaakt en niet dan wel niet geheel door middel van tijdelijke verhuur worden gedekt;
6.overige kosten die in beginsel ten laste van de grondexploitatie behoren te worden gebracht.

Hoofdstuk 2 In exploitatie brengen op initiatief van de gemeente

Artikel 3 Vaststelling (aangevuld) bekostigingsbesluit
1.Voordat op initiatief van de gemeente met het treffen van voorzieningen van openbaar nut in een exploitatiegebied wordt aangevangen, wordt door de gemeenteraad een aangevuld bekostigingsbesluit voor dat exploitatiegebied vastgesteld en bekend gemaakt op de wijze zoals bedoeld in artikel 139 Gemeentewet.
2.Het aangevulde bekostigingsbesluit bevat in ieder geval de volgende onderdelen:
a.Aanduiding van het exploitatiegebied en aanwijzing van de daarin gelegen onroerende zaken die gebaat zijn door de aanleg van de voorzieningen van openbaar nut;
b.Aanduiding van de mate waarin de kosten, verband houdende met het verlenen van medewerking aan het in exploitatie brengen van gronden, op de genothebbenden van de in het vorige lid bedoelde onroerende zaken kunnen worden verhaald;
c.Omschrijving van de van gemeentewege uit te voeren voorzieningen van openbaar nut en daarmee verhand houdende werkzaamheden;
d.Een aankondiging dan betrokken eigenaren binnen een genoemde termijn een aanbod voor een exploitatieovereenkomst zullen kunnen ontvangen;
e.De bepaling dat, in geval met een exploitant niet tot overeenstemming kan worden gekomen over een exploitatieovereenkomst, kostenverhaal zal kunnen plaatsvinden door middel van heffingen van baatbelasting;
f.Een begroting van de ten laste van onroerende zaken in het exploitatiegebied komende kosten, verband houdende met het verlenen van medewerking aan het in exploitatie brengen van grond, en van de ten gunste van het in exploitatie nemen van gronden komende opbrengsten. De opbrengsten bestaan uit:
1.subsidies.
2.verkoop van gronden
3.bijdragen in de kosten van aanleg van voorzieningen van openbaar nut, hetzij via overeenkomst hetzij via baatbelasting.
4.overige bijdragen.
Van deze begroting maakt eveneens deel uit de wijze van toerekening van de totale kosten en opbrengsten aan de onroerende zaken in het exploitatiegebied, zoveel mogelijk naar de mate van profijt dat de onroerende zaken hebben van het samenhangend geheel van voorzieningen van openbaar nut.
3.In het aangevuld bekostigingsbesluit kan worden bepaald dat de begroting als bedoeld in het tweede lid onder f. later door de gemeenteraad wordt vastgesteld. De begroting kan door de gemeenteraad periodiek worden herzien. Deze begroting wordt bekendgemaakt op de wijze als bedoeld in artikel 139 Gemeentewet.
4.Voor de berekening van de in het tweede lid onder f. bedoelde kosten wordt er van uitgegaan dat het exploitatiegebied in zijn geheel door de gemeente in exploitatie wordt gebracht.

Artikel 4 Wijze van toerekening naar mate van profijt
1.Voor de toerekening van het profijt wordt als rekeneenheid gebruikt het gemiddelde bedrag van de ten nutte van het exploitatiegebied gemaakte of te maken kosten per m2 oppervlakte.
2.Onder de grondoppervlakte wordt verstaan de kadastrale oppervlakte van de onroerende zaken, waar mogelijk ingedeeld naar de in een bestemmingsplan opgenomen geprojecteerde kavels (bouw)grond, vermenigvuldigd met factoren voor ligging en bestemming en objectieve gebruiksmogelijkheid, waarin het profijt van de van gemeentewege getroffen voorzieningen van openbaar nut tot uitdrukking komt.
3.In geval de toerekening op basis van m2 grondoppervlakte geen geschikte grondslag blijkt te zijn, geschiedt de toerekening op basis van een nader door de gemeenteraad te bepalen grondslag welke voorziet in de aanwezige verschillen in profijt.

Artikel 5 Vaststelling exploitatiebedrag
1.De exploitant betaalt als bijdrage in de kosten, verband houdende met het verlenen van medewerking aan het in exploitatie brengen van gronden, het bedrag dat volgens de in de begroting als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder f. uitgewerkte wijze aan zijn onroerende zaak wordt toegerekend, vermeerderd met de kosten op de afstand van de gronden bestemd voor de aanleg en/of aanpassing van voorzieningen van openbaar nut vallende en de kosten van kadastrale uitmeting, en verminderd met de inbrengwaarde van de bij de exploitant in eigendom zijnde en voor exploitatie bedoelde gronden en van de gronden welke zijn bestemd voor het treffen van voorzieningen van openbaar nut en door exploitant aan de gemeente worden afgestaan.
2.De waarde van de in het eerste lid bedoelde grond die door exploitant is ingebracht, wordt door de gemeente en de exploitant gezamenlijk door middel van taxatie vastgesteld. Indien hierover geen overeenstemming kan worden bereikt, wordt deze waarde vastgesteld door een commissie van drie deskundigen, van wie &#233;&#233;n aan te wijzen door de gemeente, &#233;&#233;n door e exploitant en een derde door beide reeds aangewezen deskundigen of, indien zij het daarover niet eens kunnen worden, door de ter zake bevoegde kantonrechter.
3.Indien de exploitant zelf conform artikel 6 , derde lid, onder e voorzieningen van openbaar nut aanlegt, bestaat de exploitatiebijdrage uit de bijdrage, zoals deze op grond van het eerste lid van dit artikel wordt bepaald, verminderd met de kosten van de door exploitant uit te voeren werkzaamheden voor zover deze kosten corresponderen met de begroting van kosten zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder f.

Artikel 6 Inhoud exploitatieovereenkomst
1.Het verhaal van kosten verband houdende met het verlenen van medewerking aan het in exploitatie brengen van gronden vindt plaats met inachtneming van de voorgaande artikelen.Van de exploitatieovereenkomst wordt een akte opgemaakt. Indien de exploitatieovereenkomst mede een grondtransactie betreft, is dit een notari&#235;le akte.
2.Burgermeester en wethouders beslissen tot het aangaan van een exploitatieovereenkomst op initiatief van de gemeente slechts nadat een aangevuld bekostigingsbesluit is vastgesteld.
3.De exploitatieovereenkomst bevat in ieder geval bepalingen over:
a.De aard, omvang en kwaliteit van de door de gemeente of exploitant aan te leggen voorzieningen van openbaar nut;
b.Het tijdsvak waarbinnen deze voorzieningen worden uitgevoerd;
c.De ten laste van de exploitant komende bijdrage als bedoeld in artikel 5, eerste lid;
d.In voorkomende gevallen de afstand van gronden aan de gemeente, voor zover die gronden zijn bestemd voor de aanleg of aanpassing van voorzieningen van openbaar nut, en in deze gevallen het verrichten van onderzoek naar bodemverontreiniging op kosten van exploitant;
e.In gevallen waarbij burgermeester en wethouders besluiten de gehele of gedeeltelijke uitvoering van de door de gemeente aan te leggen voorzieningen van openbaar nut aan de exploitant op te dragen: deze opdracht en de waarborging van een tijdige en kwalitatief goede uitvoering;
f.Een betalingsregeling;
g.In voorkomende gevallen een taakverdeling;
h.In voorkomende gevallen een regeling voor gewijzigde omstandigheden, wanprestatie, aansprakelijkheid en faillissement.

Hoofdstuk 3 In exploitatie brengen op verzoek van exploitant

Artikel 7 Indiening aanvraag voor medewerking
1.Een belanghebbende kan bij burgermeester en wethouders een aanvraag indienen voor medewerking aan het in exploitatie brengen van gronden.
2.Burgermeester en wethouders verlenen slechts medewerking aan het op aanvraag van exploitant in exploitatie brengen van gronden krachtens een exploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 6, met dien verstande dat artikel 6, tweede lid, in dat geval niet van toepassing is.
3.Bij de aanvraag dient in ieder geval te worden gevoegd:
a.Een nauwkeurige omschrijving van de in exploitatie te brengen onroerende zaken;
b.Gegevens, waaruit blijkt dat de belanghebbende genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de in exploitatie te brengen onroerende zaken is of kan worden;
c.Gegevens omtrent de door belanghebbende te treffen (bouw)werkzaamheden.
4.Ingeval door burgermeester en wethouders een aanvraag voor een bouwvergunning, eventueel in combinatie met een aanvraag voor vrijstelling, wordt ontvangen, waarbij in geval val verlening van de vrijstelling en/of bouwvergunning van gemeenteweg voorzieningen van openbaar nut moeten worden getroffen, wordt hiervan zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval voor de beslissing op de aanvraag mededeling gedaan aan de aanvrager. Daarbij zal een zo nauwkeurig mogelijke raming van de voor rekening van de exploitant komende kosten, verband houdende met het in exploitatie brengen van gronden, worden verstrekt. Tevens zal daarbij aan de aanvrager de gelegenheid worden gegeven tot het indienen van een aanvraag voor medewerking.
5.Burgermeester en wethouders reageren op de aanvraag om medewerking, hetzij met een weigering hetzij met de aanbieding van een conceptovereenkomst, binnen zes maanden na de dag waarop het verzoek is ontvangen.

Artikel 8 Aanhouding aanvraag
De reactie op een aanvraag kan worden aangehouden:
a.ingeval de procedure tot goedkeuring van een van toepassing zijnde bestemmingsplan of een herziening daarvan nog niet is afgerond, tot vier weken na het onherroepelijk worden van (het betreffende deel van) het bestemmingsplan of de herziening ervan;
b.ingeval voorzienbaar is dat de in artikel 9 genoemde belemmeringen binnen afzienbare tijd zullen worden weggenomen, tot vier weken nadat deze belemmeringen zijn weggenomen.

Hoofdstuk 4 Overige bepalingen

Artikel 9 Weigeringsgronden voor een exploitatieovereenkomst
De medewerking aan het in exploitatie brengen van gronden behoeft niet te worden verleend indien:
a.de in exploitatie te brengen grond niet is gelegen in een gebied waarvoor een bestemmingsplan geldt;
b.de door exploitant aangegeven (bouw)werkzaamheden of de daartoe benodigde voorzieningen van openbaar nut zouden leiden tot strijd met het bestemmingsplan of de Woningwet;
c.het treffen van voorzieningen, hoewel overeenkomstig een bestemmingsplan, anderszins zou leiden tot strijd met belangen van een doeltreffende uitbreiding van bebouwing of herinrichting;
d.het in bouwexploitatie van grond anderszins zou leiden tot ten laste van de gemeente blijvende kosten van voorzieningen van openbaar nut of tot bezwaren ten aanzien van het doeltreffend voorzien in watervoorziening, openbare verlichting, riolering en andere voorzieningen van openbaar nut;
e.exploitant geen afstand wil doen van gronden ten behoeve van aanleg van voorzieningen van openbaar nut;
f.exploitant de ondergrond van voorzieningen van openbaar nut niet wil onderzoeken op de aanwezigheid van bodemverontreiniging dan wel de bodem niet wil saneren wanneer dat noodzakelijk is.

Artikel 10 Relatie baatbelasting
In een gebied waarvoor een aangevuld bekostigingsbesluit is genomen, zal, indien de exploitant een exploitatieovereenkomst aangaat, in de overeenkomst worden bepaald dat, met betrekking tot de uitvoering van de in deze overeenkomst genoemde voorzieningen van openbaar nut, geen aanvullend kostenverhaal op basis van een baatbelasting ten laste van de betreffende onroerende zaak zal plaatsvinden.

Artikel 11 Voorzieningen van ondergeschikt belang
1.De artikelen 2, eerste lid, 3, 5, en 6, eerste en tweede lid, van deze verordening zij niet van toepassing voor voorzieningen van openbaar nut van ondergeschikt belang, zoals een uitweg op een openbare weg of een aansluiting op het openbare riool. In dergelijke gevallen besluiten burgermeester en wethouders onder welke voorwaarden deze voorzieningen van openbaar nut door of met medewerking van de gemeente zullen worden aangelegd.
2.Het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste en tweede lid, van deze verordening kan buiten toepassing blijven ten aanzien van:
a.een exploitatiegebied dat in de naaste toekomst niet of niet geheel voor bebouwing in aanmerking komt;
b.de in een exploitatiegebied gelegen gronden die in de naaste toekomst niet voor bebouwing in aanmerking komen.

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 12 Overgangsbepalingen
Ingeval voor het moment van inwerkingtreding van deze verordening een aangevuld bekostigingsbesluit is genomen danwel een aanvraag als bedoeld in artikel 7 is ingediend, kan de exploitatieovereenkomst worden gebaseerd op de Exploitatieverordening, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 9 mei 1995.

Artikel 13 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die van bekendmaking op de wijze als bedoeld in artikel 139 Gemeente wet.

Artikel 14 Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als &#8216;Exploitatieverordening gemeente Grootegast&#8217;

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering  van 9 september 1997.

Voorzitter (K.B. Dijkstra),

Secretaris (mr. Joh. Kooistra),
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Nadere regels voor grafbedekkingen op de gemeentelijke begraafplaatsen" url="verordening-d0c5d4662c3baf30012c59cc957b0076/versie-d0c5d4662c3baf30012c59cc957b0077.html">
	<tekst>
	Uitvoeringsbesluit voor de grafbedekkingen

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast,

gelet op artikel 17, derde lid van de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Grootegast 2010.

b e s l u i t :

vast te stellen de volgende nadere regels voor grafbedekkingen op de gemeentelijke begraafplaatsen.


Artikel 1. Begripsbepalingen
Deze nadere regels verstaan onder:
1.grafbedekking: gedenkteken en grafbeplanting op een graf, of verstrooiingsplaats;
2.gedenkteken: steen, zerk of ander monument, daaronder begrepen kettingen en hekwerken;
3.grafbeplanting: de onder artikel 5 en 6 genoemde beplanting.

Artikel 2. Aanvraag vergunning
1.Bij de schriftelijke aanvraag voor vergunning tot het hebben van een gedenkteken behoort een werktekening te worden ingediend.
2.Op deze werktekening dienen ten minste voor  te komen:
aeen boven-, voor- en zijaanzicht met alle hoogte-, breedte-, dikte- en lengtematen;
bde soort, kleur en bewerking van het te gebruiken materiaal;
cde vermelding of de letters etc. ingehakt, opgehakt of van metaal zijn;
dde woordindeling van het opschrift en de plaats van figuratie(s);
ehet materiaal van de fundering en de wijze van bevestiging van het gedenkteken daarop.

Artikel 3. Beslissing
De beslissing op de aanvraag wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk medegedeeld.

Artikel 4. Gedenkteken
1.Voor de gedenktekens mogen alleen duurzame materialen worden gebruikt, zoals natuursteen, metaal, keramiek, duurzame kunststoffen of een verduurzaamde houtsoort.
2.Bij particuliere graven mag de lengte en de breedte van het gedenkteken maximaal 200 cm en 90 cm zijn. De hoogte mag maximaal 100 cm zijn.
3.Bij particuliere kindergraven en bij particuliere urnengraven mag de lengte en de breedte van het gedenkteken maximaal 100 cm en 70 cm zijn. De hoogte mag maximaal 100 cm  zijn.
4.De onderdelen moeten vast aan het gedenkteken zijn verbonden.

Artikel 5. Losse bloemen en planten
Op een graf kunnen potplanten en bloemen in vazen worden geplaatst. Het is toegestaan op een graf losse bloemen te leggen. Op een graf mogen eenjarige gewassen worden geplant.

Artikel 6. Winterharde gewassen
De winterharde gewassen die op de graven worden geplant mogen bij volle wasdom de voor het graf beschikbare oppervlakte niet overschrijden of moeten door snoeien binnen de oppervlakte kunnen worden gehouden.


Artikel 7. Slotbepalingen
1.Deze nadere regels treden in werking op de achtste dag na de datum van uitgifte van de Streekkrant, waarin zij zijn geplaatst.
2.Deze nadere regels kunnen worden aangehaald als: Regels grafbedekkingen.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van burgemeester en wethouders van 
12 oktober 2010.




E. Par&#233;, secretaris                                  K.B. Dijkstra, burgemeester
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Nota vergunningen en handhaving  fysieke leefomgeving" url="verordening-d0c5d4661c0c5e38011ddd5108f20343/versie-d0c5d4661c0c5e38011ddd5108f20344.html">
	<tekst>
	Voorwoord

Inleiding

Eind 2004 is de Nota integrale handhaving voor de Fysieke Leefomgeving vastgesteld door het vorige college van B en W. Deze nota had een looptijd van 2 jaar (2005-2006). Dit betekent dat er met ingang van 2007 een nieuwe nota moet zijn vastgesteld.

Evaluatie

De Nota 2005-2006 stelde het gemeentelijke beleid op drie hoofdzaken vast:
doelstellingen voor de handhaving
de te voeren strategie
de organisatie en beschikbare middelen

De ervaringen van de afgelopen twee jaar laten zien dat de Nota 2005-2006 voldoende kaders bood om sturing te kunnen geven aan de handhaving. Ook de strategie die was vastgesteld blijkt in de praktijk goed te functioneren. Er is dan ook geen aanleiding om voor de komende periode de Nota ingrijpend te herzien. Wel is gebleken dat de ambitie om binnen twee jaar alle handhavingstaken structureel op een adequaat niveau te brengen, niet is gerealiseerd. 

In de afgelopen periode is gebleken dat het wenselijk is om ook voor de vergunningverlening prioriteiten en doelstellingen te bepalen. Daarbij gaat het b.v. om het toetsingsniveau van vergunningaanvragen, de doorlooptijd van vergunningaanvragen en het afstemmen van procedures. Verder speelt een rol dat de huidige systematiek van aparte vergunningen en procedures door de invoering van de omgevingsvergunning ingrijpend zal wijzigen. Handhaving en vergunningverlening zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit heeft geleid tot de keuze om het beleid ten aanzien van vergunningverlening en handhaving te integreren in deze nota, in plaats van een aparte beleidsnota vergunningverlening op te stellen. 

Nota vergunningen en handhaving

Bovenstaande overwegingen hebben geleid tot deze Nota vergunningen en handhaving voor de fysieke leefomgeving. 

De structuur van de voorgaande nota is grotendeels aangehouden. In onderstaand overzicht zijn de belangrijkste aanpassingen vermeld:

Omdat de nota nu ook over vergunningverlening gaat , is daar waar nodig het begrip handhaving vervangen door begrippen als &apos;vergunningverlening en handhaving&apos; of &apos;uitvoering van regelgeving&apos;.
De nota wordt vastgesteld voor de periode 2007-2010, zodat hij is afgestemd op de college/raadsperiode. 
Zaken en doelstellingen die opgenomen waren in de vorige nota, maar nog niet zijn gerealiseerd, zijn grotendeels weer opgenomen in deze nota
De gehele planperiode (tot eind 2010) wordt gebruikt om toe te groeien naar een adequaat handhavingsniveau, inclusief de aanpak van lang bestaande illegale situaties
De paragrafen over programmering en verslaglegging zijn nu opgenomen in paragraaf 1.5 (programmatisch werken) in plaats van hoofdstuk 3.
Er wordt duidelijker onderscheid gemaakt tussen de aspecten die een rol hebben gespeeld bij de bestuurlijke overwegingen om de doelstellingen te bepalen en de probleemanalyse die jaarlijks wordt uitgevoerd om tot een uitvoeringsprogramma te komen (zie paragrafen 1.5 en 2.3)
In hoofdstuk 2 zijn bij de doelstellingen aparte paragrafen opgenomen voor de aspecten &apos;Rechtsgelijkheid&apos; (paragraaf 2.4) en &apos;Lang bestaande illegale situaties (paragraaf 2.6)
In hoofdstuk 3 zijn de onderwerpen &apos;Voorlichting&apos;,  &apos;Handhaafbare regelgeving&apos; en &apos;Vergunningen&apos; in aparte paragrafen opgenomen. In de paragraaf 3.4 (Vergunningen) is uiteengezet hoe de bestuurlijke doelstellingen zich zullen vertalen naar de uitvoeringspraktijk.
In paragraaf 3.6.3 (Stappenplan) is de motivatie voor de &apos;twee stappen aanpak&apos; verkort. Deze aanpak heeft in de afgelopen twee jaar bewezen goed te functioneren en kan daarom gecontinueerd worden. Wel is toegevoegd dat in situaties waarin er een duidelijke beleidsvrijheid is om een afweging te kunnen maken tussen handhaving of legalisering, de twee stappen aanpak &quot;opgeschort&quot; kan worden als een legalisatieverzoek wordt ingediend.
In paragraaf 4.1 (Organisatiestructuur) is aangegeven dat de huidige werkwijze en structuur gehandhaafd wordt (dus geen aparte clusters voor handhaving en vergunningverlening). Wel komt er (in de matrixstructuur) naast de co&#246;rdinator handhaving een co&#246;rdinator vergunningen.
In paragraaf 4.2 (Formatie en uitbesteding) is aangegeven dat het noodzakelijk is de handhavingsformatie uit te breiding. Hierover zal nadere besluitvorming plaatsvinden.
De zware overlegstructuren voor handhaving die waren vastgelegd in de vorige Nota, zijn vereenvoudigd (zie de paragrafen 4.5 (Intern overleg en afstemming) en 4.6 (Externe afstemming en samenwerking).

Wettelijke bepalingen

Op grond van de Wet milieubeheer en (binnenkort) de Woningwet en de Wet op de Ruimtelijke ordening, dient het college van burgemeester en wethouders een handhavingsbeleid vast te stellen, en zorg te dragen voor een adequate uitvoering. Naar verwachting zal dit per 1 januari 2008 opgenomen worden in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), dit is de wet die ook de omgevingsvergunning regelt.

Voor milieuhandhaving zijn in 2002 specifieke kwaliteitseisen vastgesteld die vervolgens een wettelijke basis hebben kregen. Deze kwaliteitseisen geven duidelijke richtlijnen en zijn als leidraad gebruikt bij de opzet van de handhavingsonderwerpen van deze nota. De kwaliteitseisen zijn opgenomen in bijlage A. Het is de bedoeling dat de kwaliteitseisen voor milieuhandhaving als leidraad gaan dienen voor algemene kwaliteitseisen voor de handhaving. De bedoeling is om dat vast te leggen in een Algemene Maatregel van Bestuur op grond van de Wabo.

Hoofdstuk 1 Uitgangspunten

Paragraaf 1.1 Het belang van vergunningverlening en handhaving

Om het (relatieve) belang van vergunningverlening en handhaving goed te kunnen begrijpen, is het goed om te verduidelijken waar deze instrumenten staan in de taken die de overheid heeft. 

De overheid heeft een groot aantal beleidsdoelen. Deze beleidsdoelen worden door de politiek bepaald. Beleidsdoelen kunnen breed zijn (b.v. het bevorderen van de volksgezondheid) of heel specifiek (b.v. het verbeteren van de verkeersveiligheid op het kruispunt van weg A met weg B).

Om een beleidsdoel te realiseren heeft de overheid diverse instrumenten tot haar beschikking.
De meest gebruikelijke zijn:
communicatie (b.v. voorlichtingscampagnes)
financiering (b.v. subsidieregelingen)
maatregelen (b.v. het treffen van fysieke maatregelen of het beschikbaar stellen van voorzieningen)
regelgeving

Regelgeving is, als instrument om een beleidsdoel te realiseren, alleen zinvol als de regelgeving ook wordt uitgevoerd en nageleefd. Naarmate de regelgeving slechter wordt uitgevoerd en nageleefd, wordt de kans groter dat het beleidsdoel niet wordt gerealiseerd. In onderstaande figuur is de plaats van vergunningverlening en handhaving binnen de taken van de overheid weergegeven.

Figuur 1 ( Zie tabblad Bijlagen)

Medebewindstaken

Het is van belang om ons te realiseren dat de meeste taken van de gemeente voor vergunningverlening en handhaving niet gebaseerd zijn op autonome gemeentelijke regelgeving, maar op regelgeving van de rijksoverheid. Dit worden medebewindstaken genoemd. Deze uitvoerende taken dienen om landelijke vastgestelde beleidsdoelen te kunnen realiseren. Via het gemeentefonds krijgen de gemeenten geld voor het uitvoeren van deze taken.

Omdat niet iedere gemeente hetzelfde is, heeft een gemeente een zekere mate van beleidsvrijheid om bij de uitvoering van medebewindstaken accenten te leggen die afgestemd zijn op de specifieke situatie in de gemeente. 

In de praktijk blijkt dat veel gemeenten de medebewindstaken niet naar behoren uitvoeren, waardoor landelijke doelstellingen niet gerealiseerd worden. De rijksoverheid kijkt steeds kritischer naar het doen en laten van gemeenten, en grijpt met een zekere regelmaat in bij gemeenten die het niet goed doen. Dit betekent dat de gemeente, bij keuzes in de uitvoering van taken, er in ieder geval voor dient te zorgen dat de landelijke regelgeving goed wordt uitgevoerd.

Autonome taken
De gemeente kan ook autonoom regels stellen. Veel van de bepalingen uit de Algemene Plaatselijke Verordening is autonome regelgeving. Hierbij heeft de gemeente een veel grotere vrijheid om (handhavings)doelstellingen te bepalen. Een kritische benadering is dan noodzakelijk. Een afwegingsproces dat leidt tot een keuze om een bepaalde regel niet te handhaven, zou dan opgevolgd moeten worden door de beslissing om de betreffende regel in te trekken.

Paragraaf 1.2 Reikwijdte van de Nota vergunningen en handhaving


Beleidsstandpunt

Deze Nota vergunningen en handhaving richt zich op de regelgeving voor de fysieke leefomgeving. 


Toelichting

In bijlage B wordt een uitgebreid overzicht gegeven van de regelgeving voor de fysieke leefomgeving. Bij de verdere uitwerking van het beleid zullen we de regelgeving opdelen in de vakgebieden Bouwzaken, Milieu, Ruimtelijke Ordening/Groen en Bestuurszaken. Hieronder volgt een globaal overzicht.

Vakgebieden

Omschrijving in hoofdlijnen van de handhavingstaken
Bouwzaken

Woningwet/bouwbesluit/bouwverordening
bouwen
slopen
kwaliteit bestaande woningvoorraad
gebruikvergunningen (brandveiligheid)
Brandveiligheidsverordening (gebruiksvergunning tijdelijke bouwwerken)
Monumentenwet
Wet bodembescherming/Bouwstoffenbesluit (vast vormgegeven bouwmaterialen)
voorkomen van bodemverontreiniging

Milieu

Wet milieubeheer/diverse AMvB&#8217;s
milieuvoorschriften voor inrichtingen
verwijdering van afvalstoffen
lozingen op de riolering
Wet bodembescherming/Bouwstoffenbesluit (grond)/Lozingenbesluit/Ondergrondse tanks
voorkomen van bodemverontreiniging
Ruimtelijke Ordening en Groen

Wet op de ruimtelijke ordening/bestemmingsplannen
bouwbepalingen
gebruiksbepalingen
aanlegvergunningen voor aanplant/kappen van bomen
overige aanlegvergunningen
Wet op de openlucht recreatie
regelgeving voor kampeerterreinen
Algemene plaatselijke verordening
kapverordening

Bestuurszaken

Algemene Plaatselijke Verordening (gedeeltelijk)
Drank- en horecawet
Wet op de kansspelen
Zondagswet

De regelgeving voor de fysieke leefomgeving wordt in hoofdzaak uitgevoerd door de bureaus VRO/OW en POCB.

Naast de regelgeving via het bestuursrecht komt het ook voor dat de gemeente in privaatrechtelijke overeenkomsten afspraken vastlegt die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Het toezicht op de naleving van deze overeenkomsten maakt onderdeel uit van deze nota. Bij niet-naleving volgt een traject via het privaatrecht; dit is niet uitgewerkt in deze nota.
 
De (handhavings)taken van de sector Burgerzaken (met uitzondering van de Wet op de Openlucht Recreatie) en het bureau Financi&#235;n zijn geen onderdeel van deze nota. Bij die onderdelen van de organisatie gaat het bijvoorbeeld over de sociale wetgeving, de leerplichtwet, belastingen en leges. Voor die (handhavings)taken zijn al handhavingsplannen vastgesteld. Er is op dit moment geen aanleiding om een integraal handhavingsbeleid te formuleren voor alle gemeentelijke handhavingstaken. Hiervoor zijn een aantal redenen te noemen:
Er is inhoudelijk weinig samenhang tussen de handhaving van de regelgeving voor de fysieke leefomgeving en de handhavingstaken van de sector Burgerzaken en het bureau Financi&#235;n;
De gebruikelijke handhavingsinstrumenten en ook de mogelijkheden om overtredingen te legaliseren verschillen in belangrijke mate tussen de taakvelden van VRO/OW en POCB enerzijds en de sector Burgerzaken en het bureau Financi&#235;n anderzijds.  

Naast deze begrenzing van deze Nota, is er ook bewust voor gekozen om in dit plan niet in te gaan op handhavingstaken waarvoor de verantwoordelijkheid en/of uitvoering primair of geheel bij de politie en het Openbaar Ministerie liggen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om criminaliteit, agressie en geweld, vandalisme en baldadigheid, overlast, drugsproblematiek, verkeersovertredingen etc. Hiervoor wordt vaak het verzamelbegrip &#8220;openbare orde en veiligheid&#8221; gebruikt. De reden voor deze keuze is dat dit zaken zijn die (vrijwel) uitsluitend door de politie kunnen worden aangepakt.

Voor de werkzaamheden van de politie wordt jaarlijks door de gemeenteraad, na overleg met de politie, een Prioriteitsstelling Politiezorg vastgesteld. Deze Prioriteitsstelling Politiezorg wordt door de politie gebruikt bij het opstellen van het jaarwerkplan. Dat jaarwerkplan wordt vervolgens vastgesteld in het driehoeksoverleg (Bestuur, Openbaar Ministerie, Politie).  

Deze keuze betekent overigens niet dat we in de uitvoering van de handhaving geen integrale projecten kunnen opzetten waarbij, in samenwerking met de politie, ook gehandhaafd wordt op aspecten van openbare orde en veiligheid.

Paragraaf 1.3 Looptijd van de Nota vergunningen en handhaving


Beleidsstandpunt: Looptijd van de Nota vergunningen en handhaving

Het beleid in deze nota wordt voor een periode van vier jaar vastgesteld (1 januari 2007 &#8211; 31 december 2010). Het gaat hier om strategische bestuurlijke keuzes ten aanzien van ambitieniveau, doelstellingen, prioriteiten, strategie en organisatie.


Toelichting

De beleidskaders die zijn vermeld in deze Nota, worden voor een periode van vier jaar (dus tot eind 2010) vastgesteld. Deze beleidskaders zijn richtinggevend voor de jaarlijkse cyclus van programma, uitvoering en verslaglegging.

Er is een samenhang tussen de looptijd van deze Nota en de zittingsperiode van het college van burgemeester en wethouders. De reden hiervoor is dat vergunningverlening en handhaving een bevoegdheid is van het college c.q. de burgemeester, en dat bij beleidskeuzes politieke afwegingen een rol spelen. Voorjaar 2010 vinden gemeenteraadsverkiezingen plaats, waarna een nieuw college wordt benoemd. Het opstellen van een nieuw c.q. herzien beleid wordt dan aangestuurd door het nieuwe college.

Een herziening van beleid kan eerder plaatsvinden als er relevante ontwikkelingen plaatsvinden die een sterke invloed hebben op de uitvoering van dit plan, of waardoor de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de keuzes in deze Nota heroverwogen moeten worden. Aanleiding voor een dergelijke herziening kan o.a. de jaarlijkse evaluatie van het uitvoeringsprogramma zijn.

Paragraaf 1.4 Doelstellingen van de Nota vergunningen en handhaving



Beleidsstandpunt

Beleidsdoelstellingen:
het bevorderen van de rechtsgelijkheid
het minimaliseren van risico&apos;s op nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving
Kwaliteitsdoelstellingen
een programmatische uitvoering
draagvlak onder ambtenaren, bestuurders, burgers en bedrijven
zichtbaarheid
een integrale uitvoering
een goede kwaliteit van de uitvoering
het realiseren van eenduidigheid


Toelichting

Bij de beleidsdoelstelllingen gaat het om datgene wat je met de activiteiten op gebied van vergunningverlening en handhaving wilt bereiken. In hoofdstuk 2 van deze nota worden de beleidsdoelstellingen nader gespecificeerd en vastgelegd.

Bij kwaliteitsdoelstellingen gaat het om de wijze waarop de uitvoering plaatsvindt. In deze nota is dat uitgewerkt in dit hoofdstuk en in hoofdstuk 3 (Strategie) en hoofdstuk 4 (Organisatie en middelen). 

Hieronder willen we een nadere toelichting geven op de kwaliteitsdoelstellingen.

Een programmatische uitvoering
Met deze nota wil de gemeente Grootegast een programmatische aanpak van de taken op het terrein van de fysieke leefomgeving realiseren. In paragraaf 1.5 wordt dit nader uitgewerkt. 

Draagvlak 
Draagvlak onder bestuurders, ambtenaren, burgers en bedrijven bevordert het effect van de uitvoering. Een goede communicatie over het wat, hoe en waarom draagt bij aan het cre&#235;ren van draagvlak.

Zichtbaarheid
Zichtbaar optreden betekent:
aanpakken van overtredingen die tastbaar zijn en /of waar anderen last van hebben. Hierbij kan gedacht worden aan geluidhinder of geurhinder. Dit betekent dat er adequaat moet worden gereageerd op klachten en meldingen
geven van bekendheid aan de resultaten van controles, bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties
de gemeentelijke overheid mag best streng zijn. Juist door te laten zien waar de regels liggen en dat de regels zullen worden gehandhaafd dwingt respect af. Tegelijkertijd draagt dit bij aan naleving
beter uitleggen van regels en overtredingen daarvan aan burgers en bedrijven; het geven van een boete alleen heeft weinig zin bij een overtreding. 

Integraal
Integraal betekent integratie op vier vlakken:
Aanpak: op elk niveau wordt aandacht besteed aan de doelstellingen van deze Nota: bij de vergunningverlening, bij de handhaving, maar ook bij beleidsontwikkeling
Inhoud: er is een samenhangend geheel van doelstellingen, prioriteiten, en strategie&#235;n om naleving van de betrokken wetgeving te bevorderen

Uitvoering: 
- als er meerdere vergunningen nodig zijn voor een project, de procedures en inhoud voor zover mogelijk op elkaar af te stemmen
- bij het toezicht, daar waar dat effectief is en organisatorisch mogelijk, controles waar verschillende toezichthouders bij zijn betrokken, gezamenlijk uit te voeren of voor elkaar een signaalfunctie (oog- en oorfunctie) te vervullen
Terugkoppeling: de ervaringen en resultaten van de uitvoering van vergunningverlening en handhaving worden gebruikt om processen te verbeteren, om de regelgeving te verbeteren, en zijn een belangrijk element bij de evaluatie van algemene beleidsdoelen  

Kwaliteit
Een goede kwaliteit van de uitvoering (en dus van de betrokken medewerkers) is wenselijk om de volgende redenen:
het verkleint de kans op fouten (en fouten kosten vaak geld)
het vergroot de kans dat overtredingen ook gesignaleerd worden
het effect van vergunningverlening en handhaving wordt versterkt als de betrokken medewerkers deskundig en overtuigend overkomen.

Eenduidig
Met eenduidigheid wordt bedoeld dat er in gelijke (vergelijkbare) gevallen op dezelfde wijze wordt opgetreden. Om eenduidigheid te bereiken zijn niet alleen uitvoeringskaders op hoofdlijnen nodig (zoals deze Nota), maar zullen ook draaiboeken en specifieke uitvoeringsprotocollen worden ontwikkeld.

Paragraaf 1.5 Een programmatische aanpak 

Paragraaf 1.5.1 Introductie tot programmatisch werken

Vergunningverlening en handhaving kost geld. Veel geld. Iedere euro die hieraan wordt uitgegeven moet dus zo effectief mogelijk worden besteed. Dit betekent het volgende:
het formuleren van duidelijke, toetsbare doelen
het toepassen van effici&#235;nte en effectieve strategie&#235;n om de doelen te bereiken
het formeren van een effici&#235;nte en deskundige uitvoeringsorganisatie
het monitoren van de kosten en resultaten van de vergunningverlening en handhaving, en zonodig bijstellen van doelen, strategie&#235;n en/of organisatie.

Als op deze wijze gewerkt wordt, is het mogelijk om bij de uitvoering van de taken prioriteiten te zetten. Ook is het mogelijk om de kosten van extra personele inzet af te wegen tegen de kosten van andere methoden om het bovenliggende beleidsdoel te realiseren.

Programmatisch werken

Een methode om dit te bereiken is &#8220;programmatisch werken&#8221;. Om een globaal beeld te krijgen van programmatisch werken, zijn de verschillende elementen van programmatisch werken en hun onderlinge samenhang in de volgende figuur weergegeven.

Figuur 2 ( Zie tabblad Bijlagen)

In de figuur is zichtbaar dat programmatisch werken bestaat uit twee cyclische processen die onderling met elkaar verbonden zijn. Dit zijn een beleidscyclus (links in de figuur) en een uitvoeringscyclus (rechts in de figuur). De uitvoeringscyclus vindt in principe jaarlijks plaats. Voor de evaluatie en eventuele herziening van het beleid kan een langere termijn worden afgesproken.   

Als de programmatische aanpak juist wordt uitgevoerd, moet dit op de langere termijn leiden tot het bereiken van de gewenste doelstellingen. We spreken dan van een adequaat uitvoeringsniveau. Dankzij de jaarlijkse uitvoeringsprogramma&#8217;s, met de bijbehorende menskracht en middelen, zal er dan weinig fluctuatie meer zijn in het naleefgedrag. Op deze wijze krijgen vergunningverlening en handhaving een preventief karakter en wordt voorkomen dat de handhaving zich hoofdzakelijk richt op situaties die al uit de hand zijn gelopen.

Paragraaf 1.5.2 Beleidskaders

In deze nota worden de beleidskaders voor vergunningverlening en handhaving vastgelegd. Hierbij wordt antwoord gegeven op drie vragen: 
1.wat willen we bereiken?
2.hoe willen we dat bereiken?
3.wat is daarvoor nodig?

Wat willen we bereiken?

Het bestuur bepaalt op hoofdlijnen de bestuurlijke doelstellingen en prioriteiten voor vergunningverlening en handhaving. Dit gebeurt aan de hand van drie aspecten die in onderstaande figuur zijn weergegeven.

Figuur 3 ( Zie tabblad Bijlagen)

Een algemene omschrijving van risico&apos;s en effecten. Er is onderzocht wat de gevolgen kunnen zijn als de regelgeving voor de fysieke leefomgeving niet wordt nageleefd. 
De algemene bestuurlijke beleidsdoelstellingen. We hebben globaal  (algemene) beleidsprioriteiten die het bestuur heeft vastgesteld in kaart gebracht die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Vergunningverlening en handhaving kan helpen om de beleidsprioriteiten te realiseren. 
Het bestuurlijk risico. Hoe wordt het bestuur erop aangekeken als negatieve effecten daadwerkelijk optreden als gevolg van niet-naleving van voorschriften en kan de gemeente aansprakelijk worden gesteld. 

De beleidsdoelstellingen zijn vastgelegd in hoofdstuk 2 van deze nota.

Hoe willen we dat bereiken?

In hoofdstuk 3 wordt in hoofdlijnen aangegeven welke &#8220;strategie&#8221; gevoerd zal worden om de beoogde resultaten te bereiken. De strategie is primair gericht op een eenduidige aanpak van vergunningverlening en het voorkomen van overtredingen; voor overtredingen die plaatsvinden wordt vastgelegd hoe ze worden aangepakt. De strategie moet ertoe leiden dat er een maximaal rendement wordt bereikt uit de activiteiten. Aan de strategie worden kwaliteits- en prestatiedoelstellingen gekoppeld (bij voorkeur meetbaar).

Wat is daarvoor nodig?

In hoofdstuk 4 wordt aangegeven welke organisatiestructuur wenselijk is voor de vergunningverlening en handhaving. Verder wordt aangegeven hoeveel financi&#235;le middelen er (globaal) geraamd worden. Deze financi&#235;le middelen kunnen ingezet worden voor personeel en materieel.

Paragraaf 1.5.3 Uitvoeringsprogramma&apos;s

Op basis van deze nota wordt jaarlijks een uitvoeringsprogramma opgesteld. Doelstelling van de uitvoeringsprogramma&apos;s is om, in een periode van vier jaar, de bestuurlijke beleidsdoelstellingen te realiseren.

Probleemanalyse

De bestuurlijke beleidsdoelstellingen zijn op hoofdlijnen geformuleerd. Om tot een concreet uitvoeringsprogramma te komen, is ieder jaar een probleemanalyse wenselijk. Deze probleemanalyse concentreert zich op de handhaving (voor de vergunningverlening zal het programma primair bestaan uit een inschatting van het aantal te voeren procedures). Een probleemanalyse bestaat uit de volgende onderdelen:

Figuur 4 ( Zie tabblad Bijlagen)

De probleemanalyse wordt in de jaarlijkse programma&apos;s als volgt uitgewerkt:
Een overzicht van de regelgeving die gehandhaafd moet worden. Hierbij wordt ook rekening gehouden met nieuwe (komende) regelgeving.
Een omgevingsanalyse. Hierin staat informatie over de gemeente die relevant kan zijn voor de handhavingstaken. Bijvoorbeeld hoeveel bedrijven zijn er, en welke soort bedrijven. Wat wordt er &#8220;gemiddeld&#8221; jaarlijks gebouwd. Wat is het grondgebruik; hoeveel natuur is er; etc.
Een risico-analyse. Hierin wordt een beeld gegeven van de aard en grootte van de risico&#8217;s als regels niet worden nageleefd. De risico-analyse wordt jaarlijks geactualiseerd. Daarbij wordt met name gekeken naar de effecten van geconstateerde overtredingen: komen die effecten overeen met hetgeen op grond van de risico-analyse verwacht werd, of niet. Als de feitelijke effecten afwijken van de risico-inschatting (b.v. bij een bepaald bedrijf treedt een bodemverontreiniging op die veel groter is dan de inschatting die voor de betreffende bedrijfstak is gemaakt), moet onderzocht worden of het een specifiek incident betreft of dat de risico-inschatting bijgesteld moet worden. Een aanpassing van de risico-inschatting kan ertoe leiden, gelet op de bestuurlijke nalevingsdoelstellingen, dat de handhavingsaanpak gewijzigd moet worden.
Het naleefgedrag, uitgespitst per handhavingsthema en doelgroep/activiteit. Ten aanzien van nieuwe wetgeving wordt een inschatting gemaakt van de kansen op overtredingen. Voor bestaande wetgeving is informatie over het feitelijke naleefgedrag, over klachten en over incidenten van belang. Als er te weinig informatie beschikbaar is over het feitelijke naleefgedrag kan ook voor bestaande wetgeving een inschatting gemaakt worden van de kansen op overtredingen.
Een analyse van klachten en incidenten. Hierin wordt aangegeven (voor zover daarvan registratie is bijgehouden) wat regelmatig voorkomende klachten zijn van burgers die te maken hebben met de regelgeving voor de fysieke leefomgeving. 
De verkregen informatie wordt gerelateerd aan de bestuurlijke doelstellingen uit deze Nota: in hoeverre worden de doelstellingen op dit moment al gerealiseerd.  
De inzet voor handhavingstaken, uitgesplitst per handhavingsthema en doelgroep/activiteiten en uitgedrukt in kosten en/of uren, zoals deze in de afgelopen periode zijn geweest.

Landelijke- en provinciale prioriteiten

Op dit moment worden voor de milieuhandhaving op landelijk- en provinciaal niveau jaarlijks specifieke prioriteiten vastgesteld. Gelet op de ontwikkelingen op het terrein van de handhaving kan verwacht worden dat ook voor de andere taakvelden landelijke- en/of provinciale doelstellingen worden vastgesteld. Bij het opstellen van het uitvoeringsprogramma zal rekening gehouden wordt met afspraken en projecten die op landelijk en provinciaal niveau worden ge&#239;nitieerd. Uitgangspunt daarbij is dat Grootegast deze afspraken overneemt c.q. deelneemt aan de projecten, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten. In dat laatste geval wordt in het uitvoeringsprogramma  daarvan melding gemaakt.

Inhoud van het uitvoeringsprogramma

Vergunningverlening
In het programma worden de verschillende soorten vergunningen/procedures onderscheiden. Op basis van ervaringen wordt per soort vergunning/procedure het te verwachten aantal en de daarbij horende ureninzet vermeld.

Handhaving
In het programma wordt per handhavingsonderwerp vastgelegd welke activiteiten er uitgevoerd gaan worden. Een handhavingsonderwerp kan globaal zijn (b.v. controles bouwvergunningen voor woningen) of meer specifiek (b.v. controles vloeistofkerende vloeren in garagebedrijven). 

De handhavingsonderwerpen zullen per jaar verschillen. Dit heeft verschillende oorzaken, onder andere: 
voor sommige handhavingsonderwerpen is het niet nodig jaarlijks te controleren; 
uit algemene controles kan blijken dat op een bepaald onderdeel relatief veel overtredingen worden gepleegd; dat kan aanleiding zijn dat onderdeel als specifiek handhavingsonderwerp in het programma op te nemen;
provinciale- of landelijke afspraken kunnen aanleiding zijn om specifieke handhavingsonderwerpen in een bepaald jaar op te nemen;
naar aanleiding van klachten en meldingen kan besloten worden een specifiek handhavingsonderwerp in het programma op te nemen. 

Een van de elementen die een rol speelt bij de voorbereiding van het programma is de wijze waarop in de afgelopen periode (per handhavingsonderwerp) de handhaving is aangepakt. 
In de volgende figuur wordt dit in meer detail uitgewerkt wordt meer in detail uitgewerkt hoe de handhavingsinspanning (per handhavingsonderwerp) voor de komende periode wordt bepaald. Voor ieder handhavingsonderwerp wordt op grond van deze figuur bepaald wat er in de komende periode moet gebeuren. Dit wordt door middel van een prestatiedoelstelling (zie verderop) vastgelegd in het handhavingsprogramma.

Handhavingsonderwerp: XXX
Handhavings-doelstelling 
Handhavingsinspanning voor de komende periode

Hoog
Gelijk of meer
Meer 
Veel meer

Gemiddeld

Minder
Gelijk
Meer

Laag
Veel minder
Minder
Gelijk


Weinig
Gemiddeld
Veel
Overtredingen in de afgelopen periode

Bij deze figuur moeten de volgende nuanceringen worden geplaatst:
1.Met (veel) meer handhavingsinzet wordt bedoeld dat de handhaving moet leiden tot een (aanzienlijke) verbetering van het naleefgedrag (= vermindering van het aantal overtredingen). Dit hoeft niet noodzakelijkerwijs veel meer geld te kosten. Het is steeds opnieuw nodig om een goede strategie te bepalen. Dit geldt ook voor onderwerpen waarvoor de handhavingsinzet gelijk kan blijven of mag afnemen. Om een goede strategie te bepalen kan de analyse methodiek van de Tafel van elf (zie paragraaf 3.1) worden toegepast.
2.Voor onderwerpen waarvoor minder handhavingsinzet mogelijk is, moet wel een bepaalde basisinspanning overblijven als je zicht wil blijven houden op het naleefgedrag.

Afhankelijk van het handhavingsonderwerp kan het programma zich beperken tot het vermelden van het aantal controles, maar het is ook mogelijk meer activiteiten te benoemen. We noemen dit prestatiedoelstellingen. Vooralsnog zullen in de programma&#8217;s geen &#8220;resultaatdoelstellingen&#8221; worden vastgelegd (b.v. een concrete toename van het naleefgedrag als gevolg van de handhavingsinspanningen van een bepaald jaar)

Aanpak achterstanden
Het is bekend dat binnen de gemeente Grootegast op diverse terreinen er achterstand is in de handhaving, waardoor illegale situaties en overtredingen zijn ontstaan. In paragraaf 2.6 is vastgelegd dat de aanpak van achterstanden jaarlijks een vertaling krijgt in het uitvoeringsprogramma. 

Handhavingsstrategie&#235;n
Als daartoe aanleiding is kan voor een bepaald handhavingsonderwerp worden vastgelegd dat er een specifieke handhavingsstrategie zal worden ontwikkeld en uitgevoerd. Een handhavingsstrategie is een combinatie van preventie-, toezichts- en sanctie-activiteiten (zie de paragrafen 3.2 tot en met 3.6). Bij het bepalen van de meest effectieve combinatie kan de analyse-methode van de Tafel van elf (zie paragraaf 3.1) worden toegepast. Zo&#8217;n strategie kan nader worden uitgewerkt in een gedetailleerd draaiboek. 

Bij het opstellen van een specifieke handhavingsstrategie zal ook de methode voor risico-analyse gebruikt worden (in samenhang met de bestuurlijke doelstellingen) om te bepalen welke prioriteiten gesteld worden. Daarbij wordt dan een verfijning gebruikt, bijvoorbeeld door de analyse toe te passen op aparte (groepen van) voorschriften, of door de doelgroep nader uit te splitsen.

Exploitatiebegroting
Aan het uitvoeringsprogramma wordt een exploitatiebegroting toegevoegd. Hierin wordt verantwoord ten laste van welke posten van de gemeentebegroting de personele kosten en andere kosten van de vergunningverlening en van de handhaving worden gebracht. Om een goede kostenraming mogelijk te maken zal in het programma ook geplande ureninzet per onderwerp worden vermeld. 

Paragraaf 1.5.4 Uitvoeringskaders

Voor de uitvoering van de vergunningverlening en de handhaving kunnen specifieke uitvoeringskaders worden vastgelegd. Uitvoeringskaders vallen in drie hoofdgroepen uiteen:
1.Draaiboeken, richtlijnen en protocollen die een uitwerking zijn van de strategie die in hoofdlijnen in deze Nota is vastgelegd.
2.Draaiboeken die opgesteld worden in het kader van de handhaving voor specifieke projecten of doelgroepen.
3.Overige richtlijnen en protocollen die wenselijk zijn voor een goede uitvoering van de taken.
De belangrijkste doelstelling van uitvoeringskaders is het bevorderen van de kwaliteit van de uitvoering.

Paragraaf 1.5.5 Monitoring, voortgangsbewaking en  verslaglegging

Monitoring 

Om voortgangsrapportages en een verslag op te kunnen stellen is het noodzakelijk van diverse zaken een goede registratie bij te houden. 
Minimale elementen voor de monitoring van vergunningen en procedures zijn:
het aantal procedures (per soort vergunning) dat is gevoerd
de gemiddelde doorlooptijd per soort vergunning
het aantal termijnoverschrijdingen per soort vergunning
een urenregistratie per soort vergunning

Minimale elementen voor de monitoring van de handhaving zijn:
het aantal uitgevoerde controles per handhavingsonderwerp (met onderscheid tussen &#8220;eerste controles&#8221; en &#8220;hercontroles naar aanleiding van geconstateerde overtredingen&#8221;)
het aantal geconstateerde overtredingen per handhavingsonderwerp (uitgesplitst per handhavingsthema)
het aantal sanctiebeschikkingen (zie paragraaf 3.6) per handhavingsonderwerp (uitgesplitst per handhavingsthema)
het aantal ge&#235;ffectueerde sanctiebeschikkingen per handhavingsonderwerp (uitgesplitst per handhavingsthema)
het aantal klachten/meldingen per handhavingsonderwerp (uitgesplitst per handhavingsthema)
monitoring van gegevens op grond van landelijke of provinciale afspraken.
het aantal verleende vergunningen en ontheffingen (uitgesplitst per handhavingsonderwerp)
een urenregistratie per handhavingsonderwerp 

Ontwikkeling kengetallen

Op dit moment kan geen goede inschatting worden gemaakt van de formatie-omvang die nodig is om het gewenste ambitieniveau voor de vergunningverlening en handhaving te kunnen realiseren. Daarom is het nodig kengetallen te ontwikkelen die een goede indicatie geven hoeveel tijd die de verschillende soorten controles kosten. Een goede urenregistratie is daarom een belangrijk onderdeel van het monitoringssysteem. Hiermee is in de afgelopen periode een begin gemaakt.

Met de ontwikkelde kengetallen is het dan bijvoorbeeld mogelijk een re&#235;le inschatting te maken hoeveel formatie extra er nodig is om het aantal controles uit te breiden (als het naleefgedrag achter blijft bij de doelstellingen); andersom kan bepaald worden hoeveel formatie er minder nodig is als het aantal controles verminderd kan worden. 

Kengetallen maken een meer realistische programmering mogelijk: bij een gegeven omvang van de formatie kan dan beter worden ingeschat hoeveel controles er ingepland kunnen worden en hoeveel vergunningen verleend kunnen worden

Voortgangsrapportages

Door diverse oorzaken kan het gebeuren dat de uitvoering van het programma achter gaat lopen bij de planning. De twee belangrijkste oorzaken zijn:
bij de uitvoering blijkt meer tijd nodig te zijn dan in het programma is gepland
door ziekte of vertrek van personeel zijn minder uren beschikbaar dan gepland
Daarnaast kunnen er in de loop van het programmajaar ontwikkelingen zijn (verandering wetgeving, nieuwe bedrijvigheid, meer bouwactiviteiten etc) die niet waren voorzien.

Om tijdig maatregelen te kunnen nemen, in de vorm van (inhuur van) extra menskracht of aanpassing van programma, is het wenselijk om voortgangsrapportages op te stellen. Als uit een voortgangsrapportage blijkt dat er een gerede kans is dat de planning niet wordt gehaald, beslist het college van burgemeester en wethouders over de te nemen maatregelen. 

Een voortgangsrapportage wordt iedere drie of vier maanden opgesteld.

Verslaglegging

Een  programmatische aanpak is niet compleet zonder verslaglegging. De verslaglegging dient in hoofdlijnen drie doelen:
1.een prestatieverslag: wat is er uitgevoerd, en hoe verhoudt zich dat tot de planning in het programma. Er wordt een toelichting gegeven op eventuele afwijkingen tussen planning en realisatie. Verder omvat het prestatieverslag een overzicht van termijnoverschrijdingen (bij vergunningprocedures), geconstateerde overtredingen en opgelegde sancties.
2.een verbeterverslag: wat kan er, gelet op de ervaringen in het programmajaar, verbeterd worden aan de vergunningverlening en handhaving. Hierbij worden zonodig ook eventuele maatregelen vermeld om in de toekomst afwijkingen tussen planning en realisatie te verminderen. Verder kan er ook aandacht geschonken worden aan voorzienbare ontwikkelingen in de toekomst.
3.een effectverslag: wat kan er gezegd worden over de effecten van de handhaving. Hierbij gaat het met name over gegevens over het naleefgedrag.

Hoofdstuk 2  Doelstellingen

Paragraaf 2.1. Inleiding

Algemeen

Het is onmogelijk een naleving van 100% van alle regels te realiseren. Zo&#8217;n doelstelling zou leiden tot onbetaalbare kosten. Het beleid is daarom gericht op het bereiken van een zo hoog mogelijk nalevingsniveau tegen aanvaardbare kosten. 

Door de (algemene) doelstelling zo te formuleren kan de indruk ontstaan dat overtredingen worden gedoogd. Dit is zeker niet het geval. Een (bijna vanzelfsprekend) uitgangspunt van handhaving is dat geconstateerde overtredingen worden aangepakt. Als we het hebben over een &#8220;acceptabel&#8221; aantal overtredingen, bedoelen we het maximale aantal overtredingen dat we bij controles willen tegenkomen.

Naleving van regels betekent zowel het beschikken over de vereiste vergunningen of ontheffingen, als het naleven van voorschriften die verbonden zijn aan deze vergunningen of ontheffingen en het naleven van voorschriften die rechtstreekse werking hebben.

Bij het vaststellen van het gewenste nalevingsniveau kan er een differentiatie plaatsvinden: voor sommige regelgeving en voorschriften kunnen op basis van een risico-afweging en/of bestuurlijke overwegingen hogere nalevingsdoelen worden gesteld dan voor andere regels.

In de eerste handhavingsnota waren de nalevingsdoelstellingen globaal geformuleerd. In deze Nota worden de doelstellingen meer concreet vastgelegd.

Opbouw van dit hoofdstuk

In paragraaf 2.2 wordt in hoofdlijnen het ambitieniveau van deze Nota vastgelegd.
In paragraaf 2.3 komen de bestuurlijke afwegingen aan bod die relevant zijn voor het vastleggen van de specifieke doelstellingen
In paragraaf 2.4 worden de doelstellingen vastgelegd die verband houden met de rechtsgelijkheid
In paragraaf 2.5 worden doelstellingen vastgelegd, gericht op het beperken van risico&apos;s
In paragraaf 2.6 worden de uitgangspunten vastgelegd die van belang zijn voor de aanpak van illegale situaties die in het verleden zijn ontstaan.

Paragraaf 2.2 Ambitieniveau


Beleidsstandpunt

1.De gemeente Grootegast streeft naar een zo hoog mogelijk nalevingsniveau tegen aanvaardbare kosten.
2.De uitvoering van de regelgeving richt zich op het realiseren van rechtsgelijkheid, waaronder het tegengaan van handelingen zonder vereiste vergunning en het tegengaan van financieel voordeel door niet-naleving.
3.De uitvoering van de regelgeving richt zich op het beperken c.q. voorkomen van nadelige gevolgen voor mens, milieu en omgeving.
4.Geconstateerde overtredingen worden aangepakt.
5.Er komt een specifieke aanpak voor langdurig bestaande illegale situaties.

Toelichting

Het eerste punt geeft aan dat er (financi&#235;le) grenzen zijn aan de handhavingsinspanning die de gemeente kan en wil leveren. Binnen die kaders moet de inzet gericht zijn op een maximaal resultaat (effectief en effici&#235;nt).  

Rechtsgelijkheid (het tweede punt) is van belang om in de gaten te houden, omdat ook met een goed handhavingsbeleid een 100% naleving van voorschriften niet is te realiseren. Hierdoor kan rechtsongelijkheid ontstaan, bijvoorbeeld als het gaat om voorschriften die relatief veel geld kosten om na te leven. Ook het starten van activiteiten zonder vereiste vergunning kan leiden tot (financieel) voordeel. De bestuurlijke doelstellingen inzake rechtsgelijkheid zijn opgenomen in paragraaf 2.4

Met name bij voorschriften waarvoor, gelet op de feitelijke risico&apos;s, lage nalevingsdoelstellingen worden vastgelegd, is het van belang om te controleren in hoeverre dat kan leiden tot rechtsongelijkheid. Als er een groot risico is op rechtsongelijk, zal voor het desbetreffende voorschrift een hogere nalevingsdoelstelling worden vastgelegd.   

De bestuurlijke doelstellingen inzake het beperken c.q. voorkomen van nadelige gevolgen, zijn opgenomen in paragraaf 2.5. Hierin zijn gedifferentieerde nalevingsdoelstellingen vastgelegd op basis van handhavingsthema&#8217;s. 

Het aanpakken van een overtreding (het vierde punt) kan in hoofdlijnen drie dingen betekenen:
1.het be&#235;indigen van een overtreding (b.v. door het laten stoppen van de illegale activiteit of door maatregelen te laten nemen om te voldoen aan een voorschrift)
2.het legaliseren van een overtreding (b.v. door alsnog een vergunning te verlenen of een voorschrift te wijzigen c.q. in te trekken)
3.andere maatregelen (vari&#235;rend van b.v. strafrechtelijk optreden als een overtreding niet meer ongedaan gemaakt kan worden tot eventueel (tijdelijk) gedogen van een overtreding). 
Het beleid voor de aanpak van overtredingen wordt in hoofdstuk 3 vastgelegd. 

Tot slot is een specifieke aanpak voor langdurig bestaande illegale situaties wenselijk. Naar verwachting zal een intensivering van de handhaving een aanzienlijk aantal van dergelijke situaties aan het licht brengen. Het is niet realistisch te veronderstellen dat al die situaties in een kort tijdbestek opgelost zullen worden. In de paragrafen 2.6 wordt nader ingegaan op de aanpak van deze situaties.

Paragraaf 2.3 Bestuurlijke afwegingen

In paragraaf 1.5.2 is al aangegeven welke aspecten voor het bestuur van belang zijn om tot beleidsdoelstellingen te komen. Het gaat om de volgende aspecten:

Figuur 5 ( Zie tabblad Bijlagen)

Een algemene omschrijving van risico&apos;s en effecten. Er is onderzocht wat de gevolgen kunnen zijn als de regelgeving voor de fysieke leefomgeving niet wordt nageleefd. 
De algemene bestuurlijke beleidsdoelstellingen. We hebben globaal  (algemene) beleidsprioriteiten die het bestuur heeft vastgesteld in kaart gebracht die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Vergunningverlening en handhaving kan helpen om de beleidsprioriteiten te realiseren. 
Het bestuurlijk risico. Hoe wordt het bestuur erop aangekeken als negatieve effecten daadwerkelijk optreden als gevolg van niet-naleving van voorschriften en kan de gemeente aansprakelijk worden gesteld. 

Deze aspecten worden in deze paragraaf nader uitgewerkt.

Paragraaf 2.3.1 Omschrijving van risico&apos;s en effecten

Inleiding

In paragraaf 1.1 hebben we uiteengezet dat de overheid regels stelt om bepaalde beleidsdoelstellingen te realiseren. Dit beleidsplan richt zich op de regelgeving voor de fysieke leefomgeving. Zonder helemaal volledig te zijn, kunnen we stellen dat deze regelgeving zich in hoofdzaak erop richt om de risico&#8217;s te verkleinen ten aanzien van de volgende zaken (in alfabetische volgorde):

duurzaamheid
functionaliteit
fysieke veiligheid
gezondheid
hinder
historische waarden
kwaliteit van de omgeving
natuur

We noemen dit handhavingsthema&#8217;s. In het volgende onderdeel van deze paragraaf wordt een nadere omschrijving gegeven van deze handhavingsthema&#8217;s. 

Naarmate het naleefgedrag hoger is, wordt het risico kleiner dat er daadwerkelijk calamiteiten/nadelige effecten optreden. De gemeente kan door middel van handhaving in ruime zin (zie paragraaf 3.1) een hoog/hoger naleefgedrag bevorderen. Het is echter, gelet op de beschikbare middelen, niet mogelijk om voor alle zaken een zeer hoog naleefgedrag te realiseren. Er zullen bestuurlijke keuzes gemaakt moeten worden. De hoofdlijnen van die keuzes worden in dit hoofdstuk vastgelegd. De bestuurlijke keuzes zijn richtinggevend voor het opstellen van een jaarlijks uitvoeringsprogramma (zie paragraaf 1.5: programmatisch handhaven).

Toelichting handhavingsthema&#8217;s

In onderstaande tabellen worden de handhavingsthema&#8217;s nader toegelicht. Per vakgebied is indicatief aangegeven welke bepalingen te maken hebben met het betreffende thema. Als een bepaald vakgebied weinig of geen voorschriften heeft voor het betreffende thema is dat met &#8220;PM&#8221; aangegeven.

Figuur 6 ( Zie tabblad Bijlagen)


Figuur 7( Zie tabblad Bijlagen)


Figuur 8 ( Zie tabblad Bijlagen)


Figuur 9 ( Zie tabblad Bijlagen)

Effecten bij niet-naleving van voorschriften

Als regels niet worden nageleefd kunnen daardoor negatieve effecten ontstaan. Niet elke overtreding leidt tot evenveel (potenti&#235;le) schade. We zullen vijf niveaus van potenti&#235;le schade onderscheiden. Omdat de aard van de schade verschilt per handhavingsthema, zullen we de vijf niveaus per thema omschrijven. Iedere omschrijving heeft ook een unieke code gekregen. Dit heeft geleid tot onderstaande tabel.

Figuur 10 ( Zie tabblad Bijlagen)


Uit de tabel blijkt dat je kunt discussi&#235;ren over de vraag of de grootst mogelijke schade bij het thema fysieke veiligheid niet als ernstiger moet worden aangemerkt dan de grootst mogelijke schade bij het thema hinder. Dit is een aspect dat het bestuur laat meewegen bij het vaststellen van de nalevingsdoelstellingen. 

Paragraaf 2.3.2 Algemene bestuurlijke beleidsdoelstellingen

Het bestuur heeft doelstellingen en prioriteiten vastgelegd in andere beleidsnota&#8217;s die verband houden met een of meerdere van de handhavingsthema&#8217;s. Een hoog nalevingsniveau ondersteunt het realiseren van de beleidsprioriteiten.

In de meeste beleidsdocumenten van de gemeente wordt tot dusver weinig tot geen aandacht besteed aan de wijze waarop vergunningverlening en handhaving van belang kan zijn om de beleidsdoelstellingen te ondersteunen. Als het realiseren van bepaalde beleidsdoelstellingen in belangrijke mate afhangt van een hoog nalevingsniveau, zal dat in het beleidsdocument moeten worden aangegeven. Als het gewenste nalevingsniveau hoger is dan de geldende bestuurlijke handhavingsdoelstellingen, zou dit betekenen dat voor de uitvoering van de betreffende beleidsnota ook extra handhavingsformatie wenselijk is. Dit moet dan in het beleidsdocument worden aangegeven.

Ook bij evaluatie van beleid kan meer aandacht besteed worden aan de rol die vergunningverlening en handhaving hebben gespeeld bij het beleid en (indien bekend en relevant) het nalevingsniveau van de regelgeving die met het beleid te maken heeft.

Om de programmatische aanpak die we nastreven te ondersteunen, is het gewenst dat er in relevante beleidsdocumenten een handhavingsparagraaf wordt opgenomen; ook bij de evaluatie van beleid zal het aspect handhaving nadrukkelijk aan de orde moeten komen.

In onderstaande tabel zijn de meest relevante gemeente beleidsdoelstellingen weergegeven zoals die op dit moment gelden voor de acht handhavingsthema&#8217;s.

Figuur 11 ( Zie tabblad Bijlagen)

Paragraaf 2.3.3 Bestuurlijk risico

Als de nadelige effecten daadwerkelijk optreden, wat is dan het effect op het bestuurlijk imago en/of kan de gemeente aansprakelijk gesteld worden. Het volledig voorkomen van nadelige effecten is niet mogelijk. Bestuurlijk risico wordt daarom in belangrijke mate bepaald door de vraag of het bestuur op een goede wijze invulling heeft gegeven aan zijn handhavingstaak. 

Het eerste aspect dat we willen noemen, is het toezicht van andere overheidsinstanties (met name provincie, VROM-inspectie en Openbaar Ministerie) op de handhavingsactiviteiten van de gemeente. Hoewel de gemeente een zekere mate van beleidsvrijheid heeft om prioriteiten te stellen, mag de beleidsvrijheid er niet toe leiden dat op belangrijke onderdelen van de regelgeving niet of nauwelijks wordt gehandhaaafd. Als een van deze instanties van oordeel is dat de gemeente op bepaalde aspecten onvoldoende handhaaft, kan men de gemeente daarop aanspreken; zonodig kan men eigen bevoegdheden gebruiken om op te treden (tegen overtreders, of tegen de gemeente).

Het tweede aspect betreft financi&#235;le aansprakelijkheid van de gemeente als er, door niet naleving van voorschriften, daadwerkelijk materi&#235;le of immateri&#235;le schade ontstaat. Er kan aansprakelijkheid ontstaan als de gemeente haar taken op het gebied van preventief toezicht verwaarloost, of als de gemeente niet adequaat reageert op een melding/handhavingverzoek van een risicovolle situatie. Dit levert vooral  (financi&#235;le) risico&#8217;s op bij de thema&#8217;s Fysieke veiligheid, Gezondheid en Natuur omdat bij die thema&#8217;s de schades (in geld) erg hoog kunnen zijn.

Een ander financieel element betreft de kosten die de gemeente moet maken vanuit haar taak als overheid als zich bepaalde incidenten hebben voorgedaan. Niet altijd is er een verzekering die de schade dekt of kan er iemand aansprakelijk worden gesteld. In bepaalde gevallen kan het noodzakelijk zijn dat de overheid de schade herstelt. Ook hier geldt dat voor de gemeente de grootste risico&#8217;s zich voordoen bij de thema&#8217;s Fysieke veiligheid, Gezondheid en Natuur.

Het derde aspect dat van belang is voor het bestuurlijk risico, is de reactie van de bevolking als zich calamiteiten en incidenten voordoen. Fysieke veiligheid en Gezondheid zijn de thema&#8217;s die hierbij het grootste bestuurlijke risico vormen. Hinder is een aspect dat direct merkbaar is, en waarvan verwacht wordt dat de overheid adequaat optreed. Ook aantasting van de kwaliteit van de omgeving kan erg zichtbaar zijn, en dus tot reacties leiden. 

Paragraaf 2.4 Doelstellingen inzake rechtsgelijkheid


Beleidsstandpunt

1.Activiteiten vinden plaats met noodzakelijke vergunning/ontheffing. Het aantal illegale activiteiten daalt tot minder dan 5%.
2.Met activiteiten wordt niet gestart voordat een noodzakelijke vergunning/ontheffing van kracht is
3.Overtredingen die tot financieel voordeel leiden hebben hoge prioriteit, ook indien de risico&apos;s/negatieve effecten beperkt zijn
4.De gemeente is transparant over de wijze waarop toetsing van vergunningaanvragen plaatsvindt.
5.Vergunningen worden afgegeven binnen de wettelijke termijnen


Een van de belangrijke doelstellingen bij vergunningverlening en handhaving is rechtsgelijkheid. De burger moet erop kunnen vertrouwen dat de regels die voor hem gelden, in gelijke mate ook voor anderen gelden. 

Dit betekent dat doelstellingen die alleen bepaald worden door risico&apos;s en effecten (zie paragraaf 2.5) niet voldoende zijn. Zaken als naleving van de vergunningplicht en tegengaan van financi&#235;le voordelen zijn evenzo van belang.

Daar staat tegenover dat de burger ook van de overheid mag eisen dat deze de wetten goed uitvoert. Dan gaat het o.a. om het voeren van procedures conform de wettelijke voorschriften en termijnen. Ook moet de burger inzicht kunnen krijgen in de wijze waarop de overheid vergunningaanvragen beoordeelt en afweegt. Die kan vastgelegd worden in de overwegingen die ten grondslag liggen aan een specifieke vergunning, maar ook is het mogelijk de toetsing van aanvragen vast te leggen in beleidsregels.

Paragraaf 2.5 Doelstellingen inzake het beperken en voorkomen van nadelige gevolgen

Op basis van de informatie uit paragraaf 2.3 heeft het bestuur een beslissing genomen over de nalevingsdoelstellingen voor de acht handhavingsthema&apos;s.

Hierbij wordt opgemerkt wordt dat het stellen van nalevingsdoelstellingen een bestuurlijke keuze is, die wel gemotiveerd kan worden maar niet objectief is: een ander bestuur kan op grond van dezelfde gegevens komen tot een andere beslissing.

Het bestuur heeft eerst een &#8220;prioriteitsvolgorde&#8221; bepaald voor de acht handhavingsthema&#8217;s. Dat heeft geresulteerd in de volgende volgorde:
1.Fysieke Veiligheid, Gezondheid
2.Natuur, Kwaliteit van de omgeving, Hinder
3.Functionaliteit
4.Historische waarden, Duurzaamheid

Fysieke Veiligheid en Gezondheid hebben de hoogste prioriteit gekregen, vanwege de aard van de gevolgen die zich kunnen voordoen bij overtreding van voorschriften. De burgers verwachten dat de overheid met name op deze aspecten een hoge bescherming garandeert. 

Het belang van de thema&#8217;s Natuur, Kwaliteit en Hinder is vooral gestoeld op de doelstellingen die de gemeente heeft vastgelegd in de nota &#8220;De koers verlegd&#8221;. Het zijn ook aspecten die zichtbaar/merkbaar zijn voor de burgers.

In het buitengebied doen zich grote veranderingen voor; in dat proces is het van belang het thema Functionaliteit voldoende te handhaven.

Voor de thema&#8217;s Historische waarden en Duurzaamheid zijn er geen bijzondere aspecten die leiden tot een hoger/hoog ambitieniveau.

Deze prioriteitsvolgorde moet vertaald worden naar nalevingsdoelstellingen. Naarmate de prioriteit hoger ligt, zijn de nalevingsdoelstellingen hoger. Met een hoog nalevingsniveau wil je bereiken dat de potenti&#235;le schade (vrijwel) nooit optreedt; een gemiddeld nalevingsniveau kan ertoe leiden dat de potenti&#235;le schade af en toe optreedt; bij een relatief laag nalevingsniveau kan de potenti&#235;le schade vaker optreden.

Hierbij geldt dat het bestuur slechts binnen bepaalde marges het ambitieniveau voor de nalevingsdoelstellingen kan vaststellen. Het merendeel van de handhaving is immers een medebewindstaak, waarover het bestuur verantwoording dient af te leggen aan hogere overheden. In de uitwerking van de bestuurlijke prioriteitsvolgorde, worden de nalevingsdoelstellingen gekoppeld aan de potenti&#235;le schades die zijn omschreven in de tabel in paragraaf 2.3.1. Het hoogste ambitieniveau dat dan mogelijk is, en het laagste ambitieniveau dat in bestuurlijk opzicht nog acceptabel zou kunnen zijn, zien er dan respectievelijk als volgt uit:

Figuur 12 ( Zie tabblad Bijlagen)

De keuze van de nalevingsdoelstellingen op basis van de bestuurlijke prioriteitsvolgorde van het bestuur, heeft plaatsgevonden binnen deze marges. Dit heeft geresulteerd in de &quot;doelstellingentabel&quot; op de volgende pagina.

In de eerste handhavingsnota werden geen concrete doelstellingen genoemd. In deze nota worden (gelet op de ervaringen in de handhaving tot dusver) de doelstellingen gekoppeld aan concrete streefpercentages:
een hoog nalevingsniveau:		minimaal 95% naleving
een gemiddeld nalevingsniveau:		minimaal 85% naleving
een laag nalevingsniveau:		minimaal 70% naleving

Met xx% naleving wordt bedoeld: in een groep van vergelijkbare gevallen blijkt bij een reguliere controle dat het betreffende voorschrift door minimaal xx% van die groep nageleefd

De ondergrens voor een laag nalevingsniveau is 70%. Zou er een lagere nalevingsdoelstelling worden vastgelegd, dan kan bij burgers en bedrijven de indruk ontstaat dat de betreffende overtredingen gedoogd worden.

Door op deze wijze de nalevingsdoelstellingen vast te stellen, is er voldoende grondslag om een uitvoeringsprogramma op te stellen (zie paragraaf 1.5). Door de keuze van de thema&#8217;s en van de risiconiveaus is het zelfs mogelijk de handhavingsinzet tot op voorschriftniveau aan te sturen (bijvoorbeeld in specifieke draaiboeken). Voor ieder voorschrift kan namelijk bepaald worden wat het achterliggende doel van het voorschrift is (&#8220;handhavingsthema&#8221;) en wat het risico is bij niet naleving. Vervolgens kan aan de hand van de bestuurlijke doelstellingen vastgesteld worden hoe belangrijk handhaving van dat voorschrift is.   

Figuur 13 ( Zie tabblad Bijlagen)

Paragraaf 2.6 Lang bestaande illegale situaties

De doelstellingen die zijn vastgelegd in de paragrafen 2.4 en 2.5 zijn ook richtinggevend voor de aanpak van al lang bestaande illegale situaties. 

Uitgangspunt is dat eerst illegale situaties worden aangepakt die kunnen leiden tot negatieve effecten waarvoor het bestuur een hoog nalevingsniveau nastreeft. Vervolgens zaken waarbij negatieve effecten kunnen spelen en een gemiddeld nalevingsniveau geldt. Laagste prioriteit hebben zaken die alleen potentieel negatieve effecten hebben voor aspecten waarbij een lage nalevingsdoelstelling geldt. 

Als een overtreder een aanmerkelijk (financieel) belang heeft bij het voortduren van de illegale situatie kan dit leiden tot een hoge(re) prioriteit, in situaties waarin de feitelijke risico&apos;s en gevolgen gering zijn.

In de jaarlijkse uitvoeringsprogramma&apos;s kan nader worden aangegeven welke zaken de gemeente in dat programmajaar wil aanpakken.

Hoofdstuk 3 Strategie

Paragraaf 3.1 Inleiding

Algemeen

Om de doelstellingen uit hoofdstuk 2 te kunnen realiseren, worden in dit hoofdstuk werkwijzen voor vergunningverlening en handhaving vastgelegd.

Bij vergunningverlening gaat het met name om prioriteiten bij het toetsen van (elementen uit) vergunningaanvragen, het correct voeren van procedures en afstemming tussen verschillende procedures.

Handhaving moet effici&#235;nt en effectief zijn. Daarom is het van belang inzicht te hebben in de factoren die een rol spelen bij burgers en bedrijven om zich al dan niet aan de regels te houden. Het  Ministerie van Justitie onderscheidt 11 &#8220;gedragswetenschappelijke variabelen&#8221; die het nalevingsgedrag be&#239;nvloeden: de zogenaamde Tafel van elf. De strategie die is opgenomen in dit hoofdstuk omvat diverse elementen die, gelet op de Tafel van elf,  kunnen bijdragen aan het terugdringen van het aantal overtredingen.

De 11 factoren die een rol spelen, kunnen onderverdeeld worden in drie groepen:
1.Aspecten die van belang zijn voor spontane naleving:
a.kennis van de regel
b.kosten/baten afweging (voor- en nadelen van naleven of overtreden van de regel)
c.de mate waarin de regel geaccepteerd wordt (hierbij speelt ook de duidelijkheid van de regel en de technische- en financi&#235;le uitvoerbaarheid een rol) 
d.de normgetrouwheid van de doelgroep waarvoor een bepaalde regel geldt
e.informele controle (bijvoorbeeld sociale controle van de omgeving)
2.Aspecten die betrekking hebben op het toezicht dat de overheid uitvoert:
a.de informele meldingskans (de kans dat een informeel geconstateerde overtreding gemeld wordt aan de overheid is groter als de overheid goed bereikbaar is voor dergelijke meldingen en daar adequaat op reageert)
b.de controlekans (hoe vaak controleert de overheid)
c.de detectiekans (de kans dat een overtreding tijdens een controle wordt geconstateerd)
d.selectiviteit (geef een overtreder het idee dat hij vaker gecontroleerd wordt dan iemand die de regel naleeft)
3.Aspecten die betrekking hebben op sancties 
a.de sanctiekans (hoe vaak leidt een overtreding tot een sanctie)
b.de sanctie-ernst 
In bijlage C is een uitgebreide toelichting opgenomen over de Tafel van elf. 

Opbouw van dit hoofdstuk

In paragraaf 3.2 (Voorlichting) wordt uiteengezet op welke wijze voorlichtingsinstrumenten ingezet gaan worden.

Paragraaf 3.3 (Handhaafbare regelgeving) gaat in op de noodzaak om vooraf de uitvoerbaarheid en controleerbaarheid van voorgenomen regels en voorschriften te toetsen.

In paragraaf 3.4 (Vergunningen) wordt voor de vergunningverlening een nadere uitwerking  gegeven van de doelstellingen en prioriteiten die zijn bepaald in hoofdstuk 2

In paragraaf 3.5 (Toezicht) gaat het over de wijze waarop de gemeente Grootegast het toezicht (de controles) wil gaan uitvoeren.

In paragraaf 3.6 (Sancties) wordt uiteengezet welk beleid Grootegast gaat voeren ten aanzien van geconstateerde overtredingen. 

In paragraaf 3.7 (Grenzen aan de handhaving) wordt ingegaan op het feit dat handhaving niet altijd mogelijk of wenselijk is. Hierbij gaat het o.a. om de beperkte hoeveelheid menskracht en middelen, waardoor keuzes gemaakt moeten worden. Daarnaast speelt het aspect &#8220;gedogen&#8221; een rol in bepaalde specifieke situaties.

In paragraaf 3.8 (Handhaving bij activiteiten van de gemeente en andere overheden) wordt specifiek vastgelegd hoe de gemeente zal optreden bij overtreding van regelgeving door de gemeentelijke organisatie, door derden die in opdracht van de gemeente werken, en door andere overheden.

Paragraaf 3.2 Voorlichting

Voorlichting kan een belangrijk instrument zijn bij het realiseren van de nalevingsdoelstellingen. Hierbij gaat het zowel om voorlichting naar de specifieke doelgroep voor wie de betreffende regels gelden, als algemene voorlichting over de (handhavings)activiteiten van de gemeente. 


Beleidsstandpunt: Voorlichting over regelgeving

De gemeente zal voorlichting over regelgeving actief inzetten als nalevingsinstrument. 


Nadere uitwerking

1.In het uitvoeringsprogramma zal jaarlijks worden vastgelegd welke specifieke activiteiten de gemeente zal uitvoeren in het kader van de voorlichting. 
2.In het verslag zal jaarlijks verslag worden gedaan van de geprogrammeerde voorlichtingsactiviteiten en, voor zover mogelijk, van het effect daarvan.
3.In de protocollen voor het uitvoeren van toezicht wordt opgenomen op welke wijze voorlichting wordt gegeven tijdens en na afloop van de controle.


Toelichting

Een tijdige en volledige voorlichting over de geldende regels naar het bedrijf of de burger bevordert het nalevingsgedrag. Bij deze vorm van  voorlichting kan worden gedacht aan:
het informeren over relevante wijzigingen in de regelgeving naar grotere groepen van bedrijven of burgers, bijvoorbeeld via een mailing, een voorlichtingsbijeenkomst, informatie via publicaties in de voorlichtingsrubriek in &#8220;Het Westerkwartier&#8221; en via de gemeentelijke website 
de uitleg van de regelgeving (wat betekent het en waarom is het nodig) dmv voorlichtingsbijeenkomsten, folders, de gemeentelijke website, mondelinge toelichting tijdens vooroverleg over vergunningen en tijdens controlebezoeken, informatie in brieven
het toezenden van rapportages aan betrokken bedrijven of burgers naar aanleiding van uitgevoerde controles
specifieke informatie bij constatering van overtredingen (vervolgstappen bestuurlijk en strafrechtelijk; toelichting op de regelgeving)
De voorlichting en communicatie hoeft niet altijd door de gemeente zelf te worden uitgevoerd. Voorlichting kan ook gegeven worden door bijvoorbeeld branche-organisaties of deskundigen.


Beleidsstandpunt: Communicatie over handhavingsactiviteiten

De gemeente zal voorlichting over de handhavingsactiviteiten van de gemeente actief inzetten als nalevingsinstrument.


Nadere uitwerking

1.In een voorlichtingsprotocol zal worden vastgelegd op welke wijze de gemeente informatie zal geven  over de handhavingsactiviteiten.
2.In het uitvoeringsverslag wordt verslag gedaan van de verstrekte informatie.


Toelichting

Het nalevingsgedrag kan verbeterd worden door bekendheid te geven aan de handhavingsactiviteiten van de gemeente. Hierdoor weten burgers en bedrijven dat ze gecontroleerd worden. Ook wordt de kans vergroot dat overtredingen door burgers eerder gemeld worden aan de gemeente. 

Bij deze vorm van communicatie wordt door de gemeente gedacht aan:
informatie geven over het handhavingsbeleid op de gemeentelijke website
jaarlijks informatie geven over het uitvoeringsprogramma en het uitvoeringsverslag
in de voorlichtingsrubriek en op de gemeentelijke website informatie geven over de resultaten van uitgevoerde toezichtsprojecten
het vermelden op de gemeentelijke website van bedrijven waaraan de gemeente bestuursrechtelijke sancties heeft opgelegd wegens overtreding van regelgeving.
een klachtenformulier op de gemeentelijke website.

Paragraaf 3.3 Handhaafbare regelgeving


Beleidsstandpunt: Handhaafbaarheid (1)

Bij het opstellen van gemeentelijke verordeningen en bij het opstellen van voorschriften in vergunningen zal altijd een handhaafbaarheidstoets worden uitgevoerd.


Nadere uitwerking
1.Bij voorstellen voor verordeningen zal de handhaafbaarheidstoets worden vastgelegd in een handhavingsparagraaf die wordt opgenomen in het betreffende voorstel.
2.De wijze waarop de handhaafbaarheidstoets ten aanzien van voorschriften in vergunningen wordt uitgevoerd, zal worden vastgelegd in protocollen voor het behandelen van vergunningaanvragen


Toelichting

Een goede handhaving begint bij een goede handhaafbaarheid van de regelgeving. Daarbij gaat het met name om de volgende aspecten: 
is de beleidsdoelstelling die aan regelgeving ten grondslag ligt voldoende gemotiveerd 
is voldoende aangetoond dat een specifiek voorschrift nodig is voor het realiseren van die beleidsdoelstelling
is het voorschrift niet strijdig met andere, reeds bestaande, regelgeving 
is het voorschrift duidelijk en eenduidig en dus niet voor meerdere uitleg vatbaar 
is het technisch, financieel en organisatorisch mogelijk om het voorschrift na te leven 
is naleving van het voorschrift goed controleerbaar (zowel door degene die het voorschrift moet naleven, als door een toezichthouder) 

Het beleidsstandpunt betekent dat besluitvorming over een verordening pas plaatsvindt nadat is vastgesteld dat redelijkerwijs aan de hiervoor genoemde zes  criteria wordt voldaan. Bij het opstellen van voorschriften in vergunningen wordt getoetst aan de laatste vijf criteria (het beleid is dan al vastgesteld).

Een handhaafbaarheidstoets vooraf biedt geen volledige zekerheid. De handhaafbaarheid is daarom ook in de handhavingspraktijk steeds een punt van aandacht. De toezichthouders kunnen namelijk op basis van hun ervaringen aangeven in hoeverre bepaalde regelingen en voorschriften in de praktijk handhaafbaar zijn. Deze praktijkervaringen zullen, indien noodzakelijk,  gebruikt worden voor een verbetering van de betreffende regelingen/voorschriften.


Beleidsstandpunt: Handhaafbaarheid (2)

De gemeente Grootegast zal eventuele handhavingsproblemen bij voorschriften die zijn opgesteld door een ander overheidsorgaan voorleggen aan dat overheidsorgaan met het verzoek om daarvoor een oplossing te geven.


Toelichting

Naast regels die de gemeente zelf heeft opgesteld, moet de gemeente ook regels handhaven die door andere overheden zijn opgesteld. Ook voor die regels wordt van de toezichthouders gevraagd om de handhaafbaarheid in de praktijk te toetsen en eventuele problemen vast te leggen.

Hierbij wordt opgemerkt dat er met name bij de milieuregelgeving en de bouwregelgeving heel veel specifieke voorschriften zijn, die door de landelijke overheid zijn vastgesteld.

Paragraaf 3.4 Vergunningverlening


Beleidsstandpunt

De gemeente Grootegast streeft naar zorgvuldige vergunningprocedures die mede gericht zijn op het voorkomen c.q. beperken van handhavingsproblemen.


Nadere uitwerking

1.Er worden protocollen opgesteld voor het behandelen van vergunningaanvragen
2.De gemeente bereid zich voor op de invoering van de omgevingsvergunning per 1 januari 2008
3.Er wordt een co&#246;rdinator vergunningverlening aangewezen
4.Bij de vaststelling van de hoogte van leges kan het aspect handhaving een rol spelen.


Toelichting

Het aantal handhavingsproblemen kan beperkt worden door het voeren van zorgvuldige vergunningprocedures. Hierbij gaat het o.a. om de volgende zaken:
zorgvuldige beoordeling van de vergunningaanvragen
afstemming van procedures; omgevingsvergunning
procedures afronden binnen wettelijke termijnen
co&#246;rdinator vergunningverlening; registratiesysteem vergunningen
duidelijkheid over de toegestane startdatum
weigering van een vergunning bij een groot risico op overtredingen
hoogte legestarieven

Zorgvuldige beoordeling van de vergunningaanvraag

Algemeen
Het is van groot belang dat een vergunningaanvraag zo nauwkeurig mogelijk aangeeft waarvoor de vergunning wordt aangevraagd. Handhavingsproblemen kunnen ontstaan als niet goed is te bepalen of iets wel of niet onder de verleende vergunning valt. Te denken valt aan zaken zoals omschrijving van de activiteiten, aanduiding van locatie(s), tijdstippen, periode waarvoor de vergunning wordt gevraagd, tekeningen.
Daarnaast is het van belang om bij de vergunningaanvraag te kunnen beschikken over voldoende bewijsstukken waaruit blijkt dat de aanvrager kan voldoen aan bepaalde voorschriften die moeten worden nageleefd (b.v. onderzoeksrapporten, sterkteberekeningen, bewijsstukken van leveranciers, etc.)

Bouwvergunningen
Voor aanvragen bouwvergunningen is in het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning vastgelegd aan welke eisen de aanvraag van een bouwvergunning moet voldoen. Hierin is een groot aantal eisen vastgelegd die tot doel hebben om de toetsing van een bouwaanvraag aan het bestemmingsplan, aan de eisen van welstand en aan het bouwbesluit mogelijk te maken. 

In het bouwbesluit zijn alle bouwtechnische eisen opgenomen. De bouwtechnische eisen voor nieuwbouw hebben geen rechtstreekse werking. Dit betekent dat als de gemeente fouten in de bouwaanvraag niet constateert, het gebouw met deze fouten gebouwd mag worden. Het gebouw voldoet dan niet aan de modernste eisen op gebied van b.v. (brand)veiligheid of gezondheid. 

De toetsing van de aanvraag verloopt in twee fasen. Eerst vindt de ontvankelijkheidstoets plaats (toetsing op volledigheid van de ingediende stukken). Indien de stukken niet volledig zijn, kan de gemeente een termijn geven om aanvullende stukken aan te leveren. Gedurende deze termijn is de procedure opgeschort.

Vervolgens vindt een inhoudelijke beoordeling van de stukken plaats. Indien tijdens de inhoudelijke beoordeling blijkt dat er fouten in de stukken zitten, is er weinig tijd meer voor de aanvrager om deze fouten te corrigeren. De behandeling van een bouwaanvraag is namelijk gekoppeld aan een krappe wettelijke termijn. Indien er na afloop van deze termijn geen beslissing is, is de bouwvergunning van rechtswege verleend. Dit betekent dat de gemeente genoodzaakt kan zijn een bouwvergunning te weigeren als bij toetsing blijkt dat er fouten in de aanvraag zitten. 

Weigering van een bouwvergunning wegens fouten in de aanvraag zal in ieder geval plaatsvinden in die gevallen waarin deze nota een hoge nalevingsdoelstelling eist (zie paragraaf 2.5) of als er rechtsongelijkheid (financieel voordeel) ontstaat. In andere gevallen kan overwogen worden om aanvullende voorschriften te stellen of een overeenkomst met de aanvrager tot een correcte bouw af te sluiten. Hieromtrent zullen nadere beleidsregels worden vastgelegd. 

Voor de technische toetsing van een bouwaanvraag aan het Bouwbesluit geldt dat een gedetailleerde toets veel tijd vraagt, en niet op alle facetten noodzakelijk hoeft te zijn. Er zullen nadere richtlijnen worden vastgesteld voor toetsing van bouwaanvragen. Hierbij is het uitgangspunt dat de nalevingsdoelstellingen (zie paragraaf 2.5) richtinggevend zijn voor deze nadere richtlijnen. Dit betekent dat aspecten waarvoor een hoge nalevingsdoelstelling geldt, zwaarder getoetst zullen worden dan aspecten waarvoor de doelstelling lager ligt. Hierbij geldt dat aspecten waarbij financieel voordeel behaald kan worden door niet-naleving altijd goed getoetst zullen worden.
In aanvulling op deze uitgangspunten wordt benadrukt dat een gebouw bij realisering aan alle eisen van het bouwbesluit moet voldoen. Dit wordt altijd verwacht van een bouwer. 

Milieuvergunningen
Ook voor milieuvergunningen is van belang dat een goede en volledige beoordeling van de aanvraag mogelijk is om een voldoende bescherming van het milieu te kunnen garanderen. Op basis van de gegevens die bij een aanvraag worden overlegd, moet de gemeente bepalen of de vergunning verleend kan worden, en welke voorschriften ter bescherming van het milieu aan de vergunning verbonden moeten worden. 

Als de gemeente op basis van een onvolledige aanvraag een vergunning afgeeft, zouden bij realisatie van het bedrijf aanvullende of aangescherpte voorschriften noodzakelijk kunnen zijn. Dit kan soms (veel) geld kosten, waarvoor de gemeente in bepaalde situaties aansprakelijk is.

Ook bij de beoordeling van milieuaanvragen zijn de nalevingsdoelstellingen (zie paragraaf 2.5) richtinggevend. Naarmate de doelstellingen hoger zijn, zal de gemeente meer gegevens opvragen en zal de gemeente uitgebreider onderzoeken welke voorschriften gesteld moeten worden. 

Afstemming van procedures; omgevingsvergunning

Afstemming
Het komt regelmatig voor dat bij activiteiten meerdere regelgeving van toepassing is. Bij een oprichting van een bedrijf kan b.v. een bouwvergunning, een milieuvergunning en een bestemmingsplan procedure noodzakelijk zijn. Op dit moment is er geen volledige procedurele en inhoudelijke koppeling. Dit kan b.v. betekenen dat een milieuvergunning wel verleend kan worden, terwijl er geen bestemmingsplanwijziging mogelijk is. Strijdigheid met het bestemmingsplan is namelijk geen weigeringsgrond voor de milieuvergunning. 

Het is van belang om dergelijke situaties zo snel mogelijk te signaleren, bijvoorbeeld tijdens vooroverleg over een vergunningaanvraag of bij de ontvankelijkheidstoets van een vergunningaanvraag. De betrokken aanvrager dient dan meteen bericht te krijgen dat zijn geplande activiteiten niet gestart kunnen worden, ook al kan hij een deel van de benodigde vergunningen misschien wel krijgen.

Als het wel mogelijk is om alle vereiste vergunningen te krijgen, is het vaak wenselijk voor de aanvrager om deze procedures zo snel mogelijk te doorlopen. De gemeente stelt zich daarom tot doel om een aanvrager zo volledig mogelijk te informeren over benodigde vergunningen en procedures, en te bevorderen dat de procedures goed op elkaar worden afgestemd. Op deze wijze kan de doorlooptijd beperkt worden. Hiervoor zullen protocollen worden opgesteld.

Omgevingsvergunning
De invoering van de omgevingsvergunning (vermoedelijk per 1 januari 2008) regelt een wettelijke afstemming tussen verschillende vergunningen die voor een bepaald project nodig zijn. Op een aanvraag omgevingsvergunning komt dan maar &#233;&#233;n besluit: vergunning verlenen (zonodig onder het stellen van voorschriften) of vergunning weigeren. De omgevingsvergunning regelt wettelijke termijnen en afstemming met andere overheden. 

De invoering van de omgevingsvergunning vereist de nodige voorbereiding. Deze voorbereidingen zijn najaar 2006 gestart, zodat de organisatie per 1 januari 2008 klaar is voor de uitvoering.

Procedures binnen wettelijke termijnen

Procedures dienen binnen wettelijke termijnen te worden afgerond. Om dit te kunnen bereiken dient er bij complexe procedures voldoende vooroverleg gevoerd te worden. Verder dienen de verschillende procedurestappen (toetsing ontvankelijkheid, behandeling zienswijzen) goed te verlopen. Indien toetsing van de aanvraag leidt tot de conclusie dat deze niet ontvankelijk is of geweigerd moet worden, zal dat ook formeel gebeuren. 

Co&#246;rdinator vergunningverlening; registratiesysteem vergunningen

Vanwege het belang van zorgvuldige vergunningprocedures, inhoudelijke en procedure afstemming, en het voorkomen van overschrijding van wettelijke termijnen, komt er een co&#246;rdinator voor de vergunningverlening. 

Gelet op het grote aantal procedures en de onderlinge samenhang (zeker na invoering van de omgevingsvergunning) is een registratiesysteem voor vergunningen en procedures noodzakelijk. De aanschaf van een integraal registratiesysteem voor vergunningen en handhaving is op moment van vaststelling van deze Nota in voorbereiding.

Bij meer complexe projecten kan het eventueel wenselijk zijn een specifieke procedure-co&#246;rdinator aan te wijzen. Deze persoon zorgt dan voor de afstemming van de diverse procedures, is aanspreekpunt voor de aanvrager, is verantwoordelijk voor de termijnbewaking, en maakt in een vroegtijdig stadium afspraken met de handhaver(s) over het toezicht.

Duidelijkheid over toegestane startdatum

Als een vergunning verleend wordt, is het van belang om goede informatie te geven over het moment waarop feitelijk gebruik gemaakt mag worden van de vergunning. Hierbij is meestal de datum waarop de vergunning van kracht wordt bepalend. Maar als er meerdere procedures/vergunningen nodig zijn, moet er soms gewacht worden totdat meerdere of alle vergunningen/procedures van kracht zijn. Indien noodzakelijk zal een aanvrager nadrukkelijk ge&#239;nformeerd worden over het moment waarop de werkzaamheden/activiteiten mogen starten. 

Weigering vergunning bij groot risico op overtredingen

Onderzocht zal worden bij welke regelingen het mogelijk is om een vergunning (gedeeltelijk) te weigeren indien op voorhand zeer waarschijnlijk is dat de aanvrager niet aan de te stellen voorschriften kan voldoen, of als bij eerdere vergunningen in het verleden is geconstateerd dat de aanvrager voorschriften niet naleeft.

Hoogte legestarieven

Bij kortdurende vergunningplichtige activiteiten (meestal APV-vergunningen) is handhaving lastig, met name als geen vergunning wordt aangevraagd. Het streven is erop gericht dat er geen activiteiten plaatsvinden zonder vergunning. Om tegen te gaan dat de legeskosten aanleiding zijn voor mensen om het risico te nemen zonder vergunning te handelen, kunnen bij de daarvoor in aanmerking komende vergunningen lage (niet kostendekkende) legestarieven worden gehanteerd.

Andersom kan in de situatie dat een vergunning dient ter legalisatie van een illegale situatie een hoger legesbedrag in rekening worden gebracht (zie paragraaf 3.6.5)

Paragraaf 3.5 Toezicht

Paragraaf 3.5.1 Preventief toezicht


Beleidsstandpunt: Preventief toezicht

De gemeente Grootegast stelt zich tot doel om uiterlijk in 2010 voor alle handhavingstaken een adequaat niveau te realiseren. Hiervoor worden de noodzakelijke personele- en financi&#235;le middelen ingezet.


Toelichting

Het begrip toezicht houdt in het controleren of en in hoeverre regels worden nageleefd. Soms wordt onderscheid gemaakt tussen preventief toezicht (het onderwerp van deze paragraaf) en repressief toezicht, dat wil zeggen de acties die je onderneemt nadat een overtreding is vastgesteld. Dit laatste komt aan de orde in paragraaf 3.6 (Sancties)  

Het preventief toezicht heeft (zoals het begrip al aanduidt) als voornaamste doel het voorkomen van overtredingen. De gedachte hierbij is dat als je met een zekere regelmaat controles uitvoert, potenti&#235;le overtreders het idee krijgen dat een overtreding vroeger of later toch wel aan het licht zal komen (zie de punten 2b, 2c en 2d uit de Tafel van Elf in paragraaf 3.1). Een goede programmering en uitvoering van preventief toezicht leidt daardoor tot verbetering van het nalevingsniveau. 

Een adequaat niveau van toezicht houdt in dat het toezicht is afgestemd op de nalevingsdoelstellingen die het bestuur heeft vastgelegd. Hierbij is het is wenselijk om minimale controlefrequenties vast te stellen (met name bij activiteiten/doelgroepen waar het naleefgedrag hoog is ten opzichte van de bestuurlijke doelstellingen) om ook op de langere termijn voldoende zicht te houden op aantallen overtredingen en eventuele veranderingen in het naleefgedrag.

Routinematige controles
Het merendeel van de controles bij het preventief toezicht vindt periodiek plaats of op specifieke momenten. Zo worden bedrijven in het kader van milieucontroles jaarlijks of om de paar jaar gecontroleerd; daarnaast vinden controles plaats naar aanleiding van de afgifte van nieuwe of gewijzigde vergunningen. Bouwinspectie vindt bijvoorbeeld plaats bij het uitzetten van het bouwwerk, bij de aanleg van de fundering etc. 

Controlefrequenties en/of controlemomenten zullen verschillen per handhavingsonderwerp. Welke controlefrequenties of welke controlemomenten wenselijk zijn kan worden bepaald via de systematiek die is weergegeven in paragraaf 1.5.3: het toezicht is afgestemd  op de handhavingsdoelstellingen. Dit betekent dat controlefrequenties en controlemomenten niet vast liggen, maar jaarlijks kunnen worden aangepast, afhankelijk van naleefgedrag, wijzigingen in handhavingsstrategie&#235;n etc. In het jaarlijkse uitvoeringsprogramma zal worden vermeld welke controlefrequenties en controlemomenten worden gehanteerd. Indien dat afwijkt van het voorgaande uitvoeringsprogramma wordt dit in een toelichting gemotiveerd. 
Het specifieke naleefgedrag van een bepaalde vergunninghouder kan eventueel meegewogen worden om te bepalen of bij hem afgeweken wordt van de standaardaanpak (dit kan bijvoorbeeld betekenen: vaker controleren bij een slecht naleefgedrag en minder vaak controleren bij een uitstekend naleefgedrag) 
 
Routinematige controles vallen in twee groepen uiteen:
Objectgerichte controles 
Gebiedsgerichte controles

Met objectgerichte controles bedoelen we controles op vooraf vastgestelde (geregistreerde) locaties; in de meeste gevallen gaat het om locaties waar een bepaalde vergunning/ontheffing is verleend met voorschriften. 

Bij gebiedsgerichte controles gaat het om het signaleren, controleren en handhaven van:
activiteiten die plaatsvinden zonder dat er een vereiste vergunning, ontheffing of melding is;
activiteiten die plaatsvinden met vergunning, ontheffing of melding, maar waarbij de vergunning etc. geldig is in een groter gebied of de gehele gemeente;
activiteiten waarvoor vooraf geen vergunning, ontheffing of melding nodig is, maar die wel aan bepaalde voorschriften moeten voldoen.
Om dergelijke controles goed te kunnen verrichten is het van belang dat de toezichthouder het gebied goed kent, zodat hij &#8220;verdachte&#8221; veranderingen tijdig kan signaleren.
Ook voor de gebiedsgerichte controles wordt in beginsel gewerkt met periodieke controles. De controlefrequentie kan wel per deelgebied verschillen, afhankelijk van de te beschermen waarden in het gebied en van een inschatting van de kans op overtredingen.

Controles naar aanleiding van klachten, meldingen, ongevallen en/of incidenten
Op deze controles wordt nader ingegaan in paragraaf 3.5.2.

Voorbereiding en uitvoering van controles
Er zullen protocollen worden opgesteld voor de voorbereiding en uitvoering van controles (zie ook paragraaf 4.7 Kwaliteitsborging).

Bij het controleren op de naleving van regelgeving en van vergunningvoorschriften worden zowel technische- als administratieve controles uitgevoerd. Specifiek voor milieucontroles gaat het, gelet op de kwaliteitseisen voor milieuhandhaving, daarbij onder andere om de volgende zaken:
controle van administratieve gegevens. Hierbij gaat het ondermeer om registraties van (gevaarlijke) stoffen, grondstoffen, de afvoer van afvalstoffen, energie- en watergebruik. 
toezicht op het bereiken van milieukwaliteitsnormen. Hierbij gaat het om bijvoorbeeld emissienormen voor lucht en geluid. Eventuele onderzoeken/rapporten die door of in opdracht van het bedrijf zijn uitgevoerd, worden gecontroleerd. Daarbij zal met name gekeken worden of het onderzoek op een correcte wijze is uitgevoerd. Verder zal onderzocht worden in hoeverre specifieke voorzieningen en installaties, die zijn vermeld in de aanvraag of voorgeschreven in de vergunning, aanwezig zijn. Indien dat noodzakelijk wordt geacht (omdat er gerede twijfel is of een bedrijf aan de normen voldoen) zal de gemeente zelf metingen (laten) uitvoeren.
toezicht op onderzoeken, inspecties, keuringen e.d. die het bedrijf zelf moet (laten) uitvoeren. Hierbij is te denken veiligheidsinspecties, onderzoek van vloeistofdichte vloeren, onderzoek naar energiebesparende maatregelen etc. Het is eerst van belang te bekijken of deze zaken tijdig zijn uitgevoerd. Om dit goed te kunnen nagaan zullen in het milieu-informatiesysteem VGI administratieve controles worden ingepland voor de meest relevante onderzoeken e.d. Vervolgens moet gecontroleerd worden of een en ander op een juiste wijze c.q. door een bevoegd bedrijf of instantie is uitgevoerd. Ook hier geldt dat de gemeente bij gerede twijfel nader onderzoek zal laten uitvoeren.
De risico-analyse (in samenhang met de bestuurlijke doelstellingen) bepaalt hoe vaak en in welke situaties dergelijke controles worden uitgevoerd. Bij administratieve controles zijn ook de landelijke of provinciale afspraken over ketenhandhaving van belang

Gelet op de aard van de bedrijvigheid in de gemeente wordt op dit moment niet overwogen om diepte-onderzoeken (zoals audits of quickscans) in te zetten bij het (milieu)toezicht.

Als tijdens een controle overtredingen zijn geconstateerd krijgt de overtreder daarvan schriftelijk bericht en wordt aangegeven wat hij moet doen en de eventuele vervolgstappen die de gemeente zal nemen. Voor milieucontroles bij inrichtingen geldt dat degene die gecontroleerd is ook altijd schriftelijk bericht krijgt als geen overtredingen zijn gesignaleerd. Voor andere controles kan in dergelijke gevallen een schriftelijke bevestiging volgen. 

Integrale controles en signaaltoezicht
Een belangrijke efficiency-verbetering is mogelijk als een toezichthouder bij een bepaalde controle meerdere wetten en regelgeving in een keer kan controleren.

Er is sprake van een integrale controle als meerdere wetten/vergunningen volledig worden gecontroleerd. Zo&#8217;n controle kan worden uitgevoerd door een toezichthouder die voldoende deskundigheid heeft. Een alternatief is om een integrale controle uit te voeren door meerdere toezichthouders die elk hun specifieke deskundigheden hebben.

Er is sprake van signaaltoezicht (oog- en oorfunctie) als een toezichthouder naast de &#8220;hoofdcontrole&#8221; ook op een beperkt aantal (vooraf afgesproken) andere punten controleert. Signaaltoezicht kan ook worden uitgevoerd door medewerkers die geen toezichthoudende functie hebben. 

Indien mogelijk en effici&#235;nt zullen integrale controles en signaaltoezicht in het uitvoeringsprogramma worden opgenomen.   

Projectmatige controles
Specifieke projecten kunnen worden georganiseerd als er b.v. nieuwe regelgeving van kracht wordt, of als er aanwijzingen zijn dat bepaalde overtredingen, gelet op de nalevingsdoelstellingen, relatief vaak voorkomen. Het is ook mogelijk om routinecontroles projectmatig aan te pakken. Als voorbeeld kan de branche-gerichte aanpak van het milieutoezicht worden genoemd. 

Toezicht via informatiestromen
Naast de controles ter plaatse zijn er ook andere controlemogelijkheden die onder de noemer preventief toezicht vallen. Hieronder worden enkele mogelijkheden genoemd waarvan al gebruik wordt gemaakt c.q. in de nabije toekomst gebruik gemaakt zal worden:
controles aan de hand van luchtfoto&apos;s 
controles door het vergelijken van informatie die binnen de gemeentelijke organisatie beschikbaar is (hierbij kan bijvoorbeeld een centraal vastgoedsysteem grote voordelen bieden (snelheid, efficiency))
controles door middel van het verzamelen van informatie die bij derden beschikbaar is en het vergelijken van die informatie met de gemeentelijke informatie
Dit kan aangeduid worden als toezicht via informatiestromen. 

Ketenbeheer
Bij ketenbeheer gaat het om situaties waarbij meerdere overheden na elkaar handhavingsbevoegd zijn. De bekendste gevallen betreffen (her)gebruik van grond en de verwijdering van afvalstoffen. Om te voorkomen dat er een illegaal circuit ontstaat is het van belang dat ieder bevoegd gezag goede administratieve controles uitvoert, en dat de bevoegde gezagen de verkregen gegevens uitwisselen. 
Voor bedrijven geldt dat het bevoegde gezag voor de milieuvergunning kan veranderen als de bedrijfsactiviteiten veranderen. Ook in dat geval is van belang dat de betrokken overheden elkaar tijdig informeren en zorgen voor een goede informatie uitwisseling.
Over de uitvoering van ketenbeheer en de uitwisseling van gegevens zullen afspraken gemaakt worden met de andere instanties. Het provinciaal handhavingsoverleg in de provincie Groningen heeft globale afspraken vastgelegd. Deze afspraken zal de gemeente uitvoeren (zie ook paragraaf 4.6 Externe afstemming en Samenwerking). Daarnaast zijn landelijke afspraken vastgelegd in zogenaamde HUM&#8217;s (Handhavings Uitvoerings Methoden) voor specifieke regelingen

Paragraaf 3.5.2 Meldingen/klachten


Beleidsstandpunt

De gemeente draagt zorg voor het adequaat reageren op meldingen en klachten. Dit betekent in ieder geval dat de gemeente goed bereikbaar is voor meldingen en klachten en dat de melder/klager wordt ge&#239;nformeerd over de stappen die de gemeente onderneemt naar aanleiding van de melding/klacht.


Nadere uitwerking

1.Er wordt een protocol opgesteld voor de behandeling van meldingen en klachten; de mogelijkheid van mediation wordt opgenomen in het protocol
2.De wenselijkheid van een centraal meldpunt voor meldingen en klachten zal worden onderzocht.
3.Er komt een geautomatiseerd klachtenregistratiesysteem


Toelichting

Algemeen
De controle die wordt verricht naar aanleiding van een melding of een klacht kan beschouwd worden als een activiteit die ligt tussen het preventief en het repressief toezicht in: er is nog geen overtreding geconstateerd, maar er is wel een vermoeden van een overtreding. Als tijdens een controle naar aanleiding van een melding of klacht daadwerkelijk een overtreding wordt vastgesteld, wordt verder het traject gevolgd zoals dat is vastgelegd in de volgende paragraaf (sancties)  

De burger mag van de overheid verwachten dat deze snel en goed reageert op meldingen en klachten. Hetzelfde geldt als de melding gedaan wordt door (een toezichthouder van) een ander overheidsorgaan of door een politiemedewerker.

Hierbij is van belang te realiseren dat het soms moeilijk is dat de gemeentelijke toezichthouder een overtreding signaleert. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een klacht over incidenteel optredende geluidhinder. Het be&#235;indigen van een overtreding kan soms langere tijd duren als de overtreder geen medewerking wil verlenen, en er bestuursrechtelijke sancties moeten worden opgelegd. Bij een adequate reactie is het dus vooral van belang dat er zo snel mogelijk een controle plaatsvindt, en dat de melder/klager steeds ge&#239;nformeerd wordt over de constateringen en de vervolgstappen die de gemeente zet.

Bereikbaarheid
Het is belangrijk dat de gemeente goed bereikbaar is voor meldingen en klachten. Meldingen en klachten kunnen schriftelijk en per internet (via de gemeentelijke website) worden ingediend. Per telefoon en in persoon kunnen meldingen en klachten tijdens kantooruren worden ingediend. Onderzocht zal worden of de Balie Ruimte als centraal meldpunt (met telefoonnummer) voor meldingen en klachten kan dienen. 

Via een consignatieregeling zijn medewerkers van openbare werken en milieumedewerkers 24 uur per dag bereikbaar. De milieumedewerkers zitten in een &#8220;achterwachtregeling&#8221;. Meldingen en klachten komen in eerste instantie binnen bij een medewerker van openbare werken. Indien het een milieu-aspect betreft dat niet volgens een standaardaanpak kan worden opgelost, wordt contact opgenomen met de milieumedewerker die dienst heeft. Ook voor meldingen en klachten die bij de politie binnenkomen geldt dat de politie zonodig een beroep kan doen op een milieumedewerker van de gemeente. Werkafspraken met de politie over behandeling van meldingen en klachten zullen schriftelijk worden vastgelegd.

Formeel handhavingsverzoek
Naast een melding of een klacht kan iemand ook een formeel verzoek indienen tot het nemen van een sanctiebeschikking (b.v. het opleggen van een dwangsom). De Wet milieubeheer geeft hiervoor een termijn van 4 weken; voor handhaving van andere regelgeving geldt de standaardtermijn van 8 weken uit de Algemene wet bestuursrecht.

Deze termijnen zullen niet altijd haalbaar zijn. Eerst zal onderzocht moeten worden of de klacht terecht is. Vervolgens geldt de aanpak van overtredingen die in paragraaf 3.6.3 is vastgelegd. Dit betekent in de meeste gevallen dat een sanctiebeschikking pas wordt opgelegd als de overtreder na een waarschuwing (met hersteltermijn) doorgaat met de overtreding.

Op grond van artikel 4.14 van de Algemene wet bestuursrecht moet het bestuur in zo&#8217;n geval aangeven dat de wettelijke termijn niet gehaald wordt, en daarbij vermelden op welke termijn de beslissing op het verzoek tot een sanctiebeschikking wel genomen zal worden.

Mediation
In sommige gevallen kan &quot;mediation&quot; het instrument zijn om tot een oplossing van klachten te komen.  Bij mediation wordt een onafhankelijke derde persoon gevraagd om tot (schriftelijk vastgelegde) afspraken te komen tussen een klager en de veroorzaker van de klachten. 
Mediation kan met name een oplossing bieden als de oorzaken van de klachten de volgende kenmerken hebben:
de hinder treedt regelmatig op, maar heeft niet een permanent karakter, waardoor het constateren van een overtreding door het bevoegde gezag niet altijd mogelijk is
de hinder wordt met name veroorzaakt door gedrag of fouten van mensen
een technische oplossing om de hinder te voorkomen is niet mogelijk.
Het doel van mediation  is er vooral op gericht om meer begrip te kweken tussen klager en veroorzaker, waardoor de situatie kan de&#235;scaleren. De veroorzaker wordt gemotiveerd om de problemen te verminderen, en de klager is in staat om af en toe een incident te accepteren. Hierdoor kunnen langdurige conflicten en juridische procedures worden voorkomen, die het bevoegde gezag veel tijd kosten en die niet altijd tot het (door de klager) gewenste resultaat leiden.
Wil mediation kans van slagen hebben, dan is het belangrijk dat zowel klager als veroorzaker vertrouwen hebben in de mediator, en dat zij vooraf aangeven het resultaat van de mediation te zullen accepteren.

Registratiesysteem
Voor een goede afhandeling van meldingen en klachten is een geautomatiseerd klachtenregistratiesysteem noodzakelijk. De aanschaf van een integraal registratiesysteem voor vergunningen en handhaving, dat tevens geschikt is voor de registratie van meldingen en klachten is op moment van vaststelling van deze Nota in voorbereiding.

Paragraaf 3.6 Sancties

Paragraaf 3.6.1 Inleiding

Het moment dat een overtreding wordt geconstateerd is het startpunt van het repressieve toezicht. Het repressieve toezicht is gericht op:
1.het be&#235;indigen van de overtreding;
2.het ongedaan maken van de gevolgen van de overtreding;
3.het verminderen van de kans op herhaling van de overtreding (door dezelfde overtreder en/of door anderen).

Er wordt vanaf dat moment een bestuursrechtelijk handhavingstraject ingezet om zo snel en zo goed mogelijk deze doelen te bereiken. Het handhavingstraject zal in de meeste gevallen bestaan uit een of meerdere van de volgende stappen:
het voorschrijven van te nemen maatregelen en termijnen zonder vooraankondiging van een dwangsom of bestuursdwang
het voorschrijven van te nemen maatregelen en termijnen met vooraankondiging van een dwangsom of bestuursdwang
het opleggen van een dwangsombeschikking of een bestuursdwangbeschikking met een begunstigingstermijn 
het invorderen van een dwangsom of het uitvoeren van bestuursdwang als de ge&#235;iste maatregelen na afloop van de begunstigingstermijn niet zijn uitgevoerd

Tot de te nemen maatregelen kan ook behoren het aanvragen van een vergunning/ontheffing of het indienen van een verzoek om wijziging van een voorschrift. Een overtreding wordt immers ook be&#235;indigd als de aangetroffen situatie gelegaliseerd wordt. Legalisatie kan niet ambtshalve plaatsvinden, maar alleen op verzoek van de overtreder.

Repressief toezicht kan ook toegepast worden als er nog geen overtreding is geconstateerd, maar er een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is dat een overtreding zal plaatsvinden. Aan het feitelijk opleggen van een &#8220;preventieve&#8221; dwangsombeschikking of bestuursdwangbeschikking in zo&#8217;n situatie stelt de jurisprudentie bijzondere eisen. 

In bijzondere gevallen kan het bestuur overgaan tot intrekking van een vergunning/ontheffing of tot het opleggen van een sluitingsbevel. Deze twee instrumenten zijn geen algemeen geldende bevoegdheden, maar zijn als bevoegdheid opgenomen in een deel van de wetten en verordeningen waarvoor dit handhavingsplan geldt.

In paragraaf 3.6.2 zal worden aangegeven in hoeverre en in welke gevallen het bestuur de bestuursrechtelijke sanctie-instrumenten wil inzetten. In paragraaf 3.6.3 zal het handhavingstraject worden uitgewerkt in een  gemeentelijk &quot;stappenplan&quot;. 

De gemeenten hebben in een beperkt aantal gevallen en onder specifieke voorwaarden de mogelijkheid een bestuurlijke boete op te leggen. In deze nota wordt hierover nog geen beleid vastgelegd omdat de gemeente tot dusver nog geen gebruik maakt van deze mogelijkheid. 

Naast het bestuursrechtelijke handhavingstraject, of in plaats van een bestuursrechtelijk handhavingstraject, kan ook een strafrechtelijk handhavingstraject worden gestart na constatering van een overtreding. Het strafrechtelijk traject heeft primair tot doel om sancties op te leggen en zonodig het financieel voordeel weg te nemen dat de overtreder heeft gehad door zijn overtreding. Eventueel kunnen in het strafrechtelijke traject maatregelen worden opgelegd aan de overtreder gericht op be&#235;indiging van de overtreding. In paragraaf 3.6.4 zal nader worden ingegaan op de rol van het strafrecht. 

In paragraaf 3.6.5 wordt ingegaan op privaatrechtelijke- en overige maatregelen die genomen kunnen worden in reactie op de constatering van een overtreding. 

Een overtreding leidt niet altijd tot een sanctietraject. In paragraaf 3.7 (Grenzen aan de handhaving) zal worden aangegeven in welke bijzondere situaties het mogelijk c.q. noodzakelijk is om de standaard sanctie-aanpak niet toe te passen.

Paragraaf 3.6.2 Toepassing van bestuurlijke sanctie-instrumenten


Beleidsstandpunt

1.Als het noodzakelijk is een sanctie-instrument te gebruiken, zal de gemeente zal in de meeste gevallen kiezen voor het opleggen van een dwangsom.
2.De gemeente zal kiezen voor bestuursdwang als er sprake is van een  overtreding met ontoelaatbare gevolgen, waarbij snel ingrijpen geboden is en/of andere instrumenten tekort schieten om het beoogde doel te bereiken.
3.Ingrijpen met bestuursdwang  kan ook plaatsvinden bij andere overtredingen nadat een eerder opgelegde dwangsombeschikking niet heeft geleid tot be&#235;indiging van de overtreding.
4.De gemeente gaat terughoudend om met het toepassen van de sanctiemiddelen &#8220;intrekking van een vergunning/ontheffing&#8221; en &#8220;sluitingsbevel&#8221;.



Nadere uitwerking

1.In het uitvoeringsverslag zal jaarlijks worden opgenomen hoe vaak de sanctie-instrumenten zijn toegepast en wat de resultaten daarvan zijn geweest.
2.De toepassing van de sanctie-instrumenten zal nader worden uitgewerkt in een draaiboek of protocol.
3.Voor regelmatig voorkomende overtredingen worden richtlijnen opgesteld voor de hoogte van de dwangsom en de daarbij horende termijnen.


Toelichting

Algemeen
Dwangsom en bestuursdwang zijn de meest gebruikelijke bestuursrechtelijke sanctie-instrumenten. Bij dwangsom moet de overtreder een bedrag aan de gemeente betalen als hij de overtreding niet tijdig heeft be&#235;indigd.  Bij bestuursdwang maakt de gemeente op kosten van de overtreder een einde aan de overtreding. In sommige wetten en verordeningen is de bevoegdheid opgenomen om een vergunning of ontheffing in te trekking bij overtreding van voorschriften. Een bijzonder sanctie-instrument is het (tijdelijk) sluitingsbevel dat de APV kent voor horeca-inrichtingen en seksinrichtingen. 

Opgemerkt wordt dat het begrip &#8220;sanctie-instrument&#8221; voor een bestuursdwangbeschikking en een dwangsombeschikking feitelijk niet correct is. Beter is om te spreken van dwangmiddelen, omdat het afdwingen van de naleving van voorschriften het doel is, en niet het toedienen van een sanctie. Het intrekken van een vergunning/ontheffing en een sluitingsbevel zijn wel sancties, maar ook daar is vrijwel altijd een traject voorafgegaan waarin de overtreder in de gelegenheid is gesteld zelf maatregelen te nemen om de sanctie te ontlopen. Het  begrip sanctie-instrument en daarmee samenhangend het begrip sanctiestrategie zijn echter zodanig ingeburgerd, dat ook in deze Nota die begrippen gebruikt zullen worden. Deze begrippen sluiten ook aan bij de terminologie uit de Kwaliteitscriteria voor Milieuhandhaving.

De bestuursrechtelijke sanctie-instrumenten zijn in het algemeen niet geschikt om op te treden tegen overtredingen die kort duren en hoogstwaarschijnlijk niet opnieuw op dezelfde locatie zullen plaatsvinden. Ook als een overtreding of de gevolgen van een overtreding niet ongedaan gemaakt kunnen worden, is bestuursrechtelijk optreden niet zinvol. Voor dergelijke situaties zal in overleg met politie en openbaar ministerie alleen een strafrechtelijke aanpak moeten worden vastgesteld.

Dwangsom of bestuursdwang
Dwangsom en bestuursdwang mogen niet gelijktijdig worden opgelegd. Er moet een keuze gemaakt worden tussen deze twee. 

De twee belangrijkste voordelen van de dwangsom ten opzichte van bestuursdwang, zijn dat de betrokkene zelf de maatregelen moet nemen om een einde te maken aan de overtreding, en dat de werking van de dwangsombeschikking kan voortduren nadat de overtreding is be&#235;indigd, waardoor de kans op herhaling van de overtreding in de toekomst verkleind wordt. Daarnaast zijn de kosten en de risico&apos;s voor het bestuur bij het opleggen van een dwangsom naar verhouding beperkt.

Er zijn nog enkele redenen om terughoudend te zijn met bestuursdwang. Ingrijpen met bestuursdwang is naar zijn aard erg arbeidsintensief. Daarbij is vooraf niet altijd duidelijk of de kosten kunnen worden verhaald op de overtreder. Bovendien kan de gemeente worden veroordeeld in de nadelen die de overtreder heeft ondervonden van een te ingrijpend optreden met bestuursdwang.  

Intrekking van een vergunning/ontheffing; sluitingsbevel
De intrekking van een vergunning/ontheffing kan in het algemeen worden aangemerkt als een zwaar sanctiemiddel, dat slechts in zeer bijzondere situaties kan worden toegepast. Hierbij moet met name gedacht worden aan situaties waarbij herhaaldelijk zware overtredingen zijn gepleegd en waarbij dwangsom of bestuursdwang niet geleid hebben tot het voorkomen van herhaling van de overtredingen. Een bijzondere intrekkingsgrond geeft artikel 59 van de Woningwet: intrekking van een bouwvergunning is mogelijk als blijkt dat de aanvrager onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt (bijvoorbeeld over het beoogde gebruik van het bouwwerk) en de vergunning geweigerd zou zijn als de goede informatie was verstrekt.

Het sluitingsbevel (specifiek bij horeca-inrichtingen en seksinrichtingen) is eveneens een zwaar sanctiemiddel en zal gebruikt worden in geval er langere tijd sprake is van regelmatige verstoringen van de openbare orde. Sluiting is pas aan de orde nadat andere middelen om de problemen beheersbaar te maken hebben gefaald.

Als de intrekking van een vergunning/ontheffing of een sluitingsbevel niet wordt nageleefd, zal de gemeente naleving moeten afdwingen door het opleggen van een dwangsombeschikking of een bestuursdwangbeschikking.

Paragraaf 3.6.3 Stappenplan


Beleidsstandpunt: Stappenplan (algemeen)

De gemeente Grootegast kiest voor een effectief, effici&#235;nt, helder en beknopt stappenplan dat geldt voor alle handhavingstaken inzake de fysieke leefomgeving. De keuze voor een standaard stappenplan voor alle handhavingstaken betekent dat de gemeente Grootegast geen model-stappenplannen van andere instanties zal toepassen die specifiek voor bepaalde taken of regelingen zijn geschreven.


Toelichting

Algemeen
Het begrip &quot;stappenplan&quot; wordt in het kader van het repressief toezicht gebruikt om aan te duiden &#8220;hoe snel&#8221; het bestuur over gaat tot het opleggen van een bestuursdwangbeschikking of een dwangsombeschikking, gerekend vanaf het moment dat een overtreding door een toezichthouder is vastgesteld.

In dit verband is het van belang om op te merken dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in beginsel iemand gehoord moet worden (dus moet kunnen reageren) voordat het bestuur besluit om een dwangsombeschikking of een bestuursdwangbeschikking op te leggen. Betrokkene mag in dat geval schriftelijk of mondeling reageren. In de Awb is hiervoor geen termijn vastgelegd; het bestuur dient een redelijke termijn vast te stellen. Voor de handhaving is verder van belang dat afgezien kan worden van het horen als de vereiste spoed zich daartegen verzet. 

In een stappenplan legt het bevoegd gezag vast in welke gevallen &#233;&#233;n, twee of eventueel drie of meer stappen worden toegepast. In onderstaande tabel wordt duidelijk gemaakt wat we bedoelen met een aanpak in &#233;&#233;n, twee of drie stappen.

Aanduiding
Stap
Omschrijving
Handhaving in &#233;&#233;n stap
1
De gemeente maakt zelf een einde aan de overtreding door &#8220;onmiddellijke&#8221; toepassing van bestuursdwang, als de overtreder niet meteen na constatering van de overtreding maatregelen neemt om de overtreding te be&#235;indigen. De bestuursdwang wordt achteraf &#8220;gelegaliseerd&#8221; door een bestuursdwangbeschikking.
Handhaving in twee stappen (versnelde aanpak)
1
Na constatering van een overtreding krijgt de overtreder mondeling of schriftelijk de vooraankondiging van een dwangsombeschikking of een bestuursdwangbeschikking, met daarbij gedurende een korte termijn de mogelijkheid om mondeling of eventueel schriftelijk te reageren.
2
Meteen na afloop van de reactietermijn wordt een dwangsombeschikking of een bestuursdwangbeschikking opgelegd. In die beschikking wordt aan de overtreder een termijn gegeven om de overtreding te be&#235;indigen voordat hij een dwangsom verbeurt of de bestuursdwang wordt uitgevoerd.
Bij een vooraankondiging dwangsom kan bij deze aanpak de dwangsombeschikking ook worden opgelegd als de overtreding gedurende de reactietermijn is be&#235;indigd. De dwangsombeschikking is dan gericht op het verminderen van de kans op overtreding in de toekomst.
Handhaving in twee stappen (reguliere aanpak):  
1
Na constatering van een overtreding krijgt de overtreder een brief met daarin een termijn om de overtreding ongedaan te maken. In de brief staat tevens een voorwaardelijke vooraankondiging van een dwangsom of bestuursdwang. Dit betekent dat er alleen een dwangsombeschikking of een bestuursdwangbeschikking zal volgen, als na afloop van de gestelde termijn de overtreding niet is be&#235;indigd. Hij krijgt de mogelijkheid om schriftelijk of mondeling te reageren op de vooraankondiging
2
Na afloop van de termijn vindt een hercontrole plaats. Als dan opnieuw blijkt dat de overtreding voortduurt, volgt een dwangsombeschikking of bestuursdwangbeschikking. In die beschikking wordt een laatste termijn gegeven aan de overtreder om de overtreding te be&#235;indigen voordat hij een dwangsom verbeurt of de bestuursdwang wordt uitgevoerd.
Handhaving in drie stappen
1
Na constatering van een overtreding krijgt de overtreder een brief met daarin een termijn om de overtreding ongedaan te maken
2
Na afloop van de termijn vindt een eerste hercontrole plaats. Als blijkt dat de overtreding niet is be&#235;indigd, krijgt de overtreder een brief met een nieuwe termijn, en een vooraankondiging van een dwangsom of bestuursdwang. Hij krijgt de mogelijkheid om schriftelijk of mondeling te reageren op die vooraankondiging
3
Na afloop van de nieuwe termijn vindt een tweede hercontrole plaats. Als dan opnieuw blijkt dat de overtreding voortduurt, volgt een dwangsombeschikking of bestuursdwangbeschikking. In die beschikking wordt een laatste termijn gegeven aan de overtreder om de overtreding te be&#235;indigen voordat hij een dwangsom verbeurt of de bestuursdwang wordt uitgevoerd.

Uit bovenstaande tabel kan de indruk ontstaan dat naarmate een bestuur minder &#8220;stappen&#8221; gebruikt om tot een handhavingsbeschikking te komen, er sprake is van een stringentere aanpak. Dit hoeft echter in de praktijk niet het geval te zijn. Een twee-stappen-aanpak, waarbij na afloop van de eerste termijn lange tijd wordt gewacht voordat een hercontrole plaatsvindt, is minder stringent dan een drie-stappen-aanpak waarbij onmiddellijk na afloop van iedere termijn wordt gecontroleerd. Voor een stringente aanpak is het belangrijker om een eenmaal ingezet handhavingstraject consequent en met een strakke planning te voltooien, dan het aantal formele stappen dat wordt gezet.  


Beleidsstandpunt: Stappenplan (concreet)

Het volgende stappenplan wordt door de gemeente Grootegast gehanteerd voor de toepassing van dwangsom of bestuursdwang.

1.Na constatering van een overtreding vindt in beginsel handhaving in twee stappen met reguliere aanpak plaats. 
2.Handhaving in twee stappen met versnelde aanpak vindt plaats in de volgende situaties:
als bij controles in het verleden ook al een of meerdere keren dezelfde overtreding is geconstateerd. Hierbij geldt dat er tot 5 jaar in het verleden wordt getoetst, tenzij de laatste  routinematige controle langer dan 5 jaar geleden heeft plaatsgevonden; dan wordt ook die controle bij de beoordeling betrokken.
als het overtreding van voorschrift betreft waardoor (fysieke) veiligheidsrisico&#8217;s ontstaan, maar onmiddellijk ingrijpen (bestuursdwang in &#233;&#233;n stap) niet noodzakelijk is
bij handhaving van de bouwregelgeving als geen gehoor wordt gegeven aan een ambtelijk verzoek tot stilleggen van de werkzaamheden
als na intrekking van een vergunning of ontheffing de activiteiten niet worden gestaakt
als na een sluitingsbevel de betreffende inrichting niet wordt gesloten
3.Handhaving in &#233;&#233;n stap (bestuursdwang) vindt plaats als onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk is
4.Handhaving kan opgeschort worden indien de overtreder een legalisatieverzoek indient en niet zeker is dat het legalisatieverzoek afgewezen zal worden.


Toelichting

Criteria voor een stappenplan
Aan een goed bestuursrechtelijk stappenplan kunnen de navolgende eisen worden gesteld, die onderling met elkaar samenhangen:
1.een stappenplan moet effectief en effici&#235;nt zijn, dat wil zeggen dat het stappenplan moet bijdragen aan vermindering van het aantal overtredingen en dat de gemiddelde kosten (personele kosten en andere kosten) die nodig zijn om binnen redelijke termijn tot be&#235;indiging van een geconstateerde overtreding te komen, zo laag mogelijk zijn;
2.het aantal sanctiebeschikkingen moet beperkt blijven;
3.een stappenplan moet beknopt zijn;
4.een stappenplan moet geen risico op willekeur bevatten, en dus zo weinig mogelijk subjectieve criteria bevatten;
5.een toezichthouder moet bij constatering van een overtreding meteen duidelijkheid kunnen geven over de vervolgacties, zonder daarvoor eerst richtlijnen of specialisten te moeten raadplegen;
6.burgers en  bedrijven moeten eenvoudig (via de gemeentelijke website of door toezending) kennis kunnen nemen van het stappenplan, en daaruit kunnen afleiden wat het stappenplan in een concrete situatie betekent. 

In paragraaf 3.7 (Grenzen aan de handhaving) zullen de uitzonderingen op het stappenplan worden vastgesteld.

De huidige werkwijze
De basisaanpak (handhaving in twee stappen) wordt sinds begin 2005 toegepast. Dit is een stringentere aanpak dan voorheen werd toegepast.

Bij de invoering van de twee stappen aanpak is aangegeven dat deze werkwijze getoetst zou worden op twee punten:
1.leidt deze aanpak gemiddeld tot een snellere be&#235;indiging (minder hercontroles) van de overtredingen
2.blijft het aantal sanctiebeschikkingen (en de daarmee samenhangende bezwaar- en beroepsprocedures) ten opzichte van het aantal geconstateerde overtredingen op een acceptabel laag niveau.

De ervaringen van de afgelopen twee jaar geven aan dat beide vragen positief beantwoord kunnen worden. Er is dus op dit moment geen aanleiding deze aanpak te herzien. 

Uitwerking stappenplan
De toepassing van het stappenplan wordt uitgewerkt in een draaiboek en/of protocollen. Hierin wordt het stappenplan in detail uitgewerkt, en zullen o.a. voorbeeldbrieven worden opgenomen die voldoen aan de juridische vereisten voor sanctiebeschikkingen.

Redelijke eerste termijn
Uitgangspunt bij de reguliere tweestappen aanpak is dat na de eerste constatering een redelijke termijn wordt gegeven om de overtreding te be&#235;indigen. Factoren die bij het bepalen van deze termijn een rol spelen zijn o.a:
de ernst van de overtreding;
het risico c.q. de gevolgen van de overtreding;
het eventuele (financi&#235;le) voordeel dat de overtreder heeft naarmate de overtreding langer voortduurt
of betrokkene de overtreding zelf kan be&#235;indigen of dat hij daarvoor eerst derden moet inschakelen of materialen moet aanschaffen;
de kosten van het be&#235;indigen van de overtreding (bij relatief hoge kosten moet de overtreder ook tijd krijgen de financiering te regelen);
eventueel bijzondere persoonlijke omstandigheden.

Het belangrijkste doel van de &#8220;redelijke eerste termijn&#8221; is dat de overtreder weet dat de termijn na overleg met hem is bepaald en hem (ruim) voldoende tijd geeft om de zaak te regelen. Op deze wijze willen we te kort gestelde termijnen voorkomen die leiden tot ongewenst veel sanctiebeschikkingen.

Ook met het oog op het minimaliseren van het aantal sanctiebeschikkingen, kan het nuttig zijn om halverwege een gestelde termijn telefonisch contact op te nemen met de overtreder om te herinneren aan de gemaakte afspraken. Hierover zullen in een draaiboek of protocol nadere richtlijnen worden gesteld.

In bijzondere omstandigheden kan deze eerste termijn, op verzoek van de overtreder, verlengd worden. Hierbij moet vooral gedacht worden aan overmachtsituaties (noodzakelijke materialen zijn niet tijdig leverbaar; onvoorziene persoonlijke omstandigheden). Betrokkene moet dan wel kunnen aantonen dat hij tijdig voldoende actie heeft ondernomen om de overtreding te be&#235;indigen. 

Hercontroles
Hercontroles vinden plaats zo spoedig mogelijk na afloop van de eerste termijn. Hierbij geldt dat naarmate de eerste termijn korter is, de hercontrole sneller plaatsvindt na afloop van die termijn. De tijd tussen afloop van eerste termijn en hercontrole is bij voorkeur niet meer dan eenderde van de eerste termijn (b.v. eerste termijn zes weken, dan hercontrole binnen twee weken na afloop van die termijn). Daarboven geldt als uitgangspunt dat een hercontrole niet later plaatsvindt dan vier weken na afloop van de eerste termijn.

Als bij hercontrole blijkt dat de overtreding niet is be&#235;indigd, ondanks de &#8220;redelijke eerste termijn&#8221;, zal een sanctiebeschikking worden opgelegd. De hersteltermijn (begunstigingstermijn) in de sanctiebeschikking zal beperkt zijn: de overtreder heeft immers al voldoende tijd gehad om het treffen van maatregelen voor te bereiden.

Als een sanctiebeschikking is opgelegd volgen de hercontroles meteen (binnen enkele dagen) na afloop van de termijnen die in de sanctiebeschikking zijn opgenomen.

Hoogte en termijnen voor dwangsommen
Er zullen richtlijnen komen voor het bepalen van hoogte en termijnen voor dwangsommen. Voor regelmatig voorkomende overtredingen zullen vaste dwangsommen en termijnen worden vastgelegd.
Een verbeurde dwangsom zal altijd ge&#239;nd worden, ook als de overtreding (na verbeuring van een dwangsom) is be&#235;indigd. Gelet op dit uitgangspunt moet ervoor gewaakt worden dat er geen situaties ontstaan die strijdig zijn met redelijkheid en billijkheid. Een dwangsom is een dwangmiddel en moet niet het karakter van strafoplegging krijgen.

Om dergelijke situaties te voorkomen, zullen o.a. de volgende richtlijnen worden gehanteerd:
een maximaal te verbeuren dwangsom mag niet veel meer bedragen dan (a) de kosten die de gemeente zou moeten maken om de overtreding door middel van bestuursdwang te be&#235;indigen of (b) het financi&#235;le voordeel dat de overtreder heeft. Deze beperkingen gelden niet voor dwangsommen die ook in belangrijke mate erop gericht zijn om herhaling van de overtreding te voorkomen.
dwangsommen mogen niet te snel oplopen (dwangsombedragen per dag worden niet toegepast tenzij een overtreding binnen een dag be&#235;indigd kan worden)
in een dwangsombeschikking hoeft de &#8220;dwangsom per periode&#8221; niet een vast bedrag te zijn; er kan ook gewerkt worden met steeds hogere bedragen. In de periode 2005-2006 is regelmatig gewerkt met een lage dwangsom (per periode) gedurende het begin van de looptijd van de dwangsombeschikking, en vervolgens een aanmerkelijk hogere dwangsom.
na iedere verbeurte van een dwangsom, wordt de dwangsom onverwijld ingevorderd zodat de overtreder zich bewust is van de ernst van de dwangsomoplegging. Hierbij wordt een korte betalingstermijn aangehouden. Bij niet tijdige betaling wordt, na een aanmaning, zonodig een deurwaarder ingeschakeld. 
in bijzondere situaties kan het bestuur op verzoek van de overtreder (artikel 5.34 Awb) of ambtshalve de dwangsombeschikking gemotiveerd opschorten (zonodig met terugwerkende kracht) zodat gedurende de termijn van opschorting geen dwangsom wordt verbeurd

Indien een ingevorderde dwangsom niet tijdig betaald wordt, zullen ook alle verdere invorderingskosten in rekening worden gebracht bij de overtreder 

Invordering kosten bestuursdwang
In geval van de toepassing van bestuursdwang, zullen de kosten altijd verhaald worden op de overtreder. Bij toepassing van bestuursdwang dient de overheid ervoor te zorgen dat de kosten zo beperkt mogelijk worden gehouden. Een rechter kan besluiten een deel van de kostenverhaal af te wijzen als hij van oordeel is dat de gemeente te hoge kosten heeft gemaakt. Ook bij kostenverhaal van bestuursdwang, zullen invorderingskosten in rekening worden gebracht indien de overtreder niet tijdig betaalt. 

Opschorting van handhaving mogelijk bij een legalisatieverzoek
Als na constatering van een overtreding een legalisatieverzoek wordt ingediend, dient dat legalisatieverzoek (b.v. een vergunningaanvraag) in behandeling te worden genomen. Op dat moment moet beoordeeld worden of het handhavingstraject wordt doorgezet of opgeschort.

Niet elk verzoek tot legalisatie zal leiden tot opschorting van de handhaving. Als het gaat om &#8216;standaardvoorschriften&#8217; of in situaties waarin het beleid duidelijk vast ligt (en geen ruimte biedt voor legalisatie), is er geen aanleiding om de handhaving op te schorten en zal het handhavingstraject doorlopen. 

Als het legalisatieverzoek niet kansloos is, dan kan het handhavingstraject opgeschort worden. Hierbij worden twee belangrijke aspect meegewogen:
de zwaarte van de maatregelen die de overtreder moet treffen om de overtreding te be&#235;indigen
de belangen van eventuele derden
Wordt het legalisatieverzoek ingewilligd, dan is verdere handhaving niet meer nodig.

Communicatie
Het sanctiebeleid van de gemeente zal op de navolgende wijze met burgers en bedrijven worden gecommuniceerd:
het beleid wordt permanent gepubliceerd op de gemeentelijke website
er komt een folder waarin het beleid wordt uiteengezet. Deze folder wordt meegestuurd met handhavingsbrieven als bij een controle een overtreding is vastgesteld
In de voorlichting zal ook aandacht besteed worden aan de toepassing van het strafrecht (zie paragraaf 3.6.4) en aan mogelijke andere maatregelen (zie paragraaf 3.6.5)
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Regels voor de graven en asbezorging" url="verordening-d0c5d4662c3baf30012c6389419000a6/versie-d0c5d4662c3baf30012c6389419000a7.html">
	<tekst>
	Uitvoeringsbesluit graven en asbezorging

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast,

gelet op artikel 10, tweede lid van de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Grootegast 2010;

b e s l u i t :

vast te stellen de volgende nadere regels voor de graven en asbezorging op de gemeentelijke begraafplaatsen.


Artikel 1. Begripsbepalingen
Deze nadere regels verstaan onder:
a.graf: een zandgraf of keldergraf;
b.grafkelder: een betonnen of gemetselde constructie waarin een lijk wordt begraven;
c.urnenkelder: een betonnen of gemetselde constructie waarin een asbus wordt bijgezet;
d.asbus: een bus ter berging van as van een overledene;
e.urn: een voorwerp ter berging van een of meer asbussen;
f.particulier graf: een graf  waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot:
1het doen begraven en begraven houden van lijken van of boven zes jaar;
2het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;
3het doen verstrooien van as;
g.particulier kindergraf:een graf  waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot:
1het doen begraven en begraven houden van lijken van beneden zes jaar;
2het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;
3het doen verstrooien van as; 
h.particulier urnengraf: een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot:
1het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;
2het doen verstrooien van as;
i.particuliere urnennis: een nis waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;

Artikel 2. Indeling en uitgifte der graven
De particuliere graven worden onderverdeeld in:
1.Graven uitgegeven voor onbepaalde tijd, bestemd voor het begraven van ten hoogste &#233;&#233;n lijk van of boven zes jaar, dan wel het bijzetten van &#233;&#233;n of twee asbussen met of zonder urn, of het verstrooien van de as van &#233;&#233;n of twee overledenen. 
Deze graven hebben de volgende afmetingen: lengte 200 cm; breedte 100 cm.
2.Kindergraven uitgegeven voor onbepaalde tijd, bestemd voor het begraven van ten hoogste &#233;&#233;n lijk van beneden zes jaar, dan wel het bijzetten van &#233;&#233;n asbus met of zonder urn, of het verstrooien van de as van &#233;&#233;n overledene.
Deze kindergraven hebben de volgende afmetingen: lengte 100 cm; breedte 80 cm.

Artikel 3. De bezorging van as
1.Particuliere urnengraven worden uitgegeven voor onbepaalde tijd en zijn bestemd voor het daarin bijzetten van &#233;&#233;n of twee asbussen met of zonder urn, dan wel het doen verstrooien van de as van &#233;&#233;n of twee overledenen.
De particuliere urnengraven hebben de volgende afmetingen: lengte 100 cm; breedte 80 cm.
2.Particuliere urnennissen worden onderverdeeld in:
aurnennissen uitgegeven voor onbepaalde tijd, bestemd voor de bijzetting van ten hoogste twee asbussen met urnen;
burnennissen uitgegeven voor onbepaalde tijd, bestemd voor de bijzetting van ten hoogste vier asbussen met urnen.
 
Artikel 4. Ontheffing.
Van het bepaalde in de artikelen 2 en 3 kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen, met inachtneming van de bepalingen in de Wet op de Lijkbezorging.

Artikel 5. Slotbepalingen
1.Deze nadere regels treden in werking op de achtste dag na de datum van uitgifte van de Streekkrant, waarin zij worden geplaatst.
2.Deze nadere regels kunnen worden aangehaald als: Regels voor de graven en asbezorging.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van burgemeester en wethouders van 
12 oktober 2010,




E. Par&#233;, secretaris                                  K.B. Dijkstra, burgemeester
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening geurhinder en veehouderij" url="verordening-d0c5d46623c35d8c0123eb25d9e30003/versie-d0c5d46623c35d8c0123eb25d9e30004.html">
	<tekst>
	Verordening geurhinder en veehouderij


De Raad van de gemeente Grootegast,
gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 5 juni 2009
gelet op de Wet milieubeheer
gelet op de Wet geurhinder en veehouderij
gelet op de bij het voorstel behorende onderbouwing als bedoeld in artikel 8 van de Wet geurhinder en veehouderij

Besluit:

vast te stellen de volgende verordening houdende regels met betrekking tot beslissingen inzake vergunningen krachtens de Wet milieubeheer voor veehouderijen, voor zover het betreft geurhinder vanwege tot die veehouderijen behorende dierenverblijven, de Verordening geurhinder en veehouderij:

Artikel 1. Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
de Wet: de Wet geurhinder en veehouderij
de Regeling: de Regeling geurhinder en veehouderij
bouwvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet 

Artikel 2. Aanwijzing gebied
Als deel van het grondgebied als bedoeld in artikel 6, derde lid van de Wet geurhinder en veehouderij waarvoor een andere afstand van toepassing is dan de afstand genoemd in artikel 4, eerste lid van de Wet wordt aangewezen: de gehele gemeente.

Artikel 3. Afwijkende waarde voor de afstand
 1.In afwijking van artikel 4, eerste lid van de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de afstand tussen een dierenverblijf waarvoor bouwvergunning is verleend voor de inwerkingtreding van deze verordening en dat is gereedgekomen uiterlijk 12 maanden na inwerkingtreding van deze verordening, en een geurgevoelig object:
 a)ten minste 50 meter indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen, en 
 b)ten minste 25 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen.
 2.De afstand als bedoeld in het eerste lid wordt gemeten op de wijze zoals is bepaald in artikel 4 van de Regeling.

Artikel 4. Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Artikel 5. Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als &#8220;Verordening geurhinder en veehouderij&#8221;.

Aldus besloten in de openbare vergadering van 16 juni 2009

De Raad voornoemd,

de voorzitter,				de griffier,



K.B. Dijkstra				H.R. Kastermans
	</tekst>
</verordening>
</folder>
<folder name="Publieke Dienstverlening">
<verordening name="Beheersregeling gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b78b5e98a0323/versie-d0c5d466192e0ce6011b78b5e98a0324.html">
	<tekst>
	Burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast;

Gelet op artikel 14 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;

Besluiten:

Vast te stellen de navolgende

beheersregeling gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens:

Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen 

Artikel 1 Begripsbepalingen 
Deze regeling verstaat onder:	
a.de Wet GBA: de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;
b.GBA: de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;
c.Bevroren bevolkingsregister: de registers die zijn ingericht op basis van de Wet op de bevolkings- en verblijfsregisters en het besluit bevolkingsboekhouding en die ingevolge de intrekking van die wet en dat besluit per 1 oktober 1994 niet meer worden bijgehouden;
d.Kwaliteitscontrole: een controle op de inhoud van gegevenselementen aan de hand van de daaraan ten grondslag liggende brondocumenten en procedures;
e.Foutverslag: het automatisch door het systeem aangemaakte overzicht van fouten die ontdekt zijn in de over het netwerk binnenkomende berichten;
f.Foutenlijst: het automatisch door het systeem aangemaakte overzicht van foutieve elementen op de persoonslijsten die zich in de GBA bevinden;
g.Autorisatie: het binnen de toepassingsprogrammatuur toekennen van het niveau van gebruikersmogelijkheden aan een persoon of bureau of het binnen de toepassingsprogrammatuur toekennen van het niveau van gegevensverstrekking aan afnemers en derden.
	
Artikel 2 
Het hoofd van bureau Bevolking is beheerder van de GBA en in die hoedanigheid informatiebeheerder en privacybeheerder. Hij kan deze beheerstaken geheel of gedeeltelijk mandateren aan een of meer aan hem ondergeschikte ambtenaren.
	
Artikel 3 
1.Burgemeester en wethouders wijzen functionarissen aan die worden belast met:
het applicatiebeheer;
het systeembeheer;
het beveiligingsbeheer;
2.Het hoofd van bureau Bevolking wijst functionarissen aan die worden belast met:
het gegevensbeheer;
de gegevensverwerking.
	
Hoofdstuk 2 Het Informatiebeheer 
	
Artikel 4.
De informatiebeheerder voorziet in:
a.een periodieke rapportage over de resultaten die voortvloeien uit de in artikel 10 bedoelde kwaliteitscontrole;
b.uitvoering van de driejaarlijkse periodieke audit GBA;
c.administratieve beheersprocedures, voor zover hier niet door of bij de Wet GBA in is voorzien;
d.melding aan de directie van inbreuken op de informatiebeveiliging.
	
Artikel 5.
De informatiebeheerder adviseert het college van burgemeester en wethouders als verantwoordelijke van de GBA over de navolgende aspecten die voortvloeien uit de GBA, te weten:
kwaliteit van de gegevens en
persoonsinformatievoorziening.
	
Artikel 6.
De informatiebeheerder beslist in overleg met de systeembeheerder over de installatie van nieuwe of gewijzigde versies van het GBA-toepassingssysteem.
	
Artikel 7.
De informatiebeheerder ziet er op toe dat:
a.de bij of krachtens de Wet opgelegde verplichtingen ten aanzien van de inrichting en bijhouding van de GBA worden nageleefd;
b.de in deze regeling opgenomen bepalingen worden nageleefd;
c.de managementsamenvatting van de driejaarlijkse periodieke GBA-audit ter kennis komt van de gemeenteraad;
d.dat alle in artikel 3 genoemde functionarissen op de hoogte zijn gesteld van de installatie van       nieuwe of gewijzigde versies van het GBA toepassingssysteem en van de gevolgen van deze      installatie;
e.onderzoek plaatsvindt naar inbreuken op de informatiebeveiliging en neemt zo nodig maatregelen om herhaling te voorkomen.
	
Hoofdstuk 3 Het Gegevensbeheer 
	
Artikel 8.
De gegevensbeheerder is verantwoordelijk voor:
a.de juistheid, actualiteit en betrouwbaarheid van de gegevens die opgenomen zijn of worden in de GBA;
b.het beheer van documentatie op het gebied van de Wet GBA en overige regelgeving op het gebied van de GBA;
c.het doorsturen van bezwaren op besluiten bedoeld in de artikelen 83 en 105 van de Wet GBA naar de commissie beroep- en bezwaarschriften van de gemeente.
	
Artikel 9.
De gegevensbeheerder is bevoegd vanuit de in artikel 8 bedoelde verantwoordelijkheid de gegevensverwerkers aanwijzingen te geven inzake de opname en bijhouding van gegevens in de GBA.
	 
Artikel 10.
De gegevensbeheerder voorziet in een periodieke kwaliteitscontrole op het bestand van persoonslijsten van ingeschrevenen.
	
Hoofdstuk 4 Het Systeembeheer 
	
Artikel 11.
De systeembeheerder is verantwoordelijk voor de continu&#239;teit van en het technisch onderhoud van het toepassingssysteem.
	
Artikel 12.
De systeembeheerder voorziet in:
a.de fysieke beveiliging van het toepassingssysteem;
b.een dagelijkse back-up die wordt ondergebracht in een daartoe uitgeruste en beveiligde ruimte op een andere locatie dan de ruimte waarin de GBA apparatuur is opgesteld;
c.de technische installatie van gewijzigde of nieuwe versies van het toepassingssysteem;
d.de beschikbaarheid van het toepassingssysteem overeenkomstig hetgeen daarover intern en met derden is overeengekomen;
e.uitwijkvoorzieningen;
f.het transport, de veilige opslag van verwijderbare gegevensdragers en deugdelijke periodieke vernietiging daarvan;
g.de logging in het toepassingssysteem voor de applicatiebeheerder, de systeembeheerder en de leverancier van het toepassingssysteem voor zover dat mogelijk is.
	
Artikel 13.
De systeembeheerder is bevoegd:
1.in overleg met de informatiebeheerder maatregelen te treffen als de continu&#239;teit van het toepassingssysteem of de daarin opgeslagen informatie acuut in het geding is; 
2.aanwijzingen te geven over:
beheer van toepassingssystemen;
beheer van bestanden;
maatregelen.
	
Hoofdstuk 5 Het Applicatiebeheer 
	
Artikel 14.
De applicatiebeheerder voorziet in:
a.een planning van periodieke gegevensverstrekking die op basis van autorisatiebesluiten van de Minister van Binnenlandse Zaken worden gedaan;
b.de communicatie bij storingen in hard- en software;
c.een bijdrage aan het oplossen van storingen binnen het toepassingssysteem;
d.maatregelen om de gevolgen van verkeerd uitgevoerde systematische verstrekkingen ongedaan te maken;
e.de bijhouding van een logboek waarin problemen, klachten en bijzondere gebeurtenissen worden bijgehouden;
f.de co&#246;rdinatie van de werkzaamheden in geval van uitwijk;
g.de rechtstreekse toegang tot de GBA van hiertoe bevoegde binnengemeentelijke afnemers;
h.de toekenning van de autorisatieniveaus die aan gegevensverwerkers zijn toegewezen;
i.de bijhouding van een verzameling van de autorisaties die zijn toegekend voor gegevensverwerking en rechtstreekse toegang;
j.de logging van medewerkers die gegevens raadplegen en muteren;
k.het testen en evalueren van nieuwe versies van het toepassingssysteem, alsmede het testen en evalueren van nieuwe apparatuur;
l.de beoordeling van de gevolgen van de installatie van nieuwe en of gewijzigde versies van het toepassingssysteem;
m.de voorlichting aan de gegevensverwerkers met betrekking tot de gevolgen van een nieuwe of gewijzigde versie van het toepassingssysteem;
n.de vormgeving en inhoud van documenten, die rechtstreeks aan de GBA worden ontleend;
o.de afhandeling van verzoeken om managementgegevens.
	
Artikel 15.
De applicatiebeheerder is verantwoordelijk voor:
a.de ondersteuning bij het gebruik van het toepassingssysteem;
b.het tijdig opschonen van de gegevensbestanden van via het netwerk ontvangen berichten, waarvan de cycli zijn afgehandeld;
c.de technische afhandeling van de periodieke gegevensverstrekking die plaatsvindt op basis van een autorisatiebesluit van de Minister van Binnenlandse Zaken c.a. en de systematische gegevensverstrekking die plaatsvindt op basis van de verordening GBA of op basis van een besluit van burgemeester en wethouders;
d.het beheer van de tabellen van de GBA;
e.het beheer van de gebruikersdocumentatie.
	
Artikel 16.
De applicatiebeheerder is bevoegd gegevensverwerkers en binnengemeentelijke afnemers die rechtstreeks toegang hebben tot de GBA aanwijzingen te geven over het gebruik van het toepassingssysteem;
	
Artike  17.
De applicatiebeheerder adviseert systeembeheer over gehele of gedeeltelijke inwerkingtreding van uitwijkprocessen en de installatie van nieuwe of gewijzigde versies van het toepassingssysteem.
	
Artikel 18.
De applicatiebeheerder neemt deel aan het externe gebruikersoverleg.
	
Hoofdstuk 6 Het  Privacybeheer 
	
Artikel 19.
De privacybeheerder is verantwoordelijk voor:
a.de inhoudelijke afhandeling van de periodieke gegevensverstrekking die plaatsvindt op basis van een autorisatiebesluit van de Minister van Binnenlandse Zaken c.a. en de systematische gegevensverstrekking die plaatsvindt op grond van de verordening GBA of op basis van een besluit van het college van burgemeester en wethouders;
b.het dagelijkse toezicht op de naleving van de privacyvoorschriften die voortvloeien uit de Wet GBA, de verordening GBA en de Wet bescherming persoonsgegevens.
	
Artikel 20.
De privacybeheerder voorziet in:
a.de afhandeling van de verzoeken overeenkomstig artikel 102, 1e  en 2e  lid van de Wet GBA;
b.de jaarlijkse bekendmaking als bedoeld in artikel 102, 5e lid van de Wet GBA
c.de behandeling van alle verzoekschriften die op basis van artikel 79, 103 en 104 van de Wet GBA worden ontvangen.
d.de behandeling van verzoeken van binnengemeentelijke afnemers tot rechtstreekse toegang tot de GBA
	
Artikel 21.
De privacybeheerder is bevoegd:
a.op grond van het in artikel 19, onder b, genoemde toezicht, alle gebruikers van het toepassingssysteem aanwijzingen te geven;
b.advies uit te brengen aan burgemeester en wethouders over alle procedures en producten die betrekking hebben op de GBA, waarbij de waarborging voor bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het geding is.
	
Artikel 22.
De privacybeheerder is betrokken bij het bij of krachtens de wet gestelde en alle bezwaarschriftenprocedures die voortvloeien uit genomen beslissingen op grond van de Wet GBA en daarbij behorende regelingen, de Wet bescherming persoonsgegevens, voorzover bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de belanghebbende aan de orde is.
	
Hoofdstuk 7 De Gegevensverwerking 
	
Artikel 23.
De gegevensverwerker voorziet in:
a.het verwerken van de gegevens overeenkomstig de Wet GBA, het Logisch Ontwerp en handleiding uitvoeringsprocedures, voorgeschreven wijze, voorzover daartoe door de applicatiebeheerder geautoriseerd;
b.het verzamelen en archiveren van de daarvoor gebruikte brondocumenten;
c.de behandeling van verzoeken als bedoeld in artikel 80, 81 en 82 van de Wet GBA;
d.de behandeling van het netwerkverkeer, met uitzondering van de periodieke gegevensverstrekking;
e.de behandeling van de foutverslagen, voortvloeiend uit de inkomende netwerkberichten;
f.de toetsing van de waarde die aan overgelegde brondocumenten kan worden toegekend aan de hand van artikel 36 van de Wet GBA en ziet er op toe dat geen gegevens worden verwerkt uit documenten, waaraan bij of krachtens de Wet GBA geen &#8220;ontleningsstatus&#8221; is gegeven;
g.de dagelijkse controle van in het systeem aangebrachte actualiseringen;
h.de toezending van de complete persoonslijst aan de geregistreerde ingeval van een:
eerste inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, en
een vervolginschrijving wegens vestiging uit het buitenland;
i.de toezending van de mededeling omtrent de hoofdlijnen van de regels betreffende de  gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens conform artikel 78, 3e lid van de Wet GBA;
j.de kennisgeving aan de geregistreerde voor wat betreft de verwerking van het verzoek omtrent
wijziging van gegevens betreffende het naamgebruik;
verwijdering van gegevens in verband met adoptie of geslachtswijziging.
      
Artikel 24.
De gegevensverwerker beslist op aangiften en/of verzoekschriften die op grond van de Wet GBA worden gedaan, voor zover hier niet op andere wijze in is voorzien.
	
Hoofdstuk 8 Slotbepalingen 

Artikel 25.
De in deze regeling opgenomen bepalingen gelden naast de GBA tevens voor het bevroren bevolkingsregister en de in de GBA aangehaakte gegevens die onder de werkingssfeer van de Wet bescherming persoonsgegevens vallen.
	
Artikel 26.
Deze regeling treedt in werking op 12 november 2002
	
Artikel 27.
Deze regeling wordt aangehaald als &#8220;GBA-beheersregeling&#8221;.
	
Artikel 28.
De beheersregeling ligt permanent voor een ieder ter inzage bij bureau Bevolking
	
Grootegast, 12 november 2002.
	
Burgemeester en wethouders van de
gemeente Grootegast
	
W.P van Boggelen, secretaris

K.B. Dijkstra, burgemeester.
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Reglement burgelijke stand" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b7919e35a0338/versie-d0c5d466192e0ce6011b7919e35a0339.html">
	<tekst>
	Vastgesteld: 25 april 1995
Inwerkingtreding: 9 mei 1995

Wijzigen vastgesteld: 18 november 1997
Inwerkingtreding: 1 januari 1998

Burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast;

Gelet op het bepaalde in artikel 16, boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1 tot en met 4 van het Besluit burgerlijke stand 1994;

Besluiten vast te stellen:

Het reglement houdende bepalingen ten aanzien van de ambtenaren van de burgerlijke stand, de buitengewone ambtenaren van de burgerlijke stand en de openstelling van het bureau van de burgerlijke stand

Artikel 1. Begripsbepaling
Het reglement verstaat onder:
a.de wet: Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek ( Wet van 14 oktober 1993 tot herziening van Titel 4 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (Stbl. 1993, 555);
b.Het besluit: Besluit burgerlijke stand 1994 (Stbl. 1994, 160) als gewijzigd bij besluit van 19 december 1994, Stbl. 900);
c.Ambtenaar van de burgerlijke stand: Een ambtenaar in dienst van de gemeente of van een andere gemeente als zodanig benoemd door burgemeester en wethouders (art. 16 leden twee en drie van Boek1 van het Burgerlijk Wetboek);
d.Buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand: Een ambtenaar in dienst van de gemeente of van een andere gemeente, of een persoon die geen ambtenaar in gemeentelijke dienst is, als zodanig benoemd door burgermeester en wethouders (art. 16, leden twee en drie van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek);
e.Gemeentehuis: Alle huizen welke bij raadsbesluit als zodanig zijn aangewezen.


Artikel 2. Ambtenaar van de burgerlijke stand, buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand
1.Het college kan tot ambtenaar van de burgerlijke stand benoemen:
a.ambtenaren in dienst van de gemeente;
b.ambtenaren in dienst van een andere gemeente;
2.Het minimum ambtenaren van de burgerlijke stand is twee.
3.Het college kan buitengewone ambtenaren van de burgerlijke stand benoemen.

Artikel 3. Benoeming
1.De ambtenaar van de burgerlijke stand wordt voor in een benoemingsbesluit te bepalen periode benoemd. Deze periode mag maximaal het tijdvak betreffen gedurende hetwelk de ambtenaar in dienst zal zijn van de gemeente.
2.De buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand wordt voor een in een benoemingsbesluit te bepalen periode benoemd. Deze periode loopt uiterlijk tot 1 januari van het jaar volgend op dat waarin de leeftijd van zeventig jaar wordt bereikt.

Artikel 4. Lokatie
De ambtenaar van de burgerlijke stand en de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand verrichten hun taken in het gemeentehuis. De ambtenaar van de burgerlijke stand en de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand kunnen, voor zover daartoe gewichtige redenen bestaan, elders binnen de gemeente hun wettelijke taken verrichten.

Artikel 5. Dagelijkse leiding
Het hoofd van het bureau Bevolking van de sector burgerzaken is belast met de dagelijkse leiding van het bureau van de burgerlijke stand.

Artikel 6. Openstelling
1.Het bureau van de burgerlijke stand is voor het publiek geopend:
a.voor huwelijksvoltrekkingen en het registreren van partnerschappen op maandag tot en met zaterdag van 0.900 uur tot 17.30 uur;
b.voor overige werkzaamheden op maandag tot en met vrijdag van 09.00 uur tot 12.00 uur en op de donderdagmiddag van 13.30 uur tot 17.00 uur.
2.Het bureau is gesloten indien de in lid 1 vastgestelde openstelling samenvalt met algemeen erkende of de daarmee gelijk gestelde feestdagen in de zin van artikel 3 van de Algemene termijnenwet of andere door burgemeester en wethouders aangewezen dagen waarop het bureau niet of slechts gedeeltelijk is geopend.
3.Het bureau van de burgerlijke stand kan op zaterdag, zondag en andere dagen dat het bureau regulier gesloten is, voor het publiek beperkt geopend zijn op door burgemeester en wethouders, na voorafgaande bekendmaking, te palen uren.
4.Het bureau van de burgerlijke stand zal op verzoek van een belanghebbende, gedaan aan burgemeester en wethouders, worden geopend op zaterdag, zondag en andere dagen dat het bureau gesloten is, indien de belanghebbende aantoont dat met de te verrichten werkzaamheden niet kan worden gewacht tot de eerstvolgende openstelling van het bureau.
5.In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders besluiten tot afwijking van in het eerste lid aangegeven uren.

Artikel 7. Slotbepalingen
1.Het reglement kan worden aangehaald als &#8220;Reglement burgerlijke stand&#8221;.
2.Het treedt in werking op 9 mei 1995.
3.De &#8220;Verordening betreffende de burgerlijke stand&#8221; vastgesteld bij raadsbesluit van 8 mei 1990 wordt ingetrokken.

Burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast

K.B Dijkstra, burgemeester

Mr. Joh. Kooistra, secretaris
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b735e0a9d030a/versie-d0c5d4662b5eba27012bbe2783c90004.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast

Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders 
Gelet op de
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens

BESLUIT:

Vast te stellen de volgende Verordening:

Verordening Gemeentelijke Basisregistratie Personen

Artikel 1 Begripsbepalingen
a.
de wet:
de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;
b.
Besluit:
het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;
c.
basisadministratie:
de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens over de bevolking van de gemeente Grootegast als bedoeld in artikel 2 
van de wet;
d.
basisregistratie personen:
de basisadministratie aangevuld met de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens over personen die niet behoren tot de bevolking van de gemeente Grootegast;
e.
GBA-V:
de verstrekkingsvoorziening als bedoeld in artikel 66a van het Besluit;
f.
verantwoordelijke:
het orgaan dat verantwoordelijk is voor de verwerking van persoonsgegevens in de basisregistratie personen en de uitvoering van het autorisatiebesluit;
g.
beheerder:
de functionaris die namens de verantwoordelijke is belast met de dagelijkse zorg voor de basisregistratie personen en het beheer van het autorisatiebesluit;
h.
autorisatiebesluit:
een besluit als bedoeld in artikel 91, eerste lid, van de wet betreffende de systematische verstrekking van persoonsgegevens uit de GBA-V of uit de basisadministraties van andere gemeenten;
i.
ingeschrevene:
degene ten aanzien van wie een persoonslijst als bedoeld in artikel 1 van de wet, in de basisadministratie is opgenomen;
j.
geregistreerde:
degene die niet behoort tot de bevolking van de gemeente Grootegast en over wie de verantwoordelijke persoonsgegevens heeft opgenomen in de basisregistratie personen;
k.
afnemer:
bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, 1e lid van de Algemene wet bestuursrecht;
l.
binnengemeentelijk afnemer:
elke afnemer die een orgaan is van de gemeente;
m.
derde:
elke andere persoon of instelling dan een afnemer, een ingeschrevene of een geregistreerde;
n.
vrije derde:
een derde als bedoeld in artikel 100 van de wet;
o.
authentiek gegeven:
een in de basisregistratie personen opgenomen gegeven dat op grond van artikel 3a van de wet als authentiek wordt aangemerkt.


Artikel 2 Verantwoordelijkheid en beheer
1De verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in de basisregistratie personen is burgemeester en wethouders;
2Beheerder van de basisregistratie personen en het autorisatiebesluit is de functionaris die daarvoor krachtens besluit van de verantwoordelijke wordt aangewezen.

Artikel 3 Doel van de basisregistratie personen
De basisregistratie personen heeft tot doel:
1de krachtens een besluit van de verantwoordelijke aangewezen binnengemeentelijke afnemers te voorzien van gegevens ter vervulling van hun taken, zodanig dat deze afnemers kunnen voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 3b en 62 van de wet;
2de krachtens een besluit van de verantwoordelijke aangewezen derden te voorzien van gegevens;
3een ingeschrevene en een geregistreerde van hem betreffende gegevens te voorzien;
4gegevens te leveren ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 4 Categorie&#235;n van personen over wie gegevens worden verwerkt 
In de basisregistratie personen worden gegevens verwerkt over ingeschrevenen en geregistreerden.

Artikel 5 Verstrekkingen uit de basisregistratie personen en toegang tot de GBA-V
1De verantwoordelijke regelt de systematische verstrekking van gegevens aan binnengemeentelijke afnemers, de toegang van die afnemers tot de basisregistratie alsmede de verbanden tussen de basisregistratie en andere gegevensverzamelingen van de gemeente;
2De verantwoordelijke regelt de verstrekking van de authentieke gegevens uit de basisadministratie aan binnengemeentelijke afnemers ingevolge het verplichte gebruik op grond van artikel 3b van de wet;
3De verantwoordelijke regelt de toegang tot de GBA-V van de binnengemeentelijke afnemers die daartoe op grond van het autorisatiebesluit zijn geautoriseerd voor de in het autorisatiebesluit genoemde publiekrechtelijke taken.

Artikel 6 Verstrekkingen aan vrije derden
1Burgemeester en wethouders kunnen gegevens uit de basisadministratie verstrekken in de gevallen als bedoeld in artikel 100 van de wet.
2Zij stellen hiervoor nadere regels.

Overige bepalingen

Artikel 7 
De verordening gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van 26 NOVEMBER 2002 wordt ingetrokken.

Artikel 8
Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie.
Artikel 9
Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening gemeentelijke basisregistratie personen Grootegast ( Verordening BRP ).

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 1 JUNI 2010.



De griffier,                                                                     De voorzitter,







de heer H. R. Kastermans                                            de heer K. B. Dijkstra








Bijlage Verordening BRP  

Algemeen

Deze verordening omvat het bestuurlijk-juridisch kader voor de persoonsinformatiehuishouding met ingang van 1 januari 2010. Vanaf genoemde datum moeten alle overheidsorganen die persoonsgegevens verwerken, deze gegevens betrekken uit de gemeentelijke basisadministratie personen. Burgers hebben dan het recht van eenmalige gegevensverstrekking. Dat wil zeggen dat de burger in het contact met de overheid de van hem in de basisadministratie bekende authentieke gegevens niet meer opnieuw hoeft te verstrekken. 

De gemeente vervult de rol van decentraal beheerder van persoonsgegevens over personen die zij tot haar eigen bevolking rekent en dient afnemers, zowel binnen als buiten de gemeente van die persoonsgegevens te voorzien. Daarnaast is de gemeente zelf ook afnemer van persoonsgegevens over personen die niet tot haar inwoners worden gerekend. De gegevens van deze personen dienen afkomstig te zijn uit de basisadministraties van de andere gemeenten of uit de centrale administratie (GBA-V) die in beheer is bij de rijksoverheid.

De wetgever verplicht de gemeente om in ieder geval de systematische verstrekkingen aan binnengemeentelijke afnemers, de bestandkoppelingen en de rechtstreekse raadplegingen van de eigen GBA in een verordening te regelen. Ook de verstrekkingen aan zogenaamde vrije derden dient bij of krachtens een verordening te worden geregeld. Deze verordening voorziet daarin en daarmee voldoet de gemeente aan de vereisten zoals gesteld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA).

Naast deze verplichtingen uit de wet GBA voor de eigen basisadministratie, is het noodzakelijk ook de verantwoordelijkheid voor en het beheer van de persoonsgegevens die afkomstig zijn van andere gemeenten of uit de GBA-V te regelen. Deze gegevens worden binnen Gemeente Grootegast opgeslagen en onderhouden in een centraal bestand, de basisregistratie personen (zie voor een definitie van dit begrip, artikel 1 onder d), en vandaar uit gedistribueerd naar de afnemers. Op dit deel van de persoonsinformatiehuishouding is de Wet bescherming persoonsgegevens van toepassing.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2. Verantwoordelijkheid en beheer

De Wet GBA wijst in artikel 2 het college van burgemeester en wethouders aan als verantwoordelijke van de basisadministratie. Opneming van die verantwoordelijkheid in de verordening is daarom op zichzelf niet nodig. Wel is het noodzakelijk de verantwoordelijkheid en het beheer van basisregistratie personen, als overkoepelende voorziening waarvan de basisadministratie deel uitmaakt, te beleggen. 

Burgemeester en wethouders wijzen de beheerder van de basisregistratie personen aan. 

Artikel 3. Doel van de basisregistratie personen

In het doel van de basisregistratie personen komt tot uitdrukking ten behoeve van welke organen en instellingen de gegevens worden geadministreerd. Bovendien geeft dit artikel aan ten behoeve waarvan deze organen en instellingen gegevens verstrekt kunnen krijgen.


Artikel 4: Categorie&#235;n van personen in de basisregistratie personen

Het verplicht gebruik van de gegevens van personen betreft zowel personen die in de basisadministratie van gemeente Grootegast zijn opgenomen c.q. in gemeente Grootegast woonachtig zijn, als in de basisadministratie van andere gemeenten. Zo dienen de gegevens van woningeigenaren die niet in gemeente Grootegast woonachtig zijn, in verband met de belastingheffing te worden betrokken uit de basisadministratie van de andere gemeente. De begrippen ingeschrevene en geregistreerde zijn bepalend voor het onderscheid tussen inwoners en niet inwoners. 

Het is om redenen van efficiency aan te bevelen om de verstrekkingen uit de basisregistratie binnen de eigen organisatie alsmede de verdere uitwerking van de verstrekking aan vrije derden over te laten aan het college, binnen de door de wet en door de raad in de verordening gestelde kaders.
	</tekst>
</verordening>
</folder>
<folder name="Sociale Zaken">
<verordening name="Boeteverordening Wet inburgering nieuwkomers" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b7d45c93f034f/versie-d0c5d466192e0ce6011b7d45c93f0350.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast,

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 6 juli 2004;
                                   
gelet op artikel 18, zevende lid van de Wet inburgering nieuwkomers, artikel 18 van de Wet werk en bijstand, de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet;

overwegende dat het opleggen van boetes bij het niet nakomen van uit de Wet inburgering nieuwkomers voortvloeiende verplichtingen bij verordening geregeld dient te worden;

B E S L U I T

vast te stellen de volgende &#8220;Boeteverordening Wet inburgering nieuwkomers 2004&#8221;

Artikel 1 Begripsbepaling
a.In deze verordening wordt verstaan onder:
b.wet: de Wet inburgering nieuwkomers (Staatsblad 1998; 261);
c.nieuwkomer: een persoon als genoemd in artikel 1, aanhef en onder a van de wet;
d.bestuurlijke boete: de bestuurlijke boete bedoelt in artikel 18, eerste lid, van de wet;
e.bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Wwb;
f.het college: het van burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast;
g.maatregel: het verlagen van de bijstand of de langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid van de Wwb.

Artikel 2 Opdracht college
Het college van burgemeester en wethouders neemt bij toepassing van artikel 18, eerste lid, van de wet de bepalingen van dit besluit in acht, onverminderd artikel 18, tweede en vierde lid van de wet.

Artikel 3 Afstemming en dringende redenen
1.Bij het opleggen van een boete wordt deze verordening in acht genomen. De boete wordt opgelegd als de nieuwkomer naar oordeel van het college zich gedraagt in strijd met artikel 2, 4, vierde lid, 8, eerste volzin, 9, eerste lid, 10 derde lid of 12, eerste lid van de wet. 
2.Als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt wordt geen bestuurlijke boete opgelegd. 
3.Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten af te zien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4 Hoogte van de boete
1.De bestuurlijke boete bedraagt 20% van de bijstandsnorm voor een maand die voor de nieuwkomer geldt of zou gelden als hij belanghebbende in de zin van de Wwb zou zijn. 
2.Het percentage van de bestuurlijke boete wordt verdubbeld, indien de nieuwkomer zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een bestuurlijke boete is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging. 

Artikel 5 Samenloop van maatregel en bestuurlijke boete
Indien de nieuwkomer bijstand ontvangt, blijft een bestuurlijke boete achterwege als voor dezelfde gedraging een maatregel, in de vorm van een verlaging van de bijstand, is opgelegd. 

Artikel 6 Nadere regels
Het college is bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking tot de uitvoering van deze verordening.

Artikel 7 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na publicatie van het raadsbesluit.

Artikel 8 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald: Boeteverordening Wet inburgering nieuwkomers, gemeente Grootegast.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 31 augustus 2004.

De secretaris,

De voorzitter,
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Cli&#235;ntenparticipatieverordening Wet werk en bijstand (WWB), Wet investeren in jongeren (WIJ) en Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b7d56ebe80364/versie-d0c5d4662c3baf30012c54d2b4ff0001.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast,

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 16 juni 2004, 

gelet op de verplichting tot cli&#235;ntenparticipatie op basis van artikel 1a van de Wet voorzieningen gehandicapten en artikel 47 van de Wet werk en Bijstand, alsmede gelet op artikel 150 van de Gemeentewet, 

BESLUIT

vast te stellen de

&#8220;Verordening Platform Cli&#235;ntenparticipatie Gemeente Grootegast&#8221;.

Artikel 1 Begripsbepaling
a.Cli&#235;ntenparticipatie: De gestructureerde wijze waarop de gemeente de zelforganisatie van belanghebbenden betrekt bij de beleidsvorming, uitvoering en evaluatie van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg), het integrale gemeentelijk gehandicaptenbeleid, de Wet werk en bijstand (Wwb) ca. en het gemeentelijk Inkomensondersteuningsbeleid; 
b.Cli&#235;ntenparticipatie Wet voorzieningen gehandicapten: De gestructureerde wijze waarop de gemeente de cli&#235;ntenvertegenwoordiging betrekt bij de totstandkoming van haar beleid en verantwoordelijkheden en verbetering van voorzieningen ter zake de uitvoering van de Wvg 
c.Cli&#235;ntenparticipatie Integraal gemeentelijk gehandicaptenbeleid: De gestructureerde wijze waarop de gemeente de cli&#235;ntenvertegenwoordiging betrekt bij de totstandkoming van een samenhangende wijze van beleid en verantwoordelijkheden, ten behoeve van de verbetering van de mogelijkheden tot gelijkwaardige maatschappelijke deelname van alle burgers met een handicap of chronische ziekte; 
d.Cli&#235;ntenparticipatie Wwb ca. en gemeentelijk Inkomensondersteuningsbeleid: De gestructureerde wijze waarop de gemeente de cli&#235;ntenvertegenwoordiging betrekt bij de totstandkoming van haar beleid en verantwoordelijkheden en verbetering van ter zake de uitvoering van de Wwb ca. en het gemeentelijk Inkomensondersteuningsbeleid 
e.Burgers met een handicap of chronische ziekte: Burgers die, ten gevolge van een langdurige lichamelijke, of verstandelijke beperking, of blijvende gezondheidsproblemen, belemmeringen ondervinden in het inrichten van hun eigen leven of hun mogelijkheden tot maatschappelijke participatie. 
f.Burgers met een uitkering: Burgers die, ten gevolge van werkloosheid of andere omstandigheden, tijdelijk of voor langere duur geheel of gedeeltelijk niet in staat zijn om zelfstandig in de kosten van levensonderhoud te voorzien en daarvoor zijn aangewezen op financi&#235;le bijstand op grond van de Wwb ca. en of het gemeentelijk Inkomensondersteuningsbeleid. 
g.Platform: De door de gemeenteraad bij verordening als zodanig ingestelde in deze gemeente actief zijnde zelforganisatie van burgers met een handicap of chronische ziekte en/of burgers die ingevolge de Wwb ca. dan wel het gemeentelijk Inkomensondersteuningsbeleid een uitkering ontvangen. 

Artikel 2 Doelstellingen
De cli&#235;ntenparticipatie heeft de volgende doelstellingen:
1.Het bewerkstelligen dat belanghebbenden bij de Wvg, het integrale gemeentelijk gehandicaptenbeleid, de uitvoering van de Wwb ca. en het Inkomensondersteuningsbeleid door zelforganisatie vanuit onafhankelijke positie door zelforganisatie vanuit onafhankelijke positie optimaal betrokken zijn bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het (mede) voor hen gevoerde gemeentelijk beleid.
2.
2.1.Het bijdragen aan de totstandkoming of verbetering van het integraal gemeentelijk gehandicaptenbeleid, gericht op het realiseren van volwaardig burgerschap en het bieden van gelijke mogelijkheden aan burgers met een handicap of chronische ziekte.
2.2.Het bijdragen aan de totstandkoming of verbetering van het gemeentelijk beleid ter zake de uitvoering van de Wwb ca., en het gemeentelijk &#8220;Inkomensondersteuningsbeleid&#8221;.

Artikel 2a Samenstelling, benoeming en zittingsduur
1Het platform telt maximaal 10 vaste leden, waarvan de meerderheid bij voorkeur tot de doelgroep kan worden gerekend en voor het overige uit vertegenwoordigers van vigerende maatschappelijke organisaties bestaat. De leden uit de doelgroep nemen zitting op persoonlijke titel. Bestuurders en ambtenaren van de gemeente Grootegast maken geen deel uit van het platform. 
2Het platform kiest uit haar midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester. Deze functies worden bekleed voor de periode van vier jaar, tenzij een functie wegens vertrek eerder vacant komt. 
3De leden worden op voordracht van het platform door burgemeester en wethouders benoemd. Bij meerdere kandidaten wordt in de voordracht de volgorde en het eventuele meerderheid- en minderheidsadvies van het platform vermeld. 
4De leden van het platform treden om de 4 jaar af. Het platform stelt een rooster van aftreden op.Leden kunnen herkozen worden. Zij kunnen maximaal 8 jaren zitting hebben in het platform. 
5Het lidmaatschap van het platform van personen behorende tot de rechthebbenden op bijstand op grond van Wwb ca. en of het Inkomensondersteuningsbeleid eindigt uiterlijk een jaar na be&#235;indiging van diens cli&#235;ntrelatie met het gemeentelijk bureau Sociale Zaken. 
6De leden van het platform en ter vergadering aanwezige deskundigen en derden zijn verplicht tot geheimhouding van al hetgeen zij in die hoedanigheid vernemen. De plicht tot geheimhouding wordt geacht bij aanstelling of bij opening van de vergadering bekend te zijn gemaakt en vervalt niet door be&#235;indiging van het lidmaatschap van het platform. 

Artikel 3 Beleidsterreinen
In het kader van de cli&#235;ntenparticipatie wordt het platform betrokken bij:
3.1Het gemeentelijk beleid met betrekking tot de Wvg; 
3.2het integrale gemeentelijk gehandicaptenbeleid, bestaande uit: 
a.voornemens, beleid of activiteiten van de gemeente gericht op het brengen van samenhang in het beleid op verschillende terreinen ten behoeve van de burgers met een handicap of chronische aandoening; 
b.het beleid op de terreinen die van invloed kunnen zijn op de mogelijkheden voor burgers met een handicap of chronische aandoening, waaronder tenminste: 
(1)sociale zaken en werkgelegenheid; 
(2)onderwijs, cultuur, sport en welzijn; 
(3)openbare orde en veiligheid; 
(4)openbare werken en grondzaken; 
(5)volkshuisvesting, ruimtelijke ordening, milieu; 
(6)personeel &amp; organisatie; 
3.3Het gemeentelijk beleid met betrekking tot de Wwb ca. en &#8220;Inkomensondersteuningsbeleid&#8221;; 
3.4En het vigerende beleid op de terreinen die hierop van invloed kunnen zijn, waaronder tenminste: 
(1)sociale zaken en werkgelegenheid 
(2)onderwijs, cultuur, sport en welzijn, 
(3)openbare orde en veiligheid 
(4)openbare werken en grondzaken; 
(5)volkshuisvesting, ruimtelijke ordening, milieu; 
(6)personeel &amp; organisatie; 
3.5In het &#8220;Protocol Platform Cli&#235;ntenparticipatie gemeente Grootegast&#8221; is vastgelegd wanneer en op welke wijze de gemeentelijke organisatie het platform bij de diverse beleidsterreinen betrekt, alsmede binnen welk tijdsbestek het platform dient te reageren; 
3.6In het &#8220;Protocol Platform Cli&#235;ntenparticipatie gemeente Grootegast&#8221; is vastgelegd wanneer en op welke wijze de gemeentelijke organisatie op adviezen en of verzoeken om informatie van het platform dient te reageren, alsmede binnen welk tijdsbestek dit dient te gebeuren. 

Artikel 4 Werkwijze
1Advies: 
a.In het kader van cli&#235;ntenparticipatie vragen burgemeester en wethouders het platform tijdig om advies; 
b.Het platform is gerechtigd om uit eigener beweging advies uit te brengen, dan wel om over zaken de beleidsterreinen genoemd in artikel 3 betreffende informatie te vragen aan, burgemeester en wethouders; 
c.Burgemeester en wethouders vragen het platform in ieder geval om advies bij de onderwerpen beschreven onder artikel 3; 
d.Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd, dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit; 
e.In het geval burgemeester en wethouders in een voorstel aan de gemeenteraad afwijken van het advies van het platform, wordt dit bij het voorstel vermeld, waarbij tevens is aangegeven op welke gronden van het advies van het platform is afgeweken; 
f.Burgemeester en wethouders voorzien het platform van de informatie ten behoeve van het naar behoren kunnen functioneren van het platform. Het betreft hier alle informatie die noodzakelijk is om beleid en uitvoering te begrijpen en om ontwikkelingen en wijzigingen te kunnen volgen. 
2Overleg: 
a.Tussen het voltallige college burgemeester en wethouders en het platform vindt minimaal eenmaal per jaar een structureel overleg plaats; 
b.Burgemeester en wethouders wijzen een vaste contactambtenaar aan als aanspreekpunt voor de communicatie met het platform; 
c.Burgemeester en wethouders wijzen per beleidsterrein een vaste ter zake kundige ambtenaar aan als aanspreekpunt voor de communicatie met het platform; 
d.Het platform komt tenminste viermaal per kalenderjaar bijeen. Het platform zorgt voor het tijdig toezenden van de agenda van haar vergadering aan de vaste contactambtenaar van de gemeente. Van haar vergadering maakt het platform schriftelijk verslag dat eveneens aan de contactambtenaar van de gemeente wordt toegezonden; 
e.Minimaal tweemaal per jaar vindt er overleg plaats tussen de contactambtenaar en vertegenwoordigers van het platform. Indien gewenst kan de vaste contactambtenaar het platform tijdens haar reguliere vergadering bezoeken. 
f.De onder b. en c. genoemde ambtenaar kan op eigen verzoek of op uitnodiging van het platform ter vergadering verschijnen voor het geven van uitleg en verstrekken van informatie over dan wel consultatie ter zake een bepaald beleidsterrein. 
g.Ten behoeve van de planning van een overleg als hiervoor genoemd onder d en e dient de betreffende ambtenaar door het platform tijdig (minimaal twee weken voorafgaand) te worden uitgenodigd, dan wel zelf tijdig aan het platform te kennen geven dat hij/zij de vergadering van het platform wenst te bezoeken. 

Artikel 5 Faciliteiten
1Burgemeester en wethouders biedt de secretaris van het platform voor de uitvoering van diens taken ambtelijke ondersteuning* ten behoeve van de volgende werkzaamheden: 
a.de voorbereiding en planning van vergaderingen; 
b.het maken van vergadernotulen; 
c.het ter vergadering uitnodigen van externe deskundigen en gemeentelijke contactambtenaren; 
d.het verzamelen van benodigde documentatie. 
* De ambtelijke ondersteuning wordt gesteld op gemiddeld maximaal 5 uur per maand. 
2.Burgemeester en wethouders stellen aan het platform jaarlijks maximaal &#8364; 1.000,00 ter beschikking ten behoeve van de volgende activiteiten: 
a.vergoeding voor deskundigheidsbevordering; 
b.vergoeding reiskosten a &#8364; 0,36 per km en eventuele verblijfskosten; 
c.onkostenvergoeding van &#8364; 10,&#8211; per lid per vergadering; 
d.aanschaf van documentatie, literatuur en vaktijdschriften; 
e.faciliteiten voor het verzorgen van voorlichting en public relations; 
f.faciliteiten in de vorm van het beschikbaar stellen van een vergaderruimte, het maken van kopie&#235;n en de verzending van stukken. 
3.Deze middelen worden zodanig ter beschikking gesteld dat het platform redelijkerwijs in staat kan worden geacht om in het kader van de uitvoering van deze verordening de belangen te behartigen van de in de gemeente woonachtige burgers. 
4.Het platform legt middels een financieel verslag binnen drie maanden na afloop van elk kalenderjaar verantwoording af over wat zij met de verkregen middelen, als bedoeld in het eerste lid heeft gedaan. Afhankelijk van de resultaten zal achteraf al dan niet bijstelling plaatsvinden. 
5.Indien er geen platform binnen de gemeente functioneert zullen burgemeester en wethouders de totstandkoming van een platform gericht op cli&#235;ntenparticipatie actief bevorderen door: 
a.een derde opdracht te geven om een zodanig platform tot stand trachten te brengen; 
b.hiervoor de financi&#235;le middelen ter beschikking te stellen; 
c.andere benodigde faciliteiten ter beschikking te stellen. 

Artikel 6 Slotbepalingen
a.Onkostenvergoedingen als genoemd in artikel 5 van deze verordening worden niet aangemerkt als inkomsten in het kader van de Wet werk en bijstand ca. en of het gemeentelijk Inkomensondersteuningsbeleid. 
b.Over van belang zijnde kwesties waarin deze verordening en het bijbehorende protocol niet voorziet treden het platform en het college van burgemeester en wethouders met elkaar in overleg. 

Artikel 7 Citeertitel en datum in werking treden
1Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening Platform Cli&#235;ntenparticipatie Gemeente Grootegast (VPCGG). 
2Het Protocol Platform Cli&#235;ntenparticipatie Gemeente Grootegast (PPCGG) wordt geacht integraal deel uit te maken deze verordening (VPCGG). 
3Deze verordening en het protocol treden in werking met ingang van 1 oktober 2004. 
4Gelijktijdig met het in werking treden van deze verordening en het protocol worden de laatstelijk bij raadsbesluit 24 november 1998 vastgestelde verordening &#8220;Cli&#235;ntenplatform Algemene bijstandswet ca. gemeente Grootegast&#8221; en de bij raadsbesluit van 17 december 2002 vastgestelde &#8220;Verordening Platform Integraal Gemeentelijk Gehandicaptenbeleid Grootegast 2003&#8221; ingetrokken. 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad d.d. 31 augustus2004,

De voorzitter,

De secretaris,
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Handhavingsverordening Wet werk en bijstand" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b6a56713402eb/versie-d0c5d466192e0ce6011b6a56713402ec.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast,
Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van &#8230; nr. &#8230; 

Overwegende dat de gemeenteraad op grond van het bepaalde in artikel 8a van de Wet werk en bijstand verplicht is bij verordening regels te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;

Besluit de volgende verordening vast te stellen:

Handhavingverordening Wet werk en bijstand

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijving
1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.
2.
a.Wwb: Wet werk en bijstand;
b.Abw: Algemene bijstandswet;
c.Algemene bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan;
d.Bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 35, eerste lid Wwb;
e.WSNP: Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen;
f.Het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast;
g.Belanghebbende: degene die bijstand heeft aangevraagd, dan wel ontvangt of heeft ontvangen. Onder belanghebbende wordt mede verstaan het gezin.

Hoofdstuk 2. Fraudepreventie

Artikel 2. Voorlichting, communicatie en controle bij aanvraag

Het college stelt jaarlijks een handhavingplan vast, waarin ondermeer aandacht wordt besteed aan fraudepreventie. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college belanghebbenden informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van bijstand verbonden zijn, en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Daarnaast beschrijft het college in het handhavingplan tenminste de wijze van controle bij de aanvraag, de handelwijze bij inconsistenties in de aanvraag, alsmede het gebruik van risicoprofielen bij de beoordeling van de aanvraag.

Artikel 3. Validering van gegevens
Het college voert bij de aanvraag bestandsvergelijkingen uit waarbij actuele gegevens worden gecontroleerd. Op grond hiervan kunnen bijstandsuitkeringen na verificatie aan veranderde omstandigheden worden aangepast.

Hoofdstuk 3. Terugvordering en verhaal

Artikel 4. Terugvordering
1.Het college vordert de kosten van bijstand boven een nader door het college vast te stellen bedrag terug in de gevallen die in de artikelen 58 en 59 van de Wwb zijn aangegeven, voorzover zich daar geen andere wettelijke regeling tegen verzet;
2.Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien;
3.Het college stelt nadere regels vast omtrent de terugvordering van bruto kosten van bijstand, kosten van invordering en wettelijke rente.

Artikel 5. Verhaal
1.Het college verhaalt de kosten van bijstand boven een nader door het college vast te stellen bedrag tot het tijdstip waarop de artikelen 56, 61 en 62 van de Wwb in werking treden in de gevallen en overeenkomstig de regels aangegeven in de artikelen 92, tweede en derde lid, tot en met 105 en artikel 141 Abw, voorzover zich daar geen andere wettelijke regeling tegen verzet;
2.Het college kan van verhaal geheel of gedeeltelijk afzien indien daarvoor, gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaald wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn;
3.Bij nader door het college vast te stellen regels kan voor de vaststelling van de hoogte van de verhaalsbijdrage naast de bestaande maatstaven een nader vast te stellen systematiek worden gehanteerd.

Artikel 6. Invordering en kwijtschelding
1.Het college stelt zich tot doel om de teruggevorderde en de op derden verhaalde bijstand optimaal in te vorderen, voorzover zich daar geen andere wettelijke regeling tegen verzet;
2.Het college kan besluiten van gehele of gedeeltelijke (verdere) invordering af te zien indien de belanghebbende:
a.een minnelijke regeling in het kader van, of analoog aan, de WSNP heeft getroffen, dan wel na het doorlopen van het gerechtelijk traject is toegelaten tot de WSNP;
b.gedurende vijf jaar ononderbroken volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
c.gedurende vijf jaar weliswaar niet ononderbroken/volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog uit eigener beweging binnen die periode heeft betaald;
d.gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten;
e.een voor het college acceptabel voorstel tot afkoop doet;
3.De in het tweede lid onder b. en c. genoemde termijn is drie jaar indien de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid Wwb;
4.Indien sprake is van recidive binnen een termijn van vijf jaar, bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid Wwb, is het gestelde in het tweede lid niet van toepassing;
5.Het tweede lid is niet van toepassing indien een opgelegde periodieke onderhoudsverplichting nog niet is ge&#235;indigd;
6.Het college stelt middels het jaarlijkse handhavingplan criteria vast voor categorie&#235;n van vorderingen en termijnen voor het verrichten van heronderzoek op vorderingen.

Hoofdstuk 4. Controle 

Artikel 7. Controle tijdens en na be&#235;indiging van de bijstand
Het college voert heronderzoeken uit om de rechtmatigheid van de uitkering te controleren, alsmede onderzoeken naar de reden van be&#235;indiging van de uitkering, binnen door het college nader te bepalen termijnen en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de rechtmatigheid van de uitkering en de wederzijds tussen het college en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan.

Artikel 8. Controlemiddelen
1.In het handhavingplan beschrijft het college tenminste de wijze van controle, de handelwijze bij inconsistenties alsmede het gebruik van risicoprofielen bij de beoordeling van inlichtingen die door belanghebbende zijn verstrekt;
2.Het college maakt ter controle voorts gebruik van bestandsvergelijkingen met actuele gegevens en van de samenloopsignalen die daaruit voortkomen;
3.Het college onderzoekt overige signalen en tips die relevant zijn voor het recht op bijstand.
 
Hoofdstuk 5. Gevolgen bij fraude

Artikel 9. Verlaging van de bijstand
Indien belanghebbende geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt, die van invloed zijn of kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald, verlaagt het college de bijstand, conform hetgeen hierover is bepaald in de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente Grootegast, onverminderd de mogelijkheid tot terugvordering van de eventueel ten onrechte ontvangen bijstand.

Artikel 10. Aangifte bij het Openbaar Ministerie
Indien een gedraging van belanghebbende als bedoeld in artikel 9 leidt tot benadeling van de gemeente van meer dan &#8364; 6.000,--, doet het College, onverminderd de mogelijkheid de bijstand te verlagen en de ten onrechte ontvangen bijstand terug te vorderen, aangifte bij het Openbaar Ministerie, in overeenstemming met de door het Openbaar Ministerie op dit punt gehanteerde uitgangspunten.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 11. Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule
1.In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college;
2.Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 12. Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als Handhavingverordening Wet werk en bijstand.

Artikel 13. Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking met ingang van &#233;&#233;n dag na bekendmaking, waarbij gelijktijdig het vigerende handhavingsbeleid, onderdeel uitmakend van het Beleidsplan Algemene bijstandswet ca. 2003, vastgesteld door ons college op 26 november 2002 en bij ons besluit van 9 december 2003 als staand beleid voor 2004, wordt ingetrokken.
 
Vastgesteld bij raadsbesluit van 14 december 2004

De Griffier,

De Voorzitter,
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Handhavingsverordening Wet werk en bijstand (WWB) en Wet Investeren in Jongeren (WIJ) 2010" url="verordening-d0c5d4662c1aff7d012c1b966d4c0049/versie-d0c5d4662c1aff7d012c1b966d4c004a.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast,
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 5 oktober 2010;

gelet op artikel 8a van de Wet werk en bijstand, artikel 12, eerste lid onderdeel c van de Wet investeren in jongeren en artikel 212 van de Gemeentewet;

overwegende dat het noodzakelijk is regels te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;

besluit vast te stellen de:

Handhavingverordening Wet werk en bijstand (WWB) en Wet investeren in jongeren (WIJ) 2010

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand, Wet investeren in jongeren en de Algemene wet bestuursrecht. 
2.In deze verordening wordt verstaan onder:
awet: de Wet werk en bijstand en/of Wet investeren in jongeren;
bbijstand: de bijstand zoals genoemd onder artikel 5, onder b van de wet en artikel 35, eerste lid van de wet, respectievelijk algemene bijstand en bijzondere bijstand;
cWIJ-norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet op de jongere van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de door het college vastgestelde verhoging of verlaging als bedoeld in de artikelen 30 tot en met 34 van de wet.
dwerkleeraanbod: het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid, een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen scholing, opleiding of sociale activering alsmede ondersteuning bij de arbeidsinschakeling.
erecidive: het binnen een periode van 12 maanden wederom verwijtbaar niet nakomen van de inlichtingenplicht;
finlichtingenplicht: de verplichtingen genoemd in artikel 17, eerste, tweede en vierde lid WWB en artikel 44 WIJ en de artikelen 28, tweede lid en 29, eerste lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
gbenadelingbedrag: het bruto of nettobedrag dat ten onrechte als uitkering is verleend op grond van de wet als gevolg van het niet- of niet-behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting;
hcollege: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast. 

Hoofdstuk 2. Preventie

Artikel 2 Voorlichting en communicatie

Het college stelt een beleidsplan vast, waarin onder andere aandacht wordt besteed aan voorlichting en communicatie. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college belanghebbenden informeert over de regelgeving en de daaraan vervatte rechten en plichten die aan het aanvragen en ontvangen van bijstand op grond van de WWB en een werkleeraanbod en een inkomensvoorziening in het kader van de WIJ verbonden zijn. Tevens worden de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet hierin omschreven.

Artikel 3 Controle bij de aanvraag en tijdens en na de be&#235;indiging van de bijstand

1.Het college beschrijft in het in artikel 2 beschreven beleidsplan de wijze van controle bij de aanvraag.
2.Het college voert controle uit op de rechtmatigheid van de uitkering, het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening , alsmede onderzoeken naar de reden van de be&#235;indiging van de uitkering, werkleeraanbod en/of inkomensvoorziening. Vorm en inhoud van de onderzoeken worden door het college vastgelegd in het beleidsplan. Op basis van deze onderzoeken neemt het college een besluit met betrekking tot de rechtmatigheid van de verstrekte uitkering, werkleeraanbod en/of inkomensvoorziening en de wederzijds tussen het college en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan.

Hoofdstuk 3. Terugvordering en verhaal

Artikel 4 Terugvordering

1.Het college vordert de kosten van bijstand boven een nader door het college vast te stellen bedrag terug in de gevallen die in de artikelen 58 en 59 van de Wwb zijn aangegeven, voorzover zich daar geen andere wettelijke regeling tegen verzet;
2.Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien;
3.Het college stelt nadere regels vast omtrent de terugvordering van bruto kosten van bijstand, kosten van invordering en wettelijke rente.

Artikel 5 Verhaal

1.Het college verhaalt de kosten van bijstand boven een nader door het college vast te stellen bedrag tot het tijdstip waarop de artikelen 56, 61 en 62 van de Wwb in werking treden in de gevallen en overeenkomstig de regels aangegeven in de artikelen 92, tweede en derde lid, tot en met 105 en artikel 141 Abw, voorzover zich daar geen andere wettelijke regeling tegen verzet;
2.Het college kan van verhaal geheel of gedeeltelijk afzien indien daarvoor, gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaald wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn;
3.Bij nader door het college vast te stellen regels kan voor de vaststelling van de hoogte van de verhaalsbijdrage naast de bestaande maatstaven een nader vast te stellen systematiek worden gehanteerd.

Artikel 6 Invordering en kwijtschelding

1.Het college stelt zich tot doel om de teruggevorderde en de op derden verhaalde bijstand optimaal in te vorderen, voorzover zich daar geen andere wettelijke regeling tegen verzet;
2.Het college kan besluiten van gehele of gedeeltelijke (verdere) invordering af te zien indien de belanghebbende:
aeen minnelijke regeling in het kader van, of analoog aan, de WSNP heeft getroffen, dan wel na het doorlopen van het gerechtelijk traject is toegelaten tot de WSNP;
bgedurende vijf jaar ononderbroken volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
cgedurende vijf jaar weliswaar niet ononderbroken/volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog uit eigener beweging binnen die periode heeft betaald;
dgedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten of een voor het college acceptabel voorstel tot afkoop doet;
3.De in het tweede lid onder b. en c. genoemde termijn is drie jaar indien de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid Wwb;
4.Indien sprake is van recidive binnen een termijn van vijf jaar, bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid Wwb, is het gestelde in het tweede lid niet van toepassing;
5.Het tweede lid is niet van toepassing indien een opgelegde periodieke onderhoudsverplichting nog niet is ge&#235;indigd;
6.Het college stelt middels het jaarlijkse handhavingplan criteria vast voor categorie&#235;n van vorderingen en termijnen voor het verrichten van heronderzoek op vorderingen.

Hoofdstuk 4. Controle 

Artikel 7 Controle tijdens en na be&#235;indiging van de bijstand/inkomensvoorziening WIJ 

Het college voert heronderzoeken uit om de rechtmatigheid van de uitkering te controleren, alsmede onderzoeken naar de reden van be&#235;indiging van de uitkering, binnen door het college nader te bepalen termijnen en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de rechtmatigheid van de uitkering en de wederzijds tussen het college en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan.

Artikel 8 Controlemiddelen

1.In het handhavingplan beschrijft het college tenminste de wijze van controle, de handelwijze bij inconsistenties alsmede het gebruik van risicoprofielen bij de beoordeling van inlichtingen die door belanghebbende zijn verstrekt;
2.Het college maakt ter controle voorts gebruik van bestandsvergelijkingen met actuele gegevens en van de samenloopsignalen die daaruit voortkomen;
3.Het college onderzoekt overige signalen en tips die relevant zijn voor het recht op bijstand.

Hoofsdstuk 5. Gevolgen bij fraude

Artikel 9 Verlaging van de bijstand

Indien belanghebbende geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt, die van invloed zijn of kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald, verlaagt het college de bijstand, conform hetgeen hierover is bepaald in de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente Grootegast, onverminderd de mogelijkheid tot terugvordering van de eventueel ten onrechte ontvangen bijstand.

Artikel 10 Aangifte bij het Openbaar Ministerie

Indien een gedraging van belanghebbende als bedoeld in artikel 9 leidt tot benadeling van de gemeente van meer dan &#8364; 10.000,--, doet het College, onverminderd de mogelijkheid de bijstand te verlagen en de ten onrechte ontvangen bijstand terug te vorderen, aangifte bij het Openbaar Ministerie, in overeenstemming met de door het Openbaar Ministerie op dit punt gehanteerde uitgangspunten.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 11 Uitvoering

De uitvoering van deze verordening berust bij het college van burgemeester en wethouders. 


Artikel 12 Onvoorziene omstandigheden 

In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 13 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als &quot;Handhavingsverordening WWB en WIJ 2010&quot;.

Artikel 14 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 november 2010.

Artikel 15 Vervallen

De verordening handhaving Wet werk en bijstand van 14 december 2004 komt te vervallen en wordt hierbij ingetrokken. 


Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 19 oktober 2010 



De voorzitter, De griffier,




Toelichting Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

De gemeenteraad stelt op hoofdlijnen het beleid rond handhaving vast d.m.v. de Handhavingverordening en geeft daarmee de gelegenheid om nadere invulling te geven aan de verordening in de vorm van beleidsregels (Handhavingplan).

Bij het bepalen van de beleidsregels zal een verdieping plaatsvinden van de verordening die zal zijn toegespitst op een sluitende aanpak van fraude.

In deze notitie wordt per hoofdstuk een toelichting gegeven op de Handhavingverordening.

Hoofdstuk 2. Preventie 

Het bestrijden van fraude verlegt zich meer en meer naar het moment waarop de potenti&#235;le klant een beroep doet op bijstand. Een goede controle op de aanvraag voorkomt dat klanten ten onrechte in de bijstand komen. De controle wordt vooraf gegaan door voorlichting en heldere communicatie over het fraudebeleid van de afdeling samenlevingszaken. 
Controle op de aanvraag wordt onder andere vormgegeven door eventuele huisbezoeken, afhankelijk van het risicoprofiel en het gebruik van SUWI-net waarin actuele gegevens staan van potenti&#235;le klanten met betrekking tot inkomen uit loon of uitkering. 
Bij preventie kan ook gebruik worden gemaakt van risicoprofielen. Aan de hand hiervan kan beter worden ingeschat of een klant fraudegevoelig is. In het Handhavingplan zal nader invulling worden gegeven aan risicoprofielen.

Hoofdstuk 3. Terugvordering en verhaal

Deze paragraaf bepaalt onder andere dat de gemeente de ten onrechte verstrekte bijstand terugvordert boven een nader vast te stellen bedrag. Hier wijzigt niets ten opzichte van de huidige situatie. De toevoeging bij art. 4 eerste lid is opgenomen omdat het principe, om daar waar mogelijk, tot terugvordering over te gaan niet absoluut is. Om te voorkomen dat teruggevorderd zou moeten worden in die gevallen waar een wettelijke regeling zich verzet tegen dat besluit is de betreffende nuance opgenomen. Te denken valt aan de bepalingen omtrent verjaring in het Burgerlijk Wetboek (BW) of de bepalingen rond het wettelijk traject van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP). Deze opsomming is echter niet limitatief, en aangezien toekomstige wetswijzigingen nog bepalingen kunnen toevoegen is gekozen voor een algemene formulering.

De zogenaamde &#8220;dringende reden&#8221; om af te zien van terugvordering en verhaal komt terug in het Handhavingplan.

Dit hoofdstuk regelt ook de wijze van incasso. Regel is dat het optimale wordt gedaan om in te vorderen. In het Handhavingplan zal het incassobeleid worden vormgegeven. Onderdeel daarvan is het vigerende beleid met betrekking tot kwijtschelding van (delen van) vorderingen, dat wordt ingezet om betaalgedrag van de debiteur te stimuleren. Als de debiteur zich houdt aan de afspraken, kan na drie of vijf (fraudevordering) jaar aflossen kwijtschelding worden overwogen. Ook een voorstel tot afkoop is onderdeel van het incassobeleid. Dit zal in de regel vooral gelden bij grote bedragen. In het Handhavingplan worden de voorwaarden voor kwijtschelding aangegeven. 

Tot slot bepaalt dit hoofdstuk de mogelijkheid om kosten, die verbonden zijn aan incasso, terug te vorderen, als ook de wettelijke rente waarmee de vordering wordt verhoogd bij wanbetaling. In het Handhavingplan zullen kosten en rente worden vastgelegd. Reeds afgedragen belastingen over de bijstand en betaalde ziekenfondspremies worden eveneens teruggevorderd. In het Handhavingplan wordt hier nader invulling aan gegeven.

Hoofdstuk 4. Controle 

Deze paragraaf gaat over de controle tijdens de bijstandsuitkering en na de be&#235;indiging. In het Handhavingplan zullen de termijnen waarbinnen deze onderzoeken moeten worden verricht en de voorwaarden waaronder, worden beschreven.
Verder bepaalt dit hoofdstuk de wijze waarop fraude wordt bestreden tijdens de uitkering. Middelen die hiervoor worden ingezet zijn de bestandkoppelingen met de Belastingdienst en het Inlichtingenbureau. Ook worden bij de bestrijding risicoprofielen ingezet. Zodoende kunnen voor de koppeling klanten worden geselecteerd die passen binnen een risicoprofiel. Deze aspecten worden in het Handhavingplan nader uitgewerkt.

Hoofdstuk 5. Gevolgen bij fraude 

Deze paragraaf regelt de verlaging van de uitkering, conform de Maatregelenverordening, als betrokkene niet aan verplichtingen voldoet of ten onrechte bijstand heeft ontvangen. Daarnaast wordt aangifte van fraude gedaan bij het Openbaar Ministerie. De voorwaarden voor aangifte worden jaarlijks afgestemd met het Openbaar Ministerie en zullen worden vermeld in het Handhavingplan. 

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Behoeft geen nadere toelichting.
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Maatregelenverordening Wet werk en bijstand" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b5a0d893d0296/versie-d0c5d466192e0ce6011b5a0d893d0297.html">
	<tekst>
	&#239;&#187;&#191;De raad van de gemeente Grootegast,
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 augustus  2004 nr. 9 inzake Maatregelenverordening
gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en overwegende dat op grond van artikel 8, eerste lid, onderdeel b Wet werk en bijstand de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het afstemmen van de bijstand, bedoeld in artikel 18 van de Wet werk en bijstand,

besluit vast te stellen de volgende verordening: 

Maatregelenverordening Wet werk en bijstand

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen 

Artikel 1. Begripsomschrijving
1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.
2. In deze verordening wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet werk en bijstand (Wwb);
b. bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5 sub c van de wet en de bijzondere bijstand bedoeld in artikel 12 van de wet;
c. maatregel: het verlagen van de bijstand of de langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van de wet; 
d. maatregel voor onbepaalde duur: de verlaging van de bijstand duurt voort, zolang het verwijtbare gedrag van belanghebbende voortduurt;
e. benadelingsbedrag: het netto-bedrag aan bijstand dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
f. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast;
g. trajectplan: een individueel plan, gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces;
h. belanghebbende: degene die bijstand ontvangt of heeft ontvangen in de periode waarop de maatregelwaardige gedraging betrekking heeft. Onder belanghebbende wordt mede verstaan het gezin.

Artikel 2. Het opleggen van een maatregel
1. Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid toont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28, tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college of zijn ambtenaren zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.
2. De maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. 

Artikel 3. Berekeningsgrondslag
1. De maatregel wordt toegepast op de bijstand.
2. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de langdurigheidstoeslag indien de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn recht op langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft. 

Artikel 4. Het besluit tot het opleggen van een maatregel 
In het besluit tot opleggen van een maatregel wordt in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaard maatregel. 
 
Artikel 5. Afzien van het opleggen van een maatregel
1. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:
a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
b. daarvoor naar het oordeel van het college dringende redenen aanwezig zijn.
2. Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.

Artikel 6. Ingangsdatum en tijdvak
1. De maatregel gaat in met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.
2. In afwijking van het eerste lid kan de afstemming van de bijstand met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand of de langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald. 
3. Een maatregel wordt voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd opgelegd. Indien een maatregel voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na drie maanden nadat het besluit tot het opleggen van de maatregel aan belanghebbende is bekendgemaakt, deze  heroverwogen. 

Artikel 7. Samenloop van gedragingen
Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de hoogste categorie als aangegeven in Hoofdstuk 2 van deze verordening. 

Artikel 8. Recidive
1. Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie, wordt het percentage van de afstemming, tenzij elders in deze verordening anders is aangegeven, verdubbeld. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5 lid 1b.
2. Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van het laatste besluit waarbij een maatregel is opgelgd, voor de derde of volgende maal schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging of een verwijtbare gedraging van een hogere categorie, kan het college de bijstand voor onbepaalde duur gedeeltelijk, dan wel geheel weigeren.
3. In afwijking van het tweede lid kan in zwaar verwijtbare gevallen de bijstand voor onbepaalde duur geheel worden geweigerd.

Hoofdstuk 2. Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid

Artikel 9. Indeling in categorie&#195;&#171;n
Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorie&#195;&#171;n:
1. Eerste categorie:
a. het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen of het niet tijdig laten verlengen van deze registratie; 
b. het niet ondertekenen of het niet aan het college verstrekken van de bijlage bij het besluit tot toekenning of voortzetting van de bijstand;
c. het niet ondertekenen of het niet aan het college verstrekken van een trajectplan;
d. het niet dan wel niet tijdig meewerken aan een door het college aan belanghebbende opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 56 of 57 van de wet.
2. Tweede categorie:
a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;
b. het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;
c. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding.
3. Derde categorie
a. gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren;
b. het niet dan wel niet tijdig meewerken aan een door het college aan belanghebbende opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de wet.
4. Vierde categorie:
a. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;
b. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder begrepen detacheringbanen en banen waarvoor een loonkostensubsidie is toegekend;
c. het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken, dan wel frustreren, van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid van de wet. 

Artikel 10. De hoogte en duur van de maatregel
1. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld op:
a. tien procent (10%) van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;
b. twintig procent (20%) van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie;
c. veertig procent (40%) van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie;
d. honderd procent (100%) van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie.
2. De periode van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid onder d. wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie. Met een besluit waarbij een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, eerste lid sub 1b.  

Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de inlichtingenplicht  

Artikel 11. Te laat verstrekken van gegevens 
1. Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van de wet niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt met toepassing van artikel 54 van de wet een maatregel opgelegd van tien procent (10%) van de bijstandsnorm gedurende een maand, onverminderd artikel 2, tweede lid.
2. Van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven. 

Artikel 12. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de bijstand
1. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.
2. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld:
a. bij een benadelingsbedrag tot &#226;&#8218;&#172; 1.000,-: 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand;
b. bij een benadelingsbedrag van &#226;&#8218;&#172; 1.000,- tot &#226;&#8218;&#172; 2.000,-: 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand;
c. bij een benadelingsbedrag van &#226;&#8218;&#172; 2.000,- tot &#226;&#8218;&#172; 4.000,-: 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand;
d. bij een benadelingsbedrag van &#226;&#8218;&#172; 4.000,- of meer: 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand.

Artikel 13. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de bijstand
1. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt er een maatregel van tien procent (10%) van de bijstandsnorm gedurende een maand, onverminderd artikel 2, tweede lid.
2. Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven. 

Hoofdstuk 4. Niet nakomen van overige verplichtingen

Artikel 14. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
1. Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.
2. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld:
a. bij een benadelingsbedrag tot &#226;&#8218;&#172; 1000,-: 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand;
b. bij een benadelingsbedrag van &#226;&#8218;&#172; 1000,- tot &#226;&#8218;&#172; 2000,-: 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand;
c. bij een benadelingsbedrag van &#226;&#8218;&#172; 2000,- tot &#226;&#8218;&#172; 4000,-: 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand;
d. bij een benadelingsbedrag van &#226;&#8218;&#172; 4000,- of meer: 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand.

Artikel 15. Niet verlenen van de gevraagde medewerking
Indien een belanghebbende niet de gevraagde medewerking heeft verleend die nodig is voor de uitvoering van de wet bedoeld in artikel 17, tweede lid van de wet, wordt na toepassing van artikel 54 van de wet een maatregel van tien procent (10%) van de bijstandsnorm gedurende een maand opgelegd, onverminderd artikel 2, tweede lid.

Artikel 16. Niet tonen van een identificatiebewijs
Indien een belanghebbende op verzoek niet een identiteitsbewijs kan tonen als bedoeld in artikel 17, derde en vierde lid van de wet, wordt na toepassing van artikel 54 van de wet een maatregel van tien procent (10%) van de bijstandsnorm gedurende een maand opgelegd, onverminderd artikel 2, tweede lid.

Artikel 17. Zeer ernstige misdragingen
Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, wordt onverminderd artikel 2, tweede lid, een maatregel opgelegd van minimaal twintig procent (20%) van de bijstand gedurende een maand. 

Hoofdstuk 5. Handhaving

Artikel 18. Handhavingbeleid
Het college biedt jaarlijks een handhavingplan aan de raad aan met daarin het te voeren beleid op  gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet en de te verwachten resultaten en rapporteert hierover jaarlijks aan de raad.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 19. De inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking met ingang van &#195;&#169;&#195;&#169;n dag na bekendmaking

Artikel 20. Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente Grootegast.

Vastgesteld bij raadsbesluit van 31 augustus 2004

De Griffier,

De Voorzitter,
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Maatregelenverordening WIJ 2010" url="verordening-d0c5d4662c1aff7d012c1bb0a3030061/versie-d0c5d4662c1aff7d012c1bb0a3030062.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 5 oktober 2010,
gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet, en de artikelen 12, eerste lid, onderdeel b en 41, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren; 

overwegende dat het noodzakelijk is het verlagen van uitkeringen van jongeren van 18 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar bij wijze van sanctie bij verordening te regelen; 

besluit vast te stellen de: 

Maatregelenverordening WIJ 2010.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet investeren in jongeren en de Algemene wet bestuursrecht.
2.In deze verordening wordt verstaan onder:
ade wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ);
bWIJ-norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet op de jongere van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op grond van dat hoofdstuk door het college vastgestelde verhoging of verlaging conform de Toeslagenverordening WIJ 2010 Grootegast;
cmaatregel: de verlaging van de inkomensvoorziening op grond van artikel 41, eerste lid WIJ;
dbenadelingsbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als inkomensvoorziening of werkleeraanbod op grond van de wet;
ehet college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast
3.In deze verordening wordt mede verstaan onder benadelingsbedrag: de kosten van het werkleeraanbod.

Artikel 2  Het opleggen van een maatregel

1.Onverminderd artikel 42 van de wet, verlaagt het college, overeenkomstig deze verordening, het bedrag van de aan de jongere toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere naar het oordeel van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet, of de uit artikel 30c, tweede lid of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel zich jegens het college zeer ernstig misdraagt.
2.Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere en kan daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde maatregelen.

Artikel 3 Berekeningsgrondslag

De maatregel wordt toegepast op de voor de jongere van toepassing zijnde WIJ-norm.

Artikel 4 Het besluit tot oplegging van een maatregel

In het besluit tot opleggen van een maatregel wordt in ieder geval vermeld: de reden van de
maatregel, de duur van de maatregel, het bedrag waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd
en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.

Artikel 5 Horen van belanghebbende

1.Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de jongere in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
2.Het horen van de jongere kan achterwege worden gelaten indien:
ade vereiste spoed zich daartegen verzet;
bde jongere reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;
cde jongere niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 11, vierde lid, van de wet, werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 44 van de wet; of
dhet college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.

Artikel 6 Afzien van het opleggen van een maatregel

1.Onverminderd artikel 41, tweede lid, van de wet, ziet het college af van het opleggen van een maatregel indien:
ade gedraging meer dan &#233;&#233;n jaar v&#243;&#243;r constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte inkomensvoorziening is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden;
bhet college dringende redenen aanwezig acht;
celke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt
2.Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de jongere daarvan schriftelijk mededeling gedaan.


Artikel 7 Ingangsdatum maatregel

1.De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de jongere is bekendgemaakt. 
2.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de ingangsdatum daardoor niet voor de datum van de gesanctioneerde gedraging komt te liggen. 

Artikel 8 Samenloop gedragingen

1.Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt &#233;&#233;n maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel opgelegd.
2.Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van &#233;&#233;n of meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit niet verantwoord is.

Hoofdstuk 2 . Het niet nakomen van de arbeidsverplichtingen 

Artikel 9 Indeling in categorie&#235;n

Gedragingen van de jongere inhoudende het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de wet, worden onderscheiden in de volgende categorie&#235;n:
1e categorie:
ahet onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan met betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;
bhet zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.
2e categorie:
ahet stellen van onredelijke eisen in verband met door de jongere te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;
bhet niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen van de arbeidsbekwaamheid;
chet niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling;

Artikel 10 De hoogte en duur van de maatregel 

1.De maatregel wordt vastgesteld op:
a10 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de eerste categorie;
b20 procent van de WIJ-norm bij gedrgingen van de tweede categorie;
2.In afwijking van het eerste lid kan van het opleggen van een maatregel worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van 1 jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jongere een schriftelijke waarschuwing is gegeven.
3.De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op een maand;
4.In afwijking van het vorige lid kan de duur van de maatregel worden verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zienop grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.

Hoofdstuk 3 . Het niet nakomen van de inlichtingenplicht

Artikel 11 Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente 

1.Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van het werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.
2.De maatregel bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende wijze vastgesteld:
abij een benadelingsbedrag tot &#8364; 1000,-: 10 procent van de WIJ-norm gedurende &#233;&#233;n maand;
bbij een benadelingsbedrag van &#8364; 1000,- tot &#8364; 2000,-: 20 procent van de WIJ-norm gedurende &#233;&#233;n maand;
cbij een benadelingsbedrag van &#8364; 2000,- tot &#8364; 4000,-: 40 procent van de WIJ-norm gedurende &#233;&#233;n maand;
dbij een benadelingsbedrag van &#8364; 4000,- of meer: 100 procent van de WIJ-norm gedurende &#233;&#233;n maand.
3.Van een maatregel wordt afgezien:
azodra ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen;
bzodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat het Openbaar Ministerie een schikking met belanghebbende heeft getroffen.

Artikel 12 Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente 

1.Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid van de wet, niet heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van het werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening, wordt een verlaging opgelegd van 10 % van de WIJ-norm.
2.De duur van de verlaging wordt vastgesteld op &#233;&#233;n maand.
3.In afwijking van het tweede lid kan de duur van de verlaging worden verdubbeld indien de jongere zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een verlaging wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te merken gedraging (recidive). 
4.Bij een derde en volgende verwijtbare gedraging als bedoeld in lid 1 binnen 12 maanden na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging als bedoeld in lid 1 wordt een verlaging van de WIJ-norm opgelegd voor de duur van 12 maanden.
5.Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. 

Hoofdstuk 4. Zeer ernstige misdragingen

Artikel 13 Zeer ernstige misdragingen

Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt indien de jongere zich, tegenover het college, zijn ambtenaren en/of derden die in opdracht van het college belast zijn met de uitvoering van (onderdelen van) de wet, zeer ernstig misdraagt als bedoeld in artikel 41, eerste lid van de wet, een maatregel opgelegd van 20% van de WIJ-norm gedurende &#233;&#233;n maand.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 14 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 november 2010

Artikel 15 Naamgeving

Deze verordening kan worden aangehaald als: Maatregelenverordening WIJ 2010.


Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 oktober 2010



De griffier, De voorzitter,


Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

Begripsbepalingen

De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende betekenis als in de WIJ. De term &#8216;WIJ-norm&#8217; wordt in deze verordening gebruikt. Daarmee wordt bedoeld de van toepassing zijnde norm, inclusief toeslag/verlaging. Het equivalent in de WWB, de bijstandsnorm (artikel 5, onderdeel c, WWB) is in de WIJ zelf niet opgenomen en gedefinieerd. Wel wordt in de memorie van toelichting tweemaal gesproken van &#8216;inkomensvoorzieningsnorm&#8217;, waarmee kennelijk hetzelfde begrip wordt bedoeld. In artikel 41 WIJ is opgenomen dat het bedrag van de inkomensvoorziening wordt verlaagd; bedoeld is echter de norm. Omdat hantering van het begrip &#8216;inkomensvoorzieningsnorm&#8217; of &#8216;bedrag van de inkomensvoorziening&#8217; de leesbaarheid niet ten goede komt, is het begrip &#8216;WIJ-norm&#8217; ge&#239;ntroduceerd. 

Er is een omschrijving van het begrip &#8216;benadelingsbedrag&#8217; gegeven, omdat dit begrip uitgangspunt is bij het bepalen van de hoogte van de maatregel die verbonden is aan schending van de inlichtingenplicht (zie artikel 12). Aangesloten is bij de omschrijving van dit begrip in het Boetebesluit socialezekerheidswetten. In artikel 1, onderdeel s van dit Besluit is het begrip &#8216;benadelingsbedrag&#8217; gedefinieerd voor het opleggen van boetes op grond van een vijftiental socialezekerheidswetten, waaronder de IOAW en IOAZ, in verband met schending van de inlichtingenplicht. Gegeven de toelichting op dit artikel wordt onder bruto benadelingsbedrag tevens verstaan de (inmiddels) afgedragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en de vergoeding bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als bedoeld in artikel 54, vierde lid WIJ. Voor zover er ten tijde van het maatregelbesluit nog geen sprake is geweest van afdracht aan belastingen etc. , bijvoorbeeld omdat de teveel verstrekte inkomensvoorziening reeds is terugbetaald in hetzelfde kalenderjaar als waarin de inkomensvoorziening ten onrechte is verstrekt, blijft het benadelingsbedrag uiteraard beperkt tot een netto bedrag. 

Onder benadelingsbedrag wordt niet slechts verstaan de ten onrechte verstrekte uitkering (inkomensvoorziening) maar ook het werkleeraanbod, eveneens conform artikel 1, onderdeel s van het Boetebesluit. Analoog aan het Boetebesluit is daarnaast in het tweede lid nog expliciet bepaald dat onder benadelingsbedrag in deze verordening mede wordt verstaan de kosten die de gemeente maakt voor het ten onrechte toegekende en/of uitgevoerde werkleeraanbod. Die kosten zullen niet altijd eenvoudig zijn vast te stellen, maar als het een voorziening betreft die de jongere ten onrechte heeft benut, is het meestal wel mogelijk om een raming te maken van de daaraan verbonden kosten. Deze kosten tellen mee voor het bepalen van de hoogte van de maatregel bij schending inlichtingenplicht. Dit wordt verder uitgewerkt in beleidsregels. 

Artikel 2 Het opleggen van een maatregel

Eerste lid
Herhaald is de wettelijke grondslag voor het opleggen van een maatregel (artikel 41, eerste lid, WIJ). In de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving wordt dit afgeraden, niettemin is deze grondslag omwille van de leesbaarheid, duidelijkheid en consistentie, evenals in de het VNG-model van de Maatregelverordening WWB, hier herhaald. Verwezen wordt naar artikel 42 WIJ om aan te geven dat de imperatief voorgeschreven verlaging middels een maatregel niets afdoet aan intrekking van de inkomensvoorziening vanwege intrekking van het werkleeraanbod. Als daartoe wordt besloten, dan komt verlaging veelal niet meer aan de orde.

Tweede lid
Het college dient een op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de jongere en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken jongere afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. 

Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen en kan zowel zijn gebaseerd op de ernst van de gedraging als de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de jongere. afzonderlijk. 

Waar verderop in de verordening gedragingen worden genormeerd, kan daarvan dus worden afgeweken op de genoemde gronden. Dat is om redactionele redenen expliciet verwoord, zodat bij de normering van de maatregelen in het vervolg van de verordening niet steeds hoeft te worden gesteld dat de maatregel een x-percentage bedraagt &#8216;onverminderd artikel 2, tweede lid&#8217;, m.a.w. met de mogelijkheid af te wijken. 

Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen: 
Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. 
Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid. 
Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de jongere. 
De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6. Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn: 
&#8226; bijzondere financi&#235;le omstandigheden van de jongere, zoals bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financi&#235;le tegemoetkoming mogelijk is; 
&#8226; sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld; 
&#8226; bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid. 

Artikel 3 Berekeningsgrondslag

In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over de toepasselijke WIJ-norm. Zie artikel 1 voor een begripsomschrijving.


Artikel 4 Het besluit tot oplegging van een maatregel

Het verlagen van de inkomensvoorziening omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat een besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en deugdelijk is gemotiveerd (afdeling 3.7 Awb). 

Artikel 5 Horen van belanghebbende

Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die betrekking hebben op een financi&#235;le aanspraak (artikel 4:12), behalve bij subsidies. 

In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht. 

Artikel 6 Afzien van het opleggen van een maatregel

Naast de redenen genoemd in dit artikel waarin afgezien kan worden van het opleggen van een maatregel wordt verwezen naar artikel 41, tweede lid, WIJ waarin is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Daarnaast is het denkbaar dat in plaats van het opleggen van een maatregel eerst een waarschuwing wordt gegeven. 

Eerste lid 
Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder a. geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan &#233;&#233;n jaar geleden hebben plaatsgevonden. 

Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als gevolg waarvan ten onrechte inkomensvoorziening is verleend of een te hoog bedrag aan inkomensvoorziening is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die gelet op artikel 14e van de Algemene bijstandswet gold in verband met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen. 

Ten slotte kan in individuele omstandigheden wegens dringende redenen worden afgezien van het opleggen van een maatregel. Van dringende redenen is sprake als de gevolgen van het opleggen van een maatregel onaanvaardbaar zijn. Dat vergt een beoordeling van de situatie van de jongere maar daarvan zal niet spoedig sprake zijn.

Tweede lid 
Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive.

Artikel 7 Ingangsdatum maatregel

Eerste lid 
Het verlagen van de WIJ-norm die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode. De gemeente hoeft in dat geval niet over te gaan tot herziening van de inkomensvoorziening en het te veel betaalde bedrag aan inkomensvoorziening terug te vorderen. Om die reden is in dit artikel vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende WIJ-norm. 

Tweede lid 
Is toepassing van lid 1 niet aan de orde, omdat de inkomensvoorziening reeds be&#235;indigd is, dan biedt het tweede lid de mogelijkheid dat met terugwerkende kracht een maatregel worden opgelegd. Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de jongere is uitbetaald, is het praktisch om de verlaging van de uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de inkomensvoorziening wel worden herzien en teruggevorderd. 

Dat is ook nog mogelijk indien de inkomensvoorziening reeds is uitbetaald. Uit de jurisprudentie van de Raad blijkt dat de uiterste begrenzing ligt op het moment waarop de gedraging plaatsgevonden heeft. Wordt een dergelijke maatregel opgelegd, dan moet een tevens besluit tot herziening van de inkomensvoorziening op grond van artikel 40, derde lid, WIJ worden genomen.

Artikel 8 Samenloop gedragingen

Is sprake van verschillende gedragingen (meerdaadse samenloop) dan dient voor iedere gedraging afzonderlijk het maatregelpercentage te worden berekend en gelijktijdig te worden opgelegd, tenzij dit niet verantwoord is. Uitgangspunt is dat een jongere altijd moet kunnen blijven beschikken over 50% van de WIJ-norm. In voorkomende gevallen kan de maatregel over meerdere maanden worden uitgesmeerd. Daarnaast dient altijd de individuele toets aan artikel 2, tweede lid te worden toegepast. 

Hoofdstuk 2 . Het niet nakomen van de arbeidsverplichtingen 

Artikel 9 Indeling in categorie&#235;n

Bij de indeling in categorie&#235;n is aangesloten bij de maatregelenverordening WWB. De uitwerking in categorie&#235;n spreekt voor zich.

Artikel 10 Hoogte en duur van de maatregel

De standaard duur van een maatregel is &#233;&#233;n maand. Indien binnen &#233;&#233;n jaar na bekendmaking van het besluit waarmee een eerdere maatregel is opgelegd sprake is van een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de maatregel.

Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts &#233;&#233;n keer worden toegepast. Indien de jongere na een tweede verwijtbare gedraging wederom hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de jongere. Een zwaardere maatregel dan in geval van recidive is dan doorgaans verdedigbaar. 

Hoofdstuk 4 . Het niet nakomen van de inlichtingenplicht

Artikel 11 Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente 

Eerste en tweede lid
De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het bedrag aan inkomensvoorziening dat als gevolg van de schending van die verplichting ten onrechte of te veel aan de jongere is betaald. De maatregel wordt in de regel toegepast op de toekomstige inkomensvoorziening van de jongere maar kan ook met terugwerkende kracht worden opgelegd, zie artikel 7, tweede lid. 

Derde lid
Het opleggen van een sanctie in reactie op schending van de inlichtingenplicht is in beginsel een verantwoordelijkheid van de gemeente zelf. In de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude hebben de Procureurs-generaal echter richtlijnen gegeven onder welke omstandigheden ter zake van de aan de schending klevende strafrechtelijke delicten (veelal oplichting en valsheid in geschrifte) vervolging door het OM moet plaatsvinden.
Per 1 januari 2009 is de bestaande Aanwijzing sociale zekerheidsfraude gewijzigd (zie Stcrt. 2008/187).

Uitgangspunt is het zogenaamde &#8216;una via&#8217;-beginsel. De jongere wordt hetzij door de gemeente, hetzij door de strafrechter gesanctioneerd. Niet door beide. In grote lijnen komt het erop neer dat als er een redelijk vermoeden bestaat dat het benadelingsbedrag (bruto) &#8364; 10.000 of hoger is, er aangifte en vervolging door het OM dient plaats te vinden. Is er echter sprake van &#8216;witte&#8217; fraude (door koppeling van bestanden etc. aan het licht gebracht), dan is de gemeente primair verantwoordelijk tot een benadelingsbedrag van &#8364; 35.000. Is de benadeling groter dan is altijd het OM aan zet. Dat geldt ook voor gevallen waarin er met de jongere geen uitkeringsrelatie meer bestaat en dus geen maatregel meer kan worden toegepast. In het derde lid is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als inmiddels vervolging is ingesteld door het OM of als een schikking is getroffen. In dergelijke situaties is een maatregel niet meer opportuun.

Artikel 12 Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente

Eerste lid
Artikel 9 heeft betrekking op relatief lichte schendingen zoals het niet tijdig inleveren van de inkomstenverklaring of het niet naar behoren verstrekken van inlichtingen die van belang kunnen zijn bij de arbeidsinschakeling. Essentieel is dat het moet gaan om inlichtingen die, als ze wel tijdig zouden zijn verstrekt, geen consequenties hebben voor (de hoogte van) het recht op de inkomensvoorziening of het recht op het toekennen of uitvoeren van het werkleeraanbod.
In het eerste lid is de verlaging bepaald op 10%.
Tweede lid
In het tweede lid is de duur van de verlaging bepaald op een maand.
Derde lid
Indien binnen &#233;&#233;n jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een herhaling van de verwijtbare gedraging als bedoeld in het eerste lid, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de verlaging van de inkomensvoorziening. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, bekend is gemaakt. 
Vierde lid
Van volharding is sprake bij een derde en volgende gedraging van de gedraging als bedoeld in het eerste lid binnen 12 maanden na de laatste verwijtbare gedraging. Omdat een verlaging voor de duur van 12 maanden relatief grote gevolgen heeft, geldt hier bij uitstek het vereiste van een zorgvuldige belangenafweging. Het college is daarbij verplicht een besluit tot verlaging van de inkomensvoorziening binnen een termijn van ten hoogste 3 maanden te heroverwegen (artikel 41, derde lid WIJ). De heroverweging is geregeld in artikel 12 van deze verordening.
Vijfde lid
Dit lid spreekt voor zich.

Hoofdstuk 4 . Zeer ernstige misdragingen

Artikel 13 Zeer ernstige misdragingen

Onder de term &apos;zeer ernstige misdragingen&apos; kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. De gemeente kan alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het vaststellen van het recht op een werkleeraanbod en/of inkomensvoorziening. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WIJ (zie ook de Algemene toelichting op dit onderdeel). In artikel 41, eerste lid, WIJ wordt gesproken over &apos;het zich jegens het college zeer ernstig misdragen&apos;. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. Of dit ook &#8216;a contrario&#8217; betekent dat geen maatregel kan worden opgelegd als er sprake is van zeer ernstige misdragingen jegens externe uitvoerders van de WIJ, zoals het UWV-WERKbedrijf, re-integratiebedrijven, opleidingsinstituten e.d. is niet duidelijk. De Centrale Raad van Beroep heeft zich daar tot dusver niet over uitgelaten.

Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een jongere zich ernstig heeft misdragen, zal evenzeer gekeken moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de jongere. Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden onderscheiden: a. verbaal geweld (schelden); b. discriminatie; c. intimidatie (uitoefenen van psychische druk); d. zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); e. mensgericht fysiek geweld; f. combinatie van agressievormen.

Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.

Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. In een agressieprotocol zal de relatie worden gelegd met het maatregelenbeleid ten aanzien van agressieve klanten, dit zal gebeuren in de vorm van beleidsregels.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 14 Inwerkingtreding

Dit artikel spreek voor zich.

Artikel 15 Naamgeving

Dit artikel spreekt voor zich.
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Re&#239;ntegratieverordening Wet werk en bijstand" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b598f560d0281/versie-d0c5d466192e0ce6011b598f560d0282.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast,
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van  20 augustus 2004, nr. 8, inzake Re&#239;ntegratieverordening en re&#239;ntegratieplan
gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, de artikelen 7 en 8 en 10 tweede lid van de Wet werk en bijstand, de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers,

besluit vast te stellen de volgende verordening

Re&#239;ntegratieverordening Wet werk en bijstand


Paragraaf 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
a.uitkeringsgerechtigden: personen met een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand, de Ioaw of de Ioaz;
b.Anw-ers: personen met een uitkering volgens de Algemene nabestaandenwet die ingeschreven zijn bij het CWI;
c.niet-uitkeringsgerechtigde (nugger): een persoon als bedoeld in artikel 6 onder a van de wet, die als werkzoekende staat geregistreerd bij de Centrale organisatie werk en inkomen en die geen uitkeringsgerechtigde is;
d.jongeren: uitkeringsgerechtigden, Anw-ers en Nuggers niet ouder dan 23 jaar;
e.belanghebbende: een persoon die behoort tot de doelgroep (artikel 1 sub a tot en met d) die aanspraak maakt op een voorziening of aan wie een voorziening wordt geboden;
f.Werknemers in gesubsidieerde arbeid: werknemers als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet;
g.de wet: de Wet werk en bijstand (Wwb);
h.Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
i.Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
j.Awb: de Algemene wet bestuursrecht;
k.het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast;
l.de raad: de gemeenteraad van de gemeente Grootegast;
m.wettelijk minimumloon: het wettelijk minimumloon dat van toepassing is op de werknemer, exclusief werkgeverslasten;
n.voorziening: een voorziening bedoeld in artikel 7 eerste lid onder a van de wet, deze verordening en het re&#239;ntegratieplan als bedoeld in artikel 3 eerste lid;
o.ondersteuning: het geheel van activiteiten, al dan niet onderdeel uitmakend van een volledig re&#239;ntegratietraject en opgenomen in een door belanghebbende en de gemeente ondertekend trajectplan, dat bijdraagt aan de inschakeling in het arbeidsproces;
p.trajectplan: een individueel plan, gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces;

Paragraaf 2 Beleid en financi&#235;n

Artikel 2. Opdracht college
1.Het college biedt aan uitkeringsgerechtigden tot 65 jaar, aan personen met een nabestaanden- of  halfwezenuitkering, niet-uitkeringsgerechtigden alsmede personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan en, voor zover het college dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die arbeidsinschakeling. Artikel 40, eerste lid van de wet is van overeenkomstige toepassing.
2.Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van een cli&#235;nt, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid.
3.Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan ondersteuning en voorzieningen.
4.De ondersteuning en/of voorzieningen die de gemeente in dit kader voor belanghebbende inzet, worden vastgelegd in een trajectplan;
5.Het trajectplan bevat in ieder geval een begindatum en een geplande einddatum van de afzonderlijk ingezette instrumenten. Daarnaast moet het doel van het traject zo concreet mogelijk worden aangegeven. Het trajectplan is ondertekend en gedagtekend door het college en belanghebbende.

Artikel 3. Re&#239;ntegratieplan
1.Jaarlijks stelt het college een re&#239;ntegratieplan vast, waarin wordt aangegeven: 
een omschrijving van het beleid ten aanzien van de verschillende doelgroepen; 
een omschrijving van het inkoopbeleid;
het beschikbare budget en een verdeling van de beschikbare middelen over de verschillende voorzieningen;
de criteria voor het ontheffingenbeleid ten aanzien van de arbeidsverplichting, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de combinatie van  arbeid en zorg;
2.Het college zendt eenmaal per jaar aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het re&#239;ntegratieplan. 
3.Het  re&#239;ntegratieplan als bedoeld in het eerste lid alsmede het verslag als bedoeld in het tweede lid bevat het oordeel van de cli&#235;ntenraad en verschijnt  jaarlijks binnen het eerste kwartaal.

Artikel 4. Aanspraak op ondersteuning
1.Uitkeringsgerechtigden, Anw-ers, Nuggers alsmede personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet, hebben aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. 
2.Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria die gesteld zijn in deze verordening en het in artikel 3 genoemde re&#239;ntegratieplan.
3.Geen recht op ondersteuning bestaat indien sprake is van een voorliggende voorziening welke naar de mening van het college in voldoende mate bijdraagt aan de re&#239;ntegratie van belanghebbende.


Artikel 5. Verplichtingen, maatregel en terugvordering
1.Belanghebbende die door het college een voorziening wordt aangeboden is verplicht hiervan gebruik te maken en wel op zodanige wijze dat uitstroom naar betaalde arbeid onverkort kan plaatsvinden.
2.Belanghebbende die deelneemt aan een voorziening is gehouden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet Structuur Uitvoering Werk en Inkomen, deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden.
3.Onverminderd de verplichtingen die gelden als genoemd in het tweede lid geldt voor belanghebbende de volgende verplichtingen:
a.het verstrekken van de inlichtingen aan burgemeester en wethouders die nodig zijn voor het bepalen van een geschikt traject en/of een geschikte voorziening;
b.het verlenen van medewerking aan een onderzoek naar de mogelijkheden;
c.het naar vermogen deelnemen aan de verschillende onderdelen van het traject en dit niet frustreren;
d.na te laten al hetgeen de realisatie van het doel van het traject of van de voorzieningen belemmert.
4.Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het tweede en derde lid, kan het college de uitkering verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de Maatregelenverordening.
5.Indien belanghebbende, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het tweede en derde lid, kan het college de kosten van de voorziening dan wel de subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen.

Artikel 6. Diverse plafonds en criteria 
1.Het college kan in het re&#239;ntegratieplan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij  de aanspraak op een specifieke voorziening.
2.Het college kan een plafond voor het aantal personen en/of een inkomen- en vermogenscriteria instellen om in aanmerking te komen voor een specifieke voorziening. Een door het college ingesteld plafond voor het aantal personen en/of inkomen- en vermogenscriteria vormt een weigeringsgrond bij  de aanspraak op een specifieke voorziening.

Paragraaf 3 Voorzieningen

Artikel 7. Algemene bepalingen over voorzieningen
1.In het re&#239;ntegratieplan als bedoeld in artikel 3 wordt vastgelegd welke voorzieningen het college in ieder geval kan aanbieden, alsmede de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.
2.Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, aan een voorziening nadere verplichtingen verbinden.
3.Het college kan een voorziening be&#235;indigen:
a.indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in artikel 9 van de wet niet nakomt;
b.indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van de wet;
c.indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze voorziening;
d.indien naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling.
4.In het re&#239;ntegratieplan kan het college ten aanzien van de voorzieningen nadere regels stellen. Deze regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op:
a.de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden;
b.de weigeringsgrond(-en) bij het aanbieden van voorzieningen;
c.de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of &#8211; vaststelling;
d.de aanvraag, van en de besluitvorming over subsidies;
e.de betaling van subsidies en het verlenen van voorschotten;
f.het vragen van een eigen bijdrage;
g.overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het verstrekken van subsidies.

Artikel 8. Werkstages
1.Het college kan aan uitkeringsgerechtigden een werkstage aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling.
2.Het doel van de werkstage is het opdoen van werkervaring dan wel het leren functioneren in een arbeidsrelatie.
3.Het college plaatst de persoon alleen indien door zijn plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden be&#239;nvloed en er geen verdringing plaatsvindt.
4.In het re&#239;ntegratieplan stelt het college regels ten aanzien van het doel en de duur van de werkstage, het aantal uren per week, wijze van begeleiding en de verplichtingen die aan de werkstages worden verbonden. Dit mondt uiteindelijk uit tot een schriftelijke (stage-)overeenkomst.

Artikel 9. Sociale activering
1.Het college kan aan uitkeringsgerechtigden als onderdeel van een re&#239;ntegratietraject activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering.
2.Onder sociale activering wordt verstaan het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten ter voorbereiding op een traject uitsluitend gericht op arbeidsinschakeling.
3.In het re&#239;ntegratieplan stelt het college regels ten aanzien van de duur, het aantal uren per week die aan de  sociale activering worden verbonden.

Artikel 10. Detacheringsbanen uitgevoerd door een re&#239;ntegratiebedrijf 
1.Het college kan aan een uitkeringsgerechtigde een dienstverband aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling. De beleidsaanbeveling ten aanzien van Loonkostensubsidie en Europese regelgeving, vermeld in de verzamelbrief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 april 2004, wordt geacht integraal deel uit te maken van deze verordening.
2.De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst.
3.Een werknemer wordt alleen geplaatst indien door zijn plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden be&#239;nvloed en er geen verdringing plaatsvindt.
4.In het re&#239;ntegratieplan stelt het college regels ten aanzien van de van toepassing zijnde rechtspositie, de duur, alsmede het aantal uren per week die aan de detacheringsbanen worden verbonden. 

Artikel 11. Loonkostensubsidies gericht op re&#239;ntegratie
1.Het college kan subsidie verstrekken aan werkgevers die met uitkeringsgerechtigden een arbeidsovereenkomst sluiten gericht op arbeidsinschakeling. De beleidsaanbeveling ten aanzien van Loonkostensubsidie en Europese regelgeving, vermeld in de verzamelbrief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 april 2004, wordt geacht integraal deel uit te maken van deze verordening.
2.De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden be&#239;nvloed en er geen verdringing plaatsvindt. 
3.In het re&#239;ntegratieplan stelt het college regels ten aanzien van de duur en de hoogte van de subsidie, alsmede de verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden. 

Artikel 12. Scholing
1.Het college kan een vorm van scholing aanbieden gericht op arbeidsinschakeling.
2.De in het eerste lid bedoelde scholing kan aangeboden worden in de vorm van een subsidie.
3.Het college stelt in het re&#239;ntegratieplan regels ten aanzien van de noodzakelijkheid, de duur en de maximale kosten van de scholing.

Artikel 13. Inkomstenvrijlating
1.Het college kan aan de uitkeringsgerechtigde overeenkomstig artikel 31 tweede lid onder o van de wet voor bepaalde tijd inkomsten uit part-time arbeid vrijlaten. 
2.Het college stelt in het re&#239;ntegratieplan regels ten aanzien van de voorwaarden wanneer er recht bestaat, alsmede de duur en de hoogte van de inkomstenvrijlating. 


Artikel 14. Overige vergoedingen
1.Het college kan een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling. 
2.Het college stelt in haar re&#239;ntegratieplan regels over de doelgroep, wanneer er recht bestaat op een vergoeding, alsmede de duur en de hoogte van de vergoeding.

Paragraaf 4 Slotbepalingen

Artikel 15. Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 16. Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als &#8220;Re&#239;ntegratieverordening Wet Werk en Bijstand gemeente Grootegast&#8221;

Artikel 17. Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op &#233;&#233;n dag na bekendmaking

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 31 augustus 2004 

de voorzitter

de griffier
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Toeslagenverordening Wet werk en bijstand" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b692bd8f502c1/versie-d0c5d466192e0ce6011b692bd8f502c2.html">
	<tekst>
	De Raad van de gemeente Grootegast,
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Grootegast d.d. 16 december 2003,
gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel c en 30 van de Wet werk en bijstand,
overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het verlagen van uitkeringen
van bijstandsgerechtigden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar bij verordening te regelen;
besluit vast te stellen de volgende:

Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004

HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen

Artikel 1
1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.
2.In deze verordening wordt verstaan onder:
a.de wet: de Wet werk en bijstand;
b.gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel c, van de wet;
c.verzorgingsbehoevende: degene die is aangewezen op verzorging ter voorkoming van opname in een verpleeg- of verzorgingstehuis.

Artikel 2
1.De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen indien beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar zijn.
2.De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing artikel 18, eerste lid, van de wet onverlet.

HOOFDSTUK 2. Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm

Artikel 3 - Toeslagen
1.De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;
2.De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning &#233;&#233;n ander zijn hoofdverblijf heeft;
3.De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 5 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning twee of meer anderen hun hoofdverblijf hebben.
4.Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft:
a.kinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 23 jaar met een inkomen;
b.meerderjarige kinderen met studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000;
c.meerderjarige kinderen met een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
d.verzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden verzorgd; 

HOOFDSTUK 3. Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag

Artikel 4 - Verlaging gehuwden
1.De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden die een woning delen met &#233;&#233;n of meer anderen.
2.Het vierde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5 - Verlaging woonsituatie
De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt:
a.20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen kosten van huur of hypotheeklasten verbonden zijn;
b.10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond wordt.

Artikel 6 - Verlaging Schoolverlaters
De verlaging als bedoeld in artikel 28 van de wet bedraagt 25 procent van de gehuwdennorm.

Artikel 7 - Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar
1.De verlaging als bedoeld in artikel 29 van de wet bedraagt:
a.20 procent van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende van 21 jaar betreft;
b.10 procent van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende van 22 jaar betreft.
2.In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de hoogte van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag, indien deze toeslag minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing van lid 1 zou leiden.
3.De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van een belanghebbende op wie artikel 6 van toepassing is.

Artikel 8 - Anti-cumulatiebepaling
De toepassing van de artikelen 3 tot en met 7 geschiedt zodanig, dat de toepasselijke bijstandsnorm voor belanghebbende tenminste bedraagt:
a.35 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande,
b.65 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder,
c.75 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden.

HOOFDSTUK 4. Slotbepalingen

Artikel 9 - Uitvoering
De uitvoering van deze verordening berust bij het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 10 - Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004.

Artikel 11 - Inwerkingtreding
1.Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.
2.De Bijstandsverordening vastgesteld op 20 december 1999 en laatstelijk gewijzigd bij collegebesluit van 18 januari 2000 wordt ingetrokken per 1 januari 2004.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 december 2003.


De griffier,

De voorzitter,
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Toeslagenverordening WIJ 2010" url="verordening-d0c5d4662c1aff7d012c1b5614170019/versie-d0c5d4662c1aff7d012c1b561417001a.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast,
gelezen het voorstel van burgemeester wethouders van 5 oktober 2010;

gelet op de artikelen 12, eerste lid onderdeel e, en 35, eerste lid van de Wet investeren in jongeren;
overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het verlagen van uitkeringen van jongeren van 21 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar bij verordening te regelen;
besluit vast te stellen de:

Toeslagenverordening WIJ 2010

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen
1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet investeren in jongeren en de Algemene wet bestuursrecht.
2.In deze verordening wordt verstaan onder:
ade wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ);
bgehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 28, eerste lid onderdeel d, van de wet;
chet college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast;
dwoning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op de huurtoeslag, als mede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, Wet werk en bijstand; 
ewoonkosten: 
1)indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag; 
2)indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud;

Artikel 2 Doelgroep
De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor jongeren van 21 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen indien de gehuwden beiden 21 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar zijn.

Hoofdstuk 2. Criteria voor het verhogen en verlagen van de norm en toeslag
Artikel 3 Alleenstaanden en alleenstaande ouders
1.De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;
2.De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning &#233;&#233;n ander zijn of haar hoofdverblijf heeft
3.De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 5 procent van de gehuwdennorm voor de de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning twee of meer anderen hun hoofdverblijf hebben
4.Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft:
akinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 23 jaar met een inkomen;
bmeederjarige kinderen met studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000;
cc\meerderjarige kinderen met een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
dverzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden verzorgd

Artikel 4 Gehuwden
1.De verlaging als bedoeld in artikel 32 van de wet bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden die met &#233;&#233;n of meer anderen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning;
2.Het vierde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5 Geen woonkosten
De verlaging als bedoeld in artikel 32 van de wet bedraagt:
a20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten verbonden zijn;
b10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond wordt.

Artikel 6 Schoolverlaters 
De verlaging als bedoeld in artikel 33 van de wet bedraagt 25% van de gehuwdennorm.

Artikel 7 21 en 22 jarigen
1.De verlaging bedoeld in artikel 34 van de wet bedraagt:
a20 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere van 21 jaar betreft;
b10 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere van 22 jaar betreft.
2.In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de hoogte van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag, indien deze toeslag minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing van lid 1 zou leiden.
3.De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van een jongere op wie artikel 6 van toepassing is.

Artikel 8 Anti-cumulatiebeding
De toepassing van de artikelen 3 tot en met 7 geschiedt zodanig, dat de toepasselijke bijstandsnorm voor belanghebbende tenminste bedraagt:
a35 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;
b65 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder;
c75 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden

Hoofdstuk 3. Overige bepalingen

Artikel 9 Uitvoering
De uitvoering van deze verordening berust bij het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 10 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 november 2010

Artikel 11 Naamgeving
Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening WIJ 2010.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 oktober 2010,


De griffier, De voorzitter,


Artikelsgewijze Toelichting Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
Begripsomschrijving
Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WIJ of Awb niet afzonderlijk te defini&#235;ren in de Verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de WIJ of Awb ook de Verordening moet worden gewijzigd.
Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm is gekozen, omdat de hoogte van deze norm in de WIJ zelf wordt gegeven in artikel 28, eerste lid onder d WIJ. Dit bedrag is feitelijk gelijk aan het netto minimumloon.
Evenmin als in de WWB wordt het begrip &#8216;woning&#8217; in de WIJ omschreven. Gelet op de analogie met de WWB mag aangenomen worden dat daarmee hetzelfde begrip is bedoeld als in de WWB, te weten het begrip &#8216;woning&#8217;, bedoeld in de Wet op de huurtoeslag, &#8220;een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende aanhorigheden&#8221;. 
Het begrip &#8216;woonkosten&#8217; is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de toepassing van artikel 5 (verlaging woonsituatie). Aangesloten is bij de begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de Algemene Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot 1996) was opgenomen. 
Omdat een woning ook een woonwagen of woonschip kan zijn, is tevens verwezen naar artikel 3, zesde lid WWB, waarin deze woonruimtes met een woning worden gelijkgesteld. 
Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WIJ. 

Artikel 2 Doelgroep
Artikel 2, eerste lid, van de wet omschrijft een jongere als: een hier te lande woonachtige Nederlander (of daarmee gelijkgestelde vreemdeling) van 16 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder jongeren echter verstaan de jongeren in de leeftijd van 21 jaar of ouder maar jonger dan 27 jaar.

Hoofdstuk 2. Criteria voor het verhogen en verlagen van de norm en toeslag

Artikel 3 Alleenstaanden en alleenstaande ouders
Op grond van artikel 35, tweede lid, sub a, WIJ is de gemeenteraad verplicht om te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van norm of toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in lid 1.

Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats.

Evenals in de toeslagenverordening WWB is in deze verordening als uitgangspunt gekozen voor de zgn. forfaitaire variant voor het vaststellen van de hoogte van de toeslag. Forfaitair betekent dat niet de werkelijke bestaanskosten en de mate waarin deze in concreto gedeeld worden bepalend zijn voor de hoogte van de toeslag maar de enkele veronderstelling dat het delen van kosten mogelijk is. In de jurisprudentie is de forfaitaire variant algemeen aanvaard (zie bijvoorbeeld CRvB 10 juli 2008, LJN: BD3700). 

Artikel 4 Gehuwden
In de gehuwdennorm is al rekening gehouden met het feit dat beide echtgenoten de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in de woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden. In de toeslagenverordening is gekozen voor een verlaging van de norm met 5,10 of 20 procent van de gehuwdennorm afhankelijk van hoeveel anderen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.

Artikel 5 Geen woonkosten
Als aan een woning geen woonkosten verbonden zijn, is sprake van lagere bestaanskosten dan in andere gevallen. 

Artikel 32 WIJ opent om die reden de mogelijkheid om de norm of de toeslag te verlagen. Dat is in artikel 5 gerealiseerd. Het bepaalde onder a leidt ertoe dat de norm of toeslag met 20% wordt verlaagd als de jongere geen woonkosten betaalt. Dat kan zich voordoen bij krakers, of als de woonkosten worden betaald door een derde, bijv. de ouders of de ex-partner. 

Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur of, als de jongere een eigen woning bewoont, de verschuldigde hypotheekrente en de aan het eigendom verbonden zakelijke lasten alsmede een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud (CRvB 6 november 2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW). 

Wordt de norm of toeslag verlaagd omdat de jongere geen woonkosten heeft en is hij daarnaast medebewoner, zodat de toeslag ook nog eens op die grond verlaagd wordt, dan kan dit spoedig als een te ver gaande vorm van verlaging van de uitkering worden aangemerkt, gelet op het totale effect van de dubbele verlaging (zie CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698). Op grond van het individualiseringsbeginsel zal de verlaging dan beperkt moeten worden. 

Onder b is bepaald dat als de jongere geen woning bewoont, de norm of toeslag met 10% wordt verlaagd. Deze bepaling ziet op de mogelijkheid om de uitkering van dak- en thuislozen te verlagen, omdat deze lagere bestaanskosten hebben dan jongeren die een woning bewonen. Overigens geschiedt de verlening van bijstand aan jongeren zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op grond van artikel 40 lid 1 en 2 WWB door de gemeente Groningen. Maar niet elke jongere zonder woning is een adresloze in de zin aangehaalde wet. De jongere kan immers ook de beschikking hebben over een postadres bij familie of een instantie.

Artikel 6 Schoolverlaters 
Uit de toelichting van artikel 33 WIJ blijkt dat de schoolverlaterkorting bedoeld is om de schoolverlater gedurende het eerste halfjaar niet in een veel betere financi&#235;le positie te brengen als toen hij nog aangewezen was op studiefinanciering of een tegemoetkoming krachtens Wtos. Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt naar een (voormalig) uit-of thuiswonende student. De korting mag alleen plaatsvinden gedurende het eerste halfjaar vanaf de be&#235;indiging van de studie. Dit houdt in dat wanneer de schoolverlater pas na 3 maanden van de be&#235;indiging van de studie een uitkering aanvraagt, de korting nog gedurende 3 maanden op de uitkering mag plaatsvinden. De verlaging is dan ook bedoeld als prikkel om de schoolverlater te stimuleren zo snel mogelijk aan het werk te gaan. Als de schoolverlater al een uitkering toegekend krijgt dan moet dat voor een zo&#8217;n kort mogelijke periode zijn. 

Artikel 7 21 en 22 jarigen
Artikel 34 WIJ geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te passing indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien het minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige ligt het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te passen dan voor een 22-jarige. In het tweede lid wordt geregeld, dat, overeenkomstig het bepaalde in artikel 34 WIJ, de verlaging voor een 21- of 22-jarige alleen kan plaatsvinden op de toeslag van artikel 33 WIJ.

In het derde lid wordt uitvoering gegeven aan de verplichting van artikel 35, tweede lid, sub b, WIJ om in de verordening vast te stellen dat de schoolverlatersverlaging niet gelijktijdig kan worden toegepast met de verlaging voor 21- en 22- jarigen. Voor het met voorrang toepassen van de schoolverlatersverlaging is gekozen, omdat een 21- of 22-jarige schoolverlater niet beter af is op grond van dit artikel dan een 23-jarige schoolverlater op grond van artikel 6 van de toeslagenverordening. 

Artikel 8 Anti-cumulatiebeding
De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende omstandigheden bij de jongere en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden aangemerkt. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen betekenen dat het college de inkomensvoorziening vanwege deze samenloop dermate laag zou moeten vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer zou zijn van een toereikende uitkering. In voorkomende gevallen zou het college op de grond van artikel 35, vierde lid, WIJ de inkomensvoorziening hoger moeten vaststellen. Daarom is er voor gekozen om reeds in de Toeslagenverordening een absoluut minimumbedrag vast te leggen, waarop het college de norm (inclusief eventuele toeslag en verlagingen) ten minste moet vaststellen. Dat laat onverlet dat in concrete omstandigheden het bij samenloop ook denkbaar is dat de norm hoger moet worden vastgesteld. Het individualiseringsbeginsel kan dus met zich meebrengen dat bij samenloop ook bij een een resterende norm die boven de in dit artikel genoemde percentages ligt, al aanleiding is om tot verhoging daarvan over te gaan, gelet op alle omstandigheden van de jongere.
Hoofdstuk 3. Overige bepalingen

Artikel 9 Uitvoering
Dit artikel spreek voor zich.

Artikel 10 Inwerkingtreding
Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 11 Naamgeving
Dit artikel spreekt voor zich.
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening aanvullende inkomensondersteuning" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b69622e2302d6/versie-d0c5d466192e0ce6011b69622e2302d7.html">
	<tekst>
	Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen:
a.
Netto minimumloon:

de som van het netto minimumloon en de netto aanspraak op de



minimum vakantiebijslag, bedoeld in artikel 37, eerste lid Wet werk



en bijstand (Wwb);
b.
Bijstandsnorm:

de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21 Wwb inclusief



de toeslag als bedoeld in artikel 25, 29 en 30 Wwb, dan wel een



verlaging als bedoeld in artikel 26, 27, 28 en 29 Wwb, vastgelegd in de 



toeslagen- en afstemmingsverordening artikel 8, eerste lid, onderdeel



c Wwb, exclusief het gereserveerde vakantiegeld;
c.
Inkomen:

inkomen als bedoeld in artikel 32 en 33 Wwb;
d.
Inkomensgrens:

120% van de toepasselijke bijstandsnorm (exclusief vakantiegeld)



voor hetgeen bepaald in hoofdstuk 2, hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4



&#167;1.17 en &#167;33;
e.
Vermogen:

vermogen als bedoeld in artikel 34 Wwb;
f.
Vermogensgrens:

de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid Wwb;
g.
Het college:

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente



Grootegast of haar gemandateerde;
h.
Belanghebbende:

Degene die, met inachtneming van de daartoe strekkende bepalingen



als genoemd in 40 Wwb, zijn woonplaats heeft in de gemeente



Grootegast en wiens belang rechtstreeks bij een besluit krachtens



deze verordening is betrokken;
i.
Alleenstaande:

de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen



gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een



bloedverwant in de eerste graad;
j.
Alleenstaande ouder:

de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn



last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met



een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
k.
Gezin:

de gehuwden tezamen; de gehuwden met de tot hun last komende



kinderen; de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende



kinderen;
l.
Gehuwd:

als gehuwd of als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde



die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het



Betreft een bloedverwant in de eerste graad;
m.
Ten laste komend kind:

het kind (het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind) jonger



dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde 



aanspraak op kinderbijslag kan maken;
n.
Zwemactiviteiten:

gedacht moet worden aan zwemabonnementen en zwemlessen tot en



met zwemdiploma B;
o.
Sociaal-culturele

gedacht moet worden aan bezoek theater, bioscoop en uitvoeringen,

activiteiten:

alsmede lidmaatschap toneel- of zangvereniging;
p.
Sociaal-educatieve

gedacht moet worden aan het volgen van educatieve en creatieve

activiteiten:

cursussen/lessen;
q.
Muziekschool:

gedacht moet worden aan onderwijs in het bespelen van een



muziekinstrument;
r.
Identificatiebewijs:

gedacht moet worden aan een identiteitskaart of een paspoort;
s.
Duurzame

gedacht moet worden aan huishoudelijke apparatuur, woningstoffering

gebruiksgoederen:

en &#8211;meubilering alsmede aan vervoersmiddelen;
t.
Tegemoetkoming:

een financi&#235;le tegemoetkoming van in beginsel 100%, tenzij in de



verordening een bedrag wordt genoemd;
u.
Maximale tegemoetk.

per kalenderjaar wordt per categorie (alleenstaande, alleenstaande



ouder of gezin) een maximum gesteld aan de te verstrekken



tegemoetkomingen, als bedoeld in hoofdstuk 2 artikel 1 lid 2 t/m 10



van deze verordening;
v.
Problematische schuld

hiervan is sprake wanneer er meer dan 2 schuldeisers zijn die niet



bereid zijn om een betalingsregeling te treffen en/of er sprake is van



een totale schuld hoger dan 36 maal de aflossingsruimte in het



inkomen, rekening houdende met de beslagvrije voet (90% van de



bijstandsnorm), waarbij de som van de maandelijkse aflossingen



hoger is dan de aflossingscapaciteit (inkomen minus 90% van de



bijstandsnorm) en/of het aantoonbaar niet mogelijk is om schulden



te herfinancieren;
w.
Schuldsanering:

een kredietbedrag (x-percentage van de totale schuld) tegen finale 



kwijting;
x.
Schuldbemiddeling:

bemiddeling door de Groningse Kredietbank tussen schuldeisers en



schuldenaar om middels een maandelijkse aflossing tot oplossing



van de schuldproblematiek te komen;
v.
Krediet om niet:

geldbedrag dat niet behoeft te worden terugbetaald (a fonds perdu);
z.
CWI:

Centrum Werk en Inkomen;
Z1.
Pro-actief

Op basis van informatie die bij de gemeente bekend is, worden



belanghebbenden gericht aangeschreven om ze te attenderen op de



regelingen die deze verordening in  hoofdstuk 2, artikel 2, eerste lid



en artikel 3 biedt. Zij kunnen een aanvraag realiseren door de



aangehechte antwoordkaart in te vullen, te ondertekenen en in te



dienen.

Artikel 2. Beperkingen:
Geen recht op een tegemoetkoming op grond van deze verordening heeft belanghebbende:
a.aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
b.die zijn militaire of vervangende dienstplicht vervult;
c.die wegens werkstaking of uitsluiting niet deelneemt aan de arbeid, voor zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is;
d.die in Nederland zijn woonplaats heeft doch die, langer dan de gebruikelijke vakantieduur (4 weken aaneengesloten), verblijf houdt buiten Nederland;
e.die jonger is dan 18 jaar;
f.die in een inrichting verblijft;
g.die onderwijs of een beroepsopleiding volgt als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 of in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
h.die onbetaald verlof geniet als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van de Werkloosheidswet of die gehuwd is met een zodanig persoon, voor zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is;
i.die in het betreffende kalenderjaar de maximale tegemoetkoming heeft bereikt;

Artikel 3. Inlichtingen- en medewerkingsplicht:
1.De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs  duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op een tegemoetkoming, het geldend maken van het recht op tegemoetkoming, de hoogte of de duur van de tegemoetkoming, of op het bedrag van de tegemoetkoming dat aan hem wordt betaald.
2.De belanghebbende is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor uitvoering van deze verordening. 

Artikel 4. Aanvraag:
1.Aanvragen in het kader van deze verordening zijn gericht aan het college en worden ingediend bij het bureau Sociale Zaken op een daarvoor door het college bestemd formulier onder overlegging van bewijsstukken van alle relevante gegevens.
2.Ingeval er sprake is van het pro-actief verstrekken van een tegemoetkoming, kan het indienen van een aanvraag bestaan uit het invullen en ondertekenen van een antwoordkaart die belanghebbende van de gemeente heeft ontvangen.
3.Aanvragen in het kader van Hoofdstuk 2, artikel 1 lid 2 t/m 10 worden nog in behandeling genomen indien zij uiterlijk binnen het eerste kwartaal volgend op het onderhavige kalenderjaar worden ingediend.

Artikel 5. Betaling:
Betaling vindt aan belanghebbende achteraf plaats nadat de kosten aantoonbaar zijn gemaakt, tenzij anders in deze verordening vermeld.

Artikel 6. Terugvordering:
1.Een tegemoetkoming die als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 2 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, wordt van de belanghebbende teruggevorderd.
2.Hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald wordt teruggevorderd voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.
3.Terugvordering als bedoeld in het tweede lid vindt niet plaats, indien  de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar v&#243;&#243;r de datum van verzending van het besluit tot terugvordering. 
 
Hoofdstuk 2. Participatiefonds &#8220;Doe Met&#8221;
Artikel 1. Doelgroep:
Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming op grond van het participatie-fonds &#8220;Doe Met&#8221;, moet u aan de volgende voorwaarden voldoen:
1.u woont in de gemeente Grootegast;
2.u bent 18 jaar of ouder;
3.u heeft een inkomen (niet zijnde studiefinanciering) dat niet meer bedraagt dan 120% van de voor u geldende bijstandsnorm;
4.uw (gezamenlijke) vermogen ligt op of beneden het bescheiden vermogen op grond van de Wet werk en bijstand.

Artikel 2. Voorzieningen:
De volgende voorzieningen komen voor een tegemoetkoming in aanmerking:
1.Schoolactiviteiten: Ten behoeve van &#233;&#233;n of meerdere ten laste komende kinderen die                                         schoolgaand zijn wordt per kind pro-actief een tegemoetkoming per schooljaar verstrekt. Voor kinderen die het basisonderwijs volgen geldt een tegemoetkoming van &#8364; 50,-- per kind. Voor kinderen die het voortgezet onderwijs volgen en nog geen 18 jaar zijn geldt een tegemoetkoming van &#8364; 135,-- per kind; 
2.Zwemactiviteiten;
3.Contributie sportverenigingen, zangvereniging en hobbyclubs;
4.Sociaal- culturele activiteiten;
5.Sociaal- educatieve activiteiten;
6.Bibliotheek-abonnement;
7.Peuterspeelzaal;
8.Muziekschool;
9.Abonnement dagblad en/of internet;
10.Identificatiebewijs;

Artikel 3. Maximale tegemoetkoming per categorie:				
Alleenstaande:
&#8364; 210,--
Alleenstaande ouder:
&#8364; 270,--
Gezin:
&#8364; 300,--

Artikel 4. Tegemoetkoming gemeentelijke belastingen:	
Nadat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van de kwijtscheldingsregeling overeenkomstig artikel 26 van de Invorderingswet en de ministeriele regels rondom de uitvoering daarvan, kan pro-actief een tegemoetkoming tot 100% van de (resterende) eigen bijdrage worden verstrekt. De tegemoetkoming wordt rechtstreeks aan de gemeente Grootegast betaalbaar gesteld.

Hoofdstuk 3. Steunfonds

Artikel 1. Doelgroep:
Om in aanmerking te komen voor de voorzieningen van het Steunfonds, moet u aan de volgende voorwaarden voldoen:
1.u woont in de gemeente Grootegast;
2.u bent 18 jaar of ouder;
3.u heeft een inkomen (niet zijnde studiefinanciering) dat niet meer bedraagt dan 120% van de voor u geldende bijstandsnorm;
4.uw (gezamenlijke) vermogen ligt op of beneden het bescheiden vermogen op grond van de Wet werk en bijstand.

Artikel 2. Schuldhulpverlening:
1.In die gevallen waarbij sprake is van problematische schuldsituaties kan door de Groningse Kredietbank hulp worden geboden in de vorm van schuldbemiddeling, schuldsanering en/of budgettering en bewindvoering.
2.Om voor budgettering in aanmerking te komen moet er sprake zijn van in de persoon gelegen factoren waardoor het noodzakelijk is dat de inkomstenbron en de te verrichten uitgaven door de Groningse Kredietbank worden beheerd. Dit ter beoordeling van het college, na de Groningse Kredietbank gehoord hebbende.
3.Geen recht op schuldhulpverlening heeft degene aan wie reeds eerder schuldhulpverlening is geboden, waarbij door toedoen van belanghebbende de schuldhulpverlening voortijdig is be&#235;indigd doordat niet de gevraagde medewerking is verleend die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van schuldhulpverlening. 

Artikel 3. Krediet om niet:
1.Indien er sprake is van:
een gezin met een ten laste komend kind en
een problematische schuldsituatie en
een schrijnende situatie en 
een goede motivatie om blijvend uit een schuldsituatie te geraken en
de bereidheid om volledige medewerking te verlenen aan budgettering en
de Groningse Kredietbank geen beroep kan doen op een voorliggende (krediet-)voorziening;
kan er tot maximaal &#8364; 2.300,-- een (sanerings-) krediet om niet worden verstrekt.
2.Geen recht op een krediet om niet heeft degene aan wie binnen een termijn van 5 jaar, voorafgaand aan het huidige verzoek, reeds eerder een krediet om niet is verstrekt.
 
Hoofdstuk 4. Bijzondere bijstand

&#167; 1. Algemene bepalingen bijzondere bijstandsverlening

1.1 Inleiding
Het doel van deze verordening is het formuleren van beleidsregels die de eenduidigheid in de uitvoeringspraktijk en daarmee de rechtsgelijkheid van belanghebbenden zoveel mogelijk garanderen.

Tot 1 januari 2004 konden gemeenten categoriale bijzondere bijstand verstrekken. Hierbij verstrekten de gemeenten aan een aangewezen groep personen vaste bedragen, zonder dat werd nagegaan of deze kosten noodzakelijk waren en daadwerkelijk gemaakt waren. Met de invoering van de Wwb is het niet langer toegestaan categoriale bijzondere bijstand te verstrekken. Hiervan zijn uitgezonderd mensen van 65 jaar en ouder en chronisch zieken en arbeidsgehandicapten (artikel 35, derde lid, van de Wwb). Dit wordt in paragraaf 33 verder uitgewerkt.

Onder de Wwb kan alleen bijzondere bijstand worden verstrekt in individuele gevallen als:
1.een toets plaatsvindt van de individuele bijzondere omstandigheden (die omstandigheden zelf kunnen in beleidsregels worden vastgelegd) &#233;n
2.waarbij is vastgesteld tot welke kosten die bijzondere omstandigheden leiden (de kosten kunnen in beleidsregels worden genormeerd) &#233;n
3.waarbij is vastgesteld tot welk bedrag de kosten niet kunnen worden voldaan uit de norm en de aanwezige draagkracht (ook hier weer beleidsregels) &#233;n
4.waarbij is vastgesteld of, en zo ja tot welk bedrag, onderhavige kosten gemaakt zijn.

Op grond van de regelgeving van de Wwb heeft het college van burgemeester en wethouders bij het verlenen van individuele bijzondere bijstand een grote mate van vrijheid en bepaalt zelf beleidsregels. Bij het vastleggen van deze beleidsregels blijft de kans aanwezig dat deze er toe leiden dat categorievorming ontstaat rond bepaalde groepen aanvragers en rond bepaalde kostensoorten. De staatssecretaris onderkent dit. Hij denkt echter dat dit zal meevallen, omdat gemeenten maatwerk moeten leveren. En maatwerk vereist een meetlat. Die meetlat wordt gevormd door de beleidsregels.

1.2 Juridische overwegingen
Op grond van de toelichting bij artikel 35 van de Wwb  bepaalt het college zelf welk deel van het inkomen en het vermogen bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen.  Zo zijn de vermogensvrijlatingen op grond van artikel 34 van de Wwb niet verplicht van toepassing op de bijzondere bijstand. Hetzelfde geldt ten aanzien van de toe te kennen langdurigheidstoeslag. Deze kan de gemeente in mindering brengen op het vast te stellen bedrag van bijzondere noodzakelijke kosten. Ook de vrijlating van bepaalde middelen die op basis van de Wwb van toepassing is voor de verstrekking van algemene bijstand is niet verplicht van toepassing op de bijzondere bijstand  en geeft het college beleidsvrijheid om te bepalen hoe hier mee omgegaan wordt.
De mogelijkheid om een drempelbedrag te hanteren blijft bestaan (artikel 35, tweede lid, van de Wwb).
Aan de andere kant kan het college bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen rekening houden met eventuele buitengewone lasten van de belanghebbende en/of overige persoonlijke omstandigheden.

1.3 Financi&#235;le overwegingen
Het zo hoog mogelijk vaststellen van de draagkracht door het gehele vermogen in aanmerking te nemen en op het inkomen geen vrijlatingen toe te passen en eventuele buitengewone lasten en overige persoonlijke omstandigheden buiten beschouwing te laten, leidt uiteraard tot een vermindering van de uitgaven aan bijzondere bijstand.

Daarbij kan overwogen worden dat eventueel aanwezig vermogen binnen de bijstand juist aangewend dient te worden om in bepaalde incidentele kosten te kunnen voorzien en dat veel buitengewone lasten gecompenseerd worden via bijvoorbeeld de belasting, huursubsidie of andere regelingen. Voor zover deze regelingen een maximum kennen is dat wellicht een bewuste keuze die niet bedoeld is om op de Wwb af te wentelen. Er dient echter wel overwogen te worden dat bedoelde extra faciliteiten al aangesproken worden door de extra kosten waarvoor deze verstrekt worden en dus niet nogmaals ingezet kunnen worden.

Als daarentegen voor de bepaling van de draagkracht wordt uitgegaan van hetzelfde inkomen en vermogen zoals dat al is vastgesteld voor de algemene bijstand, levert dit een consequente en eenduidige lijn op die ook in de uitvoering gemakkelijk gehanteerd kan worden.

1.4 Beleidsregels vaststellen van het inkomen
Het is zinvol om in het beleid vast te leggen hoe het inkomen van belanghebbende moet worden vastgesteld. Verder is van belang om te bepalen over welke periode het inkomen wordt vastgesteld; wordt naar een historisch inkomen gekeken of wordt rekening gehouden met een (verwacht) toekomstig inkomen?  Om reden van doelmatigheid is uitgegaan van het inkomen in het kalenderjaar waarop de kosten betrekking hebben.  

Het voor de draagkracht in aanmerking te nemen inkomen wordt bepaald aan de hand van het inkomen in de achterliggende maand(en) van de gemaakte kosten en het actuele maandinkomen. Dit wordt omgerekend naar een jaarinkomen (zie voorts paragraaf 1.7). 

1.5 Beleidsregels vaststellen van het in aanmerking te nemen inkomen
Het college kan zelf beslissen welk deel van het inkomen zij wel of niet in aanmerking neemt. Uit pragmatische overwegingen vindt de vaststelling van het inkomen bij bijzondere bijstand op dezelfde wijze plaats als bij de algemene bijstand. Daarop is &#233;&#233;n uitzondering: de langdurigheidstoeslag is op grond van wettelijke voorschriften inkomen waarmee reke-ning moet worden gehouden. Dit vertaald zich in:
1.Van het in aanmerking te nemen inkomen worden de middelen bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Wwb en artikel 33, vijfde lid, van de Wwb niet tot het draagkrachtinkomen van belanghebbende gerekend. De middelen als bedoeld in genoemde artikelen worden dus ook voor de bijzondere bijstand vrijgelaten. Het inkomen wordt dus op dezelfde wijze vastgesteld als bij de algemene bijstand.
2.Bij de vaststelling van het inkomen wordt rekening gehouden met buitengewone uitgaven.
3.Inkomsten uit arbeid van ten laste komende kinderen (artikel 31, tweede lid, onderdeel h, van de Wwb) worden  alleen vrijgelaten indien het bijzondere bijstand betreft voor kosten van een ander in de bijstand begrepen persoon dan het minderjarig kind met inkomsten uit arbeid. Betreft het een aanvraag voor het minderjarige kind zelf dan moeten deze inkomsten wel worden meegenomen.

1.6 Beleidsregels vaststellen van het in aanmerking te nemen vermogen 
Het college kan zelf beslissen welk deel van het vermogen zij wel of niet in aanmerking neemt (artikel 34 Wwb). Uit pragmatische overwegingen vindt de vaststelling van het ver-mogen bij bijzondere bijstand op dezelfde wijze plaats als bij de algemene bijstand. 

Alleen het vermogen dat meer bedraagt dan de vermogensgrens in de Wwb wordt bij de beoordeling van aanwezigheid van financi&#235;le draagkracht in aanmerking genomen. Van belang is wel dat het vermogen nog daadwerkelijk aanwezig is. Er geldt bij de beoordeling van de aanvraag dus geen &apos;fictief vermogensbegrip&apos; zoals bij de vermogensvaststelling bij aanvraag van een periodieke algemene bijstandsuitkering. 

Artikel 50 van de Wwb maakt het mogelijk om de bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van krediethypotheek dan wel pandovereenkomst te verstrekken. De voorwaarden om de bijzondere bijstand in deze vorm te verstrekken zijn genoemd in het tweede lid van dit artikel:
a.de bijstand moet over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan de hoogte van het netto minimumloon per maand inclusief vakantietoeslag als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Wwb; en
b.voorzover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d, van de Wwb.

Indien niet aan vorenstaande voorwaarden is voldaan, wordt de bijstand &#8220;om niet&#8221; verstrekt. Indien wel aan deze voorwaarden is voldaan, wordt de bijzondere bijstand in de vorm van een lening onder verband van krediethypotheek dan wel pandovereenkomst verstrekt.

Bij aanvragen in het kader van bijzondere bijstand moet overwogen worden dat de bijzondere kosten aanzienlijk kunnen zijn. Vanwege een eenduidig beleid is het redelijk dat, evenals dit bij de algemene bijstand het geval is, de overwaarde in een woning bij de beoordeling van bijzondere bijstand wordt meegeteld. Met andere woorden: bij het bepalen van het recht op bijzondere bijstand voor belanghebbende met een eigen woning zijn dezelfde regels als bij de algemene bijstand van toepassing. Voor de regels omtrent de krediethypotheek wordt verwezen naar de Verordening krediethypotheek en pandovereenkomst Wet werk en bijstand.

1.7 Vaststellen van de  in aanmerking te nemen draagkracht
Draagkracht is dat deel van het in aanmerking te nemen inkomen en het in aanmerking te nemen vermogen dat de cli&#235;nt zelf dient te betalen voor de te maken bijzondere kosten. 

Bij de bepalingen van de hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand is van belang in hoeverre belanghebbende een inkomen boven bijstandsniveau heeft en over een vermogen beschikt dat groter is dan het vrij te laten vermogen. Indien daar sprake van is, wordt verwacht dat belanghebbende zelf geheel of gedeeltelijk kan bijdragen in de bijzondere kosten.
 
De hoogte van de draagkracht wordt uitgedrukt in een percentage van het in aanmerking te nemen inkomen en vermogen. Er wordt in dit verband gesproken van draagkrachtpercentage. In het kader van de Wwb mag het college zelf bepalen met welk(e) draagkrachtpercentage(s) rekening wordt gehouden met draagkracht in het inkomen en in het vermogen. Eenvoudige en heldere regels verdienen de voorkeur:

100% indien er bijstand wordt gevraagd voor kosten die gerekend moeten worden tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan:
I.bijstand voor woonkosten;
II.bijstand voor premie arbeidsongeschiktheidsverzekering;
III.bijstand voor duurzame gebruiksgoederen;
IV.bijstand voor schulden.
35% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend kunnen worden.

Voor de vaststelling van het voor de draagkracht in aanmerking te nemen inkomen kan het college ook rekening houden met buitengewone uitgaven die ten laste van de belanghebbende komen. Deze kunnen op het inkomen in mindering worden gebracht. Denk in dit verband aan: (niet limitatief)

De woonkosten voor zover deze meer bedragen dan maximale huur waarbij nog recht op huurtoeslag bestaat. Bij een aanvraag om woonkostentoeslag blijven deze kosten uiteraard buiten beschouwing als buitengewone uitgaven.
De kosten van alimentatieverplichtingen.
De ten laste van de belanghebbende blijvende kosten in verband met studie en opleiding van zijn kinderen, tot ten hoogste het bedrag dat voor de betreffende studie of opleiding in het kader van de WSF 2000 of Wtos door het rijk is vastgesteld, verminderd met de kinderbijslag die boven de enkelvoudige kinderbijslag wordt genoten. Ontvangt het kind WSF 2000 of Wtos dan blijven deze kosten buiten beschouwing bij de bepaling van de buitengewone uitgaven.
De premie van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering (alleen bij zelfstandigen). 

In incidentele gevallen zijn er ook nog andere buitengewone uitgaven aan te wijzen die op het inkomen in mindering gebracht mogen worden. Daarbij geldt dat de volgende kosten in ieder geval niet als buitengewoon aangemerkt kunnen worden:
kosten die kunnen worden voldaan uit de algemene bijstand of een daarmee vergelijkbaar inkomen;
de uitgaven die bij een bepaald inkomensniveau gebruikelijk zijn (bijvoorbeeld tandartskosten van degenen met een boven modaal inkomen);
belastingaanslagen;
rente en aflossingen in verband met leningen. 

Draagkracht op grond van vermogen:

100% van het vermogen boven het vrij te laten vermogen.

Van het in aanmerking te nemen vermogen worden de middelen bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wwb niet tot het draagkrachtvermogen van belanghebbende gerekend. De middelen als bedoeld in genoemd artikel worden dus ook voor de bijzondere bijstand vrijgelaten. Het vermogen wordt dus op dezelfde wijze vastgesteld als bij de algemene bijstand.

In artikel 35, eerste lid Wwb wordt aangegeven dat het college het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en inkomen in aanmerking wordt genomen bepaalt. De draagkracht wordt per &#8216;draagkrachtjaar&#8217; vastgesteld. Het moment van de te maken bijzondere kosten is in dezen bepalend. Dus niet het moment van het afkomen van de nota. Tot 1 april van elk kalenderjaar kan nog bijzondere bijstand worden aangevraagd van bijzondere kosten die in het vorige kalenderjaar = draagkrachtjaar zijn gemaakt. Aanvragen die na 31 maart worden ingediend waarvan de  bijzondere kosten dateren uit een vorig kalenderjaar = draagkrachtjaar worden afgewezen. 

Deze draagkrachtcriteria gelden ook voor personen verblijvende in een inrichting. 

1.8 Vaststellen van het in aanmerking te nemen drempelbedrag
Naast de draagkracht wordt de hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand mede bepaald door de toepassing van het drempelbedrag. Het in aanmerking nemen van een drempelbedrag betekent dat voordat er sprake kan zijn van verlening van bijzondere bijstand de betreffende kosten eerst door de belanghebbende zelf moeten worden voldaan tot het drempelbedrag.

Op grond van artikel 35, tweede lid, van de Wwb mag het college maximaal een drempelbedrag opleggen van &#8364; 114,00 over een tijdvak van 12 maanden. Het is niet wenselijk een drempelbedrag opnieuw in te voeren, maar het is daarentegen ook niet wenselijk dat voor kruimelbedragen tot &#8364; 50,00 aanvragen kunnen worden ingediend. Daarom is ervoor gekozen om een drempel van &#8364; 50,00 in te voeren. Blijven de kosten onder dit bedrag dan zal een aanvraag niet in behandeling worden genomen, tenzij na afloop van het draagkrachtjaar = kalenderjaar. Zodra de kosten of een combinatie van kosten boven deze drempel uitkomen is bijzondere bijstand wel mogelijk. 

1.9 Voorliggende voorzieningen (artikel 15 Wwb)
Bijstandsverlening in bijzondere kosten is niet mogelijk indien:
de kosten kunnen worden vergoed op grond van een voorliggende voorziening;
de kosten op grond van een beleidskeuze van niet-budgettaire aard uitdrukkelijk buiten de werkingssfeer van de voorliggende voorziening zijn gelaten;
de kosten op grond van de voorliggende voorziening niet worden vergoed nadat een individuele beoordeling heeft plaatsgevonden;
het kosten van of in verband met ontwikkelingsgeneeskunde betreft.

Bijstandsverlening is wel mogelijk indien:
er geen daadwerkelijk beroep op de voorliggende voorziening mogelijk is;
de betreffende kosten (deels) om budgettaire redenen niet of niet langer op grond van een voorliggende voorziening worden vergoed (denk aan eigen bijdragen);
voor de betreffende kosten geen voorliggende voorziening bestaat;
er sprake is van zeer dringende redenen.

Het niet doen van een beroep op een voorliggende voorziening kan op zich niet als afwijzingsgrond voor een bijstandsaanvraag dienen. Er zal eerst beoordeeld moeten worden of de belanghebbende voor de voorziening in aanmerking komt. Zo ja, dan moet de bijstand worden geweigerd. Zo nee, dan moet toekenning van bijstand volgen. Bij gerede twijfel kan bijstand worden toegekend waarbij de verplichting wordt opgelegd om binnen een vast te stellen termijn een beroep te doen op de voorziening.

Eigen bijdragen Zorgverzekering
Op 1 januari 2006 is de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet op de zorgtoeslag van kracht. Deze stelselwijziging in de zorg geeft iedere Nederlander een scala van keuzemogelijkheden. Zo kan men kiezen uit een natura- of restitutiepolis; wel of geen eigen risico en diverse aanvullende- en tandartsverzekeringen. 

Uit het oogpunt van het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid wordt in het kader van het verlenen van bijzondere bijstand als uitgangspunt gehanteerd dat belanghebbende een zorgverzekering afsluit in de vorm van een naturapolis met een eigen risico van &#8364; 0,00 en minimaal de voordeligste variant van een aanvullende verzekering (bij Menzis ExtraVerzorgd 1) en een tandartsverzekering gelijkwaardig aan TandVerzorgd 3 bij Menzis. Deze uitgangspunten vormen ook de basis tot het kunnen toetreden tot de collectieve aanvullende zorgverzekering (Garant Noord pakket) bij Menzis. 

Heeft verzekerde gekozen voor een eigen risico, waardoor er een korting op de maandelijkse premie is toegekend, dan wordt er ter hoogte van dit eigen risico geen bijzondere bijstand verstrekt. 

Heeft verzekerde geen aanvullende verzekering en/of tandartsverzekering als bovenvermeld afgesloten, dan wordt ter hoogte van de dekking die deze verzekeringen zouden bieden in beginsel geen bijzondere bijstand verstrekt. Zie voorts paragraaf 1.17 en 2.

Belanghebbenden die wegens wanbetaling niet voor ziektekosten verzekerd zijn, omdat hun polis wegens een premieachterstand is be&#235;indigd, zullen worden geadviseerd om zich zo spoedig mogelijk weer aan te melden bij een nieuwe verzekeraar. Er zal hun door deze nieuwe verzekeraar, die een acceptatieplicht heeft, weliswaar een boete van 130% van de premie over de periode dat men niet verzekerd is geweest worden opgelegd. Acceptatie is niet afhankelijk van de betaling van deze boete. Zodra de nieuwe verzekering tot stand is gekomen, is de toegang tot de zorg weer gegarandeerd. Ziektekosten gemaakt tijdens de periode van niet verzekerd zijn, komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Deze kosten worden als schuld aangemerkt. Schuldsanering, dan wel &#8211;bemiddeling, is in dezen het aangewezen traject.

Eigen bijdragen AWBZ/Collectieve zorgverzekering
Eigen bijdragen van kostensoorten die slechts ten dele door de AWBZ, dan wel de collectieve aanvullende zorgverzekering, worden vergoed, komen in beginsel in aanmerking voor bijzondere bijstand. Indien een collectieve aanvullende zorgverzekering is afgesloten, vervalt veelal de eigen bijdrage of wordt deze minder. Voor het recht op bijzondere bijstand is derhalve ook het gemeentelijk beleid inzake de collectieve aanvullende zorgverzekering van belang. Dit betekent dat geen bijzondere bijstand wordt verstrekt voor zover de collectieve aanvullende zorgverzekering deze kosten vergoedt.

1.10 Bijstand op grond van zeer dringende redenen (artikel 16, eerste lid Wwb)
Artikel 13 van de Wwb geeft een aantal situaties aan waarin geen recht op bijstand bestaat. Artikel 16, eerste lid, van de Wwb  geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid in geval van zeer dringende redenen toch bijstand te verstrekken wanneer geen recht op bijstand bestaat. 
In bijzondere gevallen dient, wanneer zich daartoe zeer dringende redenen voordoen, de mogelijkheid aanwezig te zijn om een persoon die geen recht op bijstand heeft, toch financieel bij te staan. Vast dient te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is.

1.11 Alleen meerkosten zijn bijzondere kosten
Alleen de meerkosten komen voor bijzondere bijstandsverlening in aanmerking. Dit betekent dat kosten, die normaal gesproken geacht worden voor rekening te komen van de belanghebbende, afgetrokken worden van de te verstrekken bijstand. Als er bijvoorbeeld bijstand wordt verstrekt voor afwijkend schoeisel, worden de normale kosten van schoenen afgetrokken van de te verlenen bijstand. In dezen wordt het budgethandboek van Nibud als leidraad gehanteerd. 

1.12 Individualiseringsbeginsel (artikel 18 van de Wwb)
Uitgangspunt is dus dat bijzondere bijstand verstrekt dient te worden wanneer op grond van individuele bijzondere omstandigheden iemand noodzakelijke kosten moet maken die niet uit de algemene bijstand kunnen worden voldaan. Op deze wijze wordt recht gedaan aan het individualiseringsbeginsel ingevolge artikel 18 van de Wwb.

De individuele omstandigheden en de afstemming van de bijstand brengen ook met zich mee dat bijzondere bijstand kan worden toegekend zonder dat er sprake is van een daartoe strekkende aanvraag (ambtshalve).

Het individualiseringsbeginsel is ook van toepassing op de berekende draagkracht. Dit betekent dat de berekende draagkracht op grond van de bijzondere individuele omstandigheden hoger of lager vastgesteld kan worden. Dit ter beoordeling van burgemeester en wethouders.

1.13 Geen noodzaak op grond van wet (artikel 14 Wwb)
Kosten met betrekking tot de volgende zaken worden niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend:
het voldoen aan alimentatieverplichtingen;
de betaling van een boete;
geleden of toegebrachte schade;
kosten van medische handelingen en verrichtingen die gerekend kunnen worden tot de ontwikkelingsgeneeskunde of wanneer zodanige medische behandelingen en verrichtingen buiten Nederland plaatsvinden.

1.14 Aanvraag bijzondere bijstand
Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet in het algemeen worden ingediend voor het moment waarop de kosten zijn gemaakt of direct nadat de kosten zijn gemaakt. Dit is nodig om te kunnen beoordelen of de gevraagde kosten noodzakelijk zijn in de zin van de Wwb (artikel 11 Wwb). Onbetaald gebleven rekeningen, waarin achteraf bijstand wordt gevraagd, kunnen worden beschouwd als schulden waarin als regel geen bijstand wordt verleend. Voor geringe kosten, die elk afzonderlijk de drempel van &#8364; 50,-- niet te boven gaan, wordt een uitzondering gemaakt. Deze kosten kunnen nog worden ingediend tot 1 april, volgend op het kalenderjaar waarin deze kosten zijn gemaakt.

1.15 Vormen van bijzondere bijstand
Bijzondere bijstand kan in verschillende vormen worden verleend. De aanvraag wordt in beginsel in de volgende volgorde bekeken:
borgtocht
geldlening
om niet

Indien besloten wordt bijstand te verlenen in de vorm van een waarborgsom, wordt de bijstand altijd in de vorm van een lening verstrekt. De belanghebbende kan de waarborgsom immers te zijner tijd terug ontvangen. Als de bijstand de gehele of gedeeltelijke aflossing van een schuldenlast betreft, wordt in principe ook een borgtocht of geldlening toegepast. In bijzondere omstandigheden kan evenwel bijstand om niet worden toegekend. In het algemeen is het zo dat bij de verlening van borgtocht of een geldlening eerst bekeken moet worden of een belanghebbende niet bij een normale kredietverlenende instelling een lening kan krijgen.

In de volgende paragrafen wordt aangegeven wanneer welke vorm van bijstandsverlening in aanmerking komt.

1.16 Langdurigheidstoeslag
Het is de gemeenten vanaf 1 januari 2004 verboden om een eigen inkomensbeleid te voeren. Dit is voorbehouden aan de rijksoverheid. In de wet is daarom vastgelegd dat de gemeente in bepaalde gevallen een langdurigheidstoeslag (LDT) moet uitbetalen. De middelen hiervoor zijn opgenomen in het budget dat de gemeente van het Rijk krijgt voor de bijstandsverstrekking.

In artikel 36 van de Wwb is vrij specifiek geregeld aan welke voorwaarden iemand moet voldoen om in aanmerking te komen voor de LDT, wanneer de toeslag moet worden uitbetaald en hoe hoog de toeslag is. Het is voor de gemeente dus niet mogelijk hierop afwijkend beleid te maken. 

In artikel 35, eerste lid van  de Wwb wordt aangegeven dat het recht op bijzondere bijstand bestaat voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de LDT, het vermogen en het inkomen.

Hieruit zou geconcludeerd kunnen worden dat de LDT als voorliggende voorziening op de bijzondere bijstand zou moeten worden beschouwd. In de memorie van toelichting wordt dit echter niet bekrachtigd. De LDT wordt daarom niet als voorliggende voorziening op de bijzondere bijstand beschouwd. Dit heeft ook een praktische reden: het is voor het bureau Sociale Zaken niet mogelijk om bij het verstrekken van de LDT een verantwoording te vragen over het besteden van deze middelen. Het bureau Sociale Zaken kan daarom niet controleren wat met het geld is bekostigd en kan daarom ook niet verwachten van belanghebbenden dat zij het geld uitgeven aan zaken waar op een later tijdstip bijzondere bijstand voor wordt aangevraagd.

1.17 Ziektekosten 
Veelal hebben de bijzondere kosten betrekking op de noodzakelijk te treffen (para)medische voorzieningen. De gemeente heeft besloten tot invoering van een Collectieve aanvullende zorgverzekering (Cav) per 1 april 2004. Vanaf 1 januari 2006 genaamd Garant Noord pakket. Het voeren van een dergelijke vorm van aanvullende verzekering kent een aantal voordelen, waarvan de belangrijkste zijn:
de deelnemer is voor een lagere premie beter verzekerd door uitbreiding van het pakket ExtraVerzorgd 1 en TandVerzorgd 3;
vereenvoudigde procedure om voor vergoeding van diverse kosten in aanmerking te komen, met name doordat een aanvraag om bijzondere bijstand achterwege kan blijven.

Om de invoering van het Garant Noord pakket mogelijk te maken, is door de gemeente een contract afgesloten met Menzis zorg en inkomen. Het deelnemen aan  het Garant Noord pakket is mogelijk voor de personen die een beroep doen op een Wwb-, Ioaw, of Ioaz-uitkering, alsmede minima met een inkomen tot maximaal 120% van de toepasselijke bijstandsnorm. De medische kosten, die op grond van het Garant Noord pakket worden vergoed, zijn opgenomen in het navolgende hoofdstuk.

Ten aanzien van de relatie tussen de Cav en het bepalen van recht op bijzondere bijstand zijn ministeri&#235;le richtlijnen gegeven. Deze richtlijnen zijn als volgt vastgelegd in de circulaire van 31 augustus 1999, kenmerk BZ/UK/99/51103:

A. Uitgangspunt
Een toenemend aantal gemeenten geeft door middel van categoriale voorzieningen invulling aan beleid in het kader van de bijzondere bijstand en de gemeentelijke inkomensondersteuning. Zowel voor de belanghebbenden als de gemeenten kunnen aan dergelijke voorzieningen duidelijke voordelen zijn verbonden.
Categoriale voorzieningen mogen echter geen afbreuk doen aan het uitgangspunt dat bij de verlening van bijstand de specifieke omstandigheden en mogelijkheden in het individuele geval bepalend zijn. Dat geldt ook ten aanzien van collectieve aanvullende zorgverzekeringen (hierna: Cav).

B. Collectieve aanvullende verzekering als voorliggende voorziening
Om in het kader van de bijzondere bijstand van een voorliggende voorziening te kunnen spreken (artikel 15 Wwb), is vereist dat de belanghebbende daar daadwerkelijk een beroep op moet kunnen doen. Dit impliceert dat de Cav:
1.een voorliggende voorziening is als de belanghebbende daarbij aangesloten is en de kosten waarvoor vergoeding wordt aangevraagd onder het vergoedingenpakket van de Cav vallen; en
2.g&#233;&#233;n voorliggende voorziening is als de belanghebbende daarbij niet is aangesloten of de Cav de kosten niet dekt.
Uit dit laatste volgt dat aan belanghebbenden die niet zijn aangesloten bij een Cav, of die medische kosten hebben die niet gedekt worden door de Cav, geen bijzondere bijstand geweigerd kan worden op grond van de aanwezigheid van een voorliggende voorziening.

C. Collectieve aanvullende verzekering en het betoonde besef van verantwoordelijkheid
Als de belanghebbende niet is aangesloten bij de Cav of de Cav onvoldoende dekking biedt, kan dat een rol spelen bij de beoordeling van het besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 18 WWB).
Hierbij zijn de navolgende situaties te onderscheiden.

1.De belanghebbende wil wel aangesloten worden bij de Cav, maar is reeds verzekerd bij een ander ziekenfonds** en moet op grond van de geldende regels wachten tot 1 januari van het volgende jaar alvorens te kunnen overstappen naar de Cav. In een dergelijke situatie is geen sprake van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
2.De belanghebbende is in het geheel niet aangesloten bij een aanvullende ziekenfondsverzekering**. Of hier sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en welke gevolgen dit moet hebben voor de verlening van bijzondere bijstand, is ter beoordeling aan burgemeester en wethouders. Zij houden hierbij rekening met de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging de belanghebbende verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van een weigering wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten af te zien van een weigering.
3.De belanghebbende is aangesloten bij een andere aanvullende ziekenfondsverzekering** dan de Cav. In deze situatie geldt in beginsel wat onder 2. is gesteld. Bij de beoordeling dienen de volgende elementen betrokken te worden:
de Ziekenfondswet** kent een vrijheid van ziekenfondskeuze**. Deze vrijheid wordt beperkt wanneer de belanghebbende verplicht wordt om zich aan te sluiten bij het ziekenfonds** waarmee de Cav is afgesloten omdat hij anders het recht op bijzondere bijstand voor bepaalde medische kosten verliest;
de aanvullende verzekeringspakketten verschillen onderling sterk in dekking, prijs en overige polisvoorwaarden. Het is niet ondenkbaar dat de belanghebbende daarom voor een andere verzekering dan de Cav heeft gekozen. Ook is denkbaar dat de belanghebbende onvoldoende bekend is met de mogelijkheden van de Cav.

In de regel zullen deze elementen tot de conclusie leiden dat er geen sprake is van tekortschietend besef, tenzij op grond van een individuele toets een andere conclusie te rechtvaardigen is.

D. Collectieve aanvullende verzekeringen en categoriale verlening van bijzondere bijstand
De Cav gaat in de regel gepaard met een premiereductie die (gedeeltelijk) voor rekening komt van de gemeente. Als die premiereductie wordt verstrekt in de vorm van categoriale bijstand, hebben ook groepen die een ander inkomen hebben dan algemene bijstand, maar dat qua hoogte daaraan gelijk is, aanspraak op bijzondere bijstand. Ook als de financiering van de Cav plaatsvindt buiten het kader van de bijzondere bijstand dienen op grond van de circulaire 6 juni 1996 (BZ/UK/96/2613), alle huishoudens met een minimuminkomen voor de voorziening in aanmerking komen.

** Bovenvermelde tekst is letterlijk overgenomen. Termen als &#8216;ziekenfonds&#8217; zijn achterhaald. Dit neemt niet weg dat het principe als weergegeven ook per 1 januari 2006 opgaat.

Aanvullend beleid op de richtlijnen van het Ministerie
De hiervoor weergegeven richtlijnen uit de circulaire van 31 augustus 1999 worden in de gemeente Grootegast nageleefd. 
Voor de verstrekking van bijzondere bijstand worden dezelfde maximum bedragen gehanteerd zoals die gelden voor de Cav (het Garant Noord pakket).
De Cav (het Garant Noord pakket) is in beginsel toereikend en passend: Indien medische kosten in aanmerking komen voor vergoeding op grond van het Garant Noord pakket, doch de kosten zijn hoger dan de maximale vergoeding, dan wordt voor de hogere kosten geen aanvullende bijstand verleend. 

&#167; 2. Collectieve aanvullende zorgverzekering (Garant Noord pakket)

Kostensoorten die onder de werking van de Cav (het Garant Noord pakket) vallen
De volgende medische kosten vallen onder de werking van het Garant Noord pakket:
Brillen en contactlenzen;
Orthodontie; 
Eerstelijns psychologie;
Bevalling en kraamzorg;
Orthopedische steunzolen;
Thuiszorg;
Kronen;
Volledige tandheelkundige protheses;
Hulpmiddelen (eigen bijdrage);
Psychotherapie (eigen bijdrage).

De Cav als voorliggende voorziening
Indien de belanghebbende is aangesloten bij de Cav en kosten heeft die onder het vergoedingenpakket van het Garant Noord pakket vallen, bestaat er geen recht op bijzondere bijstand in deze kosten, aangezien het Garant Noord pakket dan als de voorliggende voorziening dient te worden aangemerkt (artikel 15 van de Wwb).

Medische kosten die niet volledig door de Cav worden gedekt
Indien medische kosten in aanmerking komen voor vergoeding op grond van het Garant Noord pakket, doch de kosten zijn hoger dan de maximale vergoeding, dan wordt voor de aanvullende kosten geen bijzondere bijstand verleend.

Geen aanvullende-/tandartsverzekering en Cav
In de situatie waarin belanghebbende geen aanvullende verzekering en tandartsverzekering heeft afgesloten en niet deelneemt aan het Garant Noord pakket &#233;n bijzondere bijstand vraagt in medische kosten die onder het vergoedingenpakket van deze verzekeringen vallen, dient altijd de reden te worden vastgesteld waarom de belanghebbende deze verzekering(en) niet heeft afgesloten. Aan de hand hiervan dient te worden beoordeeld of belanghebbende hiermee blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 18 van de Wwb). De ministeri&#235;le richtlijnen, zoals verwoord in de circulaire van 31 augustus 1999 (zie paragraaf 1.17), gelden hier als uitgangspunt.

Doelgroep
Indien men bij Menzis zorg en inkomen verzekerd is en aldaar een aanvullende (ExtraVer-zorgd 1) en een Tandartsverzekering (TandVerzorgd 3) heeft afgesloten, aan de eisen van de inkomensgrens (maximaal 110% van de toepasselijke bijstandsnorm) en vermogensgrens voldoet, behoort men tot de doelgroep voor de Cav.

&#167; 3. Brilkosten/contactlenzen

Algemeen
De kosten van een standaardmontuur en standaardglazen (evt. In bifocale uitvoering), danwel contactlenzen behoren tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan.

Voorliggende voorzieningen
Zorgverzekeringswet incl. aanvullende verzekering. De eventuele bijdragen  worden van de kosten afgetrokken.

Indicatiestelling
De kosten kunnen pas als noodzakelijk worden aangemerkt als er bij de aanvraag voor een brilkostenvergoeding/contactlenzen een gespecificeerde nota van een opticien wordt overgelegd.

Hoogte vergoeding, gebruiksduur 
De hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand bedraagt maximaal de vergoeding die wordt verleend op grond van het Garant Noord pakket. Ook ten aanzien van de gebruiksduur is aansluiting gezocht met het Garant Noord pakket. Het verlenen van bijzondere bijstand in de kosten van aanschaf van een bril/contactlenzen is eens per twee kalenderjaren mogelijk. Uitzondering hierop vormt het tussentijds wijzigen van de sterkte van de glazen (dit kan zich bijv. voordoen bij diabetici). Alleen de kosten van de glazen komen dan voor bijzondere bijstand in aanmerking. 

Vergoeding bijzondere bril/contactlenzen
Bijzondere glazen of contactlenzen (inclusief vloeistof) kunnen alleen voor volledige vergoeding in aanmerking komen, wanneer deze zijn voorgeschreven door een oogarts.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 4. Dieetkosten

Algemeen
Dieetkosten behoren, voorzover de kosten van het normale voedingspakket worden overschreden, tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan mits het volgen van een dieet medisch noodzakelijk is.

Voorliggende voorzieningen
Er zijn twee soorten dieetkosten, te weten kosten voor dieetpreparaten en kosten voor dieetproducten.

Dieetpreparaten zijn preparaten die ten opzichte van normale voeding zowel een gewijzigde chemische samenstelling als een gewijzigde fysische vorm hebben. Er bestaat alleen aanspraak in geval van een ernstige slikstoornis, passagestoornis, voedselallergie of stofwisselingsstoornis. Deze preparaten worden door de AWBZ vergoed.

Dieetproducten zijn alleen wat betreft chemische samenstelling gewijzigd (bijvoorbeeld een zoutarm dieet). De meerkosten van dieetproducten ten opzichte van een normaal eetpatroon worden vergoed via de bijzondere bijstand.

Indicatiestelling
Voor de bepaling van de medische noodzaak van dieetproducten is een medisch attest vereist van Argonaut. In het attest worden de eventuele meerkosten op jaarbasis aangegeven.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 5. Kosten alternatieve geneeswijzen
Algemeen
De kosten van alternatieve geneeswijzen behoren in het algemeen niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan. Een uitzondering hierop vormen alternatieve geneeswijzen, waarvan de kosten gedeeltelijk door de aanvullende verzekering (AV1) worden vergoed. Wanneer vanuit de aanvullende verzekering geen vergoeding meer wordt gegeven omdat de maximumvergoeding op jaarbasis is bereikt sluit de bijstandsverlening hierbij aan.

Voorliggende voorzieningen
Zorgverzekeringswet en aanvullende verzekering.

Indicatiestelling
Heeft men nagelaten zich aanvullend te verzekeren, dan bepalen de individuele omstandigheden of en zo ja hoeveel de hoogte van de eventuele bijstand bedraagt (artikel 18 Wwb). Voor de bepaling van de medische noodzaak is een medisch attest vereist van Argonaut. In het attest wordt aangegeven of belanghebbende aangewezen is op alternatieve geneeswijze(n). De bijzondere bijstand beperkt zich tot de maximumvergoeding op jaarbasis van de aanvullende verzekering (AV1).

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 6. Kosten van tandheelkundige hulp

Algemeen
Voor tandheelkundige voorzieningen dient belanghebbende een tandartsverzekering (TV3) af te sluiten. Indien de aanvrager deelneemt aan de het Garant Noord pakket, betekent dit automatisch dat, naast de deelname aan het gemeentelijk pakket, een TV3-verzekering is afgesloten bij Menzis zorg en inkomen. Zie hiertoe de door Menzis zorg en inkomen gestelde voorwaarden tot deelname aan het Garant Noord pakket. 

Voorliggende voorzieningen
Zorgverzekeringswet inclusief een tandartsverzekering. Het Garant Noord pakket geldt tevens als een voorliggende voorziening
 
Van iedere belanghebbende wordt verwacht dat hij zich tegen tandheelkundige kosten bijverzekert. Laat men na zich tegen tandheelkundige hulp te verzekeren, dan is bijstandsverlening in principe niet mogelijk wegens tekortschietend betoond besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Van elke belanghebbende wordt verwacht dat hij zich aanvullend verzekert. Wanneer dit wordt nagelaten, wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verstrekt wegens het ongebruikt laten van een voorliggende voorziening.

Indicatiestelling
Indien door de ziektekostenverzekeraar reeds een vergoeding wordt verleend, is daarmee de noodzaak van de treffen voorziening vastgesteld.

Orthodontie
Deze kosten vallen specifiek onder de werkingssfeer van het Garant Noord pakket. De hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand is afgestemd op de hiervoor te verlenen vergoedingen ingevolge het Garant Noord pakket. 

Saneringskosten
Deze kosten worden in beginsel niet tot de noodzakelijke bestaanskosten gerekend. Een uitzondering zou bijvoorbeeld gemaakt kunnen worden voor ex-verslaafden, die in het kader van een resocialisatieproces als onderdeel van hun hulpverleningsplan deze kosten moeten maken.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 7. Extra stookkosten

Algemeen
De kosten van extra energieverbruik behoren tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan, indien de medische noodzaak van deze kosten is aangetoond.

Indicatiestelling
De medische noodzaak van de meerkosten wordt middels een medisch advies van Argonaut vastgesteld.

Hoogte van de bijstand
De hoogte van de uitkering wordt bepaald door het energieverbruik te vergelijken met het gemiddelde energieverbruik van woningen in dezelfde staat. De gegevens kunnen worden verkregen bij het energiebedrijf. 

Procedure
De definitieve vaststelling van het bijstandsbedrag geschiedt aan de hand van de eindafrekening. Bij aanzienlijk structureel meerverbruik is periodieke bijstandsverlening in de kosten van de voorschotnota&#8217;s mogelijk.

De periodieke bijstand wordt voor de duur van &#233;&#233;n jaar verstrekt. In de beschikking wordt vermeld dat de periodieke bijstand een voorwaardelijk karakter draagt, totdat de volgende eindafrekening is ontvangen.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 8. Bevallingskosten en kosten van kraamhulp

Algemeen
Eigen bijdragen in de bevallingskosten en in de kosten van kraamzorg behoren tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan.

De hoogte van de te verlenen bijstand is afgestemd op de hiervoor te verlenen vergoedingen ingevolge de Cav. Indien de kosten hoger zijn dan de maximaal mogelijke vergoeding op grond van het Garant Noord pakket, wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verleend in deze meerkosten.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 9. Kosten van psychotherapie

Algemeen
De kosten van psychotherapeutische behandelingen die onder de werking van de Cav vallen, dienen als noodzakelijke kosten te worden aangemerkt.

Kosten van psychotherapeutische behandelingen, die niet door de voorliggende voorzieningen (inclusief AV1) worden gedekt, worden in het algemeen niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend.

Voorliggende voorzieningen
Zorgverzekeringswet (Zvw), (AV1), AWBZ, Cav.

Uitzonderingen 
Op de hoofdregel bestaan een aantal uitzonderingen. Psychotherapie, gevolgd bij een niet-erkende psychotherapeut/instelling, kan voor vergoeding in aanmerking komen, indien:
de hulp deel uitmaakt van een door een medisch specialist (psychiater of neuroloog) vastgesteld hulpverleningsplan (bij verwijzing enkel via de huisarts is de noodzaak niet vastgesteld);
het Centrum Geestelijke Gezondheidszorg (Cggz, voorheen RIAGG) van oordeel is, dat de hulp noodzakelijk is, doch zelf niet of niet tijdig in staat is deze ter hand te nemen.

Hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand
De hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand is afgestemd op de hiervoor te verlenen vergoedingen ingevolge de Cav. Indien de kosten van de te volgen behandelingen hoger zijn dan de maximaal mogelijke vergoeding op grond van de Cav, bestaat voor de meerkosten in beginsel geen recht op bijzondere bijstand.

Indicatiestelling
In situaties waar bijstand mogelijk is (eigen bijdrage ingevolge de AWBZ of AV1,) behoeft geen medisch attest te worden gevraagd. 

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 10. Kleding, schoeisel en beddengoed

Algemeen
Kosten van aanschaf, vervanging, reiniging en onderhoud van kleding, beddengoed en schoeisel behoren in beginsel tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Er zijn echter situaties denkbaar dat hiervoor extra kosten moeten worden gemaakt en deze kosten voor de betrokkene bijzonder maken.

De hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand voor orthopedische steunzolen is afgestemd op de hiervoor te verlenen vergoedingen ingevolge de Cav. Indien de kosten hoger zijn dan de maximaal mogelijke vergoeding op grond van de Cav, wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verleend in deze meerkosten. 

Voorliggende voorziening
Via de AWBZ en de aanvullende verzekering, Cav is vaak een vergoeding mogelijk.

Indicatie
Voor het vaststellen van de extra kosten wordt een medisch attest bij Argonaut gevraagd. De sociale noodzaak dient door het bureau Sociale Zaken te worden bepaald aan de hand van de individuele omstandigheden.

Vervanging garderobe
De normale aanschaf/vervanging van kleding behoort tot de algemeen noodzakelijke kosten van bijstand. Dit geldt voor zowel confectie- als maatkleding. Een afwijkende lichaamsbouw (bijv. dwerggroei) is op zich geen aanleiding voor bijstandsverlening.

Bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot plotselinge vervanging van een garderobe kunnen dat wel zijn, bijvoorbeeld wanneer betrokkene vanwege ziekte/gebrek een andere garderobe aan moet schaffen vanwege een plotseling sterk gewijzigde lichaamsomvang.

Wanneer het gewichtsverlies deel uitmaakt van een al dan niet op medisch advies gevolgd dieet, is er geen sprake van bijzondere omstandigheden. Dit geldt ook voor transseksualiteit. De wijziging van de garderobe vindt in deze gevallen immers geleidelijk plaats.

Extra schoenen
Wanneer betrokkene als gevolg van het hebben van twee ongelijke voeten genoodzaakt is in plaats van &#233;&#233;n paar schoenen steeds twee paar met verschillende maten aan te schaffen, is bijstandsverlening op zijn plaats. Een medisch attest is noodzakelijk.

Kledingslijtage en bewassingkosten
In verband met ziekte of een handicap kan er sprake zijn van overmatige kledingslijtage en/of extra kosten voor het wassen van kleding. Indien deze kosten medisch noodzakelijk zijn dan kan hiervoor bijzondere bijstand worden verleend. In het Argonaut-advies zullen de meerkosten worden vermeld.

Orthopedisch schoeisel
Omdat er sprake is van een eigen bijdrage regeling, staat de medische noodzaak vast en is een Argonaut-advies niet vereist.

Hoogte van de bijstand
De hoogte van de bijstand wordt bepaald door de noodzaak en bijzondere omstandigheden. 

Indien bij vervanging en de aanschaf van een extra paar orthopedische schoenen de eigen bijdrage ontoereikend is, wordt de hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand afgestemd op de meerkosten ten opzichte van een paar gewone schoenen. Dit verschil dient te worden berekend aan de hand van de informatie van de het budgethandboek van het Nibud.  

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 11. Kosten rechtshulp, griffierechten en bewindvoering

Algemeen
Voor het verkrijgen van rechtsbijstand is men veelal een eigen bijdrage verschuldigd. Belanghebbenden die een beroep moeten doen op rechtsbijstand en voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan zijn aangewezen op bijstand van de gemeente kunnen voor de volgende procedures in aanmerking komen voor bijzondere bijstand:
Aanvechten ontslag;
Aanvechten weigering voorliggende voorziening;
Echtscheiding/boedelscheiding;
Het vorderen van partner- en/of kinderalimentatie;
Naleving ouderlijke zorgplicht.

In bovenvermelde situaties wordt de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand en de bijkomende griffierechten tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Bijstandsverlening is mogelijk. 

Kosten van rechtshulp waarvoor bijstand is verleend en die vervolgens via de gerechtelijke procedure aan de belanghebbende worden vergoed, dienen aan de gemeente te worden terugbetaald.

Voorliggende voorziening
Wet op de rechtsbijstand (Wrb); Wet tarieven burgerlijke zaken voor de in-debetstelling; Rechtsbijstandsverzekering.

Uitsluiting
De volgende kosten komen in beginsel niet in aanmerking voor bijzondere bijstand:
Vertaalkosten. Advocaten kunnen kosteloos gebruik maken van een gesubsidieerde tolkencentrum;
De kosten gemaakt in de bezwaarfase anders dan de eigen bijdrage op grond van de Wrb;
Niet noodzakelijke kosten van rechtsbijstand als belanghebbende ook gebruik had kunnen maken van gratis advies van een Bureau Rechtshulp (CRvB 02-03-2004, nr. 02/5760 NABW);
Ingeval de Raad voor de rechtsbijstand de procedure niet noodzakelijk acht. Het gaat immers niet aan om bijstand te verlenen voor kosten welke in de voorliggende voorziening nadrukkelijk als niet noodzakelijk zijn aangemerkt. 

Bewindvoering
De bewindvoerder/GKB zal voor de werkzaamheden een vergoeding in rekening brengen. Voor het vaststellen van de vergoeding is de bewindvoerder gebonden aan landelijk vastgestelde tarieven. Rekening houdende met deze tarieven komen deze kosten in beginsel voor bijstandsverlening in aanmerking.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 12. Kosten van een babyuitzet

Algemeen
De kosten van een babyuitzet worden tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend, die men geacht wordt uit het eigen inkomen te voldoen door middel van reservering vooraf dan wel achteraf (lening). Bijstandsverlening in deze kosten is daarom in beginsel niet mogelijk.

Bijzondere omstandigheden (artikel 35 Wwb)
Op grond van bijzondere omstandigheden kan van bovengenoemde hoofdregel worden afgeweken, waardoor de te verstrekken bijstand bijzonder wordt. Een bijzondere omstandigheid is het langdurig ontbreken van reserveringsruimte in het inkomen, vanwege in het verleden (voor de zwangerschap) afgesloten geldleningen voor andere noodzakelijke uitgaven.

Vorm bijstand
Een babyuitzet wordt tot de duurzame gebruiksgoederen gerekend. Daarom wordt bijstand voor deze kosten in beginsel in de vorm van borgstelling of als geldlening verstrekt. 

Hoogte bijstand
Richtprijzen voor babyartikelen zijn te vinden in het budgethandboek Nibud. Bij de bepaling van de hoogte van de bijstand dient rekening te worden gehouden met een reserveringstermijn gedurende de zwangerschap.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 13. Overbruggingsuitkeringen

Algemeen (artikel 18 en 35 Wwb)
Op grond van het individualiseringsbeginsel is een afwijking van de in de Wwb genoemde normbedragen toegestaan. Dit gebeurt op grond van individueel bepaalde bijzondere omstandigheden, waardoor de bijstand bijzondere bijstand is. Een voorbeeld van een dergelijke afwijking is de overbruggingsuitkering.

Aan de toekenning van een overbruggingsuitkering gaat altijd een afzonderlijke aanvraag vooraf.

De geldlening als voorschot (artikel 52 Wwb ) in het geval dat het recht op uitkering nog niet definitief kan worden vastgesteld, is geen overbruggingsuitkering in de zin van deze paragraaf, evenmin als de bijstandsuitkering die in afwachting van de beslissing van een ander uitkeringsorgaan wordt verstrekt.

Terugval in het inkomen
Er wordt een overbruggingsuitkering verstrekt wanneer er sprake is van een onvoorzienbare en ernstige terugval in het inkomen. In het algemeen worden &#8216;normale&#8217; overgangen van loon naar uitkering en van uitkering naar uitkering niet als een zodanige terugval aangemerkt. Wanneer bij aanvang van de uitkering belanghebbende onvoldoende middelen bezit om de eerste maand in eigen levensonderhoud te voorzien, kan een overbruggingsuitkering worden verstrekt. 

Deze overbruggingsuitkering is de maandnorm exclusief vakantietoeslag, minus alle middelen en reeds betaalde lasten over de in aanmerking te nemen periode.

Indien belanghebbende op korte termijn mogelijk over voldoende middelen kan beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, wordt de overbruggingsuitkering verleend in de vorm van een geldlening op grond van artikel 48, tweede lid,  Wwb.

Wanneer een overbruggingsuitkering is verstrekt en naderhand binnen een periode van zes maanden de relatie met de ex-partner wordt hersteld, of de uitkering om een andere reden wordt be&#235;indigd, kan de overbruggingsuitkering worden teruggevorderd of verrekend met een nog te verstrekken uitkering.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 en de artikelen 18, 35 en 48 Wwb.

&#167; 14. Verhuiskosten

Algemeen
De kosten van een medisch of sociaal ge&#239;ndiceerde verhuizing behoren in beginsel tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan waarvoor, behoudens bijzondere omstandigheden, geen afzonderlijke bijstand wordt verstrekt. Men wordt geacht voor dergelijke kosten te reserveren dan wel een betalingsregeling te treffen. Wanneer er sprake is van bijzonder omstandigheden, kan bijstand worden verleend. De te verlenen bijstand krijgt daardoor het karakter van bijzondere bijstand.

Voorliggende voorzieningen
Met betrekking tot medisch ge&#239;ndiceerde verhuizingen geldt de Wet voorzieningen gehandicapten als voorliggende voorziening.

Noodzakelijke verhuizing
Indien er sprake is van een noodzakelijke verhuizing en er onvoldoende reserveringsmogelijkheden zijn geweest, wordt bijzonder bijstand in deze kosten verstrekt. Van een noodzakelijke verhuizing is sprake indien daaraan een medische of sociale indicatie ten grondslag ligt.

Om niet
Bijzondere bijstand in de verhuiskosten wordt om niet verstrekt en moet worden aangevraagd in de gemeente van vertrek. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de aanwezige draagkracht. De noodzakelijke kosten die rechtstreeks verband houden met de verhuizing (zoals het huren van een transportauto) kunnen worden vergoed.

Verhuizing uit woning boven huursubsidiegrens
Wanneer betrokkene verhuist van een woning boven het maximum van de huurtoeslaggrens naar een woning die voor huurtoeslag in aanmerking komt, wordt de bijstand om niet verstrekt.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 15. Kosten van maaltijdvoorziening

Algemeen
In de gemeente is sprake van gesubsidieerde maaltijdvoorziening bedoeld voor personen die door ziekte en/of andere omstandigheden niet meer voor zichzelf kunnen koken. 

Door gebruik te maken van deze maaltijdvoorziening kunnen deze mensen veelal langer zelfstandig blijven wonen.

Indicatiestelling
Op basis van de door de maaltijdvoorziening afgegeven indicatie kan bijzondere bijstand worden verleend voor de extra kosten van de warme maaltijdvoorziening.

Hoogte bijstand
Uitgangspunt voor de kosten van een warme maaltijd vormt het door het NIBUD gehanteerde referentievoedingsbedrag per warme maaltijd. De extra kosten worden berekend door op de aan cli&#235;nt in rekening gebrachte kosten per maaltijd het bedrag van de referentievoeding per maaltijd in mindering te brengen. 

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 16. Telefoonkosten

Algemeen
Het hebben van een telefoon wordt als algemeen gebruikelijk gezien. Abonnementskosten behoren dan ook tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, waarvoor geen bijstand wordt gegeven. Dit geldt ook voor de aanschaf- en aansluitkosten.

Gesprekskosten
Er wordt bijzondere bijstand verstrekt voor gesprekskosten in de volgende situaties:
de op zichzelf aangewezen gehandicapte heeft de telefoon nodig om zich zelfstandig te kunnen handhaven;
voor de zeer ernstige gehandicapte, waarbij de telefoon het enige communicatiemiddel is.

Bij eventuele bijzondere bijstand gaat het om de individuele omstandigheden. Er wordt dan ook alleen bijzonder bijstand voor het meerdere verstrekt voorzover de extra gesprekskosten meer bedragen dan de gemiddelde kosten. Indien het noodzakelijk wordt geacht om bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten geldt het budgethandboek van het Nibud als uitgangspunt. De meerkosten worden gemaximaliseerd tot 50% van de toepasselijke gemiddelde telefoonbestedingen.

Procedure
Beoordeling wordt uitgevoerd door de bijstandsconsulent. Indien de situatie niet voldoende duidelijk is wordt een medisch advies bij Argonaut gevraagd.

Teksttelefoon
Waar in de tekst gesproken wordt over &#8220;telefoon&#8221; kan ook &#8220;teksttelefoon&#8221; gelezen worden.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 17.  Begrafenis- of crematiekosten

Algemeen
De noodzakelijk te achten kosten van lijkbezorging behoren voor de overledene tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De kosten dienen bestreden te worden uit de voorliggende voorzieningen. 

Wanneer de kosten van lijkbezorging hieruit niet bestreden kunnen worden, komen deze kosten voor rekening van degene die opdracht geeft tot begrafenis/crematie. In de regel behoren de kosten van een standaardbegrafenis of crematie voor de nabestaanden tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit geldt ook voor degenen die opgenomen zijn in een verzorgingshuis.

Voorliggende voorzieningen
Begrafenis- of crematiekostenverzekering, nalatenschap, overlijdensuitkering krachtens een sociale zekerheidswet (inclusief Wwb).

Bijstand aan de nabestaanden
In beginsel dienen de nabestaanden (bijv. echtgenote, ouders, meerderjarige kinderen) de kosten van lijkbezorging van de overledene voor hun rekening te nemen. Ontbreken hiervoor de middelen dan kan ieder voor zijn eigen evenredige aandeel bijzondere bijstand aanvragen. Hierbij wordt rekening gehouden met de vermogenssituatie/draagkracht.

Wet op de lijkbezorging
Wanneer er geen nabestaanden zijn of wanneer deze weigeren de begrafenis of crematie te verzorgen, dan is op grond van de Wet op de lijkbezorging de gemeente verplicht te zorgen voor de lijkbezorging. Deze wet wordt uitgevoerd door de afdeling Burgerzaken.

Als de Wet op de lijkbezorging reeds is toegepast, dan is bijstand voor deze kosten niet meer mogelijk. Er is dan reeds in de kosten voorzien. De Wet op de lijkbezorging kent zelf de mogelijkheid om het bedrag op de nabestaanden te verhalen.

Standaardkosten lijkbezorging
De kosten van een standaardbegrafenis of crematie dienen sober te zijn. Voor een indicatie kan worden aangesloten bij het budgethandboek van het Nibud.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Artikel 45 van de Wwb en artikel 9 en 22 van de Wet op de lijkbezorging.

&#167; 18. Kosten deelname maatschappelijke verkeer

Algemeen
De kosten deelname maatschappelijke verkeer behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, waar een betrokkene in beginsel zelf in dient te voorzien. Door medische beperkingen kan een sociaal isolement veroorzaakt worden, waarbij de kosten om dit te voorkomen niet uit het beschikbare inkomen kunnen worden voldaan. 
In bepaalde gevallen is bijzondere bijstand mogelijk waar het gaat om kosten deelname maatschappelijk verkeer en voorkoming van sociaal isolement.

Voorliggende voorzieningen
Er zijn een aantal voorliggende voorzieningen;
a.vervoers- en woonvoorzieningen (WVG);
b.leef- en werkvoorzieningen bijvoorbeeld:
geleidehonden voor blinden (inclusief vergoeding voor voeding/verzorging);
vergoeding voor doventolken;
c.voorzieningen voor in het buitenland woonachtige personen in combinatie met werkvoorzieningen;
d.zorgvoorzieningen en hulpmiddelen (AWBZ).

Eigen bijdrage deeltaxi
De eigen bijdrage die de gehandicapte betaalt voor de ritten per taxi in het kader van de WVG, komt overeen met het tarief zoals dit gebruikelijk is in het openbaar vervoer. Aangezien dit algemeen noodzakelijke kosten betreffen, dienen ze voldaan te worden uit het inkomen. In principe is bijzondere bijstand hiervoor niet mogelijk.

Vervoerskosten in verband met geneeskundige behandeling
Voor kosten van vervoer in verband met een geneeskundige behandeling kan men bij de zorgverzekeraar terecht. De eigen bijdrage geldt als extra bestaanskosten waarvoor bijzondere bijstand mogelijk is.

Reiskosten i.v.m. ziekenbezoek
Reiskosten t.b.v. bezoek aan naaste familieleden (partner/kinderen) die in het ziekenhuis dan wel andere verpleeginrichting verblijven behoren tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. Via een aanvullende verzekering bij de zorgverzekeraar is in een aantal gevallen een vergoeding mogelijk voor reiskosten i.v.m. het bezoek aan naaste familieleden in het ziekenhuis. Deze mogelijkheid dient eerst te worden onderzocht alvorens tot bijstandsverlening kan worden overgegaan. Omdat de vergoeding van de aanvullende verzekering uitgaat van een eigen bijdrage en een maximale vergoeding kan in aanvulling op deze regeling bijstand worden verleend. Indien de klant niet aanvullend verzekerd is, dan dient van geval tot geval bekeken te worden of en zo ja hoeveel bijstand er verleend kan worden.

De bijstand is gelijk aan de kosten voor het openbaar vervoer. Met betrekking tot de bijstandsverlening
in relatie tot de frequentie van het bezoek wordt de volgende leidraad aangehouden:
?
Partnerbezoek

:
3 maal per week;

?
Bezoek kind tot 12 jaar	

:
7 maal per week;

?
Bezoek kind van 12 tot 18 jaar

:
5 maal per week;

?
Bezoek kind vanaf 18 jaar

:
3 maal per week;


Reiskosten bezoek gedetineerden
Voor deze kosten gemaakt door gezinsleden kan bijzondere bijstand worden verleend. Er kan op basis van een bezoekfrequentie van twee keer per maand van naaste familieleden (partner, kind en ouders) bijstand worden verleend. De noodzaak van meer bezoeken per maand moet door middel van schriftelijke verklaringen van de reclassering/inrichting worden gemotiveerd.

Thuiswonende ouderen met dagverzorging
Aan zelfstandig wonende ouderen die overdag deelnemen aan binnen een verzorgingshuis georganiseerde activiteiten kan bijstand worden verleend in een deel van deze kosten. Deze &#8220;verzorging&#8221; heeft een sociale indicatie die niet door het bureau Sociale Zaken nader hoeft te worden vastgesteld. Hierbij zij opgemerkt dat een vergoeding vanuit de WVG als voorliggende voorziening moet worden aangemerkt.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 19. Bijzondere verwervingskosten

Algemeen
Kosten in verband met het verwerven van inkomsten uit arbeid, waaronder begrepen reiskosten, behoren in beginsel tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten die uit de bijstandsnorm of een daarmee vergelijkbaar inkomen bekostigd dienen te worden. 

Afzonderlijke bijzondere bijstandsverlening in bovenmatige verwervingskosten is slechts mogelijk wanneer in een individuele situatie ten gevolge van bijzondere omstandigheden de werkelijke vervoerskosten in verband met het verwerven van inkomsten uit arbeid de gebruikelijke vervoerskosten te boven gaan.

In het kader van de bijzondere bijstandsverlening worden de reiskosten in verband met het verwerven van (parttime) inkomsten uit dienstbetrekking door ons als bijzonder aangemerkt voorzover geen aanspraak op een reiskostenvergoeding van de werkgever bestaat.

De vervoerskosten in drie zones (vier strippen enkele reis) van het openbaar vervoer kunnen als normale verwervingskosten worden aangemerkt. Indien de reisafstand woon-werkverkeer meer dan drie zones van het openbaar vervoer bedraagt, wordt dit als bijzondere verwervingskosten aangemerkt en kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor het verschil tussen het aantal strippen minus 4 per enkele reis.

Voorliggende voorziening
De re&#239;ntegratieverordening en het daarbij behorende re&#239;ntegratieplan kunnen in dit verband als voorliggende voorziening worden aangemerkt.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 20. Garantietoeslag voormalig &#233;&#233;noudergezin

Tijdelijke overbruggingstoeslag voormalig alleenstaande ouder
Wanneer het jongste kind van een alleenstaande ouder meerderjarig wordt (18 jaar), wordt de bijstandsnorm alleenstaande ouder gewijzigd in de bijstandsnorm voor een alleenstaande. In dat geval kan in individuele gevallen en situaties een toeslag worden verstrekt om de terugval in het inkomen te beperken. Het recht op deze toeslag blijft dan gehandhaafd voor zolang de gezinssituatie niet wijzigt en de som van de inkomens van de alleenstaande en het kind lager is dan het normbedrag voor een echtpaar.

Hoogte
De toeslag voormalig alleenstaande ouder vult de gezamenlijke inkomsten van ouder en kind aan tot maximaal de basisnorm (= norm gehuwden). Als de gezamenlijke inkomsten van de ouder en het betreffende kind boven de  basisnorm uitkomen, vervalt het recht op de toeslag voormalig alleenstaande ouder.

Vakantiewerk
Niet als inkomen van het kind tot 21 jaar worden aangemerkt inkomsten uitsluitend uit vakantiewerk voor zover de periode van vakantiewerk een maximum van acht weken niet overschrijdt. De draagkracht is voor het overige 100%.

Duur
De toeslag voormalig alleenstaande ouder wordt in principe voor de duur van maximaal zes maanden verstrekt. De toeslag gaat in op het moment dat de norm voor alleenstaande ouder wordt omgezet in de norm voor een alleenstaande. In uitzonderlijke schrijnende situaties kan de termijn van zes maanden nog eenmaal met zes maanden worden verlengd.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 21. Toeslagen voor jongeren 18 tot 21 jaar in een inrichting / alleenstaande ouders

Algemeen (artikel 23 Wwb)
De normen bij verblijf in een inrichting voor de alleenstaande, de alleenstaande ouder en de partner(s) van de gezamenlijke huishouding wordt als algemene bijstand uitgekeerd voorzover de belanghebbende 21 jaar of ouder is. Daarnaast kunnen er kosten moeten worden gemaakt voor bijvoorbeeld het aanhouden van de woning. Deze kosten worden vergoed via de bijzonder bijstand.

Bijstand voor jongeren van 18 tot 21 jaar in een inrichting (artikel 13, tweede lid Wwb)
Jongeren van 18 tot 21 jaar hebben geen recht op algemene bijstand voor verblijf in een inrichting. In het algemeen zal van de ouders een bijdrage in de kosten van hun verblijf in de inrichting worden gevraagd. Als in verband met bijzondere omstandigheden de ouders niet of niet volledig kunnen bijdragen in de eventueel te maken kosten, kan hiervoor bijzondere bijstand worden verstrekt. Dit geldt zowel voor de persoonlijke uitgaven als voor andere noodzakelijke kosten. Rekening moet worden gehouden met het feit dat ouders in deze situatie onderhoudsplichtig zijn. Als aanvullende bijzondere bijstand wordt verleend omdat de jongere niet in staat is de ouderlijke onderhoudsplicht te effectueren, hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid deze op de ouders te verhalen.

Hoogte van de bijstand (artikel 23 Wwb)
De hoogte van de eventueel te verstrekken norm voor 18 tot 21 jarigen is dezelfde als voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder.

Toeslagen voor alleenstaande ouders in een inrichting
Artikel 23 Wwb voorziet in de bijstandnorm bij verblijf in een inrichting. De norm voor een alleenstaande ouder is gelijk aan de norm voor een alleenstaande. De situatie kan zich voordoen dat een alleenstaande ouder tezamen met het kind in een inrichting verblijft. In dergelijke gevallen zijn de kosten die de belanghebbende voor het kind moet maken, meestal zodanig dat de kinderbijslag daartoe een toereikende vergoeding biedt. Derhalve kan worden volstaan met het normbedrag voor een alleenstaande. Voor de gevallen dat hogere kosten dienen te worden gemaakt, is er aanleiding om de bijstand daarop af te stemmen door aanvulling met bijzondere bijstand. Dit vraagt om maatwerk.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Artikel 13, tweede lid en artikel 23 Wwb.

&#167; 22. Toeslag voor jongeren van 18 tot 21 jaar

Algemeen (artikel 20 Wwb)
De landelijke basisnorm voor 18 tot 21 jarigen is afgeleid van de kinderbijslagbedragen die voor deze leeftijdscategorie gelden en sluit aan op de onderhoudsplicht van de ouders (artikel 12 Wwb)

Toeslag op basisnorm (artikel 12 van de WWB)
Als de noodzakelijke bestaanskosten van de jongere hoger zijn dan die waarin de basisnorm voorziet en de jongere geen beroep op zijn ouders kan doen omdat de middelen van de ouders niet toereikend zijn of omdat hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht ten opzichte van zijn ouders niet te gelde kan maken, kan er bij wijze van aanvullende bijstand een toeslag worden verstrekt. De verhaalsmogelijkheid van de gemeente blijft daarbij wel bestaan. Voor een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar wordt bij de bepaling van de hoogte van toeslag aangesloten bij de bijstandsuitkering die geldt voor een alleenstaande ouder van 21 jaar en ouder. Dit om te voorkomen dat een jonge alleenstaande ouder in financi&#235;le problemen raakt.

Voorwaarde voor toeslagverlening
Alvorens tot aanvullende bijstandsverlening over te gaan, wordt eerst bekeken of de hogere bestaanskosten noodzakelijk zijn. Aangezien er in een thuiswonende situatie geen sprake kan zijn van hogere algemene bestaanskosten dan die waarin de basisnorm voorziet (zie hierboven), komt deze toets neer op het beantwoorden van de vraag of het zelfstandig wonen van de jongere noodzakelijk is.

Die situaties worden geacht aanwezig te zijn indien:
a.de ouders van de alleenstaande zijn overleden of in het buitenland wonen;
b.de alleenstaande in het kader van de Wet op de Jeugdhulpverlening buiten het gezinsverband van zijn ouder(s) is geplaatst;
c.de alleenstaande op de ingangsdatum van de bijstandsverlening reeds 12 maanden of langer onafgebroken niet meer woonachtig is op het adres van zijn ouder(s). 

Nadat de noodzakelijkheid van de kosten is vastgesteld, wordt bekeken of het onderhoudsrecht te gelde kan worden gemaakt (zie ook hieronder). Een jongere kan bijvoorbeeld geen onderhoudsrecht te gelde maken, als:
er sprake is van een ernstig verstoorde relatie met de ouders;
de ouders geen of onvoldoende draagkracht hebben;
beide ouders overleden zijn.

Hoogte bijzondere bijstand
De hoogte van de aanvullende toeslag bedraagt maximaal het verschil tussen de norm voor een 21 jarige en de voor de jongere van toepassing zijnde norm. Voor de berekening van de norm voor een 21 jarige is het gemeentelijk toeslagenbeleid van toepassing, zie hiertoe artikel 3 van de Toeslagenverordening Wwb.

Eventuele inkomsten van de jongere zelf dienen op zijn basisnorm in mindering gebracht te worden. Inkomsten die het karakter hebben van alimentatie/onderhoudsbijdrage dienen verrekend te worden met de toeslag.

Procedure toekenning bijzondere bijstand
De bijstandmaatschappelijk werker beziet (nadat is vastgesteld dat de hogere bestaanskosten noodzakelijk zijn) of het onderhoudsrecht ten opzichte van de ouders volledig te gelde gemaakt kan worden. De jongere is verplicht de noodzakelijke informatie hierover te overhandigen of aan het verkrijgen daarvan mee te werken. In de meeste gevallen zal door de bijstandmaatschappelijk werker (telefonisch) contact met de ouder(s) opgenomen moeten worden. Praktisch komt het erop neer dat de ouder aan het bureau Sociale Zaken al dan niet toezegt alle kosten voor zijn rekening te nemen. 
Wil de ouder alle kosten dragen, dan wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. Wil de ouder de kosten niet dragen, dan wordt de maximale aanvullende toeslag verstrekt. Voorts wordt er zo spoedig mogelijk  verhaalsactie ingesteld.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Artikel 12 en 20 Wwb, artikel 3 van de Toeslagenverordening Wwb.

&#167; 23. Bijstand voor duurzame gebruiksgoederen

Algemeen
Uitgangspunt van de Wwb is dat de bijstandsnorm toereikend is en dat de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan moeten worden betaald uit de eigen middelen (inkomen en vermogen). Dit geldt ook voor de noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen, zoals wasmachine, meubels, inrichtingskosten, babyuitzet.

Voorliggende voorzieningen
Men wordt geacht voor deze kosten te reserveren dan wel deze te financieren via gespreide betaling achteraf. Tevens is de langdurigheidstoeslag in een aantal situaties van toepassing.

Mogelijke bijstand
Omdat de duurzame gebruiksgoederen tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, waarvoor de belanghebbende dient te reserveren, wordt bij de bepaling van de hoogte van de te verlenen bijstand de liquide (te maken) geldmiddelen in de beoordeling betrokken. De mogelijkheid van een lening bij een kredietbank zo nodig met behulp van een borgstelling in het kader van de Wwb zal eveneens onderzocht moeten worden. 
Als dit niet tot de mogelijkheden behoort, komt pas bijstand in de vorm van een geldlening door de gemeente in aanmerking.

Verwijzing GKB
Wanneer bijstand wordt gevraagd voor duurzame gebruiksgoederen zal eerst doorverwijzing  naar de Gemeentelijke Kredietbank (GKB) voor een lening moeten plaatsvinden. Bij de verwijzing moet aan de cli&#235;nt een uitkeringsspecificatie worden meegegeven. Verwijzing hoeft niet plaats te vinden, indien vooraf duidelijk is dat de GKB geen lening zal verstrekken.

Geldlening voor duurzame gebruiksgoederen 
Bijstand in de vorm van een renteloze geldlening voor noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen is mogelijk ingeval de GKB niet in een lening kan voorzien. Dit moet blijken uit een brief van de GKB waarin de reden van de afwijzing staat vermeld.

Onderzoek dienst bij geldlening
Bij verzoeken om een geldlening moet worden onderzocht:
of de kosten van het duurzame gebruiksgoed behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan;
of de aanschaf van het goed noodzakelijk is;
de hoogte van het benodigde bedrag;
de voorzienbaarheid van de uitgave en daarmee samenhangend de reserveringsmogelijkheden;
het betoonde besef van verantwoordelijkheid voor de eigen bestaansvoorziening.

Voor de maximale hoogte van de noodzakelijke kosten van de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen wordt uitgegaan van het budgethandboek van het Nibud. Bij een onvoorzienbare noodzaak tot aanschaf of bij duurzame gebruiksgoederen, die niet tot de algemeen gebruikelijke behoren, is bijzondere bijstand om niet eventueel mogelijk.

Akte van schuldbekentenis
Van de geldlening dient een akte van schuldbekentenis te worden opgemaakt waarin de bestemming van de lening, de hoogte van het geleende bedrag en de maandelijkse aflostermijnen zijn aangegeven. Met de akte verleent de belanghebbende een machtiging om de aflossing maandelijks op de uitkering in te houden.

Looptijd geldlening
De looptijd van de geldlening is maximaal 36 maanden. In de situatie dat men heeft nagelaten geheel of gedeeltelijk te reserveren of een niet-noodzakelijke lening heeft afgesloten, kan, afhankelijk van de mate van het ongenoegzaam betoond besef van verantwoordelijkheid, de aflossingstermijn op maximaal 48 maanden worden gesteld. Na drie of in laatstgenoemd geval vier jaar regelmatige en volledige aflossing wordt het restant van de lening buiten invordering gesteld.

Aflossing
De hoogte van de aflossingsbedragen wordt door personen met een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm (ongeacht de samenstelling van dit inkomen) vastgesteld op ten minste 6% en ten hoogste 10% van de toepasselijke bijstandsnorm.

De aflossingsbedragen worden hoger vastgesteld als een inkomen boven de norm wordt genoten. De totaal door de belanghebbende te betalen bedragen worden zo vastgesteld dat hij ten minste blijft beschikken over de beslagvrije voet (90% van de toepasselijke bijstandsnorm).

Op grond van artikel 51, tweede lid, van de Wwb kunnen de aflossingsbedragen en/of de duur van de aflossing gewijzigd worden afhankelijk van de omstandigheden van persoon en gezin. Voor nadere regels omtrent de aflossing e.d. wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van het handhavingplan.

Matiging
Indien er sprake is van noodzakelijk te achten extra financi&#235;le lasten kan de hoogte van het aflossingsbedrag worden gematigd.

Samenloop met andere leningen/schulden
Andere leningen bij het bureau Sociale Zaken worden zoveel mogelijk samengevoegd tot &#233;&#233;n lening. In andere gevallen kan een schuldregeling of schuldsanering aan de orde zijn.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Artikel 48 en 51 Wwb en artikel 475d van het, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Hoofdstuk 3 Handhavingplan.

&#167; 24. Kosten van woninginrichting

Algemeen
De kosten van woninginrichting die verband houden met een noodzakelijke verhuizing behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten dienen te worden bestreden uit het inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm via reservering of gespreide betaling achteraf. Wanneer de belanghebbende niet in staat is door individueel bepaalde bijzondere omstandigheden in de kosten van woninginrichting te voorzien, vindt eventueel bijstandsverlening plaats in de vorm van een geldlening.

Voorliggende voorziening
De mogelijkheden van kredietverlening door de GKB dienen te worden benut.

Noodzakelijkheid 
Indien er sprake is van een noodzakelijke verhuizing en er onvoldoende of geen reserveringsmogelijkheden zijn geweest, kan er voor de kosten van woninginrichting afzonderlijke bijstand worden verstrekt. Een verhuizing is noodzakelijk wanneer daaraan een medische of sociale indicatie ten grondslag ligt. De voorgaande bijzondere omstandigheden maken dat de eventueel te verstrekken bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt als bijzondere bijstand. Meestal blijkt dit uit de urgentieverklaring van het huisvestingsbureau. Jonggehuwden en alleenstaanden worden geacht de kosten van de eerste woninginrichting zelf te dragen.

Vorm bijstand (artikel 48 Wwb)
Bijzondere bijstand in de kosten van woning(her)inrichting (duurzame gebruiksgoederen) wordt verstrekt als geldlening of in de vorm van borgtocht. In bijzondere gevallen wordt de bijstand om niet verstrekt. Bovendien bestaat nog de mogelijkheid aanvullende bijstand te verstrekken in de kosten van periodiek verschuldigde rente- en aflossingsbedragen van geldleningen voorzover de te betalen bedragen de genormeerde aflossingsbedragen terzake van geldlening overtreffen.

Aflossing
De hoogte van de aflossingsbedragen wordt door personen met een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm (ongeacht de samenstelling van dit inkomen) vastgesteld op ten minste 6% en ten hoogste 10% van de toepasselijke bijstandsnorm.

De aflossingsbedragen worden hoger vastgesteld als een inkomen boven de norm wordt genoten. De totaal door de belanghebbende te betalen bedragen worden zo vastgesteld dat hij ten minste blijft beschikken over beslagvrije voet. 

Op grond van artikel 51, tweede lid, van de Wwb kunnen de aflossingsbedragen en/of de duur van de aflossing gewijzigd worden afhankelijk van de omstandigheden van persoon en gezin. Voor nadere regels omtrent aflossing e.d. wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van het handhavingplan.

Hoogte bijstand
Uitgegaan moet worden van de noodzakelijk te achten woninginrichting. Voor de richtprijzen gelden als uitgangspunt het budgethandboek van het Nibud. Bij de bepaling van de hoogte van de bijstand moet het bedrag dat men redelijkerwijs had kunnen reserveren (voorzienbaarheid van de verhuizing) in mindering worden gebracht.

Verhuizing naar een huurtoeslag subsidiabele woning
Speciale aandacht verdient de categorie belanghebbenden met een woonkostentoeslag, die is gebaseerd op een huur boven de huurtoeslag grens en aan wie de verhuisvoorwaarde is opgelegd. Bij verhuizing naar een woning beneden de huurtoeslag grens is het acceptabel om de noodzakelijke kosten van woninginrichting om niet te verstrekken, indien men korter dan drie jaar in de oude woning heeft gewoond. 

Het betreft alleen die zaken die noodzakelijkerwijs in verband met de verhuizing moeten worden aangeschaft omdat deze niet meer zijn te gebruiken in het nieuwe huis. Wel dienen de draagkrachtcriteria bijzondere bijstand toegepast te worden.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Artikel 48 Wwb, Hoofdstuk 3 Handhavingplan.

&#167; 25. Kinderopvang

Kosten kinderopvang in het kader van uitstroom
De kosten van kinderopvang die verbonden zijn aan het deelnemen aan noodzakelijke scholing of werkervaring behoren tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan.

Kosten kinderopvang op sociale/medische gronden
Kosten van kinderopvang die noodzakelijk worden geacht op medische en/of sociale gronden kunnen in beginsel in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. 

Procedure sociaal/medische doelgroep
De indicatie moet door Argonaut worden vastgesteld, tenzij er een recentelijk (&lt; 6 maanden) sociaal-medisch attest aanwezig is van een nationaal erkende instelling. Degene die de indicatie stelt dient aan te geven of er sprake is van een sociaal-medische indicatie, alsmede hoeveel dagdelen minimaal kinderopvang geboden moet worden en voor welke duur. 

De opvang dient uitsluitend geboden te worden door een erkend kindercentrum of gastouderbureau.

De hoogte van de bijzondere bijstand kosten kinderopvang bedraagt het verschil tussen de kosten van minimaal aan te bieden kinderopvang en draagkracht ouder(s). 

Voorliggende voorzieningen
Re&#239;ntegratieverordening met bijbehorende re&#239;ntegratieplan, Wet Kinderopvang.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 Wwb, Wet Kinderopvang

&#167; 26. Woonkosten en  huurtoeslag

Algemeen 
Woonkosten behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan. Uitgangspunt is dat de algemene bijstandsuitkering in combinatie met huurtoeslag voorziet in de woonkosten. 
Bij de duurdere woningen blijft een groter deel van de woonkosten ten laste van de huurder. Indien geen of onvoldoende aanspraak op huurtoeslag bestaat kan via de bijzondere bijstand een tijdelijke woonkostentoeslag worden verstrekt.

Om tot behandeling van de aanvraag woonkostentoeslag te kunnen overgaan, dient duidelijk te zijn dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op (hogere) huurtoeslag. 

Geen woonkostentoeslag voor bepaalde groepen
Aan studerenden wordt geen bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag verstrekt. De Wet op de huurtoeslag en de Wet op de Studiefinanciering worden geacht als een voldoende voorliggende voorziening te functioneren. Aan personen met een voorwaardelijke verblijfsvergunning wordt ook geen woonkostentoeslag verstrekt. Voor hen geldt de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke verblijfsvergunning. Krakers en thuis- en daklozen komen gelet op hun specifieke situatie niet voor woonkostentoeslag in aanmerking. Zij moeten hun woonkosten voldoen uit het hen ter beschikking staand inkomen.

Woonkosten na (echt)scheiding
Het komt voor dat een (ex-)echtgenoot van een bijstandscli&#235;nt, vooruitlopend op de boedelscheiding, geheel of gedeeltelijk de woonkosten betaalt. Het bedrag dat door de onderhoudsplichtige aan belanghebbende aan woonkosten wordt betaald, wordt beschouwd als alimentatie en dient volledig op de uitkering in mindering te worden gebracht.

Bij woonkosten boven de maximale huurgrens inzake de Wet op de huurtoeslag moet, ondanks de betaling van de onderhoudsplichtige, aan de bijstandsverlening toch de verplichting worden verbonden tot het omzien  naar goedkopere huisvesting. Dit om het mogelijk beroep/afhankelijkheid van woonkostentoeslag in omvang en termijn te beperken. In een dergelijke situatie zijn de woonlasten niet in redelijke verhouding met het inkomen.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Wwb, Wet op de huurtoeslag.

&#167; 27. Woonkostentoeslag huurwoning

Algemeen
Ondanks de voorliggende voorzieningen in de vorm van een huurtoeslag kan het voorkomen dat vanuit de bijzondere bijstand een bijdrage in de woonkosten moet worden verstrekt. 
De volgende situatie is o.a. denkbaar:
Wegens een huur boven de maximale huurgrens bestaat er geen recht op huurtoeslag.

Voor de berekening van de woonkostentoeslag wordt aangesloten bij de systematiek van de huurtoeslag.

Te hoge huur
Wanneer de huur van een woning hoger is dan de maximale huurgrens inzake de Wet op de huurtoeslag, bestaat er geen recht op huurtoeslag. In dat geval kan zolang als noodzakelijk, maar maximaal voor de duur van &#233;&#233;n jaar een woonkostentoeslag worden verstrekt. Voorwaarde daarbij is dat men zich voldoende inspanning moet getroosten om zo spoedig mogelijk de beschikking te verkrijgen over goedkopere woonruimte. 
Dit wordt in de beschikking opgenomen. Indien betrokkene in redelijkheid geen goedkopere woonruimte kan verkrijgen, is verlenging van de termijn van toekenning woonkostentoeslag mogelijk.

Er dient rekening gehouden te worden met het eventuele vermogen/inkomen boven de bijstandsnorm. De te verstrekken woonkostentoeslag is aanvullend op de basishuur, zijnde het voor eigen rekening blijvende deel van de woonkosten. 

Nalatigheid aanvragen huurtoeslag
Indien men nalatig is geweest in het benutten van de huurtoeslagmogelijkheden wordt dit aangemerkt als maatregelwaardig gedrag. Belanghebbende heeft blijk gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De maatregel wordt gesteld op 100% gedurende de gehele periode waarop aanspraak op huurtoeslag had kunnen worden gemaakt.

Zelfstandige woonruimte
Evenals bij de huurtoeslag kan er slechts een woonkostentoeslag worden verstrekt als men 18 jaar of ouder is en zelfstandige woonruimte bewoont. 

Van een zelfstandige woonruimte is sprake ingeval van een woonruimte waarin de wezenlijke voorzieningen zoals was- en kookgelegenheid en een toilet, niet met andere bewoners worden gedeeld. Onder een woning wordt verstaan een zelfstandige woning en de door de minister aangewezen wooneenheden. Kamerbewoners, bewoners van verzorgingstehuizen, dan wel bejaardentehuizen komen niet voor een woonkostentoeslag in aanmerking.

Vaststelling hoogte woonkosten
Uitgangspunt voor de vaststelling van de woonkosten c.q. de woonkostentoeslag is de subsidiabele huur. Dit is de kale huur minus de kosten van een eventuele garage en/of bedrijfskosten en vermeerderd met de servicekosten die voorkomen op de zogenaamde positieve lijst.

Gezamenlijke huur
Indien er sprake is van gezamenlijke huur dienen de woonkosten (= huur) naar evenredigheid te worden vastgesteld. Bij twee huurders is de in aanmerking te nemen huur dan 50%, bij drie 33,33% en bij vier 25% van de totale huurprijs. Van gezamenlijke huur kan worden gesproken als de woning door meer personen (geen partners, huisgenoten of onderhuurders) is gehuurd met een gezamenlijk huurcontract.

Onderhuur/kostgangers
Als de huurder een deel van de woning heeft verhuurd aan een onderhuurder of kostganger wordt de woonkostentoeslag overeenkomstig de Wet op de huurtoeslag berekend. 

Inkomen boven bijstandsnorm (surplus)
Het gedeelte van het inkomen (incl. dat van de partner) dat de geldende bijstandsnorm overtreft - het surplus - wordt volledig op de theoretische woonkostentoeslag in mindering gebracht. Dat geldt ook voor de woonkostentoeslag die wordt verstrekt in geval van een te hoge huur. Om het surplus vast te stellen wordt het inkomen afgezet tegen de toepasselijke bijstandsnorm (norm plus geldende toeslag).

Inkomen medebewoners
Bij de vaststelling van de woonkostentoeslag wordt op dezelfde wijze rekening gehouden met inkomsten van medebewoners als bij de bepaling van huurtoeslag. Onder medebewoner wordt verstaan een persoon die op hetzelfde adres staat ingeschreven als de belanghebbende. Een medebewoner is niet de partner, onderhuurder of persoon die behoort tot het huishouden van de onderhuurder. 

Woonkostentoeslag en studerende partner
Als de gezamenlijke huishouding, waarvan een van beide partners een HBO-/WO-dagopleiding volgt waarvoor studiefinanciering wordt verkregen, aanspraak maakt op een woonkostentoeslag, kan 50% van de theoretische woonkostentoeslag worden verstrekt. 

Vorm van bijstand (artikel 48 Wwb)
In het algemeen wordt woonkostentoeslag om niet verstrekt. Als er sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, wordt de woonkostentoeslag in beginsel afgewezen. Ingeval van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan en de aanwezigheid van zeer dringende redenen, kan eventueel bijstand in de vorm van een geldlening worden verleend.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Artikel 35 en artikel 48 Wwb.

&#167; 28. Woonkosten eigen woning

Algemeen
Bewoners van een eigen woning kunnen ook in aanmerking komen voor een woonkostentoeslag. Daarmee wordt bereikt dat zij, nu er voor deze categorie geen recht bestaat op huurtoeslag, hetzelfde deel van hun inkomen aan woonkosten voldoen als huurders.

Hoge woonkosten
Indien de woonkosten hoger zijn dan de maximale huurgrens ingevolge de Wet op de huurtoeslag, kan de woonkostentoeslag in beginsel slechts gedurende maximaal een jaar worden toegekend. Voorwaarde daarbij is dat men vanaf het begin omziet naar goedkopere huisvesting waarvan de kosten beneden de maximale huurgrens ingevolge de Wet op de huurtoeslag liggen. Verlenging van de woonkostentoeslag is mogelijk, indien de betrokkene aan kan tonen dat hij in redelijkheid geen goedkopere woonruimte heeft kunnen verkrijgen.

Woonkosten
De woonkosten waarmee bij de berekening van de woonkostentoeslag rekening wordt gehouden, zijn;
hypotheekrente (geen aflossing);
eigenaarsdeel onroerende zaakbelasting (WOZ);
premie brand- en opstalverzekering;
waterschapslasten;
rioolrechten;
erfpachtcanons;
groot onderhoud (voor-/naoorlogs);
onderhoud centrale verwarming;
en voorzover van toepassing:
liftinstallatie;
algemeen beheer en administratie (bij flatgebouw en appartementen).

Hypotheekrente
De hoogte van de rentelasten wordt bepaald door het rentepercentage te vermenigvuldigen met de restant hypotheekschuld.

Onderhoudsbedragen
Voor de hoogte van de mee te nemen onderhoudsbedragen wordt verwezen naar de normen die jaarlijks door DIVOSA worden verstrekt.

Woonkostentoeslag
De berekeningswijze van de woonkostentoeslag is gelijk aan die bij huurwoningen. 

Teruggave inkomstenbelasting/premieheffing (artikel 58 Wwb)
Als voorwaarde bij de toekenning van een woonkostentoeslag geldt dat de bewoner bij de belastingdienst moet verzoeken om een &#8216;Beschikking voorlopige teruggaaf&#8217;. Dit in verband met de fiscale aftrekbaarheid van te betalen of betaalde hypotheekrente. Wanneer er een woonkostentoeslag is verstrekt, wordt de teruggave wegens hypotheekrente (als die volledig betrekking heeft op het bijstandstijdvak) beschouwd als inkomen. 
Dit inkomen wordt verrekend met de uitkering tot maximaal het bedrag dat aan woonkostentoeslag verstrekt is gedurende het belastingjaar. Wanneer dit niet meer mogelijk is, dient door middel van het aanmaken van een debiteurenpost de aflossing middels bijvoorbeeld een verlaging van de woonkostentoeslag bewaakt te worden. Is er sprake van een teruggave in verband met hypotheekrente, terwijl geen woonkostentoeslag is verstrekt, dan vindt er geen terugvordering plaats. Wanneer door de teruggave oververmogen ontstaat, moet daarop worden ingeteerd.

Premies/subsidies
De door het Rijk verstrekte premies op de aankoop van een woning zijn bedoeld als een tegemoetkoming in de verschuldigde bedragen voor rente en aflossing. Deze premies dienen voorzover ze moeten worden toegerekend aan de verschuldigde rentelasten, op het bedrag van de woonkosten en niet op de woonkostentoeslag in mindering te worden gebracht. De toerekening dient plaats te vinden aan de hand van de verhouding van de voor een bepaald jaar verschuldigde bedragen voor rente en aflossing. Met de premies/subsidies wordt rekening gehouden als ze betrekking hebben op een periode van bijstandsverlening.

Procedures
Ter vaststelling van de woonkosten dienen bewijsstukken aanwezig te zijn, zoals: kopie van de eigendomsakte van de woning, de hypotheekakte, actuele stand van de hypotheekschuld, rente nota en betalingsbewijzen.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Artikel 58 en hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 29. Inkomensondersteuning bij hoge woonlasten

Algemeen
In sommige gevallen is het mogelijk om aan mensen in dure huurwoningen inkomensondersteuning te bieden in de vorm van (tijdelijke) bijzondere bijstand. Voorwaarde is dat de hoge woonlasten niet als een vrije bestedingskeuze zijn aan te merken, met andere woorden dat bewoning van de woning onvermijdbaar en noodzakelijk is. Inkomensondersteuning in geval van hoge huur is zowel mogelijk in geval de hoge huur het gevolg is van sociale omstandigheden als in het geval dit het gevolg is van medische omstandigheden.

Sociale omstandigheden
Van sociale omstandigheden is sprake als de situatie voortvloeit uit omstandigheden die niet als medisch zijn te kwalificeren, maar die het gevolg zijn van (veranderingen in) persoonlijke omstandigheden. Gedacht kan worden aan personen die na echtscheiding of overlijden alleen in een woning achterblijven.

Medische omstandigheden
Van medische omstandigheden is sprake als de woning voor belanghebbende (of een gezinslid) noodzakelijk is in verband met medische omstandigheden of omstandigheden, die maken dat wonen in een andere woning gezondheidsproblemen zou opleveren. Het kan daarbij gaan om een:
speciaal wegens de handicap aangepaste woning;
aanleunwoning voor bejaarden of een seniorenwoning;
een woning, die op zich geen bijzondere bestemming heeft, maar die voor de betrokkene als noodzakelijk moet worden aangemerkt (denk aan &#8216;droge&#8217; woningen).

Als &#233;&#233;n van de onderstaande situaties zich voordoet, staat de medische noodzaak vast:
I.de woning is voor betrokkene aangepast via de WVG of de AWBZ;
II.voor de woning toepassing wordt gegeven aan de hardheidclausule Wet op de huurtoeslag, zodat ondanks overschrijding van de maximale huurgrens (toch) huurtoeslag wordt verstrekt, omdat die aftoppingsoverschrijding het gevolg is van woningaanpassing om medische redenen;
III.de woning aan betrokkene is toegewezen wegens medische urgentie;
IV.Argonaut de medische noodzaak heeft vastgesteld middels een attest.

Duur bijstandsverlening en verhuisvoorwaarde
In geval van sociale omstandigheden kan de bijstand worden verleend voor maximaal twaalf maanden. Aan de bijstandsverlening wordt de voorwaarde verbonden dat men zo snel mogelijk dient te verhuizen naar een geschikte woning.

In geval van medische omstandigheden wordt de bijstand verstrekt voor onbepaalde tijd, waarbij deze eindigt op het moment dat de medische noodzaak niet langer aanwezig is of het inkomen van betrokkene dermate stijgt dat niet langer bijstand verstrekt kan worden. Omdat in het geval van medische noodzaak meestal geen goedkoper alternatief bestaat, wordt aan deze bijstandsverlening in geen geval de verhuisvoorwaarde verbonden.

Hoogte van de bijstand
De hoogte van de bijstand bij hoge woonlasten wordt als volgt berekend.
De rekenhuur minus de ontvangen huurtoeslag/woonkostentoeslag. Vervolgens wordt in mindering gebracht het bedrag dat iemand minimaal zelf uit het eigen inkomen moet bijdragen in de woonkosten conform de Wet op de huurtoeslag. De uitkomst van deze berekening levert het bedrag op dat als bijstand kan worden verstrekt. 

Wijze van aanvraag
De aanvraag ter verkrijging van &#233;&#233;n of meer bijzondere kosten van bestaan kan worden ingediend op de daarvoor bestemde formulieren, verkrijgbaar bij het bureau Sociale Zaken.

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 30. Premie arbeidsongeschiktheidsverzekering

Algemeen
De gemeenten hebben met de in de Wwb vastgestelde uitkeringssystematiek de verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de noodzaak en hoogte op de landelijke norm. Tot deze beoordeling behoort ook de eventuele noodzakelijk aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen.

Arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandige
Het wordt als noodzakelijk geacht dat een gevestigde zelfstandige gedurende de bijstandsperiode een arbeidsongeschiktheidsverzekering aanhoudt. Dit mede om te voorkomen dat de zelfstandige na be&#235;indiging van de bijstandsverlening wordt geconfronteerd met acceptatieproblemen of aanmerkelijk ongunstige voorwaarden. 
De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering en de duur van de verstrekking bijzondere bijstand is gelijk aan de periode dat een periodieke uitkering aan de gevestigde zelfstandige wordt verstrekt. 

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 31. Eigen bijdrage Wet op de Jeugdhulpverlening

Algemeen
Indien een kind op grond van de Wet op de Jeugdhulpverlening uit huis is geplaatst zijn de ouders een bijdrage verschuldigd voor de hiermee gepaard gaande kosten. Deze ouderlijke bijdrage wordt opgelegd ongeacht de hoogte van het inkomen.

Voorliggende voorziening
Omdat de kosten betrekking hebben op kinderen, is de kinderbijslag een voorliggende voorziening. Indien niet aan de onderhoudseis wordt voldaan,  zal er geen recht op kinderbijslag bestaan.

Bijzondere bijstand
Indien de aanvrager geen recht heeft op (dubbele) kinderbijslag dan kan voor deze kosten bijstand worden verleend.
Indien de aanvrager geen (dubbele)kinderbijslag ontvangt, kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de eigen bijdrage;
Indien sprake is van een eigen bijdrage voor semi-residenti&#235;le opvang (dagopvang) dan kan voor de eigen bijdrage eveneens bijzondere bijstand worden verleend (in deze situatie bestaat nimmer recht op dubbele kinderbijslag).

In dezen is van belang om op te merken dat een ouder geen recht kan ontlenen aan de norm, geldend voor een alleenstaande ouder, indien deze ouder geen aanspraak kan maken op kinderbijslag (artikel 4 van de Wwb).

Draagkracht
Zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk.

Wetteksten
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 32. Doorbetaling vaste lasten

Algemeen
De kosten van het aanhouden van een woning bij tijdelijk verblijf in een inrichting of tijdens detentie kunnen aangemerkt worden als bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. Onder voorwaarden kan voor deze kosten bijstand worden verleend.

Woonkosten
Onder woonkosten worden in deze paragraaf verstaan:
huur
energielasten (gas, water en stroom).

Afhankelijk van de individuele omstandigheden komen verder de overige woonlasten in aanmerking die noodzakelijkerwijs moeten worden gemaakt om de woning aan te houden, zoals bijvoorbeeld inboedelverzekeringen e.d. Indien er sprake is van een eigen woning, dient de eigenaar een verzoek in te dienen bij de hypotheekverstrekker voor een tijdelijke opschorting van de hypotheekverplichtingen. Overigens komen de eventueel gestelde aflossingsverplichtingen nimmer voor bijstandsverlening in aanmerking.

Kosten aanhouden woning tijdens detentie 

Voorzienbaarheid/reservering
Het feit dat tijdens detentie in huisvesting wordt voorzien, kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat het aanhouden van de eigen woning niet meer noodzakelijk is. Van geval tot geval moet dat worden beoordeeld.

Indien de gedetineerde niet voor de kosten en vaste lasten van de eigen woning heeft kunnen reserveren of geen tijdelijke verhuurregeling heeft kunnen treffen met familie /vrienden kan bijstand worden verleend. 
In veel gevallen is de detentie geruime tijd voorzienbaar en bestaat derhalve de mogelijkheid tot reserveren. Tijdens voorarrest staat de noodzaak vast.

Duur van bijstandsverlening
Bijstandsverlening is mogelijk indien de detentieperiode niet langer is dan een half jaar. Staat vooraf vast dat de detentieperiode langer dan een half jaar zal duren, dan kan er eventueel uitsluitend bijstand worden verleend voor de periode van huuropzegging.

Opname in inrichting 
Gedurende een opname in een inrichting (bijvoorbeeld ziekenhuis /APZ) kan het noodzakelijk zijn dat de aanvrager de woonruimte aanhoudt. Bijzondere bijstand voor de doorbetaling van de vaste lasten van de woning is derhalve mogelijk. Voorwaarde is dat de opname in de inrichting tijdelijk van aard is en dat de belanghebbende na de opname terugkeert naar de woning waarvoor bijzonder bijstand wordt verleend. Dit gelet op de huidige domiciliebepalingen ingevolge de Wwb.

Wijziging bijstandsnorm bij opname in inrichting:
Indien belanghebbende op het moment van opname in een inrichting reeds een uitkering ontvangt op grond van de Wwb, wordt in het algemeen de oorspronkelijk vastgestelde bijstandsnorm gehandhaafd tot en met de laatste dag van de tweede maand volgend op die waarin de opname in de inrichting plaatsvond. De bijstand over de twee maanden, volgend op die waarin de opname plaatsvond, wordt als volgt vastgesteld:

1.de van toepassing zijn zak- en kleedgeldnorm ingevolge artikel 23 van de Wwb wordt uitbetaald in de vorm van algemene bijstand.
2.de aanvulling tot de oorspronkelijke geldende bijstandsnorm vindt plaats in de vorm van bijzondere bijstand.

Na afloop van deze periode komt de uitkering als bedoeld onder 2. te vervallen en wordt daarna aan de hand van de individuele omstandigheden bepaald of bijzondere bijstand moet worden verleend in de noodzakelijke kosten die in verband staan met het aanhouden van de zelfstandige huisvesting. Indien de belanghebbende naast de bijzondere bijstand in de vaste lasten tevens een uitkering krijgt voor bijvoorbeeld een weekendverblijf, dan dient bij de aanvulling rekening te worden gehouden met een vermindering van de norm met de woonkostencomponent.

Duur van de bijstandsverlening
Bijstandsverlening is in beginsel mogelijk indien de opnameperiode niet langer is dan &#233;&#233;n jaar. Staat vooraf vast dat de opname langer dan &#233;&#233;n jaar zal gaan duren, dan kan eventueel uitsluitend bijstand worden verleend in de periode van huuropzegging.

Hoogte bijstand vaste lasten
Bij de bepaling van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt rekening gehouden met de situatie dat de woning niet zal worden gebruikt. Veelal kan bijvoorbeeld met de nutsbedrijven een regeling worden getroffen inzake de betaling van de voorschotnota&#8217;s. Van de verplichting tot betaling van het vastrecht komt daarnaast 20% van de voorschotnota&#8217;s voor bijzondere bijstand in aanmerking.

Wetteksten 
Hoofdstuk 4 van de Wwb.

&#167; 33. Categoriale bijzondere bijstand

De Wwb biedt de gemeenten de mogelijkheid om categoriale bijzondere bijstand te verstrekken aan personen van 65 jaar en ouder (artikel 35, derde lid, Wwb).

Verlening van categoriale bijzondere bijstand aan personen jonger dan 65 jaar is in beginsel niet mogelijk. Op deze regel gelden echter uitzonderingen, waarvan er twee met name van belang zijn bij de bijstandsverlening aan chronisch zieken en gehandicapten.
Op grond van artikel 10, tweede lid Invoeringswet Wet werk en bijstand (IWwb) is het gemeenten toegestaan om bestaande collectieve en aanvullende zorgverzekeringen voort te zetten en af te sluiten;
Voorts is door de regering een wetsvoorstel ingediend op grond waarvan gemeenten de mogelijkheden krijgen om categoriale bijzondere bijstand te verlenen voor de kosten van chronische ziekte en handicap (artikel 10, derde lid, IWwb).

Bij de verlening van bijzondere bijstand aan chronisch zieken en gehandicapten zijn met name de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Zorgverzekeringswet als voorliggende voorziening van belang. Bij de beantwoording van de vraag of een voorziening passend en toereikend is, is onder meer van belang om welke reden kosten die naar hun aard onder een bepaalde voorziening vallen van vergoeding in het kader van die voorziening zijn uitgesloten. Bijzondere bijstand is mogelijk als de uitsluiting berust op financi&#235;le overwegingen; als de uitsluiting berust op het feit dat de kosten als niet noodzakelijk worden aangemerkt, is in beginsel geen bijzondere bijstand mogelijk.

Afwijking van artikel 15 Wwb is mogelijk indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders daartoe noodzaken.

Vanaf 1 januari 2004 is besloten dat er geen beroep kan worden gedaan op de Buitengewone uitgavenaftrek en tijdelijk Besluit Tegemoetkoming buitengewone uitgaven (BU/TBU) als voor de betreffende feitelijke kosten bijzondere bijstand is verleend. De gemeenten worden gecompenseerd voor het bedrag aan bijzondere bijstand dat zij zonder dit besluit zouden hebben kunnen verrekenen met de BU/TBU. Hiervoor is &#8364; 11 miljoen toegevoegd aan het bedrag voor de bijzondere bijstand in het gemeentefonds.

Zoals hierboven is aangegeven, kunnen de feitelijke kosten die zijn vergoed door de bijzondere bijstand niet als buitengewone uitgaven bij de aangifte inkomstenbelasting worden opgevoerd. Bij de buitengewone uitgavenaftrek spelen echter niet alleen de feitelijke kosten een rol; er wordt ook rekening gehouden met betaalde zorgpremies alsmede met het ouderdomsforfait en arbeidsongeschiktheidsforfait. De verlening van bijzondere bijstand staat er niet aan in de weg dat een beroep wordt gedaan op de buitengewone uitgavenaftrek voor wat betreft deze elementen. 

De onderhavige belastingteruggave wordt noch bij de verlening van de algemene bijstand noch bij de verlening van de bijzondere bijstand als middel in aanmerking genomen.

Bepaling van de doelgroep
Handicaps en chronische ziekten kunnen fysiek, verstandelijk of psychisch van aard zijn. Als voorbeelden van chronische ziekten kunnen worden genoemd: cara, astma, diabetes mellitus, epilepsie, reuma, lever- en darmziekten, spierziekten, nierziekten, hartafwijkingen, hemofilie, cystic fibrosis, chronische artritis en kanker.

Definitie:
&quot;Chronische ziekten worden in het algemeen omschreven als irreversibele (onherroepelijke, onveranderlijke) aandoeningen, zonder uitzicht op volledig herstel en met een gemiddeld lange ziekteduur&quot;.

Deze definitie is uit een proefschrift gelicht van G.A.M. Bos, (1989), Universiteit van Amsterdam en wordt sindsdien standaard opgenomen in beleidsnotities en onderzoekspublicaties.

Toelichting
Op  basis  van diagnostiek door artsen moet vastgesteld zijn dat het om een chronische  aandoening  gaat.  Voorts  moet  er  sprake zijn van een zekere tijdsduur.  Maar deze kan sterk wisselen, bij somatische aandoeningen wordt een  grens gelegd bij drie maanden, bij psychische aandoeningen daarentegen wordt  een  minimum van twee jaar aangehouden. Maar ook dit zijn variabelen die  kunnen  wijzigen.  De  ernst van een aandoening is ook een factor, het moet  langdurige  beperkingen  met zich mee brengen. En het zorgbeslag moet aanwezig zijn, dus een langdurig beroep op de gezondheidszorg. 
Het varieert van levensbedreigende aandoeningen, aandoeningen  met terugkerende klachten, aandoeningen met een progressief beloop, aandoeningen die invaliderend van aard zijn en mensen  die ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks bestaan.

Voor ouderen is de leeftijdsgrens van 65 jaar een algemeen aanvaard criterium.

Uit onderzoek is gebleken dat de volgende indicaties de meest voorspellende waarde hebben voor de hoogte van de ziektegerelateerde uitgaven:
langdurige thuiszorg;
hulpmiddelen voor wonen / werk, vervoer, lopen / rolstoel; autovoorzieningen;
arbeidsongeschiktheid 80 - 100 %.

Aannemelijkheid kosten als uitgangspunt
In tegenstelling tot de individuele bijzondere bijstand, kenmerkt categoriale bijzondere bijstand zich niet door het maatwerkprincipe, maar door het uitgangspunt dat een bepaalde categorie personen wordt geacht in bijzondere omstandigheden te verkeren waarvan het aannemelijk is dat zij bepaalde kosten hebben waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te bovengaat.

Verborgen kosten
Mensen met een chronische ziekte of handicap en ouderen hebben als gevolg van  hun omstandigheden vaak meerkosten, die niet of slechts gedeeltelijk door andere regelingen worden vergoed. Het gaat dan vooral om de zogenaamde &quot;verborgen&quot; kosten. Beperkte mobiliteit en/of verminderde energie noodzaken betrokkenen tot het inroepen van hulp en dienstverlening van familie, buren, vrienden of andere vrijwilligers. 

Bij verborgen kosten moet men denken aan:
1.hogere telefoon- en portikosten i.v.m. het regelen van aangelegenheden rondom de beperking of ziekte;
2.extra kosten i.v.m. voedingsmiddelen;
3.extra kosten i.v.m. energieverbruik;
4.extra kledingslijtage/bewassingskosten;
5.maaltijdvoorzieningen;
6.verhoogde (risico)premies;
7.extra kosten i.v.m. klusjes rondom huis;
8.bloemetje mantelzorg;
9.lidmaatschapskosten van belangenverenigingen en/of pati&#235;ntenorganisaties.

Deze financi&#235;le gevolgen voor de doelgroep vertalen zich niet alleen naar de huishoudens met een inkomen op minimumniveau. Ook mensen uit de doelgroep met een bovenminimaal netto of belastbaar inkomen hebben extra uitgaven i.v.m. chronische ziekte, handicap of ouderdom, waardoor hun besteedbaar inkomen op of beneden het sociaal minimum kan uitkomen. Dan kan bijzondere bijstand aan de orde zijn. 

Hoogte bijstand
Het kenmerk van verborgen kosten is dat ze niet direct aan de hand van bonnetjes of betaalbewijzen kunnen worden aangetoond. Gelet op bovenvermelde worden de volgende bedragen verstrekt:
Doelgroep 65+ : &#8364; 150,-- per jaar;
Doelgroep chronisch zieke of gehandicapte van 18 jaar of ouder : &#8364; 250,-- per jaar.
Indien belanghebbende tot beide doelgroepen behoort is het hoogste bedrag t.w. &#8364; 250,-- per jaar van toepassing. Er is dus geen sprake van cumulatie van beide bedragen. Indien er sprake is van een echtpaar 65+, kan er een bedrag van &#8364; 300,-- per jaar worden toegekend.

Om de administratieve lasten te verminderen, verdient het de voorkeur om zo&#8217;n bedrag ineens uit te betalen.

Het vastgestelde bedrag van de categoriale bijzondere bijstand kan zo nodig (feitelijke kosten zijn bijvoorbeeld hoger) worden aangevuld met individuele bijzondere bijstand. Hiermee kan voor belanghebbende de noodzaak tot het indienen van een aanvraag teruggave inkomstenbelasting i.v.m. buitengewone lasten vervallen. In dat geval zal alsnog de toets moeten plaatsvinden of de kosten in het individuele geval noodzakelijk zijn en of ze ook daadwerkelijk zijn gemaakt. 

Vaststellen criteria voor de draagkracht
Het zal niet zo zijn dat alle personen die voldoen aan de door de gemeente vastgestelde criteria voor wat betreft chronische ziekte, handicap en ouderdom tot de doelgroep van de categoriale bijzondere bijstand behoren. Aangegeven zal moeten worden welke criteria met betrekking tot het inkomen en vermogen gelden en daarmee de doelgroep financieel gezien afgrenzen. De gemeente heeft daarbij in het kader van de Wwb een maximale beleidsvrijheid (artikel 35 Wwb).
De gemeente heeft de bevoegdheid om de draagkracht in het inkomen zelf vast te stellen. Voor de doelgroep chronisch zieken, gehandicapten en ouderen zou dat bijvoorbeeld (ruim) hoger kunnen liggen dan het bijstandsniveau, waardoor het bereik van de regeling groter wordt. 

De gemeente bepaalt in afwijking van het vastgestelde draagkrachtbeleid bijzondere bijstand, dat bij een inkomen tot 120% van de toepasselijke bijstandsnorm in het geheel geen draagkracht aanwezig wordt geacht. Deze norm is gelijk aan het beleid ten aanzien van het Participatiefonds Doe Met en het Steunfonds. Bij een inkomen boven de 120% van de toepasselijke bijstandsnorm bestaat er geen recht op categoriale bijzondere bijstand.

Met betrekking tot de vaststelling van het vermogen geldt dat de gemeente zich niet gebonden hoeft te achten aan de vrijlatingbepalingen Wwb. 

De gemeente bepaalt dat de draagkracht op grond van het vermogen 100% van het vermogen boven het vrij te laten vermogen ligt. Van het in aanmerking te nemen vermogen worden de middelen bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wwb niet tot het draagkrachtvermogen van belanghebbende gerekend. De middelen als bedoeld in genoemd artikel worden dus ook voor de bijzondere bijstand vrijgelaten. Het vermogen wordt dus op dezelfde wijze vastgesteld als bij de algemene bijstand.

De toekenning
Categoriale bijzondere bijstand wordt toegekend indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
1.belanghebbende behoort tot de doelgroep;
2.belanghebbende kan voor de daadwerkelijke kosten geen beroep doen op een voorliggende voorziening;
3.belanghebbende voldoet aan de inkomensgrens (maximaal 120% van de toepasselijke bijstandsnorm) en vermogensgrens (conform vermogensgrens artikel 34 Wwb);

Uit het bovenstaande blijkt dat bij de verlening van categoriale bijzondere bijstand de toets of de betreffende kosten in het individuele geval ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn en ook feitelijk zijn gemaakt, achterwege kan blijven. Hierin onderscheidt categoriale bijzondere bijstand zich dan ook van &quot;normale&quot; bijzondere bijstand (ook wel individuele bijzondere bijstand genoemd).


Verhouding langdurigheidstoeslag
De langdurigheidstoeslag (LDT) wordt niet als voorliggende voorziening op de individuele bijzondere bijstand beschouwd. Artikel 36, eerste lid, onderdeel a, van de Wwb regelt dat een aanvrager recht heeft op LDT indien hij (onder andere) gedurende 60 maanden onafgebroken een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm. Voor personen van 65 jaar of ouder is de LDT niet van toepassing.

In  artikel  35,  eerste  lid  van de Wwb wordt aangegeven dat het recht op bijzondere  bijstand  bestaat  voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt   over   de   middelen   om  te  voorzien  in  de  uit  bijzondere omstandigheden  voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten  naar  het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de LDT, het vermogen en het inkomen. Hieruit  zou  geconcludeerd  kunnen worden dat de LDT als voorliggende  voorziening  op  de  bijzondere  bijstand  zou  moeten worden beschouwd.  In  de memorie van toelichting wordt dit echter niet echt bekrachtigd. 

De ministeries van SZW, VWS en Financi&#235;n (Belastingsdienst) trekken bij de voorlichtingsactiviteiten van de doelgroep chronisch zieken, gehandicapten en ouderen gezamenlijk op. De boodschap is:
Als chronisch zieke of gehandicapte met een laag inkomen heeft u hoge kosten voor ziekte en zorg. Er zijn regelingen om uw inkomenspositie te verbeteren:
Bijzondere bijstand;
Teruggave inkomstenbelasting.

Bij de beschikking die gebruikers van de thuiszorg ontvangen (ca. 400.000) over de hoogte van hun eigen bijdrage, krijgen zij een bijsluiter van VWS over de mogelijkheden. De Belastingdienst en SZW voeren een campagne om de doelgroep te attenderen op de mogelijkheden. En verder zijn allerlei organisaties verzocht om in hun media zoveel mogelijk aandacht te besteden aan bijzondere bijstand en belastingteruggave. Bij al deze activiteiten worden de doelgroepen verwezen naar Postbus 51 welke (potenti&#235;le) cli&#235;nten voor specifieke informatie over bijzondere bijstand verwijzen naar de Sociale Dienst of Sociale Zaken.
	
&#167; 34. Bijzondere bijstand vreemdelingen

Vreemdelingen die zich tijdelijk of permanent in Nederland willen vestigen dienen daartoe een verblijfsvergunning aan te vragen. Onder bepaalde voorwaarden kunnen zij zich na verloop van tijd laten naturaliseren tot Nederlander. In beide gevallen zijn voor de behandeling van aanvragen legeskosten verschuldigd. Voor vreemdelingen die niet afkomstig zijn uit lidstaten van de Europese Unie kan het daarbij gaan om bedragen die kunnen oplopen tot vele honderden euro&#8217;s.

Verblijfsvergunning
De kosten van verlenging of wijziging van een verblijfsvergunning worden aangemerkt als algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit een inkomen op bijstandsniveau kunnen worden voldaan door middel van reservering dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat er in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten. Dit is anders indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval. Een bijzondere omstandigheid is aanwezig indien de belanghebbende niet heeft kunnen reserveren voor de kosten en het onmogelijk is om een lening af te sluiten voor de kosten.

Indien belanghebbende door een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid toch een beroep moet doen op bijstand, kan bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht worden verleend (artikel 48, tweede lid sub b Wwb). Van tekortschietend besef is sprake indien belanghebbende niet (tijdig) voor de kosten heeft gereserveerd dan wel de onmogelijkheid van een lening door zijn uitgavenpatroon heeft veroorzaakt.

Naturalisatie
De kosten van naturalisatie worden niet als noodzakelijke kosten aangemerkt zodat reeds om die reden van bijzondere bijstand voor die kosten onmogelijk is.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 1. Hardheidsclausule/afwijkende bepalingen:
1.Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt;
2.In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college voor zover dit mogelijk is binnen de door de verordening aangegeven grenzen.

Artikel 2. Indexering:
Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening geldende bedragen verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal bureau voor de statistiek.

Artikel 3. Citeertitel, inwerkingtreding:
1.Deze verordening wordt aangehaald als Verordening aanvullende inkomensondersteuning gemeente Grootegast versie 2007.
2.Deze verordening treedt, met terugwerkende kracht, in werking met ingang van 1 juli 2007;
3.Gelijktijdig met het inwerking treden van deze verordening wordt de laatstelijk bij raadsbesluit van 28 maart 2006 vastgestelde &#8216;Verordening aanvullende inkomensondersteuning gemeente Grootegast 2006 ingetrokken. 

Vastgesteld bij raadsbesluit van 3 juli 2007

De Griffier,

De Voorzitter,
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening krediethypotheek en pandrecht bijstand" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b68fd4ea602ab/versie-d0c5d466192e0ce6011b68fd4ea602ac.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast,
Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van &#8230; nr. &#8230;,
gelet op artikel 34, tweede lid, onder d en artikel 50 van de Wet werk en bijstand;

Besluit de volgende verordening vast te stellen:

Verordening krediethypotheek en pandrecht bijstand 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
a.de wet: de Wet werk en bijstand;
b.pandrecht: recht dat een schuldeiser heeft om op het pand van schuldenaar beslag te leggen of uit de opbrengst van dat pand bij voorrang boven andere schuldeisers betaald te worden (3:227 NBW);
c.registergoed: goederen die bij overdracht of vestiging dienen te worden ingeschreven in de daartoe bestemde openbare registers (3:10 NBW);
d.zelfstandige: belanghebbende van 18 tot 65 jaar, die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die voldoet aan: de wettelijke vereisten voor uitoefening daarvan; urencriterium (art. 3.6 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 en de volledige zeggenschap heeft in dat bedrijf of zelfstandig beroep en de financi&#235;le risico&#8217;s daarvan draagt (art. 1 sub b Bbz 2004);
e.tonnage: maatstaf bedoeld voor zaken die notarieel moeten worden overgedragen en ingeschreven in een daarvoor bestemd register; 
f.college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast;
g.belanghebbende: degene die bijstand heeft aangevraagd, dan wel ontvangt of heeft ontvangen. Onder belanghebbende wordt mede verstaan het gezin.

Hoofdstuk  2. Bijzondere bepalingen

Krediethypotheek 
Artikel 2.
1.Indien voor de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, recht op algemene bijstand bestaat als bedoeld in artikel 50, eerste lid van de Wet werk en bijstand &#233;n die bijstand de vorm heeft van een geldlening, als bedoeld in artikel 50, tweede lid van de wet, wordt die verleend onder verband van hypotheek;  
2.Indien bijzondere bijstand wordt verleend, kunnen burgemeester en wethouders, wanneer wordt voldaan aan de in artikel 50, tweede lid van de wet genoemde voorwaarden, deze bijstand verstrekken in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek, tenzij de belanghebbende recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars;
3.Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de zelfstandige.
4.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder bijstand in de vorm van een geldlening in verband van hypotheek wordt verleend (deze nadere regels en voorwaarden zijn uitgewerkt in het besluit krediethypotheek en pandrecht).

Pandrecht
Artikel 3.
1.Indien voor de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woonwagen met bijbehorend erf of een bewoond woonschip onder een bepaald tonnage met bijbehorend erf, overeenkomstig het bepaalde in artikel 50, eerste lid van de Wet werk en bijstand recht op algemene bijstand bestaat &#233;n die bijstand de vorm heeft van een geldlening, als bedoeld in artikel 50, tweede lid van de Wet werk en bijstand, wordt die verleend onder vestiging van een pandrecht.  
2.Indien bijzondere bijstand wordt verleend, kan het college, wanneer wordt voldaan aan de in artikel 50, tweede lid van de Wet werk bijstand genoemde voorwaarden, deze bijstand verstrekken in de vorm van een geldlening onder vestiging van een pandrecht, tenzij de belanghebbende recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars.
3.Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de zelfstandige.
4.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder bijstand in de vorm van een geldlening onder vestiging van een pandrecht wordt verleend (deze nadere regels en voorwaarden zijn uitgewerkt in het besluit krediethypotheek en pandrecht).

Hoofdstuk 3. Medewerkingsplicht en afstemming

Artikel 4.
1.Het college verbindt aan de verlening van bijstand onder verband van hypotheek c.q. onder vestiging van pandrecht als bedoeld in artikel 2 en 3 de verplichting dat de belanghebbende meewerkt aan vestiging van hypotheek dan wel pandrecht.		
2.Indien belanghebbende in een voorkomend geval niet meewerkt aan het vestigen van hypotheek c.q. pandrecht, dan wordt de bijstand in zijn geheel geweigerd vanaf ingangsdatum van de bijstand. Reeds verleende bijstand is terstond opeisbaar.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 5.
Deze verordening kan worden aangehaald als: de Verordening krediethypotheek en pandrecht bijstand.

Artikel 6.
De Verordening krediethypotheek en pandrecht bijstand treedt in werking met ingang van &#233;&#233;n dag na bekendmaking. 

Vastgesteld bij raadsbesluit van 22 februari 2004.

De Griffier,

De Voorzitter,
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening Werkleeraanbod WIJ 2010" url="verordening-d0c5d4662c1aff7d012c1b352f510001/versie-d0c5d4662c1aff7d012c1b352f8f0002.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast,
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 5 oktober 2010
gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 12, eerste lid, onderdeel a van de Wet investeren in jongeren;

overwegende dat het noodzakelijk is bij verordening regels te stellen aangaande de inhoud van het werkleeraanbod in het kader van de Wet investeren in jongeren;

besluit vast te stellen de: 


Verordening Werkleeraanbod WIJ 2010


Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1

Begripsbepalingen

1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet investeren in jongeren en de Algemene wet bestuursrecht.
2.In deze verordening wordt verstaan onder:
ade wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ);
balgemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid, niet zijnde arbeid in het kader van de Wet sociale werkvoorziening, die algemeen maatschappelijk aanvaard is en niet indruist tegen de openbare orde of goede zeden;
cstartkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
dhet college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast

Hoofdstuk 2. Beleid en financi&#235;n 
Artikel 2 Werkleeraanbod

1.Het college biedt jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod, scholing, algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling of een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aan.
2.Het college kan het werkleeraanbod ook invullen met een combinatie van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling, een inburgeringstraject dan wel &#233;&#233;n of meerdere voorzieningen.
3.In afwijking van het tweede lid kan een werkleeraanbod ook bestaan uit een voorbereidingsperiode op een zelfstandig beroep of bedrijf, als bedoeld in artikel 17, zesde lid van de wet.
4.Het college stemt het werkleeraanbod af op de omstandigheden, krachten en bekwaamheden van de jongere, wiens recht op een werkleeraanbod is vastgesteld. Bij de invulling van het werkleeraanbod onderzoekt het college de mogelijkheden en omstandigheden van de jongere. Zij beziet daarbij tevens in hoeverre de wensen van de jongere bij de invulling van het werkleeraanbod kunnen worden betrokken.

Artikel 3 Aanspraak op ondersteuning

1.Jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod komen in aanmerking voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte en beschikbare voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.
2.Het college doet een werkleeraanbod dat past binnen de criteria die gesteld zijn in deze verordening.


Artikel 4 Arbeidsinschakeling

Het college biedt jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod en naar het oordeel van het college direct inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt in beginsel algemeen geaccepteerde arbeid of ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan.


Artikel 5 Voorzieningen

Onverminderd artikel 4, kan het college jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod, &#233;&#233;n of meer van de volgende voorzieningen aanbieden:
aondersteuning bij een beroep op maatschappelijke opvang of medische zorg;
bondersteuning bij maatschappelijke participatie;
carbeidsactivering en &#8211;toeleiding;
dsociale activering;
estages bij bedrijven of instellingen;
fopleidingen die de toegang tot de arbeidsmarkt bevorderen;
ggesubsidieerd werk;
hnazorg bij arbeidsinschakeling;
ivoorbereidingstrajecten voor zelfstandige arbeid;
jdiagnose-instrumenten;
kondersteunende instrumenten, waaronder kinderopvang, schuldhulpverlening, onderzoeken door deskundigen en taal- en beroepsgerichte scholing;
lnaast genoemde voorzieningen kan het college nieuwe voorzieningen opzetten ten behoeve van een passend werkleeraanbod.

Artikel 6 Inzet van de voorzieningen

1.Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor voorzieningen die beschikbaar, adequaat en toereikend zijn voor het doel dat wordt beoogd.
2.Het doel van de inzet van voorzieningen is het bevorderen van duurzame arbeidsparticipatie van jongeren door het opdoen van werkervaring, het aanleren van vaardigheden en kennis, het opdoen van werkritme, maatschappelijke participatie dan wel op andere wijze vergroten van persoonlijke en maatschappelijke zelfredzaamheid.
3.Het college vult de voorziening bedoeld in het eerste lid voor de jongere die niet beschikt over een startkwalificatie in met scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de jongere te boven gaat of onvoldoende bijdraagt aan vergroting van de kans op arbeidsinschakeling van de jongere. De wensen van jongeren worden betrokken bij het vormgeven van het werkleeraanbod.

Artikel 7 Kinderopvang, scholing en belastbaarheid

Onverminderd artikel 17, vierde lid, van de wet, betrekt het college bij de invulling van het werkleeraanbod de beschikbaarheid van passende kinderopvang, het belang van voldoende scholing en de belastbaarheid van de jongere.

Artikel 8 Medische beperkingen

Onverminderd artikel 17, tweede lid, van de wet, stemt het college het werkleeraanbod af op de medische beperkingen van de jongere en draagt zorg voor passende voorzieningen ter ondersteuning bij de arbeidsinschakeling.

Artikel 9 Afspraken met derden

Het college kan in verband met de invulling en uitvoering van het werkleeraanbod afspraken maken met derden, waaronder opleidingsinstituten, werkgevers en re-integratiebedrijven, alsmede subsidies verstrekken.

Artikel 10 Verplichtingen

Een jongere die gebruik maakt van een voorziening is gehouden te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet structuur uitvoering werk en inkomen, deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden.

Artikel 11 Intrekken en herzien

Het college kan het werkleeraanbod intrekken of herzien, indien wijziging optreedt in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de jongere dan wel indien de jongere niet voldoet aan een of meer op hem rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet en hem dit te verwijten valt. Ook kan aan de jongere een maatregel worden opgelegd.


Artikel 12 Budgetplafond

1.Het college kan een of meer budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen.
2.Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.

Artikel 13 Subsidie

1.Het college kan subsidie verlenen aan werkgevers die met een jongere een arbeidsovereenkomst sluiten, als tegemoetkoming in de loonkosten en in de kosten van voorbereiding op een beoogd dienstverband met de jongere.
2.Het college kan nadere regels stellen over de duur van de subsidie, de hoogte, en de verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden.
3.Het college kan een subsidieplafond vaststellen.
4.Op de subsidies bedoeld in dit artikel is de Algemene subsidieverordening van toepassing.

Artikel 14 Onkostenvergoeding

Het college kan aan een jongere die ten behoeve van de uitvoering van een werkleeraanbod noodzakelijke kosten maakt, een vergoeding voor die kosten verstrekken.

Hoofdstuk 3. Overige bepalingen

Artikel 15 Onvoorziene omstandigheden

1.In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
2.Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.


Artikel 16 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 november 2010

Artikel 17 Naamgeving

Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening Werkleeraanbod WIJ 2010 .

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 oktober 2010,

De griffier, De voorzitter,

Artikelsgewijze Toelichting Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsbepalingen

Begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de WIJ. Daarom worden bepaalde begrippen, zoals &#8216;werkleeraanbod&#8217;, &#8216;arbeidsinschakeling&#8217; en &#8216;jongere&#8217;, niet opnieuw gedefinieerd. Wel gedefinieerd zijn de begrippen &#8216;startkwalificatie&#8217; en &#8216;algemeen geaccepteerde arbeid&#8217;, omdat deze in de WIJ niet nader zijn omschreven. Het begrip &#8216;startkwalificatie&#8217; is afkomstig uit de Wet educatie en beroepsonderwijs en wordt wel in de WWB gedefinieerd (art. 6, eerste lid, onderdeel d WWB). De omschrijving van &#8216;algemeen geaccepteerde arbeid&#8217; is afkomstig uit de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p.28).

Hoofdstuk 2. Beleid en financi&#235;n 

Artikel 2 Werkleeraanbod

In het eerste lid is de opdracht aan het college verwoord, zoals deze voortvloeit uit de artikelen 11, eerste lid en 13, eerste lid, WIJ. Hoewel deze opdracht ook uit het samenstel van deze bepalingen en artikel 5, eerste lid, WIJ kan worden afgeleid, is er uit een oogpunt van duidelijkheid voor gekozen de opdracht aan het college nader te omschrijven. In het tweede lid is tevens verduidelijkt dat het werkleeraanbod ook samengesteld kan zijn uit een combinatie van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij arbeidsinschakeling en &#233;&#233;n of meerdere voorzieningen. Onder voorziening wordt verstaan een instrument dat wordt ingezet om de jongere dichterbij c.q. op de arbeidsmarkt te brengen. Dit kan zoals gezegd allerlei vormen hebben, vari&#235;rend van schuldhulpverlening tot training van werknemersvaardigheden.

In het derde lid is vastgelegd dat een werkleeraanbod ook kan bestaan uit ondersteuning bij een traject gericht op werk in zelfstandig beroep of bedrijf. Dit volgt reeds uit artikel 17, zesde lid, WIJ. Uit een oogpunt van herkenbaarheid en consistentie, alsmede gelet op het belang dat gehecht wordt aan het begeleiden van jongeren naar zelfstandig werk, is deze bepaling opgenomen. Aangetekend moet daarbij worden dat het een zgn. &#8216;kan&#8217;-bepaling is:het college bepaalt of het zinvol is de jongere een aanbod te doen gericht op ondersteuning richting zelfstandig bedrijf of beroep. 

Het vierde lid vormt een herhaling van artikel 17, eerste lid, WIJ. Wederom uit een oogpunt van herkenbaarheid en consistentie, alsmede gelet op het belang van maatwerk bij het vaststellen van het werkleeraanbod, is dit artikel opgenomen. Toegevoegd is de gemeentelijke onderzoeksplicht en de plicht om de wensen van de jongere bij de invulling te betrekken. Met het oog op motivering en kansbenutting zal het college daarmee rekening dienen te houden. Daarmee is niet gezegd dat de jongere recht heeft op een bepaalde specifieke voorziening en deze kan opeisen. De uiteindelijke invulling van de aard en de samenstelling van het aanbod is voorbehouden aan het college.

Artikel 3 Aanspraak op ondersteuning

Als spiegelbeeld van de opdracht van het college, zoals verwoord in artikel 2, eerste lid, komen jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod in aanmerking voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en voorzieningen. Dit vloeit reeds voort uit artikel 13, eerste lid, WIJ maar is omwille van de herkenbaarheid en eenduidigheid hier nader geconcretiseerd. Wat de vorm van de ondersteuning is, bepaalt het college zelf (bijv. Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 22). Voor de duidelijkheid is verder nog bepaald dat het om jongeren moet gaan die recht op een werkleeraanbod hebben. Dat is niet iedere &#8216;jongere&#8217; in de zin van de WIJ (zie artikel 2, eerste lid, WIJ), want daaronder wordt verstaan de jongere in de leeftijd van 16 tot 27 jaar. Artikel 13, eerste lid, WIJ kadert de doelgroep af. In het tweede lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene aanspraak van de jongere
en de criteria die gesteld zijn voor het aanbieden van een werkleeraanbod. Daarbij wordt verwezen naar de verordening.

Artikel 4 Arbeidsinschakeling

Het staat het college vrij om bij het werkleeraanbod aan de jongere een keuze te maken tussen het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Deze zijn nevengeschikt. De kortste weg naar duurzame arbeidsparticipatie is echter het doel van het in te zetten werkleeraanbod. In dat verband kan als beleidslijn opgenomen worden dat jongeren die direct inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt in beginsel algemeen geaccepteerde arbeid wordt aangeboden, of ondersteuning bij de arbeidsinschakeling, als bijv. arbeid niet direct beschikbaar is. Het blijft uiteraard een kwestie van maatwerk of daar in het concrete geval ook toe besloten wordt. De woorden &#8216;in beginsel&#8217; moeten in die context worden gelezen. De afweging tussen werk en scholing zal op goede gronden moeten worden genomen.


Artikel 5 Voorzieningen

Naast het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid en ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan het college voorzieningen aanbieden. Die voorzieningen zijn primair bedoeld voor jongeren die niet direct inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt, maar kan in een krimpende arbeidsmarkt ook worden aangeboden aan jongeren zonder direct aanwijsbare belemmeringen. In dit artikel zijn de voorzieningen opgesomd die het college ter beschikking staan. Het hangt van het specifiek gemeentelijke beleid af hoe het lijstje er exact uitziet. Dat hoeft trouwens geen statisch geheel te zijn. Doormiddel van het opstellen van beleidsregels zal invulling worden gegeven aan deze lijst. Uiteraard is het ook denkbaar dat de beschikbare voorzieningen in de verordening nog nader worden geduid, in die zin, dat tevens aangegeven wordt wat de concrete inhoud is van de betreffende voorzieningen, wie de feitelijke aanbieders zijn (opleidingsinstituten, re-integratiebedrijven e.d.) en het aantal trajecten dat beschikbaar is. Daarbij kan ook per voorziening worden aangegeven welk budget daarvoor beschikbaar wordt gesteld en of er een budgetplafond van toepassing is. Dit zal eveneens verder uitgewerkt worden in beleidsregels en op te stellen participatieplan. Het college kan niet gedwongen worden om in een concreet geval een specifieke voorziening aan te bieden. Het staat het college in beginsel vrij om het werkleeraanbod zelf invulling te geven en daarbij ook te betrekken de mate waarin voorzieningen noodzakelijk geacht worden en feitelijk beschikbaar zijn. Om naast bestaande voorzieningen of omschrijvingen ook ruimte voor nieuwe ontwikkelingen te cre&#235;ren is er een sub l toegevoegd welke het college de mogelijkheid biedt om aanvullende voorzieningen op te zetten.


Artikel 6 Inzet van de voorzieningen

In het eerste lid is het maatwerkprincipe gerelateerd aan de inzet van voorzieningen. De voorzieningen die worden ingezet moeten een adequaat en toereikend middel zijn om het doel te bereiken. 

In het tweede lid is het doel van de inzet van voorzieningen verwoord. Afhankelijk van de aard van de voorziening zal sprake zijn van &#233;&#233;n van de aangegeven (tussen)doelen, met als eindbestemming de duurzame arbeidsparticipatie. 

In het derde wordt de gemeentelijke beleidsvrijheid aangegeven om te bepalen of het werkleeraanbod wordt ingevuld door werken of leren of een combinatie van beide. Gelet op het belang dat door de wetgever wordt gehecht aan het behalen van een startkwalificatie, betekent dit dat een voorziening ingevuld kan worden met scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert als de jongere daarover niet beschikt. Dit kan een opleiding zijn die tot een startkwalificatie leidt, maar ook een andere scholing of opleiding die de jongere dichterbij het perspectief van duurzame arbeidsinschakeling brengt. Dit zal verder uitgewerkt worden in op te stellen beleidsregels.

Artikel 7 Kinderopvang, scholing en belastbaarheid

Bij de vormgeving van het werkleeraanbod in de WIJ is speciale aandacht besteed aan alleenstaande ouders, vanwege hun zorgtaken en mogelijk verminderde belastbaarheid. Daarom geldt voor alleenstaande ouders met een ten laste komend kind jonger dan vijf jaar, dat het werkleeraanbod desgevraagd wordt ingevuld door middel van scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij een dergelijke scholing de krachten of bekwaamheden van de jongere te boven gaat (artikel 17, vierde lid, WIJ). Daaraan wordt in artikel 7 van deze verordening toegevoegd dat het college bij de invulling van het werkleeraanbod de situatie van de alleenstaande ouder betrekt, ongeacht de leeftijd van het kind. Evt. kosten voor kinderopvang die niet toereikend door voorliggende voorzieningen worden gecompenseerd, kunnen op grond van artikel 14 worden vergoed en ten laste van het participatiebudget worden gebracht.

Artikel 8 Medische beperkingen

De gehandicapte jongeren nemen eveneens een bijzondere positie in binnen de WIJ. Voor deze groep jongeren met een medische beperking is het van belang dat het aanbod aansluit bij hun mogelijkheden. Het uitgangspunt van maatwerk bij het werkleerrecht zal vooral voor deze groep een cruciale rol spelen. Aan de hand van de individuele situatie zal het college beoordelen welk aanbod past bij de jongere met inachtneming van zijn/haar mogelijkheden en beperkingen. Voor de groep jongeren die weinig perspectief heeft op arbeidsinschakeling behoort sociale activering tot mogelijkheden. Is arbeidsinschakeling in het geheel (nog) niet aan de orde, dan brengt artikel 17, tweede lid, WIJ met zich mee dat (tijdelijk) geen werkleeraanbod wordt gedaan. Er bestaat gedurende die periode wel aanspraak op inkomensvoorziening. Zodra de belemmeringen zijn opgeheven, dient een gericht werkleeraanbod te worden gedaan.

Artikel 9 Afspraken met derden

In artikel 11, vierde lid van de WIJ is bepaald dat het college de uitvoering van de WIJ, behoudens het vaststellen van de rechten en plichten en de daarvoor noodzakelijke beoordeling van zijn omstandigheden, door derden kan laten verrichten. De genoemde vaststelling kan wel worden gemandateerd aan bestuursorganen. Er zijn in de WIJ geen wettelijke belemmeringen opgeworpen om de feitelijke werkzaamheden m.b.t. de uitvoering van het werkleeraanbod of de inrichting van het werkleeraanbod in handen te stellen van derden, zoals opleidingsinstituten en re-integratiebedrijven. Binnen de beleidskaders die de gemeenteraad vaststelt kan het college nadere afspraken maken met deze derden.

Artikel 10 Verplichtingen

In de WIJ is vastgelegd welke verplichtingen verbonden zijn aan het recht op een werkleeraanbod (zie de artikelen 44 en 45 WIJ). Daaraan is toegevoegd dat de jongere de verplichtingen dient na te komen die voortvloeien uit de verordening of die in concreto aan een voorziening zijn verbonden. Dit kunnen verplichtingen van uiteenlopende aard zijn, die een concretisering vormen van de in de WIJ opgenomen verplichtingen. Zo kan bepaald worden dat een jongere gedurende het traject op gezette tijden met de consulent de voortgang bespreekt.

Artikel 11 Intrekken en herzien

Dit artikel vormt een herhaling van artikel 21 WIJ. De meerwaarde van opname van deze bepaling in de verordening werkleeraanbod is gelegen in de overweging dat intrekking van het werkleeraanbod complementair is aan het voeren van beleid m.b.t. de invulling het werkleeraanbod. Daar waar het recht op werkleeraanbod wordt toegekend en ingevuld, kan dit ook worden ingetrokken, onder de voorwaarden, genoemd in artikel 21 WIJ. Met betrekking tot intrekking van het werkleeraanbod in verband met schending van de verplichtingen verbonden aan het werkleeraanbod, wordt het aan het college overgelaten om te bepalen onder welke voorwaarden daartoe kan worden besloten. Het is niet aan de gemeenteraad om daarover voorschriften te geven, niettemin dient het intrekken van het werkleeraanbod met terughoudendheid plaats te vinden, zoals reeds in de Algemene toelichting is opgemerkt. Intrekking is in wezen slechts aan de orde als er een situatie is ontstaan dat niet langer kan worden gevergd dat het werkleeraanbod wordt voortgezet en een andere invulling (via gedeeltelijke herziening) evenmin soelaas biedt. Gedacht kan worden aan herhaalde misdragingen jegens andere jongeren of begeleiders op de werk/leerplek of veelvuldig verzuim. Daarbij kunnen bijv. ook een rol spelen de positie van gemotiveerde jongeren die wachten op een werk/leerplek, de staat van de arbeidsmarkt en de kosten van de voorziening. Het verdient aanbeveling als het college bij de invulling van het gemeentelijk beleid met deze kaders rekening houdt en slechts tot intrekking besluit nadat de individuele situatie zorgvuldig afgewogen is.

Artikel 12 Budgetplafond

De gemeente kan een verdeling maken van de beschikbare middelen over de verschillende voorzieningen. Dit zal in de beleidsregels of het participatieplan gebeuren. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om geen werkleeraanbod te doen. De verplichting daartoe is immers vastgelegd in artikel 13, eerste lid WIJ. Wel kan de invulling van het werkleeraanbod be&#239;nvloed worden door budgettaire beperkingen. Zijn er vanwege die beperkingen voor bepaalde voorzieningen geen middelen meer dan dient te worden nagegaan welke andere
instrumenten beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening een plafond wordt ingebouwd. Dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander instrument wordt uitgeweken om tot duurzame arbeidsparticipatie te komen. Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om plafonds in te stellen en op te nemen in de beleidsregels. 

Artikel 13 Subsidie

Het werkleeraanbod kan worden ingevuld met gesubsidieerde arbeid. Dit wordt ook als voorziening aangemerkt. In het eerste lid is vastgelegd dat de subsidie aan de werkgever kan bestaan in een tegemoetkoming in de loonkosten of andere bijkomende kosten. Deze subsidie vormt als zodanig een noodzakelijke voorwaarde voor de voorziening. Voor het verstrekken van een subsidie is een wettelijke grondslag vereist (art. 4:23, eerste lid Awb). Om die reden is een specifiek artikel opgenomen dat deze grondslag biedt. In het eerste lid worden loonkostensubsidies en subsidies ter voorbereiding van een dienstverband van een grondslag voorzien. De hoogte van de subsidies en de voorwaarden waaronder subsidie wordt verleend, dienen afzonderlijk te worden geregeld.
Op grond van het tweede lid kan het college nadere regels stellen over enkele zaken over de subsidi&#235;ring. Hoewel uitgangspunt is dat het beleid over het werkleeraanbod door de gemeenteraad wordt vastgesteld, is reeds eerder aangegeven dat waar het om uitvoeringsbeleid gaat, dit door het college ter hand kan worden genomen.
De gemeente kan, om de financi&#235;le risico&#8217;s te beheersen, subsidieplafonds vaststellen. Om subsidies te kunnen weigeren bij ontbrekende middelen is het een vereiste dat een dergelijk plafond is ingesteld, zie ook art. 4:24 e.v. Awb. In lid 3 is de bevoegdheid van het college vastgesteld om plafonds in te stellen. Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te worden v&#243;&#243;r de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Awb).

Artikel 14 Onkostenvergoeding

Kosten die voor de jongere verbonden zijn aan het uitvoeren van het werkleeraanbod kunnen worden vergoed op grond van dit artikel. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan kosten van kinderopvang, voor zover de voorliggende voorziening (Wet Kinderopvang) daarin onvoldoende voorziet. Ook noodzakelijke reiskosten en andere kosten, bijvoorbeeld voor verplichte kleding of schoeisel, kunnen voor vergoeding in aanmerking komen, mits de kosten aantoonbaar en noodzakelijk zijn en er geen andere voorzieningen zijn. De kosten kunnen ten laste worden gebracht van het participatiebudget.

Hoofdstuk 3. Onvoorziene omstandigheden

Artikel 15 Onvoorziene omstandigheden

In de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenteraad en college past het dat de gemeenteraad beleidskaders vaststelt. Dat is in deze verordening uitgewerkt. Het college is belast met de uitvoering van dat beleid en op sommige onderdelen, met de nadere uitwerking daarvan. Doen zich situaties voor waarin niet is voorzien of waarin onverkorte toepassing van de gestelde bepalingen onverhoopt tot onbillijkheden van overwegende aard leidt, dan is het aan het college om besluiten te nemen waarin recht wordt gedaan aan enerzijds het belang van handhaving van het gemeentelijk beleid en anderzijds het individuele belang van de jongere. Dat kan onder omstandigheden betekenen dat besluiten worden genomen die afwijken van deze verordening.

Artikel 16 Inwerkingtreding

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 17 Naamgeving
Dit artikel behoeft geen toelichting.
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening Wet inburgering" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b54f2e86a0251/versie-d0c5d466192e0ce6011b54f2e86a0252.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast, in vergadering bijeen op 13 maart 2007,
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 februari 2007; nr. ... inzake de Verordening wet inburgerig,
gelet op de artikelen 8, 19, vijfde lid, 23, derde lid en 35 van de Wet inburgering;
overwegende dat de raad bij verordening regels dient te stellen over de informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen, het aanbieden van een inburgeringsvoorziening aan bijzondere groepen inburgeringsplichtigen en de rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld, alsmede dat de raad bij verordening het bedrag dient vast te stellen van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd;
besluit vast te stellen de volgende verordening:

VERORDENING WET INBURGERING

Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking  

Artikel 1. Begripsomschrijvingen
1.In deze verordening wordt verstaan onder:
a.Wet: de Wet inburgering.
b.Oudkomer: de persoon die op grond van artikel 1 lid 1 sub c van de wet oudkomer is.
c.Inburgeringsplichtige: de persoon die op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van de wet inburgeringsplichtig is. 
d.Eigen bijdrage: de bijdrage, bedoeld in artikel 23 tweede lid, van de wet.
e.College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente.
f.Boete: de bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 29 tot met 46 van de wet.
g.Asielgerechtigde inburgeringsplichtige: houder is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000.
2.De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze verordening worden gebruikt.

Artikel 2. Afstemming en dringende redenen
1.Bij het opleggen van een boete wordt deze verordening in acht genomen. Wanneer een inburgeringsplichtige in strijd met artikel 7, artikel 23 eerste lid dan wel met de krachtens artikel 23 derde lid gestelde regels, artikel 25 vierde lid en artikel 33 handelt, legt het college met betrekking tot de overtreding aan de inburgeringsplichtige bij beschikking een bestuurlijke boete op.
2.Indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt wordt er g&#233;&#233;n boete opgelegd.

Artikel 3. De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen
1.Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen op een doeltreffende en doelmatige wijze worden ge&#239;nformeerd over hun rechten en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen. 
2.Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de inburgeringsplichtigen in ieder geval gebruik van de volgende middelen:  
a.Het lokale loket van de gemeente.
b.Het verstrekken van voorlichtingsmateriaal bij aanvragen om uitkeringen of inburgeringsvoorzieningen. 
c.Voorlichtingsmateriaal voor personen van wie, al dan niet op grond van gegevens uit het Bestand Potenti&#235;le Inburgeringsplichtigen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij inburgeringsplichtig zijn. 
d.Het geven van informatie over het gemeentelijke beleid op de gemeentelijke website.
3.Het college beoordeelt tenminste eens in de 2 jaar na invoering van de wet:
a.de doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan de inburgeringsplichtigen en rapporteert daarover aan de raad;
b.de tevredenheid onder klanten die een door de gemeente aangeboden inburgeringcursus hebben gevolgd.

Hoofdstuk 2. Doelgroepen en samenstelling van de inburgeringsvoorziening

Artikel 4. Gemeentelijk aanbod aan bijzondere groepen
Het college wijst de groepen inburgeringsplichtigen en oudkomers aan waaraan hij bij voorrang een inburgeringsvoorziening kan aanbieden op basis van de volgende criteria:  
a.Inburgeringsplichtigen en oudkomers die een opvoedkundige taak hebben.
b.Inburgeringsplichtigen en oudkomers die in achterstandssituaties verkeren.
c.Het bevorderen van emancipatie van inburgeringsplichtigen en oudkomers.
d.Aanmelding door de oudkomers zelf. 

Artikel 5. Aanbieden inburgeringsvoorziening
Het college biedt in iedere geval de inburgeringsvoorziening aan, aan de asielgerechtigde inburgeringsplichtige en een geestelijke bedienaar.

Artikel 6. De samenstelling van de inburgeringsvoorziening
1.Het college stemt de inburgeringsvoorziening, met uitzondering van de inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren, af op het startniveau en de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke positie van de inburgeringsplichtige.
2.Indien de inburgeringsplichtige een voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt het college er zorg voor dat de inburgeringsvoorziening op de voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt afgestemd. 
3.Een inburgeringsvoorziening moet toe leiden naar het inburgeringsexamen en omvat het eenmaal kosteloos afleggen van het examen. Voor de asielgerechtigde inburgeringsplichtige maakt indien daar behoefte aan is maatschappelijke begeleiding onderdeel uit van de inburgeringsvoorziening. Een inburgeringsvoorziening kan, naast datgene dat in de wet is geregeld, de volgende onderdelen bevatten:
a.Trajectbegeleiding.
b.Het (periodiek) houden van voortgangsgesprekken.
c.Maatschappelijke stage.
d.Maatgerichte onderdelen afgestemd op de persoonlijke situatie. 

Artikel 7. De inning van de eigen bijdrage 
1.De inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld, is een eigen bijdrage verschuldigd zoals in de wet is aangegeven. 
2.De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet wordt in ten hoogste 12 termijnen betaald.
3.Het college legt in de beschikking tot toekenning van een inburgeringsvoorziening de termijnen van betaling vast. Indien het college de eigen bijdrage verrekent met de algemene bijstand, wordt dat in de beschikking vastgelegd. 
4.Het college kan de eigen bijdrage bij dwangbevel invorderen.

Artikel 8. Opleggen van verplichtingen
Het college kan een inburgeringsplichtige bij beschikking een of meer van de volgende verplichtingen opleggen:  
a.het deelnemen aan de aangeboden inburgeringscursus;
b.het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;
c.het deelnemen aan voortgangsgesprekken;
d.voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen op een tijdstip dat door of namens het college wordt bepaald;
e.het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan worden voldaan.

Hoofdstuk 3. Het aanbod van een inburgeringsvoorziening

Artikel 9. De procedure van het doen van een aanbod
1.Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden naar het adres waar de inburgeringsplichtige in de gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven. 
2.In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de inburgeringsvoorziening die wordt aangeboden en worden de rechten en verplichtingen vermeld die aan de inburgeringsvoorziening worden verbonden. 
3.De inburgeringsplichtige aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt binnen 4 weken het college schriftelijk mee of hij het aanbod al dan niet aanvaardt. 
4.Wanneer de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het college binnen 8 weken na ontvangst van deze mededeling het besluit tot toekenning van de inburgeringsvoorziening, overeenkomstig het gedane aanbod.  

Artikel 10. De inhoud van de beschikking
Het besluit tot toekenning van een inburgeringsvoorziening bevat in ieder geval: 
a.een beschrijving van de inburgeringsvoorziening;
b.een opgave van de rechten en verplichtingen van de inburgeringsplichtige; 
c.de datum waarop het inburgeringsexamen moet zijn behaald;
d.de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage; en
e.ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26 van de wet, aanvangt.

Hoofdstuk 4. De bestuurlijke boete 

Artikel 11. De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende overtredingen
1.De bestuurlijke boete bedraagt maximaal 20 % van de bijstandsnorm (voor een maand die voor de inburgeringsplichtige of oudkomer geldt of zou gelden als hij uitkeringsgerechtigde in de zin van de WWB zou zijn) indien de inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de wet. De bestuurlijke boete kan nooit hoger zijn dan het maximum van het bedrag genoemd in artikel 34 lid a van de wet.
2.De bestuurlijke boete bedraagt maximaal 40 % van de bijstandsnorm (voor een maand die voor de inburgeringsplichtige of oudkomer geldt of zou gelden als hij uitkeringsgerechtigde in de zin van de WWB zou zijn) indien de inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid of de krachtens artikel 23 derde lid gestelde regels van de wet of aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 8 van deze verordening. De bestuurlijke boete kan nooit hoger zijn dan het maximum van het bedrag genoemd in artikel 34 lid b van de wet.
3.De bestuurlijke boete bedraagt maximaal 40 % van de bijstandsnorm (voor een maand die voor de inburgeringsplichtige of oudkomer geldt of zou gelden als hij uitkeringsgerechtigde in de zin van de WWB zou zijn) indien de inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald. 
4.Het college legt g&#233;&#233;n bestuurlijke boete op indien voor dezelfde gedraging de bijstand kan worden verlaagd op grond van artikel 18 tweede lid, van de Wet werk en bijstand, dan wel voor dezelfde gedraging een boete of maatregel kan of moet worden opgelegd op grond van de bij de AMVB aangewezen sociale zekerheidswetten. 

Artikel 12. Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de overtreding
1.Het percentage van de bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 11, eerste lid of tweede lid wordt verhoogd, indien de inburgeringsplichtige of oudkomer zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan dezelfde overtreding. De bestuurlijke boete kan nooit hoger zijn dan het maximum van het bedrag genoemd in artikel 34 lid a en lid b van de wet. 
2.Het percentage van de bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 11, derde lid wordt verhoogd indien de inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van artikel 32 of 33 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald. De bestuurlijke boete kan nooit hoger zijn dan het maximum van het bedrag genoemd in artikel 34 lid c van de wet.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 13. Inwerkingtreding  
Deze verordening treedt in werking op 1 april 2007.

Artikel 14.  Citeertitel 
De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet inburgering gemeente Grootegast.

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 13 maart 2007

de voorzitter,

de griffier,
	</tekst>
</verordening>
</folder>
<folder name="Volkhuisvesting en Ruimtelijke Ordening">
<verordening name="Algemene huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte" url="verordening-d0c5d466319bdcc2013286278d0f0001/versie-d0c5d466319bdcc2013286278d3e0002.html">
	<tekst>
	Algemene huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte

Het toepassingsbereik van deze voorwaarden

Artikel 1

Deze algemene huurvoorwaarden maken deel uit van de huurovereenkomst zelfstandige woonruimte waarin zij van toepassing zijn verklaard. Als de bepalingen van de huurovereenkomst afwijken van die van de Algemene Huurvoorwaarden, gaan de bepalingen van de huurovereenkomst voor.

Meer dan &#233;&#233;n huurder

Artikel 2
2.1.De in de aanhef van de overeenkomst genoemde huurders hebben elk een zelfstandig en volledig recht van huur dat zij gelijktijdig en met eerbiediging van elkaars rechten uitoefenen.
2.2.Indien meerdere personen zich als huurder hebben verbonden, zijn deze steeds hoofdelijk en ieder voor het geheel jegens verhuurder aansprakelijk voor alle uit de huurovereenkomst voortvloeiende verbintenissen.
2.3.Iemand die samen met een of meer anderen de huurovereenkomst met verhuurder is aangegaan en heeft ondertekend, zonder dat er sprake is van wettelijk medehuurderschap, verliest zijn huurderschap niet door het gehuurde definitief te verlaten. Ook dan blijft hij hoofdelijk aansprakelijk voor verplichtingen uit de huurovereenkomst. Een contractuele medehuurder kan slechts samen met de andere huurder(s) de huurovereenkomst door opzegging be&#235;indigen. 
2.4.Bij het aangaan van de overeenkomst dient huurder aan verhuurder te melden of hij gehuwd is danwel een geregistreerd partnerschap is aangegaan. Huurder zal de persoongegevens van zijn partner aan verhuurder opgeven. Indien huurder na het aangaan van de huurovereenkomst huwt, danwel een geregistreerd partnerschap aan gaat, zal hij dit terstond schriftelijk aan verhuurder melden, onder opgave van de persoonsgegevens van de partner.
2.5.Elk van de huurders is hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag van de huurprijs, en voor alle overige verplichtingen die voor hem en voor de andere huurder(s) uit deze overeenkomst en de wet voortvloeien.


De terbeschikkingstelling en aanvaarding van het gehuurde

Artikel 3

3.1.Verhuurder zal het gehuurde op de ingangsdatum van de huur ter beschikking stellen, mits dit een werkdag is.
3.2.Voor of bij aanvang van de huurovereenkomst is  tussen huurder en verhuurder een beschrijving van het gehuurde opgemaakt. Huurder en verhuurder ontvangen een door beiden ondertekend exemplaar van deze beschrijving.


De algemene verplichtingen van verhuurder

Artikel 4
Verhuurder is verplicht op verlangen van de huurder gebreken aan het gehuurde te verhelpen, tenzij dit onmogelijk is of uitgaven vereist die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van de verhuurder zijn te  vergen, dan wel voor zover deze voor rekening van huurder komen op grond van de wet, deze huurovereenkomst of het gebruik.

De algemene verplichtingen van huurder 

Artikel 5

aHuurder voldoet de te betalen prijs voor het gehuurde in zijn geheel, bij vooruitbetaling, v&#243;&#243;r de eerste van de maand door betaling van het verschuldigde bedrag op de door verhuurder aangegeven wijze. 
bHuurder zal zich bij de huurbetaling niet beroepen op enige verrekening, met uitzondering van het geval in Boek 7, artikel 206, lid 3 van het Burgerlijk Wetboek. Huurder zal verhuurder schriftelijk in gebreke stellen voordat huurder overgaat op enige verrekening, zoals bedoeld in voornoemd artikel.
Boek 7, artikel 206, lid 3: Is de verhuurder met het verhelpen in verzuim, dan kan de huurder dit verhelpen zelf verrichten en de daarvoor gemaakte kosten, voorzover deze redelijk waren, op de verhuurder verhalen, desgewenst door deze in mindering van de huurprijs te brengen. Hiervan kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.
cHuurder zal:
1het gehuurde gebruiken en onderhouden zoals het een goed huurder betaamt; 
2zelf zorg dragen voor een overeenkomst met een energieleverancier voor de levering van gas, elektriciteit en/of andere diensten; 
3zelf zorg dragen voor aan- en afmelding bij het waterbedrijf.
4zich voor eigen rekening verzekeren voor schade die kan ontstaan aan de in het gehuurde aanwezige  inboedel , wegens diefstal, brand, waterschade, storm-schade, vernieling en ander onheil.
dHuurder zal het gehuurde gedurende de huurtijd zelf als woonruimte voor hem en leden van zijn huishouden bewonen en er zijn hoofdverblijf hebben. Hij zal het gehuurde, waaronder begrepen alle aanhorigheden, overeenkomstig de bestemming gebruiken en deze bestemming niet wijzigen. 
eHuurder is - zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder- niet bevoegd het gehuurde geheel of gedeeltelijk in huur, onderhuur of gebruik aan derden af te staan, daaronder begrepen het verhuren van kamers en het verlenen van pension of het doen van afstand van huur. Een door of vanwege verhuurder gegeven toestemming is eenmalig en geldt niet voor andere of opvolgende gevallen.
fHuurder dient ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door huurder, huisgenoten, huisdieren of door derden die zich vanwege huurder in het gehuurde bevinden en voor wie de huurder aansprakelijk is. Hieronder wordt eveneens maar niet uitsluitend verstaan: overlast als gevolg van prostitutie, drugs- of overmatig alcoholgebruik in of buiten het gehuurde.
gHet is huurder niet toegestaan in het gehuurde andere dieren dan de gebruikelijke huisdieren te houden: in ieder geval geen paard, varken, geit, haan of ander vee.
hHet is huurder zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder niet toegestaan om op het gehele bij de woning behorende erf, bouwwerken, getimmerten, schuttingen, planken, voertuigen, zand of materialen van welke aard dan ook te plaatsen of te hebben.
iHet is huurder uitdrukkelijk verboden in het gehuurde strafrechtelijke gedragingen te ontplooien waaronder het gebruiken, vervaardigen of verbouwen van drugs, zoals hennep, of andere activiteiten die op grond van de Opiumwet strafbaar zijn gesteld. Indien geconstateerd wordt dat van het hiervoor genoemde sprake is, zal verhuurder direct (rechts)maatregelen nemen. Deze kunnen leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning.
jHuurder is verplicht de nodige maatregelen te nemen ter voorkoming van schade aan het gehuurde, in het bijzonder in geval van brand, storm, water en vorst. Huurder dient door welke oorzaak dan ook ontstane dan wel dreigende schade, alsmede gebreken aan het gehuurde onverwijld aan verhuurder te melden.
Bij nalatigheid van huurder in dezen zal de daardoor ontstane schade zowel aan het gehuurde als aan de eigendommen van derden, voor rekening van huurder komen. 
Ten aanzien van de leveringen van gas, water en elektriciteit is huurder gebonden zich te onderwerpen aan de bepalingen en voorschriften van de desbetreffende nutsbedrijven. Huurder dient zorg te dragen voor: het afsluiten en aftappen van watertoevoerleidingen bij sterk vriezend weer; het zorgdragen dat in enige afvoerleiding en meer speciaal in het watercloset geen artikelen, die verstoppingen kunnen veroorzaken, gedeponeerd worden.
kIn verband met controle door verhuurder van de naleving van de verplichtingen van huurder op grond van deze Algemene Huurvoorwaarden, dan wel in verband met mogelijk door verhuurder uit te voeren werkzaamheden of controle van meterstanden en dergelijke, zal huurder verhuurder, in het gehuurde toelaten. Huurder kan aan verhuurder vragen zich te legitimeren. Onder verhuurder wordt mede verstaan: de door of namens verhuurder aangewezen personen. 
lIndien het huurrecht van huurder is ge&#235;indigd als gevolg van echtscheiding of scheiding van tafel of bed, is huurder verplicht van de be&#235;indiging van zijn huurrecht schriftelijk mededeling te doen aan verhuurder, onmiddellijk nadat de rechterlijke beschikking waarbij dit is bepaald, onherroepelijk is geworden. Zolang huurder deze mededeling niet heeft gegaan, blijft hij tegenover verhuurder aansprakelijk voor de nakoming van alle verplichtingen uit deze huurovereenkomst. Het hiervoor genoemde is eveneens van toepassing op de be&#235;indiging van geregistreerd partnerschap. Indien de medehuurder de huurovereenkomst voortzet als huurder, is hij verplicht verhuurder hiervan onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen.

De herstellingen door huurder

Artikel 6

Voor rekening van huurder komen de kleine herstellingen, zoals hierna beschreven:
Besluit kleine herstellingen:
aHet witten van binnenmuren en plafonds en het schilderen van binnenhoutwerk en zonodig het behangen van de binnenmuren.
bDe voorbereidende werkzaamheden voor de onder a. omschreven werkzaamheden, waaronder in elk geval  het plamuren, schuren en opvullen van gaatjes, butsen en geringe (krimp)scheuren).
cHet vastzetten en vastschroeven van loszittende onderdelen van de woonruimte, waaronder in elk geval loszittende:
trapleuningen, deurknoppen en drempels;
elektrische schakelaars, wandcontactdozen en deurbellen.
dHet zonder dat daaraan noemenswaardige kosten verbonden zijn, vervangen en vernieuwen van bestanddelen en onderdelen binnen de woning die gemakkelijk zijn te vervangen, waaronder in elk geval:
kraanleertjes en andere eenvoudig te vervangen onderdelen van kranen;
deurknoppen en sloten, hang- en sluitwerk van de deuren en ramen;
vloer- en plafondroosters;
sleutels van binnen - en buitensloten;
garnituur voor douche- en toiletruimte;
garnituur voor de w.c.;
elektrische schakelaars, wandcontactdozen, deurbellen, kabel-, telefoon- en computeraansluitingen en vergelijkbare onderdelen van datanetwerken.
eHet gangbaar houden, regelmatig controleren van de beweegbaarheid en zonodig oli&#235;n en smeren of ontkalken van beweegbare onderdelen, waaronder in elk geval:
scharnieren van deuren, luiken en ramen;
sloten;
kranen.
fHet treffen van voorzieningen ter voorkoming van (reparatie van) bevroren kranen.
gHet vervangen van lampen aan de buitenzijde van het gehuurde;
hHet vervangen van beschadigde ruiten en ingebouwde spiegels, voorzover daaraan geen noemenswaardige kosten verbonden zijn.
iHet zonder dat daaraan noemenswaardige kosten verbonden zijn, onderhouden en vervangen van onderdelen van technische installaties binnen de woning, voorzover deze werkzaamheden onderhoudstechnisch eenvoudig zijn en geen specialistische kennis vereisen, waaronder in elk geval:
het ontluchten en bijvullen van het water in de verwarmingsinstallatie;
het opnieuw opstarten van de verwarmingsinstallatie na uitval;
het vervangen van filters van de (mechanische) ventilatie en het schoonhouden van de roosters.
jHet aanbrengen en onderhouden van tochtwerende voorzieningen, indien noodzakelijk en voorzover aan deze werkzaamheden geen noemenswaardige kosten verbonden zijn.
kHet zonder dat daaraan noemenswaardige kosten verbonden zijn, vervangen en vernieuwen van bestanddelen en onderdelen buiten de woning die gemakkelijk zijn te vervangen, waaronder in elk geval;
onderdelen van de brievenbus;
onderdelen van de buitenlamp;
onderdelen van de carport;
onderdelen van de vlaggenstokhouder.
lHet onderhoud aan tuinen, erven, opritten en erfafscheidingen, zodanig dat deze onroerende aanhorigheden een verzorgde indruk maken, waaronder in elk geval:
bij eerste bewoning: de aanleg van de tuin of erf met uitzondering van de aanleg van opritten en 
toegangspaden en het aanbrengen van een eenvoudige erfafscheiding;
het egaliseren van de tuin en het opbrengen van teelaarde;
het regelmatig maaien  van het gras;
het regelmatig verwijderen van onkruid in de tuin en tussen tegels van opritten, toegangspaden en 
terrassen;
het vervangen van gebroken tegels;
het regelmatig snoeien van heggen , hagen en opschietende bomen;
het vervangen van beplanting die is doodgegaan;
het vervangen van kapotte planken of segmenten van houten erfafscheidingen, het rechtzetten en recht    
houden van houten erfafscheidingen;
indien de erfafscheidingen zijn geverfd of gebeitst: erfafscheidingen regelmatig verven of beitsen.
mHet zonodig vegen van schoorstenen , afvoer- en ventilatiekanalen, voorzover deze voor de huurder bereikbaar zijn.
nHet schoonhouden en zonodig ontstoppen van het binnenriool tot aan het aansluitpunt vanuit het   woonruimtegedeelte van het gehuurde op het gemeenteriool dan wel op het hoofdriool, voorzover deze riolering voor de huurder bereikbaar is.
oHet schoonhouden en zonodig ontstoppen van de vuilstortkoker en het schoonhouden van de vuilniscontainerruimte voorzover deze voorziening en ruimte voor de huurder bereikbaar zijn.
pHet schoonhouden van het woonruimtegedeelte van het gehuurde;
qHet wassen en schoonhouden van de binnen- en buitenzijde van de ruiten, kozijnen, deurposten, het geverfde houtwerk en andere, geverfde onderdelen, voorzover deze voor de huurder bereikbaar zijn.
rHet bestrijden van ongedierte voorzover daaraan geen noemenswaardige kosten verbonden zijn en voorzover de aanwezigheid van dit ongedierte geen gevolg is van de bouwkundige situatie van de woonruimte;
sHet regelmatig schoonhouden van goten en regenafvoeren voorzover deze voor de huurder bereikbaar zijn.
tHet regelmatig verwijderen van zwerfvuil.
uHet verwijderen van graffiti voorzover daaraan geen noemenswaardige kosten verbonden zijn en voorzover deze graffiti voor de huurder bereikbaar is.
vHet legen van zink- en beerputten en septic-tanks.
 
6.2  Alle door huurder te verrichten werkzaamheden zullen vakkundig moeten worden uitgevoerd. 

Het uitvoeren van dringende werkzaamheden door verhuurder

Artikel 7

7.1.Huurder zal alle dringende werkzaamheden aan het gehuurde toestaan en zijn medewerking verlenen c.q. noodzakelijke maatregelen nemen voor zover redelijkerwijs van de huurder gevraagd kan worden.
7.2.Huurder heeft geen recht op vermindering van de huurprijs of schadevergoeding als gevolg van het uitvoeren van de dringende werkzaamheden of renovatie.
7.3.Bedoelde werkzaamheden vinden na vooraankondiging van het tijdstip op werkdagen plaats, dringende gevallen uitgezonderd.


Het aanbrengen van veranderingen en toevoegingen door huurder

Artikel 8

8.1.Het is huurder toegestaan veranderingen en toevoegingen die zonder noemenswaardige kosten weer ongedaan kunnen worden gemaakt aan de binnenzijde van het gehuurde aan te brengen, behalve als het gaat om veranderingen die gevaar, overlast, of hinder voor verhuurder of derden opleveren. Voor overige veranderingen en toevoegingen heeft huurder vooraf schriftelijke toestemming van de verhuurder nodig.
8.2.De verhuurder kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden die onder meer betrekking hebben op:
aard en kwaliteit van de te gebruiken materialen;
het voorkomen van schade aan de constructie van het gehuurde of het gebouw;
(bouwtechnische) voorschriften van de overheid;
het onderhoud van de verandering;
aanvullende voorzieningen om overlast voor derden te voorkomen;
verzekering, belasting en aansprakelijkheid.

Verhuurder zal bij het verlenen van toestemming aangeven of de verandering of toevoeging aan het einde van de huur door huurder ongedaan moet worden gemaakt.
8.3.Alle veranderingen die in strijd met de voorwaarden van verhuurder zijn aangebracht, zullen op eerste aanzegging van verhuurder ongedaan worden gemaakt door huurder.
8.4.Huurder is verplicht tot het onderhouden, het verhelpen van gebreken en het uitvoeren van herstellingen aan de veranderingen of toevoegingen die door huurder zijn aangebracht.
8.5.Huurder is aansprakelijk voor de schade die wordt veroorzaakt door een verandering of toevoeging die door huurder is aangebracht. Huurder vrijwaart verhuurder voor aanspraken van derden voor schade veroorzaakt door de door huurder zelf aangebrachte veranderingen aan het gehuurde.
8.6.Huurder is verplicht tot het onderhouden, het verhelpen van gebreken en het uitvoeren van herstellingen aan de zelf aangebrachte voorzieningen, welke door huurder zijn overgenomen.


De be&#235;indiging van de huur

Artikel 9

9.1.Opzegging van de huurovereenkomst geschiedt schriftelijk bij aangetekende brief of deurwaardersexploot.   
Opzegging door huurder kan geschieden op welke grond dan ook, tegen elke dag van een kalendermaand 
9.2.mits deze niet valt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, in welk geval opgezegd wordt tegen de eerstvolgende werkdag erna. Huurder dient een opzeggingstermijn van &#233;&#233;n maand in acht te nemen.
9.3.Opzegging van de huurovereenkomst door verhuurder geschiedt met inachtneming van een termijn van tenminste drie maanden. Deze termijn wordt verlengd met &#233;&#233;n maand voor elk jaar, dat huurder onafgebroken in het genot van het gehuurde is geweest tot ten hoogste zes maanden.
9.4.De opzegging door verhuurder kan slechts geschieden op grond van &#233;&#233;n of meer van de in het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden.
9.5.Huurder is verplicht, als verhuurder na het einde van de huur, tot verhuur of verkoop wenst over te gaan, aan belangstellenden gelegenheid te geven tot bezichtiging. 


De oplevering van het gehuurde bij het einde van de huur

Artikel  10

10.1.Bij het einde van de huurovereenkomst is huurder verplicht het gehuurde onder afgifte van alle sleutels geheel ontruimd en schoon aan verhuurder op te leveren in de staat, waarin hij het gehuurde (conform de beschrijving) bij aanvang van de huurovereenkomst heeft ontvangen, behoudens voor zover er sprake is van normale slijtage, die voor rekening en risico van verhuurder komt. Voor door huurder in het gehuurde aangebrachte veranderingen en toevoegingen geldt het bepaalde in het derde lid van dit artikel.
10.2.Op verlangen van huurder of verhuurder zullen huurder en verhuurder gezamenlijk het gehuurde inspecteren. Huurder zal verhuurder daartoe in de gelegenheid stellen. Bij die gelegenheid respectievelijk die gelegenheden zal een opnamerapport worden gemaakt, waarin zal worden vastgelegd, welke herstellingen voor het einde van de huurovereenkomst door en ten laste van huurder verricht moeten worden, alsmede de geschatte kosten van herstel. Beide partijen ontvangen een exemplaar van het opnamerapport. 
10.3.Ten aanzien van door de huurder tijdens de huurtijd aangebrachte veranderingen en toevoegingen zullen bij het einde van de huur de volgende regels gelden:
Verhuurder kan vorderen dat aangebrachte veranderingen en toevoegingen die niet voldoen aan het bepaalde in artikel 8.2, door huurder ongedaan worden gemaakt.
10.4.Huurder is verplicht om veranderingen en toevoegingen bij het einde van de huur, weg te nemen, wanneer verhuurder dit bij het verlenen van toestemming schriftelijk heeft bedongen. Het wegnemen kan alleen achterwege blijven als verhuurder op gezamenlijk en schriftelijk verzoek van de huurder en de nieuwe huurder alsnog akkoord gaat met de handhaving van de door de huurder aangebrachte of door huurder overgenomen veranderingen of toevoegingen. De nieuwe huurder zal vervolgens op zijn beurt bij het einde van de met hem gesloten huurovereenkomst voor het wegnemen van de verandering zorgdragen, tenzij deze opnieuw achterwege kan blijven vanwege hernieuwde overname.
10.5.Onverminderd het in dit artikel bepaalde, is huurder te allen tijde gerechtigd door hem aangebrachte veranderingen en toevoegingen ongedaan te maken, mits hij het gehuurde terugbrengt in de staat waarin het zich overeenkomstig artikel 3 bij de aanvang van de huur bevond.
10.6.Indien huurder bij het einde van de huurovereenkomst aan zijn verplichtingen tot herstel, volledige ontruiming en eventueel ongedaanmaking van aangebrachte veranderingen of toevoegingen niet heeft voldaan, is verhuurder gerechtigd alle ten gevolge daarvan noodzakelijke werkzaamheden op kosten van huurder zelf uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij huurder zich nu voor dat moment verplicht deze kosten te voldoen. Ook overige schade ontstaan door nalatigheid van huurder, komt voor zijn rekening.
10.7.In het geval huurder bij het einde van de huurovereenkomst in het gehuurde zaken heeft achtergelaten, is verhuurder bevoegd die zaken te verwijderen, zonder dat op verhuurder een bewaarplicht komt te rusten. Alle kosten van verwijdering van de zaken zijn voor rekening van de huurder. Het in dit lid bepaalde is niet van toepassing op roerende zaken die huurder heeft overgedragen aan de opvolgende huurder, mits van deze overdracht schriftelijk aan verhuurder is kennis gegeven.

De aansprakelijkheid van huurder en verhuurder

Artikel 11

Huurder is aansprakelijk voor de schade die tijdens de huurtijd aan het gehuurde, waartoe ook de buitenzijde wordt gerekend, is ontstaan door een hem toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst. Alle schade wordt vermoed daardoor te zijn ontstaan, behoudens brandschade.
 
De huurder is jegens de verhuurder op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk voor de gedragingen van hen die met zijn goedvinden het gehuurde gebruiken of zich met zijn goedvinden daarop bevinden. 

Verhuurder kan niet aansprakelijk worden gesteld voor geleden schade die het gevolg is van schade die door de huurder is veroorzaakt aan enig eigendom of de persoon van de huurder, medegebruikers van het gehuurde, of derden.


Het in verzuim zijn van huurder en verhuurder

Artikel 12  

12.1.Indien &#233;&#233;n der partijen in verzuim is met de nakoming van enige verplichting, welke ingevolge de wet en/of de huurovereenkomst op hem rust en daardoor door de andere partij gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moeten worden genomen, zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van die ene partij.
12.2.De ingevolge dit artikel door de ene partij aan de andere partij te betalen buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd op het moment dat de ene partij zijn vordering op de ander uit handen geeft en bedragen tenminste 15% van de uit handen gegeven vordering met en minimum van &#8364; 25,00 vermeerderd met het geldende BTW-percentage.

Overige bepalingen

Artikel 13

13.1.Alle geschillen welke voortvloeien uit de huurovereenkomst zullen, indien onderling overleg niet tot een oplossing leidt, worden voorgelegd aan de daartoe bevoegde rechter.
13.2.Indien een deel van de overeenkomst of van deze Algemene Huurvoorwaarden vernietigbaar is, dan laat dit de geldigheid van de overige artikelen onverlet. In plaats van het vernietigde of nietige deel geldt in dat geval  als overeengekomen hetgeen op wettelijk toelaatbare wijze het dichtst komt bij hetgeen partijen overeengekomen zouden zijn indien zij de nietigheid of vernietigbaarheid gekend zouden hebben. 
13.3.Huurder is verplicht ten behoeve van verhuurder een onmiddellijk opeisbare boete van &#8364; 25,00 (niveau 2003, ge&#239;ndexeerd volgens de CBS Consumentenprijsindex, Alle Huishoudens) per kalenderdag te betalen, indien hij enige bepaling uit de Algemene Huurvoorwaarden overtreedt, onverminderd zijn verplichting om alsnog overeenkomstig deze Algemene Huurvoorwaarden te handelen, en onverminderd verhuurders overige rechten op schadevergoeding. Deze boete zal zonder rechterlijke tussenkomst voor elke dag waarin de overtreding voortduurt, verschuldigd zijn.
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Beheerregeling WABO-DIV/Archivering" url="verordening-d0c5d4663517543e0135f273c4d30018/versie-d0c5d4663517543e0135f273c4d30019.html">
	<tekst>
	&#239;&#187;&#191;Model Beheerregeling Wabo-DIV/Archivering
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast besluit vast te stellen de navolgende:

Voorschriften betreffende het beheer van de archiefbescheiden die tijdens de behandeling van de aanvraag voor een omgevingsvergunning op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tijdelijk worden opgeslagen in Omgevingsloket online en vervolgens worden overgedragen naar het eigen informatiesysteem.

Wettelijke grondslag: Archiefverordening op grond van Archiefwet 1995, art. 30, eerste lid en art. 32, tweede lid

1. Algemene bepalingen
1.1. Begripsbepalingen 
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
archiefbescheiden:
de in de Archiefwet artikel 1 onder c bedoelde documenten en gegevens, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats;
beheer van archiefbescheiden:
het treffen van maatregelen en het aanbrengen van voorzieningen, die nodig zijn om archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren;
belanghebbende:
degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is, zoals bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht;
bevoegd gezag:
de gemeente, provincie of rijksoverheid die is aangewezen om de aanvraag of melding in het kader van de omgevingsvergunning in ontvangst te nemen en verder te behandelen;
co&#195;&#182;rdinator:
degene die de behandeling van de aanvraag voor een omgevingsvergunning lokaal inhoudelijk co&#195;&#182;rdineert;
deelzaak:
de archiefbescheiden betreffende de activiteit(en) waar een omgevingsvergunning voor kan worden afgegeven, zoals genoemd in artikel 2.1 en 2.2 van de Wabo;
Div
Documentaire informatie voorziening
documenttypen:
lijst van standaarddocumenten zoals overeengekomen in het kader van de Wabo;
events:
taken die met Omgevingsloket online kunnen worden uitgevoerd, zoals &#226;&#8364;&#732;behandelaar toewijzen&#226;&#8364;&#8482; of &#226;&#8364;&#732;onderdeel beoordelen&#226;&#8364;&#8482;;
hoofdzaak:
de archiefbescheiden betreffende de aanvraag voor een omgevingsvergunning met bijlagen, de beschikking en een eventuele ontwerpbeschikking;
informatiebeheerder:
degene die ingevolge een verordening als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Archiefwet 1995 is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de gemeentelijke organen voor zover die niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats;
informatiesysteem:
het geheel van documentatie, procedures, apparatuur en programmatuur, met behulp waarvan archief-bescheiden kunnen worden vervaardigd, bewerkt, opgeslagen, verzonden, ontvangen en geraadpleegd;
lokale beheerder:
de lokale beheerder als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Regeling landelijke voorziening Omgevingsloket online;
metagegevensschema:
een schema zoals bedoeld in NEN-ISO 23081:2006 overeenkomstig art. 19 van de Archiefregeling, bevattende een overzicht van alle metadata die nodig zijn om de authenticiteit van de archiefbescheiden aan te tonen en om verantwoording te kunnen afleggen over het beheer ervan; het kan ook betrekking hebben op daarbij behorende aspecten als actor, bedrijfsproces of mandaat;
Omgevingsloket online:
de door de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) ontwikkelde geautomatiseerde landelijke voorziening voor het behandelen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 7.6 van de Wabo;
open standaard:
een (digitaal) bestandsformaat waarvan informatie over de specificaties bekend en vrijelijk beschikbaar is;
regionale uitvoeringsdienst:
het openbaar lichaam ingesteld in opdracht van provincie en gemeenten voor de uitvoering van de vergunningverlening en het toezicht op de omgevingsvergunningen;
systeembeheerder:
de functionaris binnen de gemeente die verantwoordelijk is voor de goede werking van het computersysteem;
Wabo:
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht per 1 oktober 2010.

1.2. Reikwijdte beheerregeling
Artikel 2
Deze regeling heeft betrekking op het beheer van de archiefbescheiden die in de aanvraagmodule en eventueel in de behandelmodule van Omgevingsloket online tijdelijk worden opgeslagen tijdens het behandelen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning waarvoor de gemeente bevoegd gezag is en vervolgens worden overgedragen naar het eigen informatiesysteem. 

1.3. Verantwoordelijkheid informatievoorziening
Artikel 3
In afwijking van:
artikel 9 van het Modelbesluit Informatiebeheer; of
artikel 3 van het Modelbesluit Informatiebeheer voor gemeenten met een archiefdienst op basis van een gemeenschappelijke regeling wijst het college, indien er in het Besluit Informatiebeheer meerdere beheereenheden zijn ge&#195;&#175;dentificeerd, &#195;&#169;&#195;&#169;n hoofd van een beheereenheid aan die belast is met het geheel van de informatievoorziening wat betreft de behandeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning alsmede met het beheer van de bijbehorende archiefbescheiden, voorzover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

Artikel 4
In afwijking van:
artikel 20 van het Modelbesluit Informatiebeheer; of
artikel 14 van het Modelbesluit Informatiebeheer voor gemeenten met een archiefdienst op basis van een gemeenschappelijke regeling wijst het college, indien er in het Besluit Informatiebeheer meerdere beheereenheden zijn ge&#195;&#175;dentificeerd, &#195;&#169;&#195;&#169;n hoofd van een beheereenheid aan die er zorg voor draagt dat de onder zijn beheer staande archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat worden bewaard.

1.4. Gebruik van Omgevingsloket online
Artikel 5 
Het college bepaalt, na advies van de informatiebeheerder en, indien deze is benoemd, de gemeentearchivaris, op welke van de navolgende wijzen Omgevingsloket online zal worden gebruikt voor het gegevensbeheer en de archivering.

Optie a. 
De behandelmodule van Omgevingsloket online wordt gebruikt voor de samenstelling van het behandeldossier met alle daartoe behorende archiefbescheiden, waarbij van alle functionaliteiten in de vorm van events gebruik wordt gemaakt. Dit behandeldossier is tevens bestemd om, na afhandeling van de aanvraag en na overdracht naar het eigen informatiesysteem, te dienen als het archiefexemplaar.

Optie b. 
De behandelmodule van Omgevingsloket online wordt gebruikt zoals in optie a, met dien verstande dat niet van alle functionaliteiten in de vorm van events gebruik wordt gemaakt.

Optie c. 
Het in Omgevingsloket online aanwezige aanvraagdossier wordt na indiening gereproduceerd in het eigen informatiesysteem van de gemeente, waar vervolgens zonder verder gebruik van Omgevingsloket online het behandeldossier wordt samengesteld. Dit behandeldossier is tevens bestemd om samen met het originele aanvraagdossier, na afhandeling van de aanvraag, te dienen als het archiefexemplaar.

Optie d. 
Omgevingsloket online wordt gebruikt zoals in optie c, met dien verstande dat de voorziening na indiening van het aanvraagdossier dient als beperkt platform voor informatie-uitwisseling met de organisaties waar dit via een dienstverleningsovereenkomst voor is afgesproken. Hiertoe blijft tijdens de behandeling van desbetreffende aanvragen het aanvraagdossier in Omgevingsloket online voor de daarbij betrokken functionarissen beschikbaar.

Optie e. 
Omgevingsloket online wordt gebruikt zoals in optie c, met dien verstande dat de voorziening na indiening van het aanvraagdossier dient als integraal platform voor informatie-uitwisseling voor de betrokken organisaties. Hiertoe blijft tijdens de behandeling van alle aanvragen het aanvraagdossier in Omgevingsloket online voor alle daarbij betrokken functionarissen beschikbaar.

Artikel 6
De lokale beheerder is bij de in artikel 5 genoemde opties c, d en e verantwoordelijk voor de overdracht van de aanvraag en de bijlagen naar het eigen informatiesysteem. 

Artikel 7
Bij de in artikel 5 genoemde opties c, d en e is de lokale beheerder verantwoordelijk voor de synchronisatie van de aanwezige informatie in Omgevingsloket online met het eigen informatiesysteem. Hij doet dit aan de hand van een protocol dat onder verantwoordelijkheid van het college als archiefzorgdrager is opgesteld door de informatiebeheerder, de co&#195;&#182;rdinator, de lokale beheerder en, indien aanwezig, de gemeentearchivaris.

1.5. Ordening van het eigen informatiesysteem
Artikel 8
De informatiebeheerder is verantwoordelijk voor het aanpassen van de ordeningsstructuur van het eigen informatiesysteem aan de omgevingsvergunning, zodat deze ruimte biedt voor de hoofdzaak van de behandeling van de aanvraag voor de omgevingsvergunning en de deelzaken die betrekking hebben op de beoordeling van de verschillende activiteiten waar de omgevingsvergunning voor wordt aangevraagd.  

Artikel 9
De informatiebeheerder zorgt voor het afstemmen van de documenttypen die in het eigen informatiesysteem in het kader van de Wabo kunnen worden ontvangen of gecre&#195;&#171;erd op de documenttypen die in Omgevingsloket online kunnen worden toegevoegd.

Artikel 10
De informatiebeheerder zorgt voor het opstellen van een metagegevensschema voor het eigen informatiesysteem ten aanzien van die archiefbescheiden die in het kader van een aanvraag voor een omgevingsvergunning zelfstandig of vanuit het Omgevingsloket online worden opgemaakt of ontvangen. 

1.6. Het systeembeheer
Artikel 11
De systeembeheerder is verantwoordelijk voor de technische randvoorwaarden die noodzakelijk zijn voor een goede communicatie tussen Omgevingsloket online en het eigen informatiesysteem. Deze randvoorwaarden bestaan in ieder geval uit:
de werking van het e-mailprogramma voor een tijdige ontvangst van berichten vanuit Omgevingsloket online;
de grootte van de e-mailboxen;
het aantal attachments dat aan een mail kan worden gehangen;
de grootte van de attachments die aan een mail kunnen worden gehangen;
de webservices om de interoperabiliteit van de diverse systemen te vergroten;
de inlogmogelijkheden voor de ftp-server Omgevingsloket online, die wordt gebruikt om bestanden te downloaden van Omgevingsloket online naar het eigen informatiesysteem;
de downloadsnelheid van bestanden;
de instellingen van de internet-browser en overige benodigde drivers en software die nodig zijn om de van Omgevingsloket online onderdeel uitmakende CAD-viewer goed te laten functioneren.

1.7. Het applicatiebeheer 
Artikel 12
De lokale beheerder van Omgevingsloket online is verantwoordelijk voor:
het technisch instellen van de vergunningplicht en de indieningsvereisten voor activiteiten waarvoor het college op grond van artikel 2.2 lid 2 van de Wabo bij een gemeentelijke verordening heeft bepaald dat zij niet mogen worden uitgevoerd zonder omgevingsvergunning; 
het aanpassen van de standaardinstellingen van het eigen domein binnen Omgevingsloket online op basis van het door het college in artikel 5 gekozen gebruik ervan.

Artikel 13
De lokale beheerder van Omgevingsloket online stelt een autorisatietabel op, zoals bepaald in artikel 3.2 van de Regeling Landelijke voorziening Omgevingsloket online, die wordt vastgesteld door het college. Met het oog op de toekenning van de in de autorisatietabel te vermelden rechten voor Omgevingsloket online worden de volgende rollen onderscheiden:
Aanvrager / gemachtigde
Baliemedewerker
Co&#195;&#182;rdinator
Behandelaar
Adviseur
Lokale Beheerder

Artikel 14
De lokale beheerder van Omgevingsloket online is als eerste aanspreekpunt verantwoordelijk voor het verhelpen van foutmeldingen of storingen.

Artikel 15
Wanneer het de lokale beheerder niet lukt om een fout of storing zelf te verhelpen, geeft hij deze door aan de landelijke beheerder.

Artikel 16
De lokale beheerder is het aanspreekpunt binnen de gemeentelijke organisatie voor:
vragen vanuit de organisatie over Omgevingsloket online;
vragen van de landelijke beheerder van Omgevingsloket online. 

Artikel 17
De lokale beheerder voert periodiek overleg met de informatiebeheerder. 

2. Tijdens de behandeling van de aanvraag
2.1. Gegevensbescherming en -verwerking
Artikel 18
De rechten voor het inzien, muteren of toevoegen van archiefbescheiden in Omgevingsloket online zijn vastgelegd in de in artikel 13 genoemde autorisatietabel. 

Artikel 19
In het geval van een enkelvoudige aanvraag bepaalt de co&#195;&#182;rdinator per soort aanvraag welke behandelaar en/of adviseurs wordt betrokken bij de behandeling. In het geval van een meervoudige aanvraag bepaalt de co&#195;&#182;rdinator per aanvraag welke behandelaars en/of adviseurs bij de behandeling worden betrokken.

Artikel 20
De lokale beheerder controleert tijdens de behandeling van de aanvraag of alle archiefbescheiden op de juiste manier hetzij in Omgevingsloket online hetzij in het eigen informatiesysteem worden opgeslagen.

Artikel 21
Archiefbescheiden die tijdens de behandeling worden toegevoegd aan Omgevingsloket online dienen van een bestandsformaat te zijn dat deel uitmaakt van het beperkt aantal open standaarden waarmee in Omgevingsloket online wordt gewerkt. 

2.2. Gegevensverstrekking 
Artikel 22. Statusmelding naar de aanvrager
Indien de gekozen gebruiksoptie van het Omgevingsloket online inhoudt dat geen gebruik wordt gemaakt van de functionaliteit tot het automatisch verzenden van een statusbericht, is de co&#195;&#182;rdinator verantwoordelijk voor het verzenden van een statusmelding aan de aanvrager.
Afhankelijk van de door de gemeente gekozen gebruiksoptie van Omgevingsloket online, als bedoeld in artikel 5, geschiedt de statusmelding:
bij de opties a en b: via Omgevingsloket online;
bij de opties c, d en e: door middel van het online medium &#226;&#8364;&#166;. of het verzenden van een fysiek voortgangsbericht.

Artikel 23. Statusmelding naar een belanghebbende
Het college stelt in een richtlijn vast welke gegevens door de baliemedewerker op verzoek in een digitaal of fysiek voortgangsbericht mogen worden meegedeeld aan een belanghebbende, zodat voldaan wordt aan punt 5 van de Gebruiksvoorwaarden Omgevingsloket online met betrekking tot de privacy van door een aanvrager verstrekte persoonsgegevens.

Artikel 24. Communicatie met de adviseur
Op grond van de tussen de gemeente en &#195;&#169;&#195;&#169;n of meerdere adviesorganisatie gesloten dienstverleningsovereenkomsten en afhankelijk van de gekozen gebruiksoptie van Omgevingsloket online als bedoeld in artikel 5 verstrekt de co&#195;&#182;rdinator volgens &#195;&#169;&#195;&#169;n van de onderstaande opties gegevens aan de adviseur.

Optie I.
De gegevensverstrekking naar de adviseur geschiedt via Omgevingsloket online waarbij volledig gebruik wordt gemaakt van de behandelmodule. Via de behandelmodule verzoekt de co&#195;&#182;rdinator de adviseur om advies en de adviseur uploadt het advies in de behandelmodule van Omgevingsloket online. 

Optie II.
De gegevensverstrekking naar de adviseur geschiedt via Omgevingsloket online, maar de co&#195;&#182;rdinator doet zijn verzoek om advies buiten Omgevingsloket online om en de adviseur levert zijn advies buiten Omgevingsloket online om aan. De behandelmodule van Omgevingsloket online wordt enkel gebruikt als uitwisselingsplatform van informatie met de adviseur.

Optie III.
De gegevensverstrekking naar de adviseur gebeurt buiten Omgevingsloket online om op &#195;&#169;&#195;&#169;n van de onderstaande wijzen:
de adviseur wordt per e-mail uitgenodigd om advies uit te brengen, waarbij relevante digitale bestanden als attachment worden meegestuurd. De adviseur verstuurt zijn advies per e-mail;
de adviseur wordt per e-mail uitgenodigd om advies uit te brengen. Via een link naar een ftp-site van het bevoegd gezag heeft hij inzicht in de relevante digitale bestanden. De adviseur verstuurt zijn advies per e-mail;
de adviseur krijgt toegang tot het informatiesysteem van het bevoegd gezag en levert zijn advies per mail aan;
de adviseur krijgt toegang tot het informatiesysteem van het bevoegd gezag en brengt zijn advies direct uit in dat systeem.

3. Na de behandeling van de aanvraag
3.1. Overdracht naar eigen informatiesysteem
Artikel 25
De lokale beheerder is verantwoordelijk voor de overdracht van de archiefwaardige bestanden van Omgevingsloket online naar het eigen informatiesysteem, nadat hij door de co&#195;&#182;rdinator ervan op de hoogte is gesteld dat de aanvraag is behandeld.

Artikel 26
De lokale beheerder draagt de archiefbescheiden over binnen de termijn die in artikel 3.3 en 3.4 van de Regeling Landelijke voorziening Omgevingsloket online staat genoemd. De overdracht vindt plaats drie maanden nadat het besluit op de aanvraag is genomen of nadat de melding is ontvangen.

Artikel 27
Met inachtneming van de desbetreffende gevolgen van een bepaalde gebruiksoptie is de informatiebeheerder verantwoordelijk voor de uitvoering van de archivering van de overgedragen archiefbescheiden in verband met een aanvraag. Daartoe draagt hij zorg dat de lokale beheerder en de co&#195;&#182;rdinator te allen tijde kunnen beschikken over de voor hen in dit verband benodigde eisen ten aanzien van de archivering van bepaalde archiefbescheiden

Artikel 28
Het in artikel 3 genoemde hoofd van de beheereenheid controleert binnen 14 dagen na overdracht de overgedragen archiefbescheiden. Hij doet dit aan de hand van een protocol dat onder verantwoordelijkheid van het college als archiefzorgdrager is opgesteld door de informatiebeheerder, de co&#195;&#182;rdinator, de lokale beheerder en, indien aanwezig, de gemeentearchivaris.

Artikel 29
De manier waarop de lokale beheerder de archiefbescheiden opslaat in het eigen informatiesysteem wordt vastgelegd in een protocol dat onder verantwoordelijkheid van het college als archiefzorgdrager is opgesteld door de informatiebeheerder, de co&#195;&#182;rdinator, de lokale beheerder en, indien aanwezig, de gemeentearchivaris.

3.2. Vervanging, selectie &amp; vernietiging
Artikel 30
De informatiebeheerder is verantwoordelijk voor het afstemmen van de dossiervorming in het eigen informatiesysteem op de modulaire werkwijze van selecteren en vernietigen van in het kader van de Wabo aanwezige archiefbescheiden. 

Artikel 31
Indien het in verband met de archivering wenselijk is dat oorspronkelijk digitale bescheiden door analoge bescheiden worden vervangen of omgekeerd, dient het college op voorstel van de informatiebeheerder inzake te bewaren archiefbescheiden een machtiging van gedeputeerde staten hiertoe te verkrijgen, zoals genoemd in artikel 7 van de Archiefwet.      In alle gevallen dient het college het vervangingsbesluit bekend te maken zoals bepaald in artikel 6 van het Archiefbesluit en een vervangingsverklaring op te stellen zoals bedoeld in artikel 8 van het Archiefbesluit.  

4. Slotbepalingen
Artikel 32
Dit besluit treedt met terugwerkende kracht in werking per 1 oktober 2010. 

Artikel 33
Dit besluit kan worden aangehaald als de Beheerregeling Wabo-Div/Archivering van de gemeente Grootegast 2010.

Vastgesteld in de vergadering van 25 januari 2011 vanhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast .

, burgemeester



, secretaris


Algemene toelichting
Met de komst van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden huidige vergunningen, toestemmingen en ontheffingen voor het realiseren van een object in de fysieke omgeving gebundeld tot &#195;&#169;&#195;&#169;n besluit: de omgevingsvergunning. Om het doen van een digitale aanvraag voor een omgevingsvergunning en de behandeling van die aanvraag te ondersteunen heeft het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu een landelijke voorziening ontwikkeld: Omgevingsloket online. Deze voorziening bestaat uit een vergunningcheck, een aanvraagmodule en een behandelmodule. De vergunningcheck kan de burger of ondernemer gebruiken om te achterhalen of voor de activiteit die hij wil ondernemen een omgevingsvergunning nodig is. De aanvraagmodule is het digitale aanvraagloket voor de omgevingsvergunning. Het gebruik van deze module door de gemeente is verplicht. Het gebruik van de behandelmodule is daarentegen niet verplicht (zie voor meer hierover de toelichting bij artikel 5 van deze beheerregeling). In art. 7.6 lid 2 van de Wabo is bepaald dat het bevoegd gezag verantwoordelijk is voor de zorg van de in Omgevingsloket online opgenomen gegevens en bescheiden en het verstrekken daarvan aan andere bestuursorganen.

Op grond van de situatie van de informatiesystemen en de stand van digitaal werken binnen de organisatie van het bevoegd gezag dient er een keuze te worden gemaakt voor de manier waarop Omgevingsloket online zal worden gebruikt. Omgevingsloket online schrijft geen werkwijze voor. De gemeente dient als bevoegd gezag zelf een werkwijze te bepalen waardoor het eigen domein binnen Omgevingsloket online op orde blijft. Het ontstaan van schaduwarchivering en/of onvolledige dossiervorming in verschillende systemen moet worden voorkomen. Aangezien Omgevingsloket online niet bedoeld is als archiveringssysteem dienen er vooraf regels te worden vastgesteld op welk moment en op welke manier bestanden vanuit Omgevingsloket online moeten worden overgebracht naar het eigen informatiesysteem. Bij een volledig gebruik van Omgevingsloket online zijn de archiefbescheiden die daarin zijn opgenomen te beschouwen als &#226;&#8364;&#732;buitendossiers&#226;&#8364;&#8482; die de gemeente in de landelijke voorziening heeft uitstaan. Dit leidt tot een bijzondere situatie waardoor naast de Archiefverordening en het Besluit Informatiebeheer ook een beheerregeling nodig is voor het beheer van archiefbescheiden die in Omgevingsloket online worden opgeslagen.

In deze beheerregeling wordt vastgelegd wat de gemeente als bevoegd gezag dient te regelen inzake het beheer van het eigen werkdomein binnen Omgevingsloket online. De gemeente dient een duidelijke keuze te maken voor &#195;&#169;&#195;&#169;n bepaalde gebruiksoptie, afspraken te maken met de adviseurs over de manier van samenwerken; zorg te dragen bij een volledig gebruik van Omgevingsloket online voor een goede dossiervorming en na verloop van tijd voor een juiste overdracht van de dossiers naar het eigen informatiesysteem. Door het vaststellen van deze beheerregeling wordt de rol bepaald van Omgevingsloket online binnen de bedrijfsvoering en de informatiehuishouding van de gemeente. 

Wanneer per 1 oktober 2010 de Wabo in werking treedt, dient de gemeente bij volledig gebruik van Omgevingsloket online haar mandatering te hebben aangepast aan de rollen zoals die in het Omgevingsloket zijn gedefinieerd. Zie voor deze rollen ook artikel 13 van deze Beheerregeling. 

Op termijn is het de bedoeling dat Omgevingsloket online ook gebruikt zal gaan worden voor de aanvraag van de watervergunning en het doen van de watermelding. Het kennismodel en de formulieren van Omgevingsloket online zullen worden uitgebreid om dit mogelijk te maken. Het ministerie van Verkeer en Waterstaat zal een nieuwe zakelijke gebruiker worden van het bestaande Omgevingsloket online. VROM blijft verantwoordelijk voor de functionele en technische continu&#195;&#175;teit en doorontwikkeling van Omgevingsloket online als generieke voorziening voor al haar gebruikers.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1
De rollen van co&#195;&#182;rdinator en de lokale beheerder in Omgevingsloket online staan uitgebreid beschreven in de Handleiding Omgevingsloket online Rol co&#195;&#182;rdinator en de Handleiding Omgevingsloket online Rol lokale beheerder.

Artikel 2
Deze beheerregeling heeft alleen betrekking op die aanvragen voor een omgevingsvergunning waarvoor de gemeente het bevoegd gezag is. De aard van het project waar de omgevingsvergunning voor wordt aangevraagd bepaalt welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is. In De Wabo in de praktijk. Juridische leidraad bij de Wabo staat in deel II hoofdstuk 3 uitgebreid beschreven hoe het bevoegd gezag voor de behandeling van de omgevingsvergunning wordt bepaald. 
Naast de opslag van archiefbescheiden in Omgevingsloket online is er in deze beheerregeling ook aandacht voor het verkeer van informatieobjecten vanuit het eigen informatiesysteem naar Omgevingsloket online en omgekeerd. Het Omgevingsloket online is immers niet bedoeld als archiveringssysteem. 

Artikel 3
De meeste gemeenten hebben in hun Besluit Informatiebeheer slechts &#195;&#169;&#195;&#169;n beheereenheid verantwoordelijk gemaakt voor het beheer van de archiefbescheiden die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. Daar waar gemeenten groter zijn en waar Div gedeconcentreerd opereert is er gekozen voor de benoeming van meerdere beheereenheden. In het kader van de Wabo verdient het de aanbeveling om &#195;&#169;&#195;&#169;n beheereenheid aan te wijzen als eindverantwoordelijke voor het beheer van de archiefbescheiden die bij de behandeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning worden ontvangen of gecre&#195;&#171;erd.

(optioneel) Artikel 3 en 4 Regionale uitvoeringsdienst
VROM heeft in 2009 met het IPO en de VNG een akkoord gesloten over het verbeteren van de uitvoering van de regelgeving op het gebied van ruimte, bouwen en milieu. Gemeenten en provincies moeten tot een landelijk dekkend netwerk van regionale uitvoeringsdiensten (RUD) komen en hen belasten met de uitvoering van een basistakenpakket op het gebied van ruimte, bouwen en milieu. De diensten zullen de vorm van een openbaar lichaam krijgen overeenkomstig de Wet gemeenschappelijke regelingen. De regionale uitvoeringsdienst zal als backoffice gaan fungeren voor de deelnemende bestuursorganen. Het college van B&amp;W en Gedeputeerde Staten blijven het bevoegd gezag en dragen de eindverantwoordelijkheid voor de taken van de regionale dienst. De uitvoeringsdiensten zullen uiterlijk 1 januari 2012 operationeel moeten zijn. De optionele artikelen 3 en 4 van deze model-Beheerregeling zijn hieronder opgenomen met het oog op de komst van de regionale uitvoeringsdiensten.

Indien er een regionale uitvoeringsdienst is ingesteld, gelden de onderstaande artikelen:

Artikel 3
In afwijking van:
artikel 9 van het Modelbesluit Informatiebeheer; of
artikel 3 van het Modelbesluit Informatiebeheer voor gemeenten met een archiefdienst op basis van een gemeenschappelijke regeling
is het hoofd van de beheereenheid binnen het openbaar lichaam van de regionale uitvoeringsdienst belast met het geheel van de informatievoorziening voor de onder hem ressorterende taken alsmede met het beheer van de archiefbescheiden van de beheereenheid, voorzover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

Artikel 4
In afwijking van:
artikel 20 van het Modelbesluit Informatiebeheer; of
artikel 14 van het Modelbesluit Informatiebeheer voor gemeenten met een archiefdienst op basis van een gemeenschappelijke regeling draagt het hoofd van de beheereenheid binnen het openbaar lichaam van de regionale uitvoeringsdienst er zorg voor dat de onder zijn beheer staande archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat worden bewaard.

In de optionele artikelen 3 en 4 gaan we uit van de regionale uitvoeringsdienst als archiefvormend orgaan, waar de archiefbescheiden tot het moment van overbrenging naar de archiefbewaarplaats in beheer zijn. Het is ook goed mogelijk dat de regionale uitvoeringsdiensten slechts als adviseurs optreden en alleen tijdens de periode van de behandeling van de aanvragen beschikken over de archiefbescheiden van het bevoegd gezag. Het is nog onduidelijk hoe de informatiehuishouding zal worden ingericht, hoe informatie tussen de regionale uitvoeringsdienst, de gemeenten, de provincie, en de rijksoverheid zal gaan worden uitgewisseld. Om deze reden is in de rest van deze model-Beheerregeling nog geen rekening gehouden met de komst van de regionale uitvoeringsdiensten.

Artikel 5
Omgevingsloket online kent verschillende functies. Het is te gebruiken als:
1.	Digitaal aanvraagloket;
2.	Informatie-uitwisselingsplatform tussen bevoegd gezag en adviseurs;
3.	Procesbegeleiding bij de behandeling van de aanvraag.
Ieder bevoegd gezag krijgt te maken met het Omgevingsloket online als digitaal aanvraagloket. Aanvankelijk hebben burgers en bedrijven nog de keuze tussen het doen van een papieren of een digitale aanvraag, maar na verloop van tijd zullen de zakelijke aanvragers verplicht worden om hun aanvraag digitaal te doen. Door het aangaan van een dienstverleningsovereenkomst met een adviserende organisatie zullen sommige gemeenten zich verplicht hebben om gebruik te maken van het Omgevingsloket online als informatie-uitwisselingsplatform. 

In de verdere keuze om gebruik te maken van de behandelmodule van Omgevingsloket online is de gemeente vrij. Deze keuze is afhankelijk van de stand van de geautomatiseerde systemen en de stand van digitaal werken binnen de gemeente. De keuze voor een gebruiksoptie moet zoveel mogelijk aansluiten bij de eigen situatie. De systemen die de keuze voor het gebruik van Omgevingsloket bepalen zijn:
1.	Het zaakregistratiesysteem;
2.	Het document management systeem (DMS)/ records management applicatie (RMA);
3.	De bedrijfsspecifieke toepassing voor vergunningverlening en handhaving.

De procesbegeleiding in de behandelmodule van Omgevingsloket online geschiedt in de vorm van &#226;&#8364;&#732;events&#226;&#8364;&#8482;. Deze events zijn taken die met Omgevingsloket online kunnen worden uitgevoerd, zoals &#226;&#8364;&#732;behandelaar toewijzen&#226;&#8364;&#8482; of &#226;&#8364;&#732;onderdeel beoordelen&#226;&#8364;&#8482;. Door events uit te voeren verandert op een gegeven moment de status van de behandeling. Die status kan voor de aanvrager zichtbaar worden gemaakt in de aanvraagmodule.

De vijf in dit artikel genoemde gebruiksopties zijn terug te vinden in de Leidraad Wabo-Div/Archivering. Zij worden in deze Leidraad uitgebreid besproken inclusief de consequenties die een keuze voor &#195;&#169;&#195;&#169;n van de gebruiksopties zal hebben voor de informatievoorziening. De keuze bepaalt welke archiefbescheiden in Omgevingsloket online zullen worden opgeslagen en waar tijdens de behandeling van de aanvraag het leidende archiefexemplaar zich zal bevinden.

Artikel 7 
Afhankelijk van de keuze voor een gebruiksoptie van de behandelmodule van Omgevingsloket online zal de synchronisatie tussen de hierboven genoemde systemen van de gemeente en Omgevingsloket online meer of minder aandacht vergen. Hoe minder de behandelmodule wordt gebruikt, hoe minder de gemeente te maken krijgt met synchronisatieproblemen. Wanneer Omgevingsloket online enkel wordt gebruikt als digitaal loket en het behandeldossier en het archiefexemplaar bevinden zich bij het bevoegd gezag (gebruiksoptie B1 in de Leidraad Wabo-Div/Archivering), is er geen synchronisatie nodig.  

Wanneer het in dit artikel genoemde protocol wordt vastgesteld, verdient het de voorkeur om ook de zaken die in de artikelen 28 en 29 worden vermeld hierin op te nemen. 

Artikel 8
Wanneer de behandelmodule van Omgevingsloket online onvolledig of in zijn geheel wordt gebruikt, dient de ordeningsstructuur van de omgevingsvergunning in het eigen informatiesysteem aan te sluiten bij de indeling in hoofd- en subzaken zoals die in Omgevingsloket online worden gevormd. Op die manier kunnen de bestanden na de behandeling op een juiste wijze worden ingepast in het eigen archiefsysteem.

Artikel 9
Wanneer de behandelmodule van Omgevingsloket online onvolledig of in zijn geheel wordt gebruikt, dient binnen de eigen informatiehuishouding gebruik te worden gemaakt van vergelijkbare documenttypen die in Omgevingsloket online voor kunnen komen. Op die manier kunnen de archiefbescheiden na de behandeling goed worden ingepast in het eigen informatiesysteem.
Het verdient de aanbeveling om uit te gaan van de standaarddocumenten zoals die in opdracht van VROM zijn opgesteld.

Artikel 10
Op grond van artikel 19 van de Archiefregeling is de zorgdrager verplicht om een metagegevensschema op te stellen. Door middel van het metagegevensschema moet duidelijk zijn welke metagegevens dienen te worden gekoppeld aan welke archiefbescheiden, zodat de context en authenticiteit van deze archiefbescheiden te allen tijde kan worden vastgesteld. Dit geldt dus ook voor de archiefbescheiden die in Omgevingsloket online worden opgeslagen. 

Artikel 11 
Het ministerie van VROM is op grond van artikel 7.6 lid 3 van de Wabo verantwoordelijk voor de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van Omgevingsloket online. Deze verantwoordelijkheid is nader gespecificeerd in de Regeling Landelijke Voorziening Omgevingsloket online. Binnen de organisatie van het bevoegd gezag dient de systeembeheerder ervoor te zorgen dat er een goede communicatie mogelijk is tussen Omgevingsloket online en de eigen systemen. Deze eigen systemen kunnen onder meer bestaan uit een document management systeem/records management applicatie, een zaaksysteem en/of een bedrijfsspecifieke applicatie voor vergunningverlening en handhaving.

Artikel 12
De landelijke indieningsvereisten zoals vermeld in de Regeling omgevingsrecht hebben ook betrekken op de activiteiten waarvoor krachtens een gemeentelijke verordening een omgevingsvergunning is vereist. De gemeente heeft in die gevallen de mogelijkheid om de indieningsvereisten in Omgevingsloket online in beperkte mate uit te breiden.

De keuze voor een bepaalde gebruikersoptie van de behandelmodule van Omgevingsloket online, bepaalt de manier waarop de standaardinstellingen dienen te worden aangepast. Het gaat hierbij onder meer om:
het al of niet gebruiken van de behandelmodule van Omgevingsloket online;
het al of niet uitwisselen van statusinformatie met Omgevingsloket online;
het al of niet communiceren met de aanvrager over de voortgang met behulp van Omgevingsloket online.

Artikel 13
Bij het gebruik van Omgevingsloket online worden verschillende rollen onderscheiden. Deze rollen hoeven niet &#195;&#169;&#195;&#169;n-op-&#195;&#169;&#195;&#169;n overeen te komen met functies in de eigen organisatie. De rollen zijn bedoeld om aan te geven welke rechten medewerkers in Omgevingsloket online kunnen hebben. Zo kan een medewerker ook meerdere rollen vervullen. In de Handboeken Omgevingsloket online worden de verschillende rollen nader toegelicht. Idealiter bestaat er een relatie tussen de beschreven werkprocessen van de organisatie, de ge&#195;&#175;dentificeerde functies en de rollen zoals omschreven in Omgevingsloket online. Zoals in de algemene toelichting is vermeld, dient bij een volledig gebruik van Omgevingsloket online de mandatering te worden aangepast aan de rollen in Omgevingsloket online.

Artikel 17
De lokale beheerder voert periodiek overleg met de informatiebeheerder inzake het  applicatiebeheer, het document management systeem, de records management applicatie, het zaaksysteem en de betreffende bedrijfsspecifieke toepassing voor vergunningverlening en handhaving. Wanneer ontwikkelingen binnen de informatiehuishouding van de gemeente een ander gebruik van de behandelmodule van Omgevingsloket online vereisen, kan de lokale beheerder dit signaleren en hier aandacht voor vragen binnen de organisatie.

Artikel 19
Wanneer een aanvraag voor een omgevingsvergunning slechts betrekking heeft op &#195;&#169;&#195;&#169;n activiteit (een enkelvoudige aanvraag), bepaalt de co&#195;&#182;rdinator per soort aanvraag welke behandelaar en/of adviseur betrokken wordt bij de behandeling. Er kan vooraf worden afgesproken welke medewerker of adviseur zich bezighoudt met de behandeling van de aanvragen voor een bepaalde activiteit. 

Wanneer de aanvraag betrekking heeft op meerdere activiteiten (een meervoudige aanvraag), dient de co&#195;&#182;rdinator per aanvraag te bepalen wie als behandelaar of adviseur mee zal werken aan de behandeling van de aanvraag. Iedere meervoudige aanvraag wordt gedaan voor een combinatie van activiteiten. 

Artikel 21
In artikel 1.4 van de Regeling omgevingsrecht staat geformuleerd in welke archiefwaardige bestandsformaten gegevens en bescheiden digitaal bij de aanvraag kunnen worden gevoegd in Omgevingsloket online. Het gaat hierbij om duurzame digitale bestandsformaten die na de behandeling ongewijzigd kunnen worden gearchiveerd. Hiermee wordt voldaan aan artikel 26 van de Archiefregeling 2009. In dit artikel wordt aangegeven welke eisen gesteld worden aan de opslagformaten voor digitale archiefbescheiden.
Ook wanneer archiefbescheiden tijdens de behandeling door het bevoegd gezag of de adviseur aan Omgevingsloket online worden toegevoegd, dient dit in &#195;&#169;&#195;&#169;n van de volgende bestandsformaten te gebeuren:
foto&#226;&#8364;&#8482;s: PNG en JPG 
scans: TIFF, JPG, PDF/A-1a, PDF/A-1b en PDF 1.4
officedocumenten: PDF/A-1a en PDF 1.4
tekeningen: PDF/X en PDF 1.4

Artikel 22
De keuze voor een bepaalde gebruiksoptie van de behandelmodule van Omgevingsloket online die in artikel 5 is verwoord, is van invloed op de manier van statusmelding naar de aanvrager toe. De gemeente kan er bijvoorbeeld voor kiezen om de statusmelding buiten Omgevingsloket online om te doen via een ander online medium zoals de gemeentelijke website of een Persoonlijke Internet Pagina.
De tweede optie die in dit artikel wordt genoemd, verwijst naar het hybride-samenwerkingsmodel zoals die in de Leidraad Wabo-Div/Archivering wordt besproken.

Artikel 23
In een door de gemeente op te stellen richtlijn moet worden vastgelegd welke gegevens aan een belanghebbende kunnen worden verstrekt. In punt 5 van de Gebruiksvoorwaarden Omgevingsloket online staat vermeld dat de door de gebruiker verstrekte informatie niet aan derden zal worden verstrekt, zonder dat daarvoor een wettelijke grondslag bestaat of zonder dat er sprake is van toestemming van de gebruiker zelf. In de Leidraad Wabo-Div/Archivering staat ook vermeld dat het van belang is bij het laten inzien van dossiers aan belanghebbenden rekening te houden met de Wet bescherming persoonsgegevens aangezien sommige documenten door de aanvrager onder geheimhouding zijn verstrekt.

Artikel 24
De keuze voor een bepaalde gebruiksoptie van de behandelmodule van Omgevingsloket online die in artikel 5 is verwoord, is van invloed op de manier waarop de gegevensverstrekking naar de adviseur plaatsvindt. De genoemde opties staan verder uitgewerkt in de Leidraad Wabo-Div/Archivering.

Artikel 25 
De overdracht van het gehele dossier gaat uit van een volledig gebruik van de behandelmodule van Omgevingsloket online. De co&#195;&#182;rdinator van het dossier en de lokale beheerder hebben de rechten voor de overdracht van de het dossier via de ftp-server naar het eigen informatiesysteem bedoeld voor de opslag en het beheer van archiefbescheiden. In de praktijk zal dit door de lokale beheerder geschieden. Hierbij worden enkel de archiefwaardige bestanden overgedragen. Het gaat hierbij om:
de aanvraaggegevens;
de bijlagen inclusief metadata, aanvullingen en commentaar;
de documenten van bevoegd gezag waaronder adviezen en eventuele verklaringen van geen bedenkingen; 
de beschikking en eventueel het ontwerpbesluit;
de audittrail; 
eventuele notities. 

Artikel 28 
Na 14 dagen worden de archiefbescheiden die zijn overgedragen verwijderd uit Omgevingsloket online. Wanneer het in artikel 3 genoemde hoofd van de beheereenheid binnen die periode de compleetheid van de overgedragen bestanden controleert, kan de procedure eventueel nog opnieuw worden uitgevoerd. 

Wanneer het in dit artikel genoemde protocol wordt vastgesteld, verdient het de voorkeur om ook de zaken die in de artikelen 7 en 29 worden vermeld hierin op te nemen. 

Artikel 29 
Wanneer de bestanden door de lokale beheerder worden overgedragen naar een eigen systeem, moet duidelijk zijn op welke locatie hij de bestanden dient op te slaan. 

Wanneer het in dit artikel genoemde protocol wordt vastgesteld, verdient het de voorkeur om ook de zaken die in de artikelen 7 en 28 worden vermeld hierin op te nemen.

Artikel 30
Aangezien de omgevingsvergunning een samenvoeging is van huidige vergunningen, toestemmingen en ontheffingen, is gekozen voor het aanhouden van de bestaande selectielijsten. Een enkelvoudige vergunning kan eenvoudig worden gewaardeerd met behulp van een conversietabel tussen de activiteiten die onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning en de vergunningen, toestemmingen en ontheffingen die in de selectielijsten voorkomen.
Bij een meervoudige omgevingsvergunning wordt de omgevingsvergunning afgegeven voor meerdere activiteiten die overeenkomen met huidige vergunningen, toestemmingen of ontheffingen. De selectielijsten zullen worden toegepast op onderdelen van de omgevingsvergunning. Dit betekent dat aan iedere activiteit een bewaartermijn zal worden toegekend en dat de vergunning zelf net zo lang bewaard wordt als de activiteit met de langste bewaartermijn. Deze werkwijze wordt de modulaire werkwijze genoemd.
Om deze modulaire selectie en vernietiging toe te kunnen passen op meervoudige omgevingsvergunningen, dient de analoge of digitale dossiervorming zo ingericht te zijn dat duidelijk is op welke activiteiten de omgevingsvergunning betrekking heeft. Documenten die een relatie hebben met meerdere werkzaamheden dienen bij de hoofdzaak te worden opgeslagen. 

Artikel 32
Wanneer er iets wijzigt in de door middel van de Beheerregeling vastgelegde situatie, dient de gemeente de Beheerregeling te wijzigen en deze opnieuw vast te stellen. Enerzijds kan de gemeentelijke organisatie op een andere manier gebruik gaan maken van Omgevingsloket online, anderzijds kan VROM Omgevingsloket online zodanig wijzigen dat een herziening van de beheerregeling noodzakelijk is.
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Beleidsnotitie ten aanzien van tijdelijke tweede bedrijfswoning ten behoeve van bedrijfsovername agrarische sector" url="verordening-d0c5d4661c0c5e38011dcdf8bce70295/versie-d0c5d4661c0c5e38011dcdf8bce70296.html">
	<tekst>
	Beleid ten aanzien van een tijdelijke tweede bedrijfswoning ten behoeve van bedrijfsovername in de agrarische sector

Aanleiding
Door een agrari&#235;r uit de gemeente Grootegast is een verzoek ingediend voor de plaatsing van een tijdelijke woonunit bij het agrarische bedrijf voor de huisvesting van zijn zoon. De zoon zit al in de maatschap en gaat de bedrijfsvoering binnen vier jaar overnemen.

Wet- en regelgeving
De vigerende bestemmingsplannen bieden geen ruimte voor het toestaan van een tweede bedrijfswoning als de noodzaak hiervan niet kan worden aangetoond. Binnen de huidige wetgeving bestaat de mogelijkheid om een &#8216;tijdelijke&#8217; vrijstelling te verlenen, artikel 17 Wet op de Ruimtelijke Ordening. Op basis van jurisprudentie moet dan wel voldoende aannemelijk worden gemaakt met objectieve maatstaven dat tijdelijk ook echt tijdelijk is. Dat is echter bijna niet hard te maken, zodat het instrument van tijdelijke vrijstelling in de  praktijk bijna niet meer toepasbaar is.

Om in geval van een bedrijfsovername in de agrarische sector het tijdelijk plaatsen van een woonunit mogelijk te maken, worden in deze beleidsnotitie een aantal voorwaarden gesteld om de tijdelijkheid van de unit te waarborgen. Wel word er nadrukkelijk op gewezen dat het verlenen van een vrijstelling ex artikel 17 Wet op de Ruimtelijke Ordening voor een tweede bedrijfswoning juridische risico&#8217;s met zich meebrengt, ook al wordt er voldaan aan de gestelde voorwaarden. Ter informatie wordt hierbij meegegeven dat een kopie van een besluit om vrijstelling ex artikel 17 Wet op de Ruimtelijke Ordening verplicht moet worden toegestuurd aan de inspecteur VROM.

Beleid
In geval van voorgenomen agrarische bedrijfsovername kan via een vrijstelling ex artikel 17 Wet op de Ruimtelijke Ordening het plaatsen van een tijdelijke woonunit worden toegestaan indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

1.de tijdelijke vrijstelling wordt &#233;&#233;nmalig voor een periode van maximaal vier jaar verleend;
2.de tijdelijke woonunit moet binnen het in het bestemmingsplan aangegeven bouwvlak worden gebouwd;
3.de tijdelijke woonunit wordt achter de achtergevel, of het verlengde hiervan, van de eerste bedrijfswoning geplaatst;
4.de tijdelijke woonunit moet vrijstaand worden geplaatst;
5.de maximale gebruiksoppervlakte van de woonunit bedraagt 70 m2;
6.doormiddel van een bedrijfsplan, maatschapsovereenkomst, dienstverband moet de binding aan het agrarisch bedrijf en de termijn waarop het bedrijf wordt overgenomen aangetoond worden;
7.de tijdelijke tweede bedrijfswoning wordt alleen toegestaan indien er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf;
8.na afloop van de vrijstelling ontstaat geen recht op de bouw van een tweede bedrijfswoning;
9.de plaatsing/locatie van een woonunit dient geen belemmering te vormen voor omliggende bedrijven in het kader van de milieuwetgeving;
10.het voornemen tot het verlenen van een vrijstelling wordt zes weken ter inzage gelegd, belanghebbende kunnen in deze periode zienswijzen indienen. Indien zienswijzen worden ingediend zal het besluit om vrijstelling te verlenen worden heroverwogen;
11.ter waarborging van de tijdelijkheid dient een (privaatrechtelijke) overeenkomst ondertekend te worden.

Bovenstaande voorwaarden zullen door de gemeente, danwel door een deskundige worden gecontroleerd
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Beleidsnotitie tot het toepassen van planologische afwijkingen en wijzigingen" url="verordening-d0c5d4662e0c9290012eb4d90be30018/versie-d0c5d4662e0c9290012eb4d90be30019.html">
	<tekst>
	Beleidsnotitie tot het toepassen van planologische afwijkingen op grond van de Wabo en 
het wijzigen van bestemmingsplannen op grond van de Wro  

Gemeente Grootegast

Januari 2011

 

2. Inleiding
Medio 2009 is voor de gemeente Grootegast de Beleidsnotitie tot het toepassen van ontheffingen, projectbesluiten en bestemmingsplannen(2009) opgesteld. Door het college van B&amp;W is deze notitie vastgesteld d.d. 14 juli 2009. Door de gemeenteraad is kennis genomen van de notitie en is de notitie geaccepteerd als intern werkdocument. In de afgelopen anderhalf jaar is gebleken dat de notitie een goed toetsingskader vormt voor het vraagstuk of er al dan niet bereidheid bestaat voor het afwijken, danwel wijzigen van een bestemmingsplan. 
Per 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn de mogelijkheden om af te wijken van de bepalingen van een bestemmingsplan overgeheveld van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) naar de Wabo. Concreet gaat het om:
1.Binnenplanse ontheffing
2.Buitenplanse ontheffing  op grond van de zogenoemde &#8220;kruimellijst&#8221; 
3.Projectbesluit 
4.Tijdelijke ontheffing
De mogelijkheden om een bestemmingsplan te wijzigen zijn gehandhaafd binnen de Wro. Daarbij gaat het om opstellen van een (postzegel)bestemmingsplan en het toepassen van een in het bestemmingsplan opgenomen uitwerkings- of wijzigingsbevoegdheid.
Deze wetswijziging vergt een doorvertaling in de Beleidsnotitie tot het toepassen van ontheffingen, projectbesluiten en bestemmingsplannen(2009). Onderhavige notitie dient hiertoe. Van een wijziging van beleid is hiermee geen sprake.   
Uitgangspunt blijft dat met actuele bestemmingsplannen het afwijken van bestemmingsplannen tot het verleden zou moeten behoren, dan wel alleen in uitzonderlijke situaties toegepast moeten worden. Binnen de ruimtelijke ordening in Nederland is immers een (actueel) bestemmingsplan het centrale sturingsinstrument. De actualisatieopgave van de bestemmingsplannen van Grootegast is ten tijde van de opmaak van onderhavige (actualiserings)notitie nagenoeg afgerond. De nieuwe bestemmingsplannen zijn qua bouw- en gebruiksnormen geactualiseerd, bevatten diverse flexibiliteitsbepalingen en bieden daarmee voldoende mogelijkheden en een goed kader voor initiatiefnemers om plannen gerealiseerd te krijgen.
Desalniettemin zullen zich situaties kunnen voordoen welke vanuit hun algemeen, danwel maatschappelijk belang, een afwijking of wijziging van het het bestemmingsplan rechtvaardigen. Onderhavige (actualisatie) notitie dient ervoor om bij dergelijke vraagstukken als toetsingskader te kunnen fungeren. Er zal worden stilgestaan bij de 4 instrumenten voor planologische afwijking op grond van de Wabo:
1.artikel 2.12 lid 1 onder a sub 1 Wabo (voorheen: binnenplanse ontheffing)
2.artikel 2.12 lid 1 onder a sub 2 Wabo (voorheen: buitenplanse ontheffing o.g.v. &#8220;kruimellijst&#8221;)
3.artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 Wabo (voorheen: projectbesluit)
4.artikel 2.12 lid 2 Wabo (voorheen: tijdelijke ontheffing)
Daarnaast zal worden stilgestaan bij de wijzigingsinstrumenten op grond van de Wro:
1.(postzegel) bestemmingsplan (art 3.1 Wro)
2.wijzigingsbevoegdheid (art 3.6 lid 1 onder a Wro)
3.uitwerkingsbevoegdheid (art 3.6 lid 1 onder b Wro)
In deze notitie wordt verwoord hoe de gemeente Grootegast toepassing geeft aan de verschillende instrumenten die de Wabo en de Wro bieden, en de  (on-)wenselijkheid om van bepaalde instrumenten gebruik te maken. 



3 Algemeen
De Wabo kent diverse instrumenten om af te wijken van de bestemmingsplanregels. Een planologische afwijking op grond van artikel 2.12 Wabo is een besluit welke door het bestuursorgaan genomen kan worden om af te wijken van de door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplannen. Deze instrumenten kunnen worden toegepast voor een permanente activiteit zoals het bouwen van een bibliotheek, maar ook voor tijdelijke activiteiten. 
Ook kan het bestuursorgaan ervoor kiezen om op basis van de Wro een nieuw bestemmingsplan vast te stellen, een wijzigings- of uitwerkingsbevoegdheid op grond van de Wro toe te passen om daarmee een bestemming te wijzigen. 
Bij een planologische afwijking op grond van de Wabo wordt voor een concreet plan of project een afwijking van de bestemmingsplanregels toegestaan, maar het bestemmingsplan zelf blijft daarmee in stand en verandert niet. Met behulp van de instrumenten uit de Wro is het echter mogelijk om een wijziging van het bestemmingsplan te bewerkstelligen. 

3.1 Instrumenten 
3.1.1. Planologische afwijkingen op grond van de Wabo
Er zijn in de Wabo 4 verschillende planologische afwijkingsinstrumenten. Voorheen waren deze bekend onder de noemer binnenplanse en de buitenplanse (o.g.v. &#8220;kruimellijst&#8221;) ontheffing, het projectbesluit, en de tijdelijke ontheffing.
In een bestemmingsplan zijn regels opgenomen die bepalen voor welke activiteiten planologische afwijking kan worden verleend door het college. Dit zijn de zogenaamde binnenplanse planologische afwijkingen. Deze planologische afwijking wordt geregeld in artikel 2.12 lid 1 onder a sub 1 Wabo.
Het Besluit omgevingsrecht (Bor) kent een lijst van activiteiten waarvoor het college planologische afwijking kan verlenen, de zogenaamde buitenplanse planologische afwijking. Artikel 2.12 lid 1 onder a sub 2 Wabo regelt deze planologische afwijking. Deze lijst van activiteiten is limitatief, wat wil zeggen dat activiteiten die niet of niet geheel binnen deze lijst passen niet in aanmerking kunnen komen voor een buitenplanse planologische afwijking.
Daarnaast kan planologische afwijking worden toegestaan indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Deze planologische afwijking wordt geregeld in artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 Wabo, een zogenaamd &#8220;Wabo-projectbesluit&#8221;.
Tenslotte, een tijdelijke planologische afwijking wordt geregeld met artikel 2.12 lid 2 Wabo. Met een dergelijke planologische afwijking kan het college planologische afwijking verlenen ten behoeve van een tijdelijke activiteit (maximaal 5 jaar voor een tijdelijke behoefte). Dit kan bijvoorbeeld zijn een tijdelijke brug of een bemalingspomp bij het aanleggen van infrastructuur. 

3.1.2 Planologische wijziging op grond van de Wro
In een bestemmingsplan zijn regels opgenomen die bepalen voor welke activiteiten een bestemmingsplan kan worden gewijzigd en waarvoor een bestemmingsplan kan worden uitgewerkt. Dit betreffen binnenplanse flexibiliteitsbepalingen waarmee een bestemmingsplan kan worden gewijzigd door het bestuursorgaan. De grondslag voor het opnemen van een een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan is gegeven in artikel 3.6 lid 1 onder a Wro, respectievelijk onder b.
Daarnaast bestaat de mogelijkheid om een bestemmingsplan te wijzigen door een nieuw bestemmingsplan op te stellen, een zogenoemd &apos;postzegelbestemmingsplan&apos; (art 3.1 Wro). Hiervoor komen activiteiten in aanmerking die niet mogelijk gemaakt kunnen worden door middel van het toepassen van een de eerder genoemde afwijkings- of wijzigingsinstrumenten. In de Wro en het Bro zijn bepalingen opgenomen hoe een bestemmingsplan vastgesteld dienen te worden en hoe een procedure voor wijzigings- en uitwerkingsplannen eruit ziet. 

3.2 Het algemene kader
Gezien de actualiteit en de ruimte die de bestemmingsplannen bieden heeft de gemeente Grootegast bepaald dat slechts bij uitzondering gebruik wordt gemaakt van de instrumenten voor planologische afwijkingen op grond van de Wabo en voor wijzigingen op grond van de Wro.
Hiermee doen wij ook recht aan het uitgangspunt van de Wro: &#8220;actuele bestemmingsplannen&#8221;. Als een bestemmingsplan in een looptijd van 10 jaar veel afwijkingen op grond van de Wabo kent ontkom je niet aan een actualisering minimaal elke 10 jaar. Bij geen of nauwelijke planologische afwijkingen zou het verlengen van de 10 jaarstermijn met 10 jaar tot de mogelijkheden kunnen behoren: &#8220;telkens indien de gemeenteraad van oordeel is dat de in het bestemmingsplan aangewezen bestemmingen en de met het oog daarop gegeven regels in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening kan hij besluiten tot verlenging van de periode van 10 jaar met 10 jaar&#8221; (art 3.1 lid 3 Wro)
Algemeen kan worden gesteld dat een activiteit welke in aanmerking kan komen voor een procedure, ten minste moet voldoen aan het algemene kader. 
Voor planologische afwijkingen wordt in beginsel als eis gesteld dat de gewenste activiteit dient te passen binnen de uitgangspunten van vastgesteld, danwel in voorbereiding zijnd, beleid (lees ook: bestemmingsplan).  
Als algemeen kader wordt gesteld dat geen afbreuk mag worden gedaan aan:
het straat- en bebouwingsbeeld ter plaatse. Voor de beoordeling hiervan wordt onder andere aansluiting gezocht bij de welstandsnota en het beeldkwaliteitsplan en wordt gekeken naar het landschappelijk inpassen van het activiteit;
de milieusituatie van het perceel en omliggende percelen;
de verkeersveiligheid op het perceel en de openbare weg;
de gebruiksmogelijkheden van het eigen perceel en aangrenzende percelen.
En mits de activiteit passend is binnen de voorwaarden van de relevante beleidsnotities die nader ingaat op de activiteit(en), gedacht kan worden aan:
De Houtsingel Hoofdstructuur;
Recreatiebeleid Westerkwartier; 
Toekomstvisie paardenhouderij;
Beroep en bedrijf aan huis;
Beleidsnotitie Mestvergisting;
Toetsingskader bedrijfswoning bij een re&#235;el bedrijf;
Beleidsregels inzake mantelzorg;
Overige relevante beleidsnotities.

3.3 De ruimtelijke onderbouwing
De onderbouwing en motivering om medewerking te verlenen aan een planologische afwijking of wijziging van het bestemmingsplan dient te worden neergelegd in een ruimtelijke onderbouwing. Daarin dient bovenstaand ten minste te worden meegenomen. Welke onderwerpen daarnaast in een ruimtelijke onderbouwing naar voren dienen te komen wordt nader besproken in hoofdstuk  6. Ruimtelijke onderbouwing.
 
4 Planologische afwijkingen
Zoals in hoofdstuk  3 Algemeen is besproken, kent de Wabo diverse instrumenten om af te wijken van de bestemmingsplanregel. De vier verschillende planologische afwijkingsinstrumenten worden hieronder verder besproken. Voor elke van de planologische afwijkingen wordt bepaald of er wel of geen gebruik van wordt gemaakt en zo ja, onder welke voorwaarden.
4.1 Binnenplanse planologische afwijkingen
Door de regels van de bestemmingsplannen wordt ruimte geboden om, binnen de voorwaarden zoals opgenomen in de bestemmingsplannen, af te wijken van de bestemmingsplanregels. Voor zover de bestemmingsplan nog gebruik maakt van termen als vrijstelling en ontheffing dienen deze termen gelezen te worden als &#8220;afwijking&#8221;. Naast de in de bestemmingsplan opgenomen voorwaarden dient de activiteit te voldoen aan het algemene kader zoals genoemd onder paragraaf  3.2 Het algemene kader. Wanneer de activiteit past binnen de verschillende voorwaarden kan het college zijn medewerking verlenen aan een binnenplanse afwijking (artikel 2.12 lid 1 onder a sub 1 Wabo).  
4.2 Buitenplanse planologische afwijking op grond van de &apos;kruimellijst&apos;
In het Bor worden de activiteiten genoemd waarvoor het college buitenplanse planologische afwijking kunnen verlenen. Deze lijst van activiteiten is door de rijksoverheid opgesteld, is duidelijk geformuleerd en geldt als limitatief. 
De bestemmingsplannen en de binnenplanse planologische afwijkingsmogelijkheid bieden ons inziens voldoende ruimte om ontwikkelingen mogelijk te maken. Daarom is als beleidskeuze bepaald dat er in beginsel geen toepassing wordt gegeven aan de mogelijkheden van de buitenplanse planologische afwijking op grond van artikel 2.12 lid 1 onder a sub 2 Wabo). 
Echter, er zijn altijd bepaalde ontwikkelingen welke niet zijn voorzien of situaties waarvoor een uitzondering gemaakt dient te worden.
Om te kijken of een activiteit in aanmerking kan komen voor deze vorm van planologische afwijking zal de ontwikkeling dus &#243;f onvoorzien moeten zijn, &#243;f er moet sprake zijn van een uitzonderlijke situatie. Uitgangspunt is ten alle tijde dat sprake moet zijn van een situatie welke vanuit een algemeen, danwel maatschappelijk belang, een planologische afwijking rechtvaardigt. Hieronder zijn twee onderwerpen opgenomen waaraan een activiteit dan wordt gespiegeld, voordat besloten kan worden of een activiteit in aanmerking kan komen voor de betreffende planologische afwijking. 

A: het algemene kader
De activiteit dient te voldoen aan het algemene kader zoals opgenomen in paragraaf   3.2 Het algemene kader.
B: de mogelijkheden van het Bor
Hieronder worden de mogelijkheden die het Bor biedt opgesomd en wordt voor elke bepaling aangegeven of het college hieraan toepassing wil geven. Als het college toepassing wil geven aan de betreffende mogelijkheid, wordt uiteengezet onder welke specifieke voorwaarden dit is:
Een bijbehorend bouwwerk
Hieraan wordt slechts medewerking verleend indien:
er sprake is van een aantoonbare noodzaak op basis van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO), d.w.z. ge&#239;ndiceerde mantelzorg;
de strijd met de bestemmingsplanregels veroorzaakt wordt doordat aansluiting gezocht wordt op bestaande bouw- en goothoogtes van een woning, andere gebouwen of een bijgebouw; 
Een gebouw ten behoeve van infrastrucurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemde eisen
Van deze mogelijkheid wordt gebruik gemaakt. Het college stelt geen specifieke voorwaarden aan deze mogelijkheid. Dit omdat de voorwaarden zoals opgenomen in het Bor voldoende zijn ingekaderd, namelijk de oppervlakte van een gebouw mag niet meer bedragen dan 50m&#178; en de hoogte mag niet meer bedragen dan 5 meter. 
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde
Aan dit artikel wordt geen toepassing gegeven, omdat de bestemmingsplannen ons inziens hiervoor voldoende ruimte bieden.
Een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw
Aan dit artikel wordt geen toepassing gegeven, omdat de bestemmingsplannen ons inziens voldoende ruimte bieden om deze activiteiten mogelijk te maken.
Een antenne installatie tot en met 40m
Van deze mogelijkheid wordt alleen gebruik gemaakt ten behoeve van algemene communicatiedoeleinden. Het college stelt de volgende specifieke eis aan deze mogelijkheid. Het uitgangspunt is het principe van &#8216;site-sharing&#8217;: het delen van een mast door verschillende aanbieders. Het toevoegen van nieuwe masten is slechts toegestaan als &#8216;site-sharing&#8217; technisch niet haalbaar is. Dit dient door de aanbieders onderbouwd te worden. Mocht &#8216;site-sharing&#8217; niet haalbaar blijken dan: 
worden antenne-installaties in beginsel op bestaande verticale hoogopgaande elementen geplaatst zoals hoge gebouwen, torens of masten van sportveldverlichting;
worden vrijstaande masten in een woonwijk niet toegestaan;
worden bij situering van masten in het buitengebied in beginsel landschappelijk waardevolle gebieden als natuurgebieden en waardevolle cultuurlandschappen ontzien.
Een installatie bij een glastuinbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998
Aan dit artikel wordt geen toepassing gegeven, omdat dit type bedrijven in principe niet voorkomt in onze gemeente en daarnaast onze bestemmingsplannen ons inziens voldoende ruimte bieden om deze activiteiten mogelijk te maken.
Een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren
Aan dit artikel wordt geen toepassing gegeven, omdat de bestemmingsplannen ons inziens voldoende ruimte bieden om deze activiteiten mogelijk te maken.
Het gebruik van gronden of bouwwerken ten behoeve van evenementen met een maximum van drie per jaar
Van deze mogelijkheid wordt gebruik gemaakt. Het college stelt geen specifieke voorwaarden aan deze mogelijkheid. Dit omdat de voorwaarden zoals opgenomen in het Bor voldoende zijn ingekaderd, namelijk met een maximum van drie evenementen per jaar en een duur van ten hoogste vijftien (15) dagen, het opbouwen en afbreken van het evenement hieronder begrepen. 
Het wijzigen van het gebruik van bouwwerken 
Aan dit artikel wordt toepassing gegeven onder de volgende voorwaarden;
voorzieningen ten behoeve van detailhandel dienen geconcentreerd te worden in de dorpskernen. Reden hiervoor is dat een versnippering van voorzieningen dient te worden tegengegaan. Een concentratie van voorzieningen heeft als resultaat dat de leefbaarheid van een dorp wordt versterkt;
bedrijvigheid dient beperkt te blijven tot de categorie&#235;n 1 en 2 zoals genoemd in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. 
Het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning
Aan dit artikel wordt geen toepassing gegeven, omdat permanente bewoning van een recreatiewoning niet gewenst is.

4.3 Planologische afwijking op grond van een goede ruimtelijke onderbouwing (&#8220;Wabo-projectbesluit&#8221;)
De planologische afwijking op grond van een goede ruimtelijke onderbouwing (artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 Wabo) kan worden vergeleken met het vroegere projectbesluit. Overigens is het college van B&amp;W onder de Wabo bevoegd geworden voor deze planologische afwijking. Wel is onder de Wabo nog een rol weggelegd voor de gemeenteraad binnen de procedure in die zin dat de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) moet afgeven. De gemeenteraad kan wel categorie&#235;n aanwijzen waarvoor hij een dergelijke verklaring niet noodzakelijk acht.                                        
In geval van het vroegere projectbesluit lag de bevoegdheid in beginsel bij de gemeenteraad. Hierbij is echter gekozen voor een delegatie van de bevoegdheid met dien verstande dat het voornemen van college tot medewerking voor de duur van 2 weken voor de raad ter inzage wordt gelegd. Hiermee bestond de mogelijkheid voor de raad om bij een individueel plan op haar delegatie terug te komen. 
Een gelijke werkwijze wordt bepleit in het kader van de Wabo. Dit betekent dat de gemeenteraad van Grootegast verklaart dat helemaal geen vvgb is vereist, met de toevoeging dat voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp-besluit het voornemen voor de duur van 2 weken voor de gemeenteraad ter inzage wordt gelegd. Wanneer gedurende deze termijn geen van de raadsleden op het plan reageert, is daarmee een verklaring van geen bedenking afgegeven. 
Alleen indien sprake is van onvoorziene ontwikkelingen, bijzondere omstandigheden of activiteiten van algemeen of maatschappelijk belang zal toepassing worden gegeven aan dit afwijkingsinstrument. In 4.3.1 wordt uiteengezet in welke uitzonderlijke gevallen het college w&#233;l bereid is zijn medewerking te verlenen aan het afwijken van eerder vastgesteld beleid (lees: bestemmingsplannen). De verantwoording en motivering om medewerking te verlenen aan een &#8220;Wabo-projectbesluit&#8221; dient te worden neergelegd in een ruimtelijke onderbouwing. 
Daarin dienen de onderwerpen zoals opgenomen in paragraaf  3.2 Het algemene kader ten minste te worden meegenomen. Welke onderwerpen daarnaast in een ruimtelijke onderbouwing naar voren dienen te komen wordt nader besproken in hoofdstuk  6. Ruimtelijke onderbouwing.

4.3.1 Afweging medewerking
Gezien de ruimte die de bestemmingsplannen bieden aan de huidige en toekomstige ontwikkelingen heeft de gemeente Grootegast bepaald dat slechts bij uitzondering gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid tot afwijken middels een &#8220;Wabo-projectbesluit&#8221;. Om te kijken of een activiteit in aanmerking kan komen voor een &#8220;Wabo- projectbesluit&#8221; zal de ontwikkeling dus &#243;f onvoorzien moeten zijn, &#243;f er moet sprake zijn van een uitzonderlijke situatie. Uitgangspunt is ten alle tijde dat sprake moet zijn van een situatie welke vanuit een algemeen, danwel maatschappelijk belang, een planologische afwijking rechtvaardigt. Hieronder zijn twee onderwerpen opgenomen waaraan een activiteit dan wordt gespiegeld, voordat besloten kan worden of een activiteit in aanmerking kan komen voor een &#8220;Wabo-projectbesluit&#8221;. 
A: het algemene kader
Een activiteit dient te voldoen aan het algemene kader zoals opgenomen in paragraaf  3.2 Het algemene kader. 
B:  Keuze tussen projectbesluit en (postzegel)bestemmingsplan
Met de invoering van de Crisis- en herstelwet is de verplichting om een projectbesluit binnen 1 jaar door te vertalen in een bestemmingsplan komen te vervallen. Hiermee is het &#8220;Wabo-projectbesluit&#8221; als instrument aantrekkelijker geworden, met name in die situaties waarbij een project niet ingrijpend van aard is. 
Wij zullen, net als nu het geval is, bij de aanvragers van grotere projecten echter blijven aandringen op het vaststellen van het bestemmingsplan. Dat heeft in die gevallen de voorkeur boven het &#8220;Wabo- projectbesluit&#8221;. In die gevallen wordt namelijk veelal een wezenlijke wijziging van bestemming beoogd (gebruikswijziging al dan niet in combinatie met daaraan gekoppelde bouwmogelijkheden). Omdat met een Wabo-projectbesluit de onderliggende bestemming niet verandert, kan dit voor tal van projecten een ongewenste gevolg hebben: de onderliggende bestemming kan nog steeds worden benut, bij vervolgplannen dient telkens opnieuw een procedure voor planologische afwijking te worden doorlopen. De voorkeur voor een (postzegel)bestemmingsplannen geldt ook voor initiatieven die (nog) niet voldoende concreet zijn en waarvoor een bestemmingsplan kaderstellend zal zijn voor de verdere uitwerking van de plannen. Met een postzegelbestemmingsplan wijzigt de bestemming inclusief bouw- en gebruiksregels immers, waarmee initiatiefnemer voor nu en in de toekomst uit de voeten.
Als de aanvrager een verzoek om een omgevingsvergunning indient die een wezenlijke bestemmingswijziging beoogd en niet bereid is een bestemmingsplan op te (laten) stellen, zal de aanvraag worden geweigerd. Handhaving van de oorspronkelijk bestemming, zoals feitelijk gebeurt bij een &#8220;Wabo-projectbesluit&#8221; levert immers voor ons een ruimtelijk ongewenste gevolg op.
Bij de projecten die voldoende concreet zijn, geen vervolgplannen kennen, slechts sprake is van een eenmalige afwijking zonder behoefte c.q. noodzaak tot een permanente wijziging van de bestemming, en dergelijke kan een projectbesluit uitkomst bieden. 
 
4.3.2 Conclusie
Pas wanneer een activiteit kan voldoen aan het voornoemde kan het in aanmerking komen voor een &#8220;Wabo-projectbesluit&#8221;. Past de activiteit niet binnen deze voorwaarden dan zal aan de activiteit geen medewerking worden verleend.

4.4 Tijdelijke planologische afwijking
Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op een tijdelijke behoefte voor een bepaalde termijn planologische afwijking verlenen van het bestemmingsplan. Een tijdelijke planologische afwijking kan bijvoorbeeld worden verleend voor het plaatsen van een bronbemalingsinstallatie bij de aanleg van infrastructuur, een tijdelijke voorziening voor huisvesting tijdens verbouw of nieuwbouw of voor een andere tijdelijke behoefte. 
Een aanvraag om tijdelijke planologische afwijking dient te voldoen aan elk van de algemene voorwaarden zoals hieronder benoemd. Daarnaast kunnen in sommige gevallen nog extra voorwaarden gesteld worden, bijvoorbeeld voor een aanvraag om tijdelijke woonvoorziening of een tijdelijke tweede bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf. Deze voorwaarden staan hieronder genoemd. 
Een aanvraag om tijdelijke voorziening dient naast de in deze paragraaf genoemde voorwaarden ook te voldoen aan het algemene kader zoals omschreven onder paragraaf  3.2 Het algemene kader.
4.4.1 Algemeen
door het college wordt pas een tijdelijke planologische afwijking verleend indien de tijdelijkheid van de gevraagde planologische afwijking onomstotelijk is aangetoond met objectieve gegevens;
een tijdelijke planologische afwijking wordt voor een periode van ten hoogste vier jaar verleend;
een tijdelijke voorziening dient binnen drie maanden na gereedkomen van de activiteiten te worden verwijderd;
een tijdelijk bouwwerk, geen gebouw zijnde heeft een maximale hoogte van 10 meter;
de plaatsing/locatie van een tijdelijke voorziening dient geen belemmering te vormen voor omliggende bedrijven in het kader van de milieuwetgeving;
een tijdelijke voorziening moet binnen het bestemmingsvlak voor de betreffende voorziening geplaatst worden;
een tijdelijke voorziening dient in beginsel achter de voorgevel, of het verlengde hiervan, van het (bedrijfs)pand geplaatst te worden;
voor het plaatsen van een tijdelijke voorziening wordt gestreefd naar bebouwingsconcentratie.
4.4.2 Specifiek
Een aanvraag om planologische afwijking voor het tijdelijk plaatsen van een woonvoorziening of het tijdelijk in gebruik nemen van een bestaande opstal ten behoeve van het (ver)bouwen van een woning zal tevens aan de volgende nadere voorwaarden moeten voldoen:
in uitzondering op de algemene voorwaarden wordt een tijdelijke planologische afwijking voor een periode van maximaal twee jaar verleend. Slechts bij hoge uitzondering kan deze periode verlengd worden met een periode van nog eens twee jaar;
een tijdelijke voorziening moet binnen het bestemmingsvlak voor de betreffende voorziening worden geplaatst;
de maximale gebruiksoppervlakte (van een voorziening) ten behoeve van tijdelijke huisvesting bedraagt 70 m&#178;; 
de voorziening moet vrijstaand worden geplaatst;
een tijdelijke woonvoorziening heeft een maximale hoogte van 3,50 meter.
zowel een tijdelijke woonvoorziening als tijdelijk gebruik in permanente c.q. bestaande opstallen zal worden getoetst aan het Bouwbesluit, waarbij minimaal moet kunnen worden voldaan aan de eisen voor de aspecten &apos;gezondheid&apos; en &apos;veiligheid&apos;;

Een aanvraag voor een tijdelijke planologische afwijking bij bedrijfsovername in de agrarische sector zal aan de volgende nadere voorwaarden moeten voldoen:
de tijdelijke tweede bedrijfswoning wordt alleen toegestaan indien er sprake is van een re&#235;el agrarisch bedrijf. Voor een nadere defini&#235;ring van het begrip &apos;re&#235;el&apos; wordt aangesloten op de defini&#235;ring van het bestemmingsplan &quot;Buitengebied Grootegast&#8221;;
een tijdelijke voorziening mag niet plaatsvinden in permanente opstallen;
de voorziening moet vrijstaand worden geplaatst;
een tijdelijke woonvoorziening heeft een maximale hoogte van 3,50 meter;
de maximale gebruiksoppervlakte van een voorziening ten behoeve van tijdelijke huisvesting bedraagt 70 m&#178;; 
na afloop van de planologische afwijking ontstaat geen recht op de bouw van een tweede bedrijfswoning.

5. Planologische wijzigingen 
Zoals in hoofdstuk  3 Algemeen is besproken, kent de Wro diverse instrumenten om een bestemming te wijzigen. De verschillende planologische wijzigingsinstrumenten worden hieronder verder besproken. Voor elke van de wijzigingsinstrumenten wordt bepaald of er wel of geen gebruik van wordt gemaakt en onder welke voorwaarden. 

5.1 Wijzigingsbevoegdheid
Door de regels van de bestemmingsplannen wordt ruimte geboden om, binnen de voorwaarden zoals opgenomen in de bestemmingsplannen, de bestemming te wijzigen. Het betreft een bevoegdheid van het college. Naast de in de bestemmingsplan opgenomen voorwaarden voor toepassing van een dergelijke wijzigingsbevoegdheid dient de activiteit te voldoen aan het algemene kader zoals genoemd onder paragraaf  3.2 Het algemene kader. Wanneer de activiteit past binnen de verschillende voorwaarden kan het college zijn medewerking verlenen. 
Deze bevoegdheid komt regelmatig voor in onze bestemmingsplannen. In het bestemmingsplan Buitengebied kan met een dergelijke instrument bijvoorbeeld onder voorwaarden een agrarische bedrijfsbestemming worden gewijzigd naar een woonbestemming. Ook het opschalen van agrarische bouwblokken is middels een wijzigingsbevoegdheid in dit plan mogelijk. Hierbij zal bij schaalvergroting boven de 1,5 ha sprake zijn van een zogenaamd &apos;keukentafeltraject&apos; met provinciale betrokkenheid. 

5.2 Uitwerkingsbevoegdheid
Door de regels van de bestemmingsplannen wordt ruimte geboden om, binnen de voorwaarden zoals opgenomen in de bestemmingsplannen, de bestemmingsplanregels nader uit te werken. Dit instrument komt overigens niet voor in onze huidige bestemmingsplannen. Voor het geval een toekomstig bestemmingsplan wel in deze bevoegdheid voorziet wordt ook hier reeds kort aandacht aan besteed. Naast de in de bestemmingsplan opgenomen voorwaarden voor toepassing van een dergelijke uitwerkingsbevoegdheid dient de activiteit te voldoen aan het algemene kader zoals genoemd onder paragraaf  3.2 Het algemene kader. Wanneer de activiteit past binnen de verschillende voorwaarden kan het college zijn medewerking verlenen.

5.3 (Postzegel)bestemmingsplan 
Een bestemmingsplan kan conserverend van aard zijn, dit betekent dat het bestaande gebruik wordt vastgelegd met de gebruikelijke ruimte voor ontwikkelingen. Een bestemmingsplan kan ook worden vastgesteld voor een nieuw activiteit waarin juist ruimte wordt geboden voor algemeen grootschalige ontwikkelingen. De bestemmingsplannen die voor een specifieke locatie worden opgesteld, worden &#8211;door de veelal beperkte grootte van het plangebied &#8211; postzegelplannen genoemd. 
Door de gemeenteraad is besloten dat slechts bij een activiteit van algemeen of maatschappelijk belang gekozen wordt voor het opstellen van een bestemmingsplan. Hieronder wordt in een tabel gevat hoe beoordeeld wordt of een activiteit een project is van algemeen en/of maatschappelijk belang. In de tabel zijn drie categorie&#235;n benoemd. 
Elk van de categorie&#235;n heeft een aantal subthema&apos;s die toepassing geeft aan de toetsbaarheid van de categorie. Deze subthema&apos;s zijn niet limitatief, deze kunnen door voortschrijdende inzichten aangevuld worden. Een activiteit dient een positieve bijdragen te leveren aan alle categorie&#235;n maar in ieder geval aan &#233;&#233;n subthema uit elke categorie. 

Thema	
Ruimtelijke kwaliteit
Sociale kwaliteit
Economische kwaliteit
Water en bodem
Verantwoordelijkheid
Werkgelegenheid
Ecologie
Cultuurhistorie
Economische haalbaarheid
Landschap
Belevingswaarde


Leefbaarheid


Een activiteit welke in aanmerking kan komen als project van maatschappelijk of algemeen belang dient een ruimtelijke, sociale &#233;n economische kwaliteit in zich te hebben. Dit kan zich bijvoorbeeld uiten in een kinderdagverblijf in een vrijkomend agrarisch pand. Hierbij wordt ingezet op behoud van de kwaliteit van het landschap door het tegengaan van verpaupering door het in gebruik nemen van een leegstaande boerderij, het komt de leefbaarheid van een dorp ten goede omdat een kinderdagverblijf een voorziening is welke er voor kan zorgen dat ouders in een dorp blijven wonen en daarnaast levert het werkgelegenheid op voor de plaatselijke bevolking. 
Bovenstaande is slechts een voorbeeld. Het maakt echter duidelijk dat, alvorens te beslissen op een aanvraag om vaststelling van een bestemmingsplan, een goede onderbouwing van de aanvrager gewenst is. Bij dergelijke projecten zal in de praktijk soms het vraagstuk spelen of een (postzegel) bestemmingsplan wel de ge&#235;igende procedure is om mee te werken aan het project of dat dit tevens mogelijk zou zijn via een &#8220;Wabo-projectbesluit&#8221;. Voor een antwoord hierop kan worden verwezen naar paragraaf 4.3.1 onder B.
De verantwoording en motivering om medewerking te verlenen aan een  (postzegel)bestemmingsplan dient te worden neergelegd in een ruimtelijke onderbouwing. 
Daarin dienen de onderwerpen zoals opgenomen in paragraaf  3.2 Het algemene kader ten minste te worden meegenomen. Welke onderwerpen daarnaast in een ruimtelijke onderbouwing naar voren dienen te komen worden nader besproken in hoofdstuk  6. Ruimtelijke onderbouwing.


6. Ruimtelijke onderbouwing
Voor de hierboven besproken instrumenten voor planologische afwijkingen en planologische wijzigingen is een ruimtelijke onderbouwing noodzakelijk. De onderbouwing of motivatie om af te wijken van de regels, het uitwerken, wijzigen of het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan, wordt bij de aanvrager gelegd. In de ruimtelijke onderbouwing dient ten minste te worden ingegaan op de algemene voorwaarden zoals genoemd in paragraaf  3.2 Het algemene kader en de nader gestelde voorwaarden. Daarnaast dienen de aanvragers aan te geven hoe zij in de activiteit omgaan met:
archeologie; 
ecologische waarden en de bepalingen in de flora en fauna wet; 
externe veiligheid; 
economische haalbaarheid en uitvoerbaarheid;
geluid; 
bodem; 
water;
duurzaamheid en energie;
overige. 
Deze thema&#8217;s kunnen naar gelang de grootte van een project meer of minder nadrukkelijk naar voren komen. Voor een uitbreiding van een woning aan een drukke weg ligt de nadruk meer op geluid dan bij een woning in het landelijke gebied, waar wellicht meer aandacht dient te zijn voor de ecologische waarden van het gebied. De ruimtelijke onderbouwing dient daarom aan het bouwplan aangepast te kunnen worden.
Voor de volledigheid wordt verwezen naar de gestelde kaders en voorwaarden in het Bro waarin wordt aangegeven waaraan de toelichting van een plan aan dient te voldoen. 

7. Samenvatting
In deze notitie wordt uiteengezet dat het college van de gemeente Grootegast heeft besloten om in beginsel geen gebruik te maken van de mogelijkheden die de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro) hen biedt als het gaat om het verlenen van medewerking aan een met de bestemmingsplanregels strijdig activiteit. 
Slechts in uitzonderlijke situaties zal het bestuursorgaan overgaan tot het verlenen van medewerking aan een procedure voor een planologische afwijking of wijziging. De strijdigheden van activiteiten met het bestemmingsplan ontstond in het verleden vaak door veroudering van de bestemmingsplannen. Hierin is sinds 2006 verandering gebracht door te starten met de actualisering van de bestemmingsplannen binnen de gemeente. In 2010 zijn de laatste bestemmingsplannen vastgesteld. De noodzaak tot het afwijken van de regels wordt door de actualisering beduidend minder. 
Voor een planologische afwijking en wijziging komen in beginsel alleen die activiteiten in aanmerking waarbij sprake is van algemeen of maatschappelijk belang, of een uitzonderlijke situatie op grond van bijvoorbeeld de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO. 
Nu de directe noodzaak tot het toepassen van de diverse instrumenten is verdwenen, kan er weer gekozen worden voor de exclusiviteit van deze instrumenten. Het afwijken van het bestemmingsplan of het maken van een nieuw plan, dient alleen te gebeuren in uitzonderlijke situaties. 
 

8. Slotbepaling
De gemeenteraad of burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast kunnen in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de beleidsregels leidt tot gevolgen welke wegens een bijzondere omstandigheid onevenredig zijn in verhouding tot de met de regels te dienen doel. 
Deze beleidsnotitie wordt aangehaald onder de titel:

&#8220;Beleidsnotitie tot het toepassen van planologische afwijkingen en wijzigingen (januari 2011)&#8221;

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van de gemeente Grootegast van [datum]


De burgemeester,						De secretaris,

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Grootegast van [datum]



De voorzitter,							De griffier,
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Beleidsnotitie vrijkomende agrarische bebouwing" url="verordening-d0c5d4661c0c5e38011dce65ff9b02c5/versie-d0c5d4661c0c5e38011dce65ff9b02c6.html">
	<tekst>
	1. Inleiding

Door de steeds verder voortschrijdende schaalvergroting en bedrijfsbe&#235;indigingen in de landbouw komen steeds meer agrarische bedrijfsgebouwen vrij. Landinrichting en de (voorgenomen) realisatie van de ecologische hoofdstructuur hebben dit proces de afgelopen jaren mede be&#239;nvloed. Dit veranderingsproces zal, gelet op de kleinschaligheid van het (Zuidelijk) Westerkwartier de komende jaren nog doorgaan; feitelijk gaat het om een autonoom proces. Ook het ontbreken van een bedrijfsopvolger is vaak aanleiding om de bedrijfsactiviteiten te staken.

Blijkens onderstaande tabel is het aantal bedrijven de afgelopen 20 jaren in hoog tempo afgenomen. Indien deze trend zich voortzet steven we af op een halvering van het aantal bedrijven.

(Figuur 1.)

In het bovenstaande overzicht wordt geen onderscheid gemaakt naar bedrijfsgrootte. Indien een uitsplitsing van bedrijven plaatsvindt naar kansrijk (&gt;40 NGE) en volwaardig (&gt;70 NGE) ontstaat voor 2003 de volgende verdeling:
&lt;40 NGE

388 bedrijven
40-70 NGE

91 bedrijven
&gt;70 NGE

205 bedrijven
Met name in de eerstgenoemde categorie zal naar verwachting een aanzienlijk deel van de bedrijven stoppen.

Om verpaupering te voorkomen is het wenselijk in te kunnen spelen op deze ontwikkelingen en de mogelijkheden te bieden voor functiewijziging/ her gebruik van deze bebouwing.
Ook vervangende nieuwbouw in de vorm van woning met bijgebouwen zouden onder omstandigheden tot de mogelijkheden moeten behoren. Hierbij moet concreet gedacht worden aan de situatie dat de vrijgekomen agrarische bebouwing vanwege bouwkundige staat, oppervlakte of inwendige vorm niet geschrikt is of redelijkerwijs geschikt kan worden gemaakt voor een wijze van gebruik (veelal wonen) die voldoet aan de geldende bouwkundige voorschriften dan wel aan de hedendaagse eisen van wooncomfort.

Het geldende bestemmingsplan Buitengebied biedt onvoldoende mogelijkheden om adequaat op vorengeschetste ontwikkeling en daaruit voortvloeiende behoefte aan functiewijzing en vervangende nieuwbouw in te spelen. Ook hieronder te bespreken provinciale ruimtelijke beleid biedt op dit punt te weinig speelruimte.

In afwachting van een regeling, op te nemen in het bestemmingsplan Buitengebied, zal in voorkomende gevallen met toepassing van artikel  19, lid 2 van de wet op de ruimtelijke ordening worden meegewerkt aan verzoeken om functiewijziging en/of vervangende nieuwbouw. Deze nota vormt het beoordelingskader voor dergelijke verzoeken en heeft status van &#8216;beleidsdocument voor een specifiek ruimtelijk onderwerp&#8217; als bedoeld in de brief van Gedeputeerde Staten van Groningen van 24 mei 2004, nr. 2004-12.535b/21/A.6, RP.

2. rijksbeleid
Op 27 april 2004 heeft het kabinet de nota Ruimte vastgesteld. In deze nota is als uitgangspunt opgenomen, dat het hergebruik van vrijkomende of leegstaande gebouwen (waaronder agrarische bebouwing) gestimuleerd dient te worden. Voorts dienen de mogelijkheden die nieuwbouw biedt om de kwaliteit en vitaliteit van de groene ruimte te vergroten benut te worden. Het rijk vraagt hiertoe van de provincies om een planologisch kader op te stellen voor het thema bebouwing in het buiten gebied. Dit provinciale kader legt vast welke randvoorwaarden de provincie hanteert inzake:
de mogelijkheden voor hergebruik van bestaande vrijkomende bebouwing;
de mogelijkheden om bestaande onbruikbare of niet-waardevolle bebouwing te saneren met behulp van nieuwbouw van woningen (ruimte voor ruimte), en;
de mogelijkheden voor nieuwbouw gekoppeld aan een substanti&#235;le kwaliteitsverbetering van natuur, water, landschap en/of recreatie.

3. provinciaal beleid
De provincie staat in beginsel niet afwijzend tegenover het gebruik van vrijkomende waardevolle agrarische bebouwing voor andere functies als wonen, werken en zorg. Hiermee kan volgens de provincie worden bijgedragen aan de verbetering van de leefbaarheid van het platteland en de instandhouding van het culturele erfgoed. Gedeputeerde Staten hebben op 18 mei 2004 een (nieuw) besluit genomen tot aanwijzing van gevallen op grond van artikel 19, lid 2 van de wet op de ruimtelijke ordening.
Op grond van deze aanwijzing kan door burgemeester en wethouders onder voorwaarden medewerking worden verleend aan &#8216;het hergebruiken en het inpandig verbouwen van aan het agrarisch gebruik onttrokken waardevolle bebouwing, zoals historische boerderijen en karakteristieke bedrijfswoningen, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen voor (burger)bewoning, een woon-/zorgfunctie, de uitoefening van kleinschalige bedrijfsactiviteiten en dienstverlening&#8230;..&#8217;.
Hergebruik ten behoeven van genoemde functies is in het algemeen mogelijk onder de volgende voorwaarden:
functieverandering dient uitsluitend binnen de bestaande bebouwing plaats te vinden;
bedrijvigheid mag uitsluitend lichte milieucategorie&#235;n betreffen;
opslag op erf (bijv. caravans) moet worden verboden/gereguleerd;
functieverandering mag, mede in relatie tot de bestaande verkeersinfrastructuur, geen onaanvaardbare verkeersaantrekkende werking hebben;
de bestaande (karakteristieke) verschijningsvorm van de gebouwen en de landschappelijke kenmerken van het bijbehorende erf mogen niet worden aangetast;
functieverandering mag niet leiden tot extra beperkingen van de exploitatie- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven;
detailhandelactiviteiten dienen beperkt te blijven tot een vloeroppervlakte van 60 m2.
Vrijstelling is slechte mogelijk indien door Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bezwaar is afgegeven.

In de praktijk van het (Zuidelijk) Westerkwartier blijkt de door de provincie geboden beleidsruimte niet toereikend. In het gros van de gevallen gaat het in dit gebeid namelijk om functiewijziging in en/of het vervangen van agrarische bebouwing die niet als waardevol is aan te merken en dus buiten het toepassingsbereik van de provinciale vrijstellingslijst vallen. Het niet kunnen bieden van een alternatief voor niet als waardevol aan te merken vrijkomende agrarische bebouwing werkt leegstand en verpaupering in de hand, hetgeen ten koste gaat van de leefbaarheid in het buitengebied. In overleg van de provincie is gezocht naar mogelijkheden om aan deze problematiek het hoofd te bieden. Dit heeft geleid tot de volgende beleidsafspraken, die op 1 november 2004 door de Stuurgroep Regio West zijn bekrachtigd en door de betrokken colleges van burgemeester en wethouders in de inspraak zal worden gebracht (zie hoofdstuk 5).

4. gemeentelijk beleid
Op grond van het geldende bestemmingplan Buitengebied kunnen burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 11 van de Wet op de ruimtelijke ordening de bestemming &#8216;agrarische doeleinden &#8217;wijzigen in de bestemming &#8216;wonen&#8217;. Blijkens de plantoelichting is aan het gebruik van de wijzigingsbevoegdheid de voorwaarde verbonden, dat de bestaande verschijningsvorm van de vrijgekomen bebouwing gewaarborgd blijft. Op grond hiervan alsmede als gevolg van het onder punt 3 weergegeven provinciaal beleid, dat van latere datum is dan het bestemmingsplan Buitengebied, is het feitelijk gebruik van de wijzigingsbevoegdheid beperkt tot aan het agrarisch gebruik onttrokken waardevolle bebouwing. Verder zijn de aan het volgen van een wijzigingsprocedure verbonden bestuurlijke lasten aanzienlijk hoger en is de doorlooptijd van de procedure aanzienlijk langer, in vergelijking met een vrijstellingsprocedure op grond van artikel 19, lid 2 van de Wet op de ruimtelijke ordening.

5. beoordelingscriteria
Voor vier onderscheiden categorie&#235;n van gevallen zijn beoordelingscriteria vastgesteld,die gehanteerd zullen worden bij de beoordeling van verzoeken om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, lid 2 van de Wet op de ruimtelijke ordening voor vrijkomende agrarische bebouwing.

a. functiewijziging / hergebruik van waardevolle agrarische bebouwing
Beoordelingscriteria: de criteria zoals opgenomen in het aanwijzingsbesluit van Gedeputeerde Staten van Groningen van 18 mei 2004 (bekendgemaakt bij brief van24 mei 2004, nummer 2004-12.535b/21b/A.6, RP), onderdeel Projecten in het landelijk gebied, categorie H.

b. functiewijziging / hergebruik van niet als waardevol aan te merken bebouwing
Beoordelingscriteria: de criteria zoals opgenomen in het aanwijzingsbesluit van Gedeputeerde Staten van Groningen van 18 mei 2004 (bekendgemaakt bij brief van24 mei 2004, nummer 2004-12.535b/21b/A.6, RP), onderdeel Projecten in het landelijk gebied, categorie H.

c. sloop en vervangende nieuwbouw van waardevolle agrarische bebouwing
In beginsel niet mogelijk. Beleid gericht op behoud en herstel.
Voor de toepassing van deze beleidsnota worden tenminste als waardevolle agrarische bebouwing aangemerkt: agrarische bebouwing die is aangewezen als gemeentelijk monument of als rijksmonument (bijlage 2). Overigens zal van geval tot geval, aan de hand van de volgende criteria worden beoordeeld of er sprake s van waardevolle agrarische bebouwing:
gaafheid;
architectonische waarde&#8217;
cultuurhistorische waarde;
het streekeigene;
beeldbepalende waarde;
belendende bebouwing;
samenhang tussen landschap en bebouwing;
de mate waarin het object als uniek te bestempelen is.

d. sloop en vervangende nieuwbouw van niet als waardevol aan te merken bebouwing
Beoordelingscriteria: de criteria zijn ontleend aan de gemeentelijke welstandsnota als bedoeld in artikel 12 van de Woningwet. Het gaat hierbij om criteria met betrekking tot ruimte, plaatsing, hoofdvorm aangezicht en opmaak. Deze criteria hebben een concrete ruimtelijke vertaling gekregen, in de sfeer van het benoemen van de maximaal toegestane maatvoering ingeval van vervangende nieuwbouw.

Ruimtelijke vertaling:

Algemeen
Algemeen uitgangspunt is dat de nieuw op te richten bebouwing zowel qua maatvoering als verschijningsvorm past in het overheersende bebouwingsbeeld. Hierbij dient aansluiting te worden gezocht bij het landelijke karakter c.q. de landschappelijke structuur van het gebied, grofweg uiteenvallend in een open een meer besloten gebied. In gebieden die door de aanwezigheid van bospercelen of beplante perceelscheidingen een overwegend besloten karakter hebben, bestaat de bebouwing veelal tot middelgrote boerderijen, afgewisseld door kleine arbeiderswoningen. De bebouwing is veelal haaks op de weg geplaatst met een wisselende afstand tot elkaar. In meer open gebieden wordt de overwegend traditionele boerderijbebouwing onder meer gekenmerkt door lage goten en een gedeeltelijke gerichtheid op de weg.


Hoofdgebouwen
Aangebouwde bijgebouwen
Losstaande bijgebouwen
Maximale bouwhoogte
9 meter
5.50 meter
9 meter
Maximale goothoogte
5.50 meter
3 meter
3 meter
Maximale oppervlakte
120 m2
50 m2
130 m2
dakhelling
Maximaal 35*
-
Maximaal 22*

Voor het oprichten van losstaande bijgebouwen gelden aanvullend de volgende voorwaarden:
de op te richten bijgebouwen dienen een bij het hoofdgebouw passende beeldkwaliteit te hebben;
de bijgebouwen moeten bij het hoofdgebouw worden opgericht;
door middel van een zorgvuldige situering van de bijgebouwen dient een passende (stedenbouwkundige) verhouding te worden bewerkstelligd met het hoofdgebouw.

6. procedure
Voor de toepassing van de aangewezen projectprocedure (artikel 19, lid 2 van de Wet op de ruimtelijke ordening) komen onder andere in aanmerking: projecten die passen in een beleidsdocument voor specifieke ruimtelijke onderwerpen, mits deze documenten niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Blijkens het aanwijzingsbesluit van Gedeputeerde Staten van 18 mei 2004 kan een dergelijk beleidsdocument als basis dienen voor de ruimtelijke onderbouwing van projecten indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
het document biedt voldoende inzicht in  de voorgestane (specifieke) ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het betrokken gebied en de daaraan ten grondslag liggende belangenafweging;
op het document is inspraak verleend en de resultaten daarvan zijn verwerkt;
het document heeft de instemming van de gemeenteraad of een raadscommissie;
de Commissie Bestemmingsplannen heeft in het kader van het overleg als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening met het beleidsdocument ingestemd.

Het voorliggende beleidsdocument &#8216;Vrijkomende agrarische bebouwing in het Westerkwartier&#8217; is bedoeld beleidsdocument voor een specifiek ruimtelijk onderwerp.

De Stuurgroep Regio West heeft op 1 november 2004 met het document ingestemd en de besturen van de gemeenten Grootegast, Leek, Marum en Zuidhorn geadviseerd afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op de totstandkoming van het document van toepassing te verklaren, hetgeen concreet betekend:
het ontwerp van het document gedurende 4 weken ter inzage wordt gelegd;
gedurende deze termijn schriftelijk of mondeling zienswijzen bij het college van burgemeester en wethouders kunnen worden ingediend;
 het ontwerp gelijktijdig met de ter inzage legging voor overleg wordt aangeboden aan de commissie bestemmingsplannen;
op basis van de ingekomen zienswijzen en het overleg met de commissie bestemmingsplannen zonodig aanpassing van het document plaatsvindt;
het (aangepaste) document voor overleg wordt aangeboden aan de raadscommissie of raad;
het definitieve document aan de commissie bestemmingsplannen wordt gezonden.

7. evaluatie
De in deze nota beschreven werkwijze en de feitelijke toepassing van het daarin opgenomen beleid door de gemeenten zal 1 jaar nadat de beleidsnota in werking is getreden door provincie en gemeente worden ge&#235;valueerd.
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Bouwverordening" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b91c919d3037e/versie-d0c5d466361c767e01369bf850740031.html">
	<tekst>
	&#239;&#187;&#191;Inleidende bepalingen
Artikel 1.1 begripsomschrijvingen
1. In deze verordening wordt verstaan onder:
bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en wethouders;
bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de Woningwet;
bouwtoezicht: degenen, die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en woningtoezicht;
bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;
gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit;
hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;
NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;
NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;
Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
Omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
Straatpeil:
voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; 
voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.
2. In deze verordening wordt mede verstaan onder:
bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;
gebouw: een gedeelte van een gebouw. 

Artikel 1.2 Termijnen (vervallen)

Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente
1. Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de gemeente: 
a het gebied binnen de bebouwde kom; 
b het gebied buiten de bebouwde kom. 
2. Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven. 

De aanvraag omgevingsvergunning

Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden

Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen)

Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen)

Artikel 2.1.3 Aanvraag bouwvergunning (vervallen)

Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het co&#195;&#182;rdineren van vergunningaanvragen (vervallen)

Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek
1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: 
a de resultaten van een recent milieuhygi&#195;&#171;nisch onderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1
b vervallen;
c Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of &#226;&#8364;&#8220;stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003. 
2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.
3. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 
4. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet rechtvaardigen.
5. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. 

Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning (vervallen)

Artikel 2.1.7 Bouwregistratie (vervallen)

Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen (vervallen)

Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning

Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (vervallen)

Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening (vervallen)

Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen (vervallen)

Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening (vervallen)

Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek (vervallen)

Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning (vervallen)

Paragraaf 3 Welstandstoetsing

Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen)

Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem

Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: 
a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; 
b. voor het bouwen waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist en 
c. dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. 

Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen 

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.

Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard

Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen 
(vervallen)

Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling
Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.

Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen (vervallen)

Artikel 2.5.3.A Brandweeringang (vervallen)

Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (vervallen)

Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn
De voorgevelrooilijn is: 
a. langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; 
b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: 
1 bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; 
2 bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg. 

Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn. 

Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn
Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet van toepassing op: 
a. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; 
b. andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van de veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten: 
1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten; 
2 stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden. 

Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot het overschrijdingen van de voorgevelrooilijn
1. In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: 
a ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil; 
b bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn;
c laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg overschrijden; 
d erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden; 
e trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in artikel 2.5.7; 
f overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken. 
g bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de bestaande omgeving. 
2. Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan: 
a 4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg; 
b 2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar komt. 

Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg 
In afwijking van het verbod tot het bouwen metoverschrijding van voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: 
a. gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en onder sub b; 
b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; 
c. vrijstaande winkel- of reclamevitrines; 
d. reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; 
e. andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.

Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken  
1. Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de voorgevelrooilijn zijn geplaatst. 
2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in: 
a de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend; 
b in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is geplaatst; 
c in de gevallen, bedoeld in het derde lid. 
3. Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich v&#195;&#179;&#195;&#179;r en na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m&#194;&#178; behoeft te zijn. 
4. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor: 
a gebouwen behorende tot een complex van gebouwen; 
b gebouwen op handels- en industrieterreinen; 
c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; 
d bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht bedoelde gebouwen; 
e gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende woningen; 
f gedeelten van naar de weg gekeerde gevels; 
g gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat. 

Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn  
1. De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en bevindt zich: 
a in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan &#195;&#169;&#195;&#169;n ingeschreven cirkelbinnen de voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de grootste; 
b in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meerder onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; 
c in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; 
d in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; 
e in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. 
2. Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden van die bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht - over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen. 
3. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.

Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn 
Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan een vergunning is vereist, te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.

Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn
Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet van toepassing op: 
a. buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen; 
b. buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt; 
c. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist; 
d. onderdelen van een bouwwerk voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in de artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; 
e. andere onderdelen van een bouwwerk voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten: 
1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten; 
2 terrassen, bordessen en bordestreden; 
f. antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en 17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.

Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijdingen van de achtergevelrooilijn
In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: 
a. buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt; 
b. binnen de bebouwde kom gelegen kassen; 
c. vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; 
d. gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan &#195;&#169;&#195;&#169;n van die zijden mag worden bebouwd; 
e. gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd; 
f. bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht; 
g. gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of industrieterrein omvattend; 
h. bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist; 
i. ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw; 
j. erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; 
k. trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda&apos;s, alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13; 
l. bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.

Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen
1. Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een strook grond omvat die: 
a over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en 
b voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter. 
2. De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda&apos;s buiten beschouwing blijven. 
3. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in: 
a het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is; 
b het eerste lid, indien aan &#195;&#169;&#195;&#169;n van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 
i. een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig; 
ii. het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan &#195;&#169;&#195;&#169;n van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht; 
iii. bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd. 

Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen 
1. Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte daarvan. 
2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid: 
3. indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel vormen; 
4. indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn. 

Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken 
1. De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die: 
a vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn; 
b niet toegankelijk zijn. 
2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte. 

Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen 
1. Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 12 van de bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn niet toegelaten. 
2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein. 

Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen 
1. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer. 
2. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist worden gebouwd. 
3. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van: 
a het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert; 
b het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat. 

Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn 
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: 
a in de bebouwde kom &#195;&#169;&#195;&#169;nmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg; 
b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg. 
2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter. 
3. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn. 
4. Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen. 

Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: 
a in de bebouwde kom &#195;&#169;&#195;&#169;nmaal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok; 
b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok. 
2. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn. 
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok. 
4. Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.

Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn 
1. Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 
- de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen. 
2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de voorgevel. 

Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen 
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen van: 
a 45 graden in de bebouwde kom; 
b 37 graden buiten de bebouwde kom. 
2. Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.

Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken 
1. De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen dan 15 meter. 
2. Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de laagst gelegen weg. 

Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen 
1. De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat -daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is. 
2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen. 

Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken  
1. De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van straatpeil. 
2. De hoogte van gevels die geen horizontale be&#195;&#171;indiging hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten - voor zover zij de maximale hoogte overschrijden - buiten beschouwing worden gelaten. 

Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte 
Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet van toepassing op: 
a. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; 
b. het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; 
c. topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter plaatse; 
d. plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter. 

Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogte
In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: 
a. gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen; 
b. gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat; 
c. gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en industrieterrein; 
d. agrarische bedrijfsgebouwen; 
e. het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, en indien: 
f. de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat; 
g. bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande; 
h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; 
i. topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke aard; 
j. plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter; 
k. dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren; 
l. draagconstructies voor een reclame; 
m. vrijstaande schoorstenen; 
n. bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving. 

Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid.
In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:
a. er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of beheersverordening of projectbesluit van kracht is;
b. geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;
c. de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;
d. de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening;
e. de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen 
1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto&apos;s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. 
2. De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto&apos;s moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto&apos;s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: 
a indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen; 
b indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte -voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen. 
3. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 
4. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid: 
a indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of 
b voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen

Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties (vervallen)

Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties (vervallen)

Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties (vervallen)

Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties (vervallen)

Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties (vervallen)

Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties (vervallen)

Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties (vervallen)

Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen (vervallen)

Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen (vervallen) 

Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen (vervallen)

Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid (vervallen)

Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten (vervallen)

Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen

Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding (vervallen)

Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet (vervallen)

Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet (vervallen)

Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering (vervallen)

Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering (vervallen)

Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen (vervallen)

Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen(vervallen)

3 De melding (vervallen)

Artikel 3.1 De wijze van melden (vervallen)

Artikel 3.2 Welstandscriteria (vervallen)

4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk (vervallen)

Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden (vervallen)

Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden (vervallen)

Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen)

Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw (vervallen)

Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden (vervallen)

Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen (vervallen)

Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten (vervallen)

Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein (vervallen)

Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein (vervallen)

Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder (vervallen)

Artikel 4.11 Bouwafval (vervallen)

Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden (vervallen)

Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen (vervallen)

Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming (vervallen)

5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte (vervallen)

Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen 

Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen (vervallen)

Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen (vervallen)

Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (vervallen)

Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen

Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en vluchtrouteaanduidingen (vervallen)

Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen (vervallen)

Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in woongebouwen van bijzondere aard (vervallen)

Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in logiesverblijven en logiesgebouwen (vervallen)

Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in kantoorgebouwen (vervallen)

Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen 

Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding (vervallen)

Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet (vervallen)

Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet (vervallen)

Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering (vervallen) 

Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering (vervallen)

Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen (vervallen)

Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen (vervallen)

Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid

Artikel 5.4.1 Preventie (vervallen)

6 Brandveilig gebruik (vervallen) 

Paragraaf 1 Gebruiksvergunning

Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk (vervallen)

Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning (vervallen)

Artikel 6.1.3 In behandeling nemen (vervallen)

Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing (vervallen)

Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning (vervallen)

Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning (vervallen)

Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden (vervallen)

Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar

Artikel 6.2.1 Gebruikseisen van bouwwerken (vervallen)

Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen) 

Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen (vervallen)

Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand

Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden van bluswaterwinplaatsen (vervallen)

Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen (vervallen)

Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid

Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid (vervallen)

7 Overige gebruiksbepalingen (vervallen)

Paragraaf 1 Overbevolking

Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen (vervallen)

Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens (vervallen)

Paragraaf 2 Staken van het gebruik

Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid (vervallen) 

Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygi&#195;&#171;ne (vervallen)

Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen (vervallen)

Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen

Artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf(vervallen)

Artikel 7.3.2 Hinder (vervallen)

Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid

Artikel 7.4.1 Preventie (vervallen)

Paragraaf 5 Watergebruik

Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water (vervallen)

Paragraaf 6 Installaties

Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties (vervallen)

8 Slopen (vervallen)

Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen

Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen)

Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning (vervallen)

Artikel 8.1.3 In behandeling nemen (vervallen)

Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing (vervallen)

Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen (vervallen)

Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen) 

Artikel 8.1.7 Intrekking omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen)

Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen

Artikel 8.2.1 Sloopmelding (vervallen) 

Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen)

Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen

Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein (vervallen)

Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden (vervallen)

Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen)

Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt (vervallen)

Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest (vervallen)

Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen (vervallen)

Paragraaf 4 Vrij slopen

Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen (vervallen)

9 Welstand

Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie 
1. De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan Stichting Libau, Welstands- en Monumentenzorg Groningen die uit haar midden personen voordraagt als lid 	van de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie. 
2. De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. 
3. De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. 

Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie 
1. De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en twee leden, die beiden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.
2. Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.
3. De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste twee deskundige leden aanwezig zijn.
4. De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur.
5. In de welstandscommissie kan een ingezetene van de gemeente anders dan bedoeld in het eerste lid zitting hebben.

Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur (vervallen) 

Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording
De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: 
op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; 
de werkwijze van de welstandscommissie; 
op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; 
de aard van de beoordeelde plannen; 
de bijzondere projecten. 
De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.

Artikel 9.5 Termijn van advisering
1. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. 
2. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. 
3. Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 

Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting
1. De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders 	-al dan niet op verzoek van de aanvrager- een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordelingen als de adviezen.
2. Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bji het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze 	door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan.
3. In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.
4. Er is geen spreekrecht. 

Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid
1. De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies, in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. 
2. In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. 

Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht
1. De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk. 
2. Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk. 

Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorie&#195;&#171;n bouwwerken (vervallen)

10 Overige administratieve bepalingen

Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning (vervallen)

Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen (vervallen)

Artikel 10.3 Overdragen vergunningen (vervallen)

Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen)

Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen (vervallen)

Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften
Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. 

11 Handhaving

Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw (vervallen)

Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming (vervallen)

Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen (vervallen)

Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (vervallen)

12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 12.1 Strafbare feiten (vervallen)

Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek (vervallen)

Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen (vervallen)

Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning (vervallen)

Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding (vervallen)

Artikel 12.6 Slotbepaling
1. Deze verordening treedt in werking op de vierde dag na die waarop zij is afgekondigd. 
2. Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Bouwverordening 2010, gemeente Grootegast vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 28 september 2010 en alle daarin aangebrachte wijzigingen; 
3. Deze verordening kan worden aangehaald als &apos;Bouwverordening 2012, gemeente Grootegast&apos;. 

Bijlagen en Toelichting

Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning (vervallen)

Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning (vervallen)

Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken (vervallen)

Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties (vervallen)

Bijlage 5  Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen)

Bijlage 6 Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen)

Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen (vervallen)

Bijlage 8 Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest (vervallen)

Bijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie

Artikel 1  Aanwijzing van de commissie

De welstandscommissie is een door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke commissie die aan B &amp; W advies uitbrengt inzake de welstand conform de Woningwet 2002 
Mede op grond van haar contract met Libau wijst de gemeente de Stichting Libau, welstands- en monumentenzorg Groningen, kortweg Libau,  aan als de organisatie onder wiens verantwoordelijkheid de welstandscommissie van de gemeente functioneert. 

Artikel 2 Taken
De welstandscommissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet wettelijk verplichte taken. De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota.

Wettelijke taken:
de welstandscommissie adviseert het bevoegd gezag over de welstandsaspecten van aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen;
de welstandscommissie levert de gemeenteraad jaarlijks een verslag van de door haar verrichte werkzaamheden.

Niet-wettelijke taken:
adviseren over excessen, dat wil zeggen buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-	deskundigen evident zijn;
het onder regie van de gemeente voeren van (voor)overleg met betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen;
het beoordelen van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor reclame;
het uitbrengen van adviezen over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde ruimtelijke plannen en andere 	relevante beleidsstukken;
gevraagd en ongevraagd adviseren over stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn 	voor de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente;
stimuleren en bijdragen in de ontwikkeling en vormgeving van het welstandsbeleid;
het voeren van regelmatig overleg met het gemeentebestuur en de betrokken ambtelijke afdelingen;
het bevorderen van de openbaarheid en het voorzien in voorlichting over ruimtelijke kwaliteit.

Monumentenzorg.
De uitgebreide welstandscommissie adviseert B &amp; W tevens over monumentenaspecten op basis van de Monumentenwet 1988 en de gemeentelijke erfgoedverordening.

Artikel 3 Samenstelling van de commissie

De welstandscommissie heeft als basis de volgende samenstelling:
een voorzitter;
een secretaris tevens rayonarchitect van Libau;
twee architecten;
een stedenbouwkundige;
andere disciplines kunnen al dan niet facultatief aan de commissie worden toegevoegd, zoals bijvoorbeeld een gemeentelijk hoofd &#226;&#8364;&#732;bouwen en ruimtelijke ordening&#226;&#8364;&#8482;, een monumentendeskundige, een kunsthistoricus en een landschapsarchitect;
de gemeente kan ook een burgerlid in de commissie benoemen.

Onder Libau ressorteert tevens de monumentencommissie, deze commissie heeft als basis de volgende samenstelling:
een voorzitter;
een secretaris;
een architect;
een monumentenarchitect;
een stedenbouwkundige;
een architectuurhistoricus;
andere disciplines kunnen al dan niet facultatief aan de commissie worden toegevoegd, zoals bijvoorbeeld een gemeentelijk hoofd &#226;&#8364;&#732;bouwen en ruimtelijke ordening&#226;&#8364;&#8482; en een landschapsarchitect;
de gemeente kan maximaal drie vertegenwoordigers vanuit de gemeente aan de commissie toevoegen.

De welstandscommissie adviseert op basis van de Woningwet 2002  en de monumentencommissie die in voorkomende gevallen als integrale welstands- en monumentencommissie fungeert tevens op grond van de Monumentenwet 1988 en de gemeentelijke monumentenverordening. 

Artikel 4  Profiel en Taakomschrijving commissieleden

Commissieleden
Van de leden van de commissie wordt verwacht dat zij ge&#195;&#175;nteresseerd zijn in ruimtelijke kwaliteit, communicatief zijn ingesteld en in staat zijn om hun welstandsoordeel adequaat te kunnen verwoorden. Zij moeten over bouwplannen kunnen communiceren en oordelen zonder te vervallen in architectuurkritiek of preoccupaties ten aanzien van stijlen en trends.

De architecten en stedenbouwkundigen in de commissie zijn voor hun vak geregistreerd en dienen kennis te hebben van de geschiedenis van de (steden)bouwkunst en de hedendaagse ontwikkelingen daarvan. Naast primaire eisen van verstandig vakmanschap is sprake van een inkleuring op diverse aspecten van het breder vakgebied, zoals stedenbouwkunde, architectuur, landschapsarchitectuur en monumentenzorg.

De commissieleden zijn onafhankelijk en onpartijdig. Indien in een commissievergadering plannen aan de orde komen waarbij een commissielid is betrokken, neemt dit lid geen deel aan de vergadering.

De voorzitter
De voorzitter is in eerste instantie verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie en de algemene kwaliteit van de oordeelsvorming. Daarnaast is bestuurlijke ervaring, inzicht in lokale besluitvormingsprocessen, alsmede kennis van de ontwikkelingen op het terrein van de ruimtelijke kwaliteit in de provincie Groningen van belang. De voorzitter treedt op als gastheer of - vrouw voor alle aanwezigen en bewaakt de voortgang van de agenda. De voorzitter draagt zorg voor een voor de aanwezigen heldere samenvatting en conclusie na de inhoudelijke discussie. 

De secretaris
De secretaris, zijnde de rayonarchitect van de gemeente, voert onder regie van de gemeente als gemandateerd commissielid vooroverleg met de planindieners, ontwerpers en andere belanghebbenden, verzamelt relevante informatie en bereidt de behandeling van de adviesaanvragen in de commissie voor.
Tijdens de vergadering introduceert de secretaris de bouwplannen en verstrekt gegevens over het relevante welstandsbeleid, het planologisch kader en dergelijke, voor het betreffende plan c.q. gebied. Onder verantwoordelijkheid van de secretaris wordt de beraadslaging en de conclusie over een bouwplan uitgewerkt in een schriftelijk advies.

Artikel 5 Benoeming en Zittingsduur
De leden van de commissie worden op voorstel van burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad. Libau verzorgt voordracht aan het bevoegd gezag.
De leden van de commissie kunnen ten hoogste voor een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal 	worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.
Ter wille van de continu&#195;&#175;teit geschiedt de benoeming van de commissieleden volgens een alternerend stelsel. Het rooster van aftreden wordt door Libau opgesteld en bijgehouden
De nieuw benoemde commissieleden ontvangen hun benoemingsbesluit van Libau.

Artikel 6 Jaarlijkse verantwoording  
De commissie
De commissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin tenminste aan de orde komt:
op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota;
de werkwijze van de commissie;
op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen;
de aard van de beoordeelde plannen;
de bijzondere projecten.
De commissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder

B &amp; W
B &amp; W leggen de gemeenteraad jaarlijks en verslag voor waarin zij uiteenzetten:
op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de commissie;
in welke categorie&#195;&#171;n van gevallen zij tot aanschrijving op grond van art. 13 en 13a WW zijn overgegaan en daarbij de keuze hebben gelaten tussen het ofwel uitvoeren van de aanschrijving, ofwel het slopen van het bouwwerk of de standplaats  en of zij bij of na de aanschrijving zijn overgegaan tot toepassing van bestuursdwang op grond van art. 15 WW.

Artikel 7 Temijn van advisering
Termijn van advisering
De commissie dan wel een gemandateerd lid is bij de beoordeling van aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen gebonden aan de in de bouwverordening genoemde termijnen voor het uitbrengen van een advies.
Binnen de in de bouwverordening genoemde termijnen voor het uitbrengen van advies kan de welstandscommissie 	dan wel een gemandateerd lid het advies aanhouden indien meer informatie of een toelichting van de ontwerper wenselijk is.

Artikel 8 Vooroverleg
Voorafgaande aan de indiening van een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen kan vooroverleg plaatsvinden met de welstandscommissie of een door haar gemandateerd lid over de interpretatie van de welstandscriteria met betrekking tot het bouwinitiatief.
Het vooroverleg hoeft niet in de openbare vergadering plaats te vinden.
Van het vooroverleg wordt een schriftelijk verslag dan wel een advies opgesteld dat in het betreffende dossier wordt opgenomen.
De commissie draagt zorg voor een consistente beoordeling in de verschillende fasen van de planontwikkeling.

Artikel 9 Openbaar vergaderen
Openbaarheid
De behandeling van aanvragen om omgevingsvergunning voor bouwen door de commissie dan wel door de haar gemandateerde leden is openbaar tenzij de gemeente op grond van het gestelde in de Wet Openbaarheid van Bestuur gronden aanwezig acht om de behandeling besloten te doen plaatsvinden.

Agenda
De behandeling van de bouwplannen wordt op de voor de gemeente gebruikelijke wijze bekend gemaakt.
Libau bericht zo spoedig mogelijk, uiterlijk de eerste dag van de week die volgt op het reguliere rayonbezoek, aan de gemeente welke plannen wanneer en waar en op welke wijze worden behandeld. De plannen worden in principe in Pakhuis Libau te Groningen behandeld door de zogenaamde grote of kleine commissie. Deze informatie is tevens terug te vinden op de Website van Libau.

Spreekrecht
Tijdens de vergadering van de commissie wordt de mogelijkheid geboden om plannen toe te lichten door belanghebbenden als opdrachtgevers, ontwerpers en gemeentelijke vertegenwoordigers.
De voorzitter bepaalt de duur van de spreektijd, die in principe beperkt is.
De commissieleden krijgen de mogelijkheid tot het stellen van vragen aan de sprekers. Na beantwoording daarvan wordt de toelichtende fase afgesloten en begint de beraadslaging van de commissie waarna het advies wordt geformuleerd.

Artikel 10 Procedure
Bouw- en woningtoezicht (BWT)
Inname van bouwplannen geschiedt door BWT. Daar worden de aanvragen geselecteerd. 
Ten behoeve van de behandeling inzake welstand- en monumentenzorg wordt nagegaan of de aanvraag van de nodige gegevens en bescheiden is voorzien, conform Regeling omgevingsrecht (Mor) en Bouwverordening.

De rayonarchitect van Libau bezoekt de gemeente tenminste eens per veertien dagen. Hij neemt met een vertegenwoordiger van BWT de ingekomen bouwplannen van de afgelopen periode door en handelt de plannen waarvoor hij gemandateerd is af met een positief advies. Er worden achtergronden ingewonnen met betrekking tot de adviesaanvragen eventueel door middel van overleg met de initiatiefnemers. Tijdens deze bijeenkomsten op een vast tijdstip en op een vaste plaats kunnen belanghebbenden hun plannen toelichten, overleggen over reeds behandelde bouwplannen en informatie krijgen over de interpretatie van de welstandscriteria voor een bepaalde locatie of bouwwerk. Het rayonbezoek fungeert kortom tevens als spreekuur.

De rayonarchitect
Indien een bouwplan ter plaatse niet positief geadviseerd kan worden en ook na ori&#195;&#171;ntatie ter plaatse niet tot een positief advies kan worden besloten of wanneer de afhandeling van de aanvraag buiten zijn mandaat valt, neemt de rayonarchitect het bouwplan mee ter behandeling in de commissie.
De rayonarchitect bezoekt dan de betreffende locatie ten behoeve van nadere informatie. Hij maakt foto&apos;s van het object, de locatie en de omgeving ten behoeve van behandeling in de commissie en spreekt in voorkomende gevallen met de direct betrokkenen over het hoe en waarom van de aanvraag.

Kleine commissie
De kleine commissie vergadert in principe eens per week. De kleine commissie bestaat uit tenminste twee rayonarchitecten van Libau, zijnde gemandateerde leden van de welstandscommissie, hier de zogenaamde grote commissie.

De kleine commissie heeft als taak om:
adviesaanvragen te beoordelen waarvan de mening van de commissie op grond van eerdere ervaringen bekend verondersteld kan worden;
adviesaanvragen te beoordelen die in het kader van gebiedsgerichte criteria geen discussie oproepen;
vervolgplannen te beoordelen die eerder door de commissie zijn behandeld;
adviesaanvragen te selecteren die aan de &#226;&#8364;&#732;&#226;&#8364;&#8482;grote&#226;&#8364;&#8482;&#226;&#8364;&#8482; welstandscommissie van externe deskundigen worden voorgelegd;
(voor)overleg te voeren met de aanvrager;
met in acht name van de welstandscriteria de afstemming van adviezen in de verschillende rayons te bevorderen. In geval van twijfel wordt de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen alsnog voorgelegd aan de grote commissie van externe deskundigen.

Grote commissie
De grote commissie van externe deskundigen vergadert in de regel eens per veertien dagen, zoveel mogelijk gekoppeld aan de week waarin de gemeenten worden bezocht.

Rooster en publicatie
Libau hanteert in principe een veertiendaagse cyclus waarbij in de eerste week alle gemeenten bezocht worden en in de tweede week de plannen worden afgehandeld. Indien de gemeente na het bezoek van de rayonarchitect ten gemeentehuize en op haar website de in de respectievelijke commissies te behandelen plannen bekend maakt, kan de planafhandeling in de eerste cyclus van veertien dagen plaatsvinden. Indien een en ander in de ge&#195;&#171;igende media wordt aangekondigd vindt afhandeling aan het eind van de tweede veertiendaagse cyclus plaats. 

Artikel 11Mandaat
Mandaat namens de welstandscommissie
De commissie kan de advisering over een aanvraag om advies mandateren aan &#195;&#169;&#195;&#169;n of meer daartoe aangewezen leden. Bouwplannen waarvan volgens deze leden het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden erondersteld worden door de aangewezen leden geadviseerd.
In elk geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de commissie.
De behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar.

Artikel 12 Het welstandsadvies
1. Inhoud
Conform artikel 12, lid 1 van de WW 2002 wordt in het welstandsadvies door de commissie uitgesproken of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk zowel op zichzelf als in relatie met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand. De commissie baseert zich daarbij op de criteria zoals deze zijn opgenomen in de welstandsnota.

Het advies spreekt zich uit over de welstandsaspecten van het ingediende bouwplan, daarbij kunnen dus geen andere argumenten worden aangevoerd dan die welke de welstand raken.

In een welstandsadvies moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen bezwaren die ondervangen dienen te worden of suggesties die de kwaliteit van het plan ten goede kunnen komen.

Naar aanleiding van een bepaalde bouwaanvraag kunnen adviezen ook meer algemene beleidszaken betreffen. In adviezen zal echter steeds de aanvraag om omgevingsvergunning voor bouwen als uitgangspunt worden genomen.

Persoonlijke voorkeuren van commissieleden alsook opmerkingen die de persoon van de aanvrager of de ontwerper raken horen in een welstandsadvies niet thuis.

2. Het schriftelijk advies
Het welstandsadvies wordt altijd schriftelijk uitgebracht in begrijpelijke taal. Een negatief advies is altijd voorzien van een leesbare en deugdelijke motivatie. Wanneer een positief advies aanvankelijk niet expliciet gemotiveerd is, kan daarin bijvoorbeeld op verzoek van B &amp; W in een later stadium worden voorzien.

Een positief advies is altijd schriftelijk gemotiveerd indien er sprake is van afwijking van de criteria uit de nota. De commissie geeft dan aan waarom er in dit bijzondere geval reden is om van de criteria af te wijken.

Het advies vormt de basis van elk overleg met betrokkenen. Uit oogpunt van rechtszekerheid van de betrokkenen kunnen in een vervolgstadium geen nieuwe opmerkingen meer worden ingebracht, die in een eerder stadium al onderkend hadden kunnen worden, tenzij wijzigingen in het bouwplan daartoe aanleiding geven.

Het advies kent de volgende opzet, waarbij niet alle elementen in elk advies advies aan de orde hoeven komen:
in voorkomende gevallen: kort overzicht of verwijzingen naar eerdere fasen en adviezen in de procedure;
in voorkomende gevallen: beknopt verslag van de inbreng van de planindieners;
korte kenschets van de omgeving en de aard van de bouwactiviteit in dat verband;
verwijzing naar de bij de beoordeling toegepaste welstandscriteria;
het feitelijke advies waarbij achtereenvolgens de situatie, de hoofdvorm, de architectonische uitwerking en de detaillering en kleuren en materialen aan de orde kunnen komen;
in voorkomende gevallen: vrijblijvende suggesties die de ruimtelijke kwaliteit van het bouwwerk ten goede kunnen komen.

3. Uitkomst van het advies
Het welstandsadvies kan de volgende uitkomsten hebben:

Voldoet 
De commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde criteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand; er kunnen vrijblijvende suggesties worden gedaan die de ruimtelijke kwaliteit van het bouwwerk ten goede kunnen komen.

Voldoet mits
De commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde criteria op een aantal punten in strijd is met redelijke eisen van welstand, tenzij de geformuleerde bezwaren worden ondervangen. In het advies wordt aangegeven of de commissie de gekozen aanpassingen nog wil beoordelen of dat deze door Bouw- en Woningtoezicht kan worden afgedaan. 

Voldoet niet
De commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde criteria in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het plan behoeft een ingrijpende wijziging in uitwerking of uitgangspunten om aan redelijke eisen van welstand te kunnen voldoen.

Aanhouden
De commissie kan het advies aanhouden wanneer zij meer informatie of toelichting noodzakelijk acht om tot een adequate beoordeling te kunnen komen. Een en ander in overleg met Bouw- en Woningtoezicht in verband met de beschikbare termijnen.

4. Toelichting op het advies
De planindieners kunnen te allen tijde verzoeken om een toelichting op het advies. In eerste instantie is het gemeentelijk spreekuur tijdens het rayonbezoek daartoe het meest aangewezen. Wanneer dit naar het oordeel van de initiatiefnemers niet volstaat kan men uiteraard ook bij de commissie terecht.

5. Second opinion
Alvorens bij derden een second opinion in te winnen biedt het bevoegd gezag eerst de commissie de mogelijkheid tot heroverweging van het eerder uitgebrachte advies, waarbij wordt aangegeven op welke punten naar de mening van het bevoegd gezag de houdbaarheid van het advies mogelijk in het geding is.

Indien alsnog een second opinion wordt gevraagd , wordt dit ter kennis gebracht van de commissie. Bij een second opinion wordt de adviesaanvraag voorgelegd aan een elders in Nederland functionerende welstandscommissie. 

Artikel 13 Uitvoering door het bevoegd gezag
Het bevoegd gezag heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het welstandsoordeel, zoals dat tot stand komt aan de hand van de in de welstandsnota opgenomen welstandscriteria.
Het bevoegd gezag volgt in principe het advies van de welstandscommissie; zij kunnen van dit advies afwijken,
op inhoudelijke gronden,
omdat zij van mening zijn dat de commissie niet juist heeft ge&#195;&#175;nterpreteerd of niet de juiste criteria heeft toegepast of omdat zij op inhoudelijke gronden tot een ander oordeel komen dan de commissie. In dat geval volgt zij de procedure als beschreven onder second opinion.
om zwaarwegende andere redenen,
omdat het plan weliswaar strijdig wordt geacht met redelijke eisen van welstand, maar dat op grond van artikel 44 lid d van de WW 2002 het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan verlenen op grond van andere zwaarwegende 	redenen van bijvoorbeeld economische of maatschappelijke aard.
Het bevoegd gezag kan ook afwijken van de welstandscriteria, hiervan kan sprake zijn indien bouwplannen niet voldoen aan de in de nota genoemde gebiedsgerichte of objectgerichte criteria, maar wel aan de algemene criteria 	en indien de architectonische en ruimtelijke kwaliteiten niettemin in bijzondere mate bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De afwijking geschiedt op grond van een daartoe strekkend gemotiveerd advies van de welstandscommissie.

Bezwaren
Binnen zes weken na het besluit van het bevoegd gezag omtrent de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen belanghebbenden bezwaar aantekenen tegen deze beslissing. In de bezwaarschiftenprocedure heroverwegen het bevoegd gezag het besluit na advies te hebben ingewonnen van de Commissie Bezwaar- en Beroepsschriften. Belanghebbenden worden in dat geval uitgenodigd om tijdens een hoorzitting hun standpunten nader toe te lichten. Binnen tien weken neemt het bevoegd gezag daarna een beslissing op het bezwaar. Belanghebbenden die het met de heroverweging niet eens zijn kunnen hiertegen in beroep gaan. Wanneer de initiatiefnemers of derde belanghebbenden bezwaren hebben tegen het welstandsoordeel dient men zich tot het bevoegd gezag te richten. Zij immers oordelen over de welstandsaspecten. Dat het bevoegd gezag in het algemeen de adviezen van de welstandscommissie volgt, doet niet af aan zijn specifieke eigen verantwoordelijkheid in deze. Uiteraard kan het bevoegd gezag de eigen of een tweede welstandscommissie om een second opinion vragen. Lopende de procedure kunnen de initiatiefnemers de welstandscommissie om een toelichting vragen of overleg voeren. Hoor en wederhoor kan leiden tot een bijstelling van het welstandsadvies.

Bijlage 10 Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)  (vervallen)

Bijlage 11 Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsintallatie) (vervallen)

Bijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)  (vervallen)

Toelichting op de Model-bouwverordening (MBV) 

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
Bouwtoezicht
De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op grond van artikel 5.10, lid 3 Wabo wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet.

Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de toezichtsbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen onder omstandigheden als &#226;&#8364;&#339;bouwtoezicht&#226;&#8364;&#65533; worden aangemerkt.

De Wabo is, zoals de Woningwet dit al vele jaren is, een lex specialis ten opzichte van de Awb. De Wabo-toezichthouders moeten ambtenaren zijn, zoals dit ook het geval is met de Woningwet. De ingehuurde toezichthouders die geen ambtenaar zijn, zijn onrechtmatig aangewezen. Zij&#194;&#160;verrichten hun werkzaamheden voor de gemeente onrechtmatig, wat consequenties heeft voor hun bevoegdheden, het bewijsrecht e.d. 
Artikel 1.2, lid 1, onder g van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) maakt het echter mogelijk om toezichthouders die aangesteld moeten zijn als ambtenaar om hun toezichthoudende taken te mogen uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen zonder dat de CAR-UWO op hen van toepassing wordt. Op basis daarvan kunnen gemeenten dus toezichthouders inhuren via particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar.
De toezichthouder kan een aanstelling als buitengewoon opsporingsambtenaar krijgen, als deze voldoet aan de daartoe gestelde eisen. 
Zie hiervoor: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitengewoon-opsporingsambtenaar. Zie over dit onderwerp ook de VNG-ledenbrief: Uitbreiding art. 1:2 CAR:&#194;&#160; (Lbr.07/17, CvA/LOGA 07/04) (5 april 2007)

Bouwwerk en gebouw
De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de jurisprudentie.

De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1 van de Woningwet.


Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente

Algemeen
Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van de daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van de nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde kom.
Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien voor het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente.

De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige bepalingen voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de Woningwet bevat een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en bouwverordening. Zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening voor de bebouwde kom van kracht is, kan het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het vaststellen van een bestemmingsplan voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt vastgesteld, dient te worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de bouwverordening daarop moet worden afgestemd of wellicht overbodig is geworden.
Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden binnen de gemeente een ander alternatief uit de MBV vast te stellen met voor elk gebied een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5 van deze toelichting.

Alternatief 1
Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin ook geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.

Alternatief 2
Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.

Alternatief 3
Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, maar wel een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorie&#195;&#171;n bouwwerken - is vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een terrein voor zware industrie.

Alternatief 4
Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en ook een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorie&#195;&#171;n bouwwerken - is vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een terrein voor zware industrie.

Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen

Algemeen
Regeling omgevingsrecht.

De indieningvereisten staan vermeld in artikel 7.2 van de Regeling omgevingsrecht (Mor). De Mor vervangt op dit punt het Besluit indieningvereisten aanvraag bouwvergunning. 
De indiening van de in art. 7.2 Mor en andere voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijke gegevens kan het bevoegd gezag verlangen op grond van art. 4.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto art. 4.4 Besluit omgevingsrecht (Bor).

Wet BIBOB
De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB), Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per 1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216)en nadien gewijzigd, laatstelijk in 2011.
Deze wet houdt in dat na ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, door het bevoegd gezag wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de aanvrager -zowel natuurlijke als rechtspersonen- en naar de herkomst van de gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor het bevoegd gezag aanleiding zijn de omgevingsvergunning te weigeren.

Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met maximaal acht weken op (4 weken + verlenging 4 weken);artikelen 15 en 31 Wet BIBOB). 

Algemene wet bestuursrecht
De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het rechtsverkeer tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de voorbereiding van besluiten van belang voor de te volgen procedure. Dit geldt onder meer voor de gevallen waarin Afdeling 3.4 over de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is.

Wet ruimtelijke ordening
Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van dit hoofdstuk vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is opgelost.

WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen
De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van art. 3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om een omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de beoordeling van het ingediende bouwplan.

De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het te bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig voor misbruik en liggen niet ter inzage.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de omgevingsvergunning. De bouwvergunning maakt deel uit van de omgevingsvergunning en wordt in de MBV aangeduid als omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1Wabo). De Wabo heeft gevolgen voor de vergunningen en ontheffingen van de bouwverordening. De MBV is met de 13e serie van wijzigingen zgn. Wabo-proof gemaakt. De gefaseerde behandeling van een vergunningaanvraag en de vergunningverlening zoals bekend onder de Woningwet, is ook onder de Wabo mogelijk ten aanzien van de omgevingsvergunning.


Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden

Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek

Inleiding
De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht.

De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel 2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen.

Lid 1
Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygi&#195;&#171;nisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.

Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend dat en waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft uitbesteed.

Lid 3
In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in &#195;&#169;&#195;&#169;n brede omgevingsvergunning te regelen. De mogelijkheid om geen onderzoekgegevens op te vragen wordt geboden door artikel 4.4, lid 2 Bor.

Lid 4
Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen.

Lid 5
De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd.

Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend.

Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem

Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond

Algemeen
In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord &apos;uitsluitend&apos; in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan.

De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan in de Regeling omgevingsrecht.

De structuur is als volgt:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht.
Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden waarover het bevoegd gezag al beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat de Wabo nog niet in werking was getreden, en die als archiefbescheiden in bewaring worden gehouden als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995.
Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze reeds in het bezit van het bevoegd gezag zijn.
Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de aanvrager overeenkomstig artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.
Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht.

De gezondheidsrisico&apos;s voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat.

Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo

Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen
De inhoud van dit artikel zal met de eerste wijziging (2013) van het Bouwbesluit 2012 in het Bouwbesluit worden opgenomen. Thans wordt bezien hoe het begrip &#226;&#8364;&#732;waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend personen zullen verblijven&#226;&#8364;&#8482; kan worden geconcretiseerd.
Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is dat niet wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor gevaar voor de gezondheid van personen ontstaat.

Wat verstaan moet worden onder &apos;bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven&apos; wordt in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij &apos;enige tijd&apos; moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan &#195;&#169;&#195;&#169;n dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.

Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken van land- en tuinbouw producten evenals gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997- 1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip &apos;voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen&apos; valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of garage bij een woning.

Bouwwerken die de grond niet raken
Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden ge&#195;&#171;ist.

Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging
Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag voor de vraag of bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan niet onder de voorwaarde dat bepaalde voorzieningen worden getroffen.

Gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten, die daartoe zijn aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn. 
Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming (Besluit van 12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de toepassing van delen van deze wet worden gelijk gesteld met een provincie (art. 88, zevende lid Wet bodembescherming). Het gevolg is dat de provincie bevoegd gezag is en dat de vier grote steden op grond van de Wbb plus nog 25 aangewezen gemeenten bevoegd gezag zijn krachtens genoemd Besluit.
Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de Wet bodembescherming overgegaan naar de Waterwet.

Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk
Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2 van MBV.

Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.

Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen
Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.

In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan:
de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag wordt aangebracht;
de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;
de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden.

Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden.

Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.

Paragraaf 2.5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen

Algemeen
Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30). Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog blijven bestaan.

De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is opgelost. Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten die dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover planologische onderwerpen zijn geregeld in een bestemmingsplan, treedt voor die onderwerpen de bouwverordening terug (art. 9 Woningwet).

Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan
Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan voorhanden is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan niet vergelijkbare voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten opzichte van de MBV. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): &apos;..., tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.&apos; Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de stedenbouwkundige bepalingen (inclusief het afwijken hiervan) uit de bouwverordening het bestemmingsplan aan.

Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd:

a. bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of,

b. het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien of,

c. de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond van artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden afgewezen.

Wet ruimtelijke ordening (Wro)
De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is hierop ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van de artikelen 2.5.30 (parkeren) wijzen wij op het uitstel van de inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde lid Invoeringswet Wro. Zoals uit de eerder vermelde toelichting blijkt, blijft dit artikel vooralsnog in de MBV bestaan.

Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling
Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan wel in een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is ge&#195;&#171;ist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral in het buitengebied betekenis te hebben.

Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn
Het bepaalde onder b kan desgewenst vari&#195;&#171;ren naar gelang van de zone waarin de weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren:

b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld, aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:

bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;
bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;
bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.

Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
Hoewel het begrip &apos;rooilijn&apos; algemeen gedefinieerd wordt als &apos;de lijn die - behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden&apos;, is - om misverstand te voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen. Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst aan het bestemmingsplan, zie art. 3.25 Wro.

Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn
Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de &apos;totaal- benadering&apos; zoals die ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een (meeromvattend) vergunningplichtig bouwplan. Deze &apos;totaal-benadering&apos; houdt echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent betreft een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van de daar bedoelde veranderingen mag er geen sprake zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting van een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften zou toenemen, blijft dus vergunningplichtig.

Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, kunnen worden beschouwd:

1. uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 	0,20 m overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren;
2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes en kleine luifels. Indien uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zal het bevoegd gezag dus in het algemeen overwegen daartegen repressief op te treden. Indien in een bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen, toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen,maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de voorgaande punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden &apos;, te weten:&apos;.

Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in af wijking van het verbod tot overschijding van de voorgevelrooilijn
Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er geen bestemmingsplan of beheerverordening in voorbereiding is en geen van de omstandigheden als genoemd in art. 3.3 Wabo aan de orde is.

Lid 1, ad b
Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van beeldhouwwerk, vitrines e.d.

Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg
Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te sluiten.

Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.

Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken
Lid 4, onder a
Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen vallen.

Lid 4, onder f
Hieronder vallen bijvoorbeeld aangebouwde garages, terugliggende zolderverdiepingen e.d.

Lid 4, onder g
Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.

Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn
Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.

Lid 1, onder a
Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21 de bouwhoogte dan evenredig beperkt.

Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
Hoewel het begrip &apos;rooilijn&apos; algemeen wordt gedefinieerd als &apos;de lijn die - behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden&apos;, is - om misverstand te voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen.

Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden als een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn.

Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.

Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn

Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.

De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel 2, Bijlage II van het Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn.

Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.



Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn
Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale gevallen.

Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De vermelding hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij zijn, uit te sluiten.

Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het verbod de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht te worden genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan te besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven.

Ad a en g
Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met winkelbebouwing.

Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen
Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de &apos;buitenruimte&apos; in de zin van het Bouwbesluit.

Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden aangebracht.

Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.

Lid 3 b, onder 1
Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor patiowoningen.

Lid 3 b, onder 2
Indien &#195;&#169;&#195;&#169;n van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het gebouw overigens over voldoende &apos;uitloop&apos; beschikt, zou kunnen worden afgeweken van de voorgeschreven erfgrootte.

Lid 3 b, onder 3
Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering van de bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand door de brandweer.

Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen
Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden aangebracht.

Lid 2, onder a en b
Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal minder ver worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, dan in het andere geval.

Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken
Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel van het gebouw.

Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen
Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in principe een vergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, Bijlage II, Bor, althans indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en behoeven derhalve preventieve toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel van de bouwverordening. Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van het tweede lid van laatstgenoemd artikel de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het verbod als bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het bouwen van bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein dat geen erf, behorend bij een gebouw, is.

Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige bouwwerk en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer op de openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten e.d.

Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in hoeverre het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd als een verbod, waarvan eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te wijken zullen in het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van het bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede werking van de lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het bouwwerk.

Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn of de hoofdtransportleiding.

Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht van opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30 meter, dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met uitzondering van bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d. Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een dergelijk recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan geldt de daarin vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand in een bestemmingsplan geen betekenis.
In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones vastgelegd, die elkaar (deels) kunnen overlappen.

Besluit externe veiligheid buisleidingen
Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen(Bevi). De besluiten gaan voor op de gemeentelijke bouwverordening.

Het Bevb regelt onder andere dat de gemeenteraad er zorg voor draagt dat binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Bevb een bestemmingsplan in overeenstemming is met dit besluit. 
Wanneer de betreffende buisleidingen correct in bestemmingsplannen zijn opgenomen, vervalt de werking van deze stedenbouwkundige bepaling uit de bouwverordening. Voor niet in een bestemmingsplan geregelde leidingen, blijft deze bepaling uiteraard onverkort van kracht. Dit vloeit voort uit artikel 9 Woningwet. Zie hierover de algemene toelichting bij paragraaf 5.

Zie voor meer informatie over het Bevb, Revb en Bevi:
www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/buisleidingen 

Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn
Alternatief 1
Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.

Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de achtergevelrooilijn.

Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te defini&#195;&#171;ren als de hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende bebouwing.)

Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting behorende bijlage.

Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende invloed op de maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een dwarsweg (dwarsstraat) (zie figuur 16).


Alternatief 2
Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.

Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te defini&#195;&#171;ren als de hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende bebouwing.)

Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting behorende bijlage.

Ten behoeve van een - soms gewenste - aanvullende werking van de onderhavige bouwverordeningsvoorschriften ten opzichte van vooral globale bestemmingsplannen zonder uitwerkingsverplichting is in een verdere differentiatie voor de bebouwde kom voorzien, zodat bij voorbeeld verschil kan worden gemaakt tussen grootstedelijke binnenstadsgebieden (belemmeringshoek: 60 graden) en de overige delen van de bebouwde kom. Zie figuur 14.

Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn
Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.

Alternatief 1
Lid 2
De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is. Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt.

De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).

Lid 4
Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.

Alternatief 2
Lid 2
De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is. Het komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt.

De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).

Lid 4
Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.

Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover achtergevelrooilijn

Zie figuur 19.

Lid 2
Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om af te wijken van de in het eerste lid bepaalde maximale hoogte voor het laten optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel.

Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen

Alternatief 1
Lid 2
De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.

Alternatief 2
Lid 2
De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.

Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken

Alternatief 1
De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 &#195;&#160; 5,5 bouwlaag.

Alternatief 2
De maximumbouwhoogte van 26 meter correspondeert met de belemmeringhoek van 60 graden, genoemd in artikel 2.5.23, en de hoogte-diepteverhouding van 1,7, genoemd in de artikelen 2.5.20 en 2.5.21.

Bovendien komt de maximumbouwhoogte van 26 meter - bij een in de woningbouw gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 9 &#195;&#160; 9,5 bouwlaag. De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - eveneens bij een in de woningbouw gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 &#195;&#160; 5,5 bouwlaag.

Indien wordt gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of een van rijkswege beschermd stad- en dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering wel vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.28, sub l.

Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen
Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op binnenterreinen van gesloten bouwblokken.

Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in het hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen tot hun goot.

Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken
Zie artikel 1.1 voor de definitie van &apos;straatpeil&apos;.

Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte
Ad a
De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning om te bouwen is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn.

Ad b
Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20 t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken ingevolge artikel 2.5.28, onder e.

Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte
De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor), uit te sluiten.

Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid dient bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikel 2.5.2. Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden betrokken.

Ad e, onder 1
Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit bij bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger is dan thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane bouwhoogte kan dan een gaaf straatbeeld worden verkregen.

Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid
Artikel 2.5.29 MBV is, in relatie met de overige stedenbouwkundige afwijkingen uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de relatie tussen enerzijds de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking en anderzijds de afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het bestemmingsplan. Paragraaf 2.5 MBV is te beschouwen als een bestemmingsplan vervangende regeling met derhalve ook de behoefte aan regels inzake afwijking wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt voorbereid. Bedoeld is een net zo eenvoudige afwijkingsregeling voor bouwen en gebruiken te hebben voor de verplichtingen uit de stedenbouwkundige eisen van de bouwverordening als van die uit een bestemmingsplan.

Sub a.
Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling alleen van toepassing is indien er geen bestemmingsplan, beheersverordening of projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan geen strijd kan zijn met  een bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere procedure van 3.9 Wabo van toepassing is.

Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo
De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen worden aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan sprake is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de aanvraag te weigeren, maar er voor de dag van aanvraag een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd of een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een dergelijke situatie vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV, waaronder deze.

Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?
Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle besluiten de eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze motivering zal in het onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de eis opgenomen dat het bouwplan waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte &apos;in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid&apos;.

&apos;Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid&apos; is een mogelijkheid om de afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan, structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen, bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota.

Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de situaties zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter inzage gelegd ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld voorbereidingsbesluit voor bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom geen basis vormen.

Sub d.
De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt gebruikt en de betekenis die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat begrip wordt rekening gehouden met milieu, cultuurhistorische, ecologische en natuurlijke en landschappelijke waarden. 

Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante afstanden treft u aan in de VNG-publicatie &apos;Bedrijven en milieuzonering&apos;.

Sub e.
In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een goede ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de terminologie uit de Wabo.

Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen

Algemeen
Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als uitwerking hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald dat artikel 8, vijfde lid van de Woningwet vervalt. In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een nieuwe datum van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat onder meer het &#226;&#8364;&#732;parkeerartikel&#226;&#8364;&#8482; uit de bouwverordening blijft bestaan, ook indien op grond van de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin niet is voorzien in een regeling over het parkeren.

Alternatief 1
Lid 1
Het eerste lid kan de gemeenteraad vaststellen voor die delen van de bebouwde kom die kunnen worden aangeduid als zogenaamde best ontsloten locatie(s).

Lid 2
Het onderhavige voorschrift behelst het zogenaamde ingroeimodel. Hieronder wordt verstaan het openhouden van de mogelijkheid om in te spelen op toekomstige verbeteringen in de bereikbaarheid per openbaar vervoer, namelijk doordat de gemeente op het moment van realisatie van de bedoelde verbetering kan overgaan tot de verwijdering van de aanvullende parkeerplaatsen op de openbare weg (of op ander gemeentelijk terrein) nabij het betrokken gebouw.

Lid 3
Het is niet alleen zeer moeilijk - bij de toepassing van het eerste lid - aan te geven, wat in algemene zin het maximumaantal parkeerplaatsen op het terrein van een te bouwen (of een te verbouwen) pand dient te zijn, maar ook - bij de toepassing van het onderhavige lid - wat in algemene zin een niet te overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom ook in dit geval per omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen normstelling hangt weer af van onder meer de grootte van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd in het lokale verkeer- en vervoerplan.

Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004: geactualiseerd 25 juli 2008. Verkrijgbaar op CDrom.), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Wateren Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald.

Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.

Lid 4
Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van de leden 1, 2 en 3. De verplichting in die leden om een bepaald aantal parkeerplaatsen op eigen terrein (of onder eigen dak) aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto, respectievelijk het grootste type vrachtauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over &apos;parkeerplaatsen van voldoende afmetingen&apos;. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.

Lid 5
De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto&apos;s).

Lid 6

Ad a
De mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de eis in het eerste en in het tweede lid om een beperkte parkeergelegenheid op eigen terrein (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor het geval dat in de nabijheid een gemeenschappelijke of openbare parkeergarage aanwezig is. De mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de eis in het derde lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor omgevingsvergunningsplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden. In dat geval kan eventueel onder financi&#195;&#171;le voorwaarden vergunning worden verleend.

Aan de bouwvergunning mocht geen financi&#195;&#171;le voorwaarde worden verbonden. Aan een daarmee samenhangende planologische ontheffing wel. Dit laatste gold voor onder meer het bekende artikel 19 WRO en ook voor de ontheffing bedoeld in art. 2.5.30 MBV.

Er mag van worden uitgegaan dat dit aspect niet anders is nu de ontheffingen en eventuele financi&#195;&#171;le voorwaarden worden gesteld in de omgevingsvergunning. De op grond van artikel 2.5.30 gevormde jurisprudentie onder de oude wetgeving betreft kort samengevat:

1. Een richtinggevende uitspraak waarbij het vragen van geld voor een parkeerfonds aan de orde was geweest, betreft: BR 1999/223 ABRS 4 augustus 1998

Parkeergelegenheid Schagen

Vraag of aan het verlenen van vrijstelling van de eis dat op eigen terrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien een financi&#195;&#171;le voorwaarde mag worden verbonden. Art. 2.5.30 Bouwverordening:

De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het algemeen moet worden aangenomen dat een bestuursorgaan in beginsel rechtens de mogelijkheid heeft om door middel van het verbinden van een financi&#195;&#171;le voorwaarde aan een vrijstelling, tot betaling van een tegemoetkoming of een compensatie te verplichten. Aan deze mogelijkheid zijn beperkingen verbonden, aldus dat door voldoening aan de voorwaarde een rechtstreekse bijdrage wordt geleverd aan de doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning of vrijstelling berust en voorts dat de verlening van de vergunning of vrijstelling in het algemeen belang tot het heffen van een geldbedrag noopt.
Bovendien moet blijken dat niet een andere uit hoofde van rechtsbescherming meer aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of compensatie te verlangen. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van 30 augustus 1985, BR 1985, p. 911.

Opmerking: Deze uitspraak vormt de basis voor het stellen van een financi&#195;&#171;le voorwaarde bij de voormalige ontheffing van de parkeernorm op grond van art. 2.5.30 MBV.

Een belangrijk onderdeel uit deze uitspraak is: De financi&#195;&#171;le voorwaarde is toegestaan onder enkele voorwaarden:

a. de voorwaarde dient een rechtstreekse bijdrage te leveren aan de doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning berust;
b. de vergunning moet in het algemeen belang nopen tot het opleggen van een geldbedrag;
c. de stellige noodzaak om een financi&#195;&#171;le voorwaarde op te leggen, moet ook hieruit blijken dat niet een andere, uit hoofde van rechtsbescherming meer aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of compensatie te verlangen.

Een noodzaak om in het algemeen belang een bedrag te vragen voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid is tegenwoordig al snel aanwezig, de parkeerproblematiek is zo groot dat zonder het treffen van voorzieningen de omgeving overlast / parkeerhinder zal ondervinden.

2. In de recente uitspraak ABRS 28 januari 2009, LJN BH1125, te vinden op www.rechtspraak.nl , over de financi&#195;&#171;le voorwaarde bij de ontheffing van de parkeernorm, wordt een directere relatie tussen het geld en de te realiseren voorziening ge&#195;&#171;ist. Citaat uit deze uitspraak:

&apos; dient voldoende aannemelijk te zijn dat de financi&#195;&#171;le bijdrage die door [vergunninghoudster] is voldaan, aangewend zal worden om te voorzien in de desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan.(.. ) Ter zitting van de Afdeling heeft het college uiteengezet dat met centrumgebied is bedoeld een gebied in een straal van 600 m rond het bouwplan. Hiermee staat niet vast dat de door [vergunninghoudster] betaalde bijdrage daadwerkelijk zal worden aangewend om te voorzien in het tekort aan parkeerplaatsen waarop de ontheffing betrekking heeft. Dat de rechtbank heeft overwogen dat een afstand van 600 m acceptabel is voor het parkeren van bezoekers, kan ( &#194;&#191;) niet afdoen aan haar oordeel dat ten aanzien van de vijf parkeerplaatsen niet aannemelijk is dat de financi&#195;&#171;le bijdrage zal worden aangewend om te voorzien in de behoefte daaraan. De rechtbank is terecht tot dat oordeel gekomen en heeft derhalve evenzeer terecht overwogen dat de ontheffing in strijd met artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening is verleend.

ontheffing krachtens artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening voor de vijf parkeerplaatsen heeft miskend dat niet is voldaan aan het in die bepaling gestelde vereiste dat verlening van ontheffing slechts mogelijk is indien op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien.

Het college heeft zich in het besluit van &#226;&#8364;&#166;. ten aanzien van twee van de vijf parkeerplaatsen op het standpunt gesteld dat de parkeerbijdrage concreet zal worden aangewend voor de uitvoering van het herinrichtingsplan van de openbare ruimte aan de Wellezijde en dat die parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd op of nabij de aanvankelijk geplande inritten voor de vervallen inpandige parkeervoorzieningen. Het college heeft aldus ten aanzien van die twee parkeerplaatsen voldoende aannemelijk gemaakt dat de financi&#195;&#171;le bijdrage die door [vergunninghoudster] is voldaan ter verkrijging van de ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef onder a, aangewend zal worden om te voorzien in de desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan. In zoverre is voldaan aan het in het slot van voormeld artikelonderdeel gestelde vereiste.

Het college heeft ten aanzien van de resterende drie parkeerplaatsen geen inzicht verschaft in de wijze waarop daarin zal worden voorzien, zodat het betoog van [wederpartijen] in zoverre slaagt.&apos;

Ad b
De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning door gebruik van de afwijkingsmogelijkheid, vermeld onder het tweede aandachtsstreepje van punt b, is bedoeld voor onder meer winkels, schouwburgen, de loketfunctie van raadhuizen, sportstadions en bibliotheken. Niet hoeft te worden afgeweken, indien in de nabijheid voldoende parkeergelegenheid is op de openbare weg, op een blijvend openbaar parkeerterrein of in een blijvend openbare parkeergarage.

Alternatief 2

Lid 1
Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het lokale verkeer- en vervoerplan.

Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald.

Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.

Lid 2
Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1. De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over &apos;parkeerplaatsen van voldoende afmetingen&apos;. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.

Lid 3
De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto&apos;s).

Lid 4, ad a
De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van de eis in het eerste lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak te maken is onder meer bedoeld voor omgevingsvergunningplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kunnen daarbij financi&#195;&#171;le voorwaarden worden gesteld.


Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen

Paragraaf 7.3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen

Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf

Artikel 2.2, eerste lid van het Bor geeft de raad de mogelijkheid om van het in artikel 2.11.1 eerste lid, onderdeel a, genoemde aantal personen af te wijken. De raad kan indien afwijking van dit artikel is gewenst, een nieuw artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf in de bouwverordening vaststellen.

 
Hoofdstuk 9 Het welstandstoezicht

Algemeen
In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.

De werkwijze van de welstandscommissie is in de MBV niet concreet uitgewerkt vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen nadrukkelijk zelf een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien een gemeente werkt met een provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke keuze dient ook door te klinken in de werkwijze van de provinciale welstandscommissie. Daartoe dient de gemeente het initiatief te nemen en is het aan de provinciale welstandscommissie om deze keuze te onderschrijven.

Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een dergelijk reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient wel dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke bouwverordening.

Welstandscriteria en welstandsnota
Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag een vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van welstand en kan de welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan minimale welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat &apos;in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand&apos; aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is geen welstandstoezicht mogelijk.

De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze criteria &apos;zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorie&#195;&#171;n bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een bouwwerk is gelegen&apos;. Dit biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in een bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste gevallen de basis vormen voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is aanleiding om een behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist verandering en vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake van ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve be&#195;&#175;nvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist.

De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure wordt gevolgd.

Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het bevoegd gezag te worden gemotiveerd.

Relatie bestemmingsplan en welstand
De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de voorrangsregel uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt.

Het welstandscriterium is in artikel 2.10 sub d (voorheen artikel 44 van de Woningwet) omschreven als zelfstandige  toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De voorrangsregeling van artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie heeft uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25 april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari 2000, Gst.2000, 7119). In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin is tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd dat &#195;&#179;&#195;&#179;k de welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering. Het bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in de Wet op de ruimtelijke ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een bestemming is gegeven en de daarbijbehorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen die een re&#195;&#171;le verwezenlijking van de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die situatie zich voordoet is kleiner naarmate het bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te realiseren.

Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid Woningwet) naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan en welstand.

Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie
Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht indien een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert, het bevoegd gezag beslist.

De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een welstandscommissie een stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de bouwverordening voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de stadsbouwmeester.

De adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan wel provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad kan er voor kiezen om voor de welstandsadvisering gebruik te maken van een provinciale welstandsorganisatie, die het resultaat is van een gemeenschappelijke regeling of een privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de leden van de welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij artikel 9.2.

Alternatief 1
In dit alternatief wordt voor de welstandsadvisering gebruikgemaakt van de diensten van een provinciale welstandsorganisatie, die de rechtspersoon kan hebben van een gemeenschappelijke regeling, vereniging of stichting. Deze vereniging of stichting dient dan door de gemeenteraad als welstandscommissie te worden aangewezen. De vereniging of stichting draagt uit haar midden personen voor aan b&amp;w om door de gemeenteraad te worden benoemd. De welstandscommissie adviseert over alle vergunningplichtige bouwwerken.

Alternatief 2
In dit alternatief is er sprake van een lokale welstandscommissie, die adviseert over alle vergunningplichtige bouwwerken.

Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie

Onafhankelijkheid
Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook is het raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert te zijn op mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het college van burgemeester en wethouders of van het bevoegd gezag dat besluiten neemt over een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen aan de welstandscommissie voor de eigen gemeente of voor de gemeente waarover het bevoegd gezag besluiten neemt, is in dit verband uitgesloten.

Deskundigen en burgers
In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend &apos;deskundigen&apos; zitting te hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega&apos;s. Onder niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de kwaliteit van de gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het gemeentebestuur in de welstandscommissie kunnen worden benoemd. De gemeenteraad beslist over de benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen wettelijke verplichting om niet-deskundige leden op te nemen in de welstandscommissie.

Er zijn meerder alternatieven denkbaar.

Alternatief 1
De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden. De secretaris is geen lid van de welstandscommissie.

Alternatief 2
In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook &apos;ge&#195;&#175;nteresseerde burgers&apos; zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een provinciale welstandsorganisatie is de keuze voor dit alternatief denkbaar, maar minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners deelnemen. 

De secretaris van de welstandscommissie is geen lid van de welstandscommissie.

Alternatief 3
De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden.

Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien gebruik wordt gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie is dit veelal de rayonarchitect.

Alternatief 4
In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook &apos;ge&#195;&#175;nteresseerde burgers&apos; zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een provinciale welstandsorganisatie is het denkbaar, maar minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners deelnemen.

Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien een provinciale welstandsorganisatie is aangewezen als commissie, is dit veelal de rayonarchitect.

Alternatief 5
In plaats van een welstandscommissie biedt de Woningwet de mogelijkheid om een stadsbouwmeester te benoemen. Dit alternatief is niet uitgewerkt in de MBV.

Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording

Jaarverslag welstandscommissie
Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de welstandsnota als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b, derde lid van de Woningwet.

Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het jaarverslag tijdig v&#195;&#179;&#195;&#179;r de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Ervan uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in september/oktober wordt behandeld, zou het &apos;verslagjaar&apos; van de welstandscommissie kunnen lopen van juni tot juni.

Jaarverslag burgemeester en wethouders
Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders ingevolge artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In dit jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te komen:

op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de welstandsadviezen;
op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen;
in welke gevallen burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen tot toepassing van bestuursdwang of 	oplegging van een last onder dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand als bedoeld 	in artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit tot uitvoering daarvan zijn overgegaan.

Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.

Samen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat bevorderd.

In de Woningwet is een algemene verslagverplichting voor burgemeester en wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.

Artikel 9.5 Termijn van advisering
De termijnen voor de behandeling van bouwplannen ter verkrijging van een omgevingsvergunning voor het bouwen staan in de Wabo. Deze termijnen zijn beduidend korter dan voorheen in de Woningwet. Hierdoor ontstaat voor de welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel is de advisering binnen de Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een verlenging van de adviestermijn is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo de beslistermijn voor de vergunningverlening is verlengd.
De mogelijkheid van beoordeling van een zgn. schetsplan in een informele voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen pas aanvangen bij de ontvangst van verzoek om vergunning. Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten aanzien waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is het raadzaam gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging van de beslistermijn.

Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting
Openbaar vergaderen
Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van de Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te weigeren.

Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de welstandsvergadering bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking hebben op de geagendeerde aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ter inzage te leggen bij de agenda en daarvan melding te maken in de bekendmaking.

De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de advisering op het terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en kennis over het welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer.

Belanghebbenden
Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de aanvrager van de omgevingsvergunning en anderzijds andere belanghebbenden.

Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient te worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn aanvraag toe te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan - indien nodig - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden verkleind.

Spreekrecht
Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2 Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de vergadering van de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen geen &apos;recht van spreken&apos; hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn.

De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend, dan kan de termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige voorbereiding door eventuele sprekers geen sprake is.

De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd. De potenti&#195;&#171;le bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering verdient.

Behandeling van aanvragen onder verantwoordelijkheid welstandscommissie
Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen waarbij onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie wordt gewerkt (art 9.7 MBV), vraagt voor de openbaarheid enige aandacht. In geval van veelvoorkomende omgevingsvergunningen voor het bouwen van kleine bouwwerken (als deze al niet vergunningvrij zijn) zal er geringe belangstelling zijn om de behandeling van bouwplannen bij te wonen. Het verdient in dat geval aanbeveling om per bouwplan slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden voldaan en er geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.

Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid
In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan het onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie afdoen van het welstandsadvies.

De meest voorkomende vorm van het &#226;&#8364;&#732;onder verantwoordelijkheid afdoen&#226;&#8364;&#8482;, komt neer op de afdoening van een welstandsadvies bij plannen waarvan de mening van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.
Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor afdoening onder verantwoordelijkheid met betrekking tot bepaalde categorie&#195;&#171;n bouwwerken 
Negatief adviseren wordt in dit geval meestal uitgesloten.

Voordat de Wabo in werking trad, regelde artikel 48 Woningwet (oud) de aanvraag welstandsadvies van het college aan de welstandscommissie. Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen de reguliere bouwvergunning en de lichte bouwvergunning. In het eerste geval was het vragen van welstandsadvies verplicht, in het tweede geval niet. (&#226;&#8364;&#732;Een aanvraag voor een lichte bouwvergunning kunnen zij voor advies aan de welstandscommissie (..) voorleggen).
Verder bood het Besluit bouwvergunningvrij en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb) de mogelijkheid om zgn. loket- of sneltoetscriteria vast te stellen. 
De combinatie van deze mogelijkheden werd door veel gemeenten gebruikt om de beoordeling van aanvragen voor een licht- vergunningplichtig bouwwerk over te laten aan een niet tot de welstandscommissie behorende ambtenaar. 

Op 1-10-2010 zijn de Wabo en het Bor in werking getreden. Dit heeft gevolgen gehad voor deze werkwijze.
De welstandscommissie is de door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand (art. 1, onder n. Woningwet).
Op basis van artikel 2.10, lid 1 onder d Wabo moet de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen in beginsel worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft om strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria zoals vermeld in de welstandsnota, bedoeld in art. 12a, eerste lid, onder a van de Woningwet.

Het college van burgemeester en wethouders is verplicht om een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen ter advisering voor te leggen aan de welstandscommissie of de stadsbouwmeester (art. 2.26, lid 3 in samenhang met art. 6.2 Bor). Dit hoeft niet wanneer er voor het desbetreffende bouwwerk geen redelijke eisen van welstand gelden (omdat de gemeenteraad op basis van art. 12, lid 2 Woningwet heeft bepaald dat geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn) of bij voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning reeds op een andere grond moet worden geweigerd.

Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn artikel 48 Woningwet en het Bblb komen te vervallen. Onder de Wabo is een bouwwerk omgevingsvergunningplichtig of vergunningvrij; een tussencategorie bestaat niet meer. Dit betekent dat iedere aanvraag voor een omgevingsvergunningsplichtig bouwwerk door het college ter advisering aan de welstandscommissie moet worden voorgelegd. 
Dit betekent ook dat het college geen ambtenaar (meer) kan mandateren om te toetsen aan zgn. loketcriteria.

De (model-)bouwverordening biedt in artikel 9.7 de mogelijkheid voor de welstandscommissie om de advisering over een aanvraag om welstandsadvies onder verantwoordelijkheid van de commissie over te laten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden van die commissie. Het aangewezen lid of de aangewezen leden kunnen alleen adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.

Geen mandatering
Hierbij is overigens geen sprake van mandatering in de zin van de Awb.  Art. 10:1 Awb definieert mandaat immers als: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen. De welstandscommissie is geen bestuursorgaan. Bovendien neemt het geen besluiten (in de zin van de Awb) maar adviseert de commissie het college. Om misverstanden te voorkomen, passen wij art. 9.7 van de modelbouwverordening bij de eerstvolgende wijziging aan. 

Samengevat:
Sinds de inwerkingtreding van de Wabo is &quot;flitsen&quot; alleen mogelijk als:
- voor het betreffende bouwplan geen welstandscriteria gelden of,
- het daartoe aangewezen lid van de welstandscommissie aanwezig is, en
- het oordeel van de welstandscommissie over het betreffende bouwplan als bekend mag worden verondersteld.

Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht

Lid 1
Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk uitgangspunt vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat in artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat bij positieve welstandsadvisering een expliciete motivering achterwege blijft. Volgens vaste jurisprudentie verandert dit direct zodra bezwaar tegen de (voorheen) bouwvergunning wordt ingediend.

Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorie&#195;&#171;n bouwwerken
Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van welstandstoezicht, stelt de raad alternatief 3 of alternatief 4 van artikel 1.3 van de MBV vast. Het desbetreffende gebied is aangeduid op de kaartbijlage als bedoeld in dit artikel. 

Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen

Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften
Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN&apos;s), voornormen (NVN&apos;s) en praktijkrichtlijnen (NPR&apos;s).

Hoofdstuk 11 Handhaving

Algemeen
Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande bouwwerken vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe nog (de tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit 2012 geldt voor alle bouwwerken (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening krijgt deze systematiek vorm in artikel 7b Woningwet en voor het welstandsvereiste voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met het generieke handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2012, dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk van een bouwwerk niet in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota.

Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit dient vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het Bouwbesluit 2012 het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk in strijd is en met welke voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw of ander bouwwerk weer in overeenstemming met die voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden de toepassing van bestuursdwang voorkomen (artikel 5:24 Awb) dan wel overeenkomstig artikel 5:32b, van de Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen.

Tegen een handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb in samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen).

Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid bestaan om met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb met een last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen illegale bouw- en sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden. Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste vergunning wordt gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om spoedshalve bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:24 Awb. Het direct met bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden is er immers op gericht te voorkomen dat de illegale situatie verder in omvang toeneemt, waardoor burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen feiten worden geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR 2003, 893).

Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Algemeen
Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de Wet op de economische delicten. 


Bijlagen

Bijlage 1
Toelichting verordening
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Erfgoedverordening voorheen Monumentenverordening" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b983040b003a0/versie-d0c5d4662d3cd86b012d5ab2f1350033.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast;
gezien het voorstel van het college van 14 september 2010;
gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

besluit vast te stellen de volgende Erfgoedverordening 2010 gemeente Grootegast

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Artikel 1. Begripsbepalingen
Deze verordening verstaat onder:
a.Gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen:
1zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;
2terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder 1;
b.gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in onderdeel a;
c.beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
d.monumentencommissie: de op basis van art.15 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de verordening en het monumentenbeleid;
e.gemeentelijke archeologische waardekaart: topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven;
f.landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden: landelijke kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt gemaakt in hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans;
g.provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart van (delen van) het provinciale grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn aangegeven;
h.archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de archeologische waardekaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn;
i.hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten of informatie;
j.middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische vondsten of informatie;
k.lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten of informatie;
l.plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden;
m.programma van eisen: programma dat door het college wordt vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek.
n.gemeentelijke beleidsadvieskaart: kaart behorende bij de archeologische paragraaf van het bestemmingsplan.
o.Bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de  Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
p.Het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Grootegast.
q.Vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de  Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
r.Wabo:  Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

HOOFDSTUK 2. AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN

Artikel 2. Het gebruik van het monument
Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument.

Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument
1.Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.
2.Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de monumentencommissie.
3.Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar.
4.De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van de monumentenverordening van de provincie Groningen.

Artikel 4. Voorbescherming
Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit
1.De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na ontvangst van het verzoek van het college.
2.Het college beslist binnen 8 weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 26 weken na de adviesaanvraag.

Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit
De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan.

Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst
Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst.
De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

Artikel 8. Wijzigen van de aanwijzing
1.Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen.
2.Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.
3.Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege.
4.De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.

Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing
1.Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.
2.De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan de monumentenverordening van de provincie Groningen.
3.De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerd.

HOOFDSTUK 3. INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN

Artikel 10. Instandhoudingbepaling
1.Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.
2.Het is verboden zonder vergunning van het college:
aeen gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;
been gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
3.Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.
4.Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voorzover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.

Artikel 11. De schriftelijke aanvraag
Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in 5-voud ingediend.

Artikel 12. Termijnen advies
1.Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de monumentencommissie voor advies.
2.Binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college.

Artikel 13. Weigeringsgronden
De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.

Artikel 14. Intrekken van de vergunning
De vergunning kan door het college worden ingetrokken indien:
a.blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
b.de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen;

HOOFDSTUK 4. BESCHERMDE MONUMENTEN

Artikel 15. Vergunning voor beschermd rijksmonument
1.Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan de monumentencommissie.
2.De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.

HOOFDSTUK 5. INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE TERREINEN

Artikel 16. Instandhoudingbepaling
1.Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2 of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder h, de bodem dieper dan 40 cm onder de oppervlakte te verstoren.
2.Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien;
ahet een verstoring betreft van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, en waarbij die verstoring plaatsvindt:
1in een gebied met lage archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2, of;
2in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2, of;
3in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2.
bin het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.
csprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht  en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.
dhet college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke archeologische waardenkaart of de gemeentelijke beleidsadvieskaart, dan wel bij het ontbreken daarvan,de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden;
eeen rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:
1het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of
2de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of
3in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Artikel 17. Opgravingen en begeleiding
1.Indien binnen het grondgebied van de gemeente Grootegast onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet:
ahet college een programma van eisen vast te stellen als bedoeld in artikel 1 onder m, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek.
bde verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoel in artikel 1 onder l van deze verordening ter goedkeuring aan het college te overleggen.
2.In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen.
3.Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het college advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de Archeologische monumentenzorg.

Artikel 18. Procedure
De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige toepassing op de bepalingen uit artikel 16, tweede lid, onder e, en artikel 17, eerste lid, onder b.

HOOFDSTUK 6 OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 19. Tegemoetkoming in schade 
Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, indien de schade in relatie staat tot:
a.de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in artikel 10 te verlenen;
b.de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 10;
c.de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 10, derde lid;
d.de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onder d;
e.een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid, tweede volzin.

Artikel 20 Strafbepaling
Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en artikel 16 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e, van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.

Artikel 21. Toezichthouders
1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN

Artikel 22. Intrekken oude regeling
De Erfgoedverordening 2008, gemeente Grootegast, vastgesteld op 16 september 2008 wordt ingetrokken.

Artikel 23. Overgangsrecht
1.De op grond van de onder artikel 22 ingetrokken Erfgoedverordening 2008 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.
2.Aanvragen om vergunning die zijn ingediend v&#243;&#243;r de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in artikel 22 ingetrokken verordening.

Artikel 24. Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de  Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt.

Artikel 25. Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening 2010 Gemeente Grootegast.



Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 28 september 2010.
De raad voornoemd,

de voorzitter,				de griffier,



K.B. Dijkstra				H.R. Kastermans
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Notitie onrechtmatige bewoning recreatiewoningen" url="verordening-d0c5d4661c0c5e38011dd907c6440328/versie-d0c5d4661c0c5e38011dd907c6440329.html">
	<tekst>
	Notitie onrechtmatige bewoning van recreatiewoningen

1 Inleiding

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) heeft bij brief van 10 november 2003 opdracht gegeven aan de gemeenten om onrechtmatige bewoning van recreatieverblijven in de gemeenten tegen te gaan. Deze brief is in eerste instantie aan de Tweede Kamer gezonden als uitleg van de minister omtrent de problematiek naar aanleiding van een aantal concrete situaties. Volgens de minister ligt de kern van het probleem van onrechtmatige bewoning in het feit dat ondanks dat bestemmingsplannen onrechtmatige bewoning verbieden, er toch veel voorbeelden zijn waar wel degelijk sprake is van onechtmatig gebruik waar tegen niet handhavend wordt opgetreden.
Juridisch gezien gaat het bij onrechtmatige bewoning van recreatiewoningen niet om de duur ervan (permanent of tijdelijk), maar om strijdigheid van de activiteiten met de geldende planvoorschriften. Het voorstel van minister Dekker richt zich op het oplossen van de bestaande problemen en het voorkomen van toekomstige problemen.

Onrechtmatige (of permanente) wordt in de brief van 14 november 2003 gedefinieerd als: &#8216;het (al dan niet tijdelijk) gebruiken van een voor recreatie bestemd verblijf als hoofdwoonverblijf&#8217;. Er is sprake van het permanent bewonen van een recreatiewoning of caravan als iemand daar zijn vaste woon- of verblijfplaats heeft.

In deze beleidsnotitie wordt omschreven op welke wijze de gemeente Grootegast da onrechtmatige bewoning van recreatiewoningen gaat aanpakken.

2 Situatie Grootegast

In de gemeente Grootegast zijn drie categorie&#235;n recreatiewoningen te onderscheiden. Het aangeven van dit onderscheid is gebaseerd op de historie en de gebiedsomschrijving/ -kenmerken van de recreatiewoning. De volgende vormen van recreatiewoningen worden onderscheiden:
1.Situatie Golden Raand
2.Situatie Strandheem
3.Solitaire recreatiewoningen en recreatieverblijven op campings

De status van de recreatiewoningen in de Golden Raand staat al vanaf de jaren &#8217;80 onder druk. De woningen zijn altijd meer in trek geweest als starterswoning dan als tweede woning. Het gevolg is dat de 24 recreatiewoningen al vele jaren permanent worden bewoond. Deze situatie is ook jarenlang gedoogd door de gemeente.

In het gebied Strandheem Opende aan de Oude Trambaan zijn onlangs 15 recreatiewoningen gerealiseerd. In De Koers Verlegd is voor dit gebied nadrukkelijk ingezet op recreatie en hebben deze recreatiewoningen een belangrijke recreatiefunctie.

Naast de situaties van Golden Raand en Strandheem komen er in het buitengebied naar schatting 5 solitaire panden voor waar ogenschijnlijk onrechtmatig in gewoond wordt. In de uitwerking van de beleidsvisie zullen met name voor deze situaties keuzes moeten worden gemaakt of de gemeente legaliseert, handhavend gaat optreden dan wel een persoonlijke gedoogbeschikking afgeeft. Ook ten aanzien van recreatieverblijven op campings zoals stacaravans zal onrechtmatige bewoning worden onderzocht. Op dit omment is de verachting dat er weinig van dergelijke gevallen in de gemeente aanwezig zijn.

3 Oplossingsrichtingen

Legalisering (Golden Raand)
Voor complexen van recreatiewoningen wordt door minister Dekker de mogelijkheid tot bestemmingsplanwijziging geboden voor de recreatiecomplexen:
1.die op 31 oktober 2003 in grote mate onrechtmatig werden bewoond;
2.die zijn gelegen buiten de aangewezen waardevolle en/of kwetsbare gebieden;
3.die thans niet bedrijfsmatig wordt ge&#235;xploiteerd;
4.waarvan de woningen voldoen aan het Bouwbesluit;
5.en waarvan een bestemmingswijziging niet in strijd is met de toepasselijke milieuwetgeving.

Hierbij wordt opgemerkt dat het absoluut niet de bedoeling is om de bestemming te wijzigen van recreatiewoningen die niet of nauwelijks word bewoond of nog een belangrijke recreatiefunctie hebben. Ook mag het niet zo zijn dat door de bestemmingswijziging een nieuwe behoefte ontstaat aan recreatiewoningen in hetzelfde gebied. De oplossing geldt in feite alleen voor Golden Raand.

In oktober 1973 heeft de provincie haar goedkeuring verleend aan de parti&#235;le herziening bestemmingsplan Oldekerk 1950 voor het realiseren van een aantal zomerwoningen. De term zomerwoningen is specifiek bepaald en staat permanente bewoning niet toe. Hoewel, vanaf 1988 wordt al melding gemaakt van permanente bewoning van de zomerwoningen. Alle woningen zijn in particulier bezit, een vereniging van eigenaren beheert het terrein. Volgens de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) is op ieder adres van de 25 woningen die het park telt, iemand ingeschreven.De datum van inschrijving van de meeste bewoners stamt uit halverwege de jaren negentig. Hieruit kan worden aangenomen dat het merendeel van de recreatiewoningen onrechtmatig zou kunnen worden bewoond. Ook in de periode voor de jaren negentig zijn er aanwijzingen dat er onrechtmatige bewoning zou plaatsvinden.

Wanneer het recreatiepark Golden Raand nu wordt getoetst aan de voorwaarden die minister Dekker noemt in haat brief aan de Tweede Kamer, zal duidelijk zijn dat er maar &#233;&#233;n oplossing is; het wijzigen van de recreatieve bestemming in een woonbestemming. Reden hiervoor is de lange periode waarin de situatie actief wordt gedoogd door de gemeente. Wanneer dit gebied in het te actualiseren bestemmingsplan voor de kern Oldekerk/Niekerk opnieuw een recreatieve bestemming zou krijgen, zal er door de gemeente handhavend moeten worden opgetreden. Dat is, gezien de voorgeschiedenis, een moeilijk zaak. De woningen zullen bij legalisering echter wel moeten voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit.

In de tweede helft van2003 is gestart met de actualisering van de bestemmingsplannen in onze gemeente. Oldekerk/Niekerk is de eerste kern waarvoor het bestemmingsplan zal worden geactualiseerd. Inmiddels is samen met Buro Vijn een start gemaakt met dit plan. Bij het vastleggen van de plangrenzen is gekozen om de Golden Raand in het plangebied op te nemen. In maart 2004 hebben wij besloten om in ori&#235;nterende zin in overleg te treden met de vereniging van eigenaren van het recreatiepark Golden Raand.

Handhaving (Oude Trambaan)
Voor de recreatiewoningen die geen bestemmingswijziging krijgen of waar de bewoners geen persoongebonden gedoogbeschikking krijgen toegekend, moet de gemeente handhavend optreden in geval van permanente bewoning. De betreffende recreatiewoning dient in overeenstemming met het bestemmingsplan te worden gebruikt. Dit geldt met namen voor de recreatiewoningen op Strandheem (Oude Trambaan). In het vastgestelde bestemmingsplan Strandheem (2000) is in de toelichting en de voorschriften van het plan reeds opgenomen dat permanente bewoning van de recreatiewoningen niet wordt toegestaan. Daarmee is het onmogelijk, gezien de datum van het vaststellingsbesluit van het plan, en naar onze mening ook onwenselijk om permanente bewoning te legaliseren.

Om te kunnen handhaven dient te worden aangetoond of er aan de Trambaan sprake is van het houden van een hoofdverblijf in een recreatiewoning (zomerhuis). Als er sprake is van permanente bewoning dan is dit in strijd met het bestemmingsplan Strandheem.

In de algemene bepalingen artikel 1 van het bestemmingsplan Strandheem is het begrip Zomerhuis omschreven als: een gebouw, dat dient als recreatiewoonverblijf, waarvan de gebruiker hun hoofdverblijf elders hebben. Het begrip hoofdverblijf wordt niet verder omschreven in het plan, maar duidelijk is wel dat er onderscheid wordt gemaakt tussen een recreatiewoonverblijf en het hoofdverblijf elders.

Artikel 5 van de planvoorschriften bestemt het gebied waarin de recreatiewoningen (zomerhuis) aan de Oude Trambaan zijn gebouwd voor permanente verblijfsrecreatie. In de doeleindenomschrijving onder lid 1 zijn de bedoelde gronden van artikel 5 bestemd voor zomerhuizen; sport-, speel- en groenvoorzieningen en water; wegen; openbare nutsvoorzieningen. Onder artikel 5, lid 2 is aangegeven dat de verwerkelijking van de bestemming middels een procedure als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) nader wordt uitgewerkt. Het artikel 11 uitwerkingsplan, vastgesteld 4 juli 2000, biedt ruimte voor 15 zomerwoningen. De gebruiksbepalingen van artikel 5, 6e lid geven aan dat het verboden is de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in lid 1 gegeven doeleindenomschrijving. Dit betekend dat de gronden mogen worden gebruikt voor zomerhuisjes en dus niet als hoofdverblijf. Overtreding van het 6e lid wordt in lid 8 van de bestemmingsplanbepalingen aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 59 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Het bestemmingsplan Strandheem kent onder artikel 6 een afzonderlijke bestemming Wonen. Binnen de bestemming Wonen kan op de plankaart nog een extra aanduiding &#8220;Z&#8221; zijn aangegeven. Woonbestemmingen met deze extra aanduiding hebben recht op het plaatsen van een zomerwoning.

In het bestemmingsplan Strandheem is het gebied, dat bestemd is voor permanente verblijfsrecreatie (zomerhuizen), nader uitgewerkt middels een artikel 11 WRO procedure. In het wijzigingsplan is in de toelichting aangegeven dat door de realisering van de zomerhuisjes wordt begonnen met de versterking van de recreatieve waarden in het gebied. De begrippen in het uitwerkingsplan komen overeen met de begrippen zoals die in het moederplan worden gehanteerd. Wel wordt het begrip Permanente bewoning omschreven als:
bewoning van een ruimte als hoofdverblijf.

Een hoofdverblijf is volgens de begripsbepaling
de plaats waar een persoon gedurende een jaar de meeste nachten doorbrengt in combinatie met de plaats waar het sociale leven van deze persoon zich afspeelt.

Om voldoende aanwijzingen te vinden of iemand een recreatiewoonverblijf (zomerhuis) permanent gebruikt zullen verschillende instrumenten in combinatie worden gebruikt. De gemeenten Harderwijk en Den Helder hebbende volgende instrumenten omschreven die hiervoor beschikbaar zijn. Hoewel in deze gemeenten de problematiek van een ander schaalniveau is, kan wel gebruik worden gemaakt van de gehanteerd instrumenten:

1.controle van registratiesystemen
2.controle opgegeven adres
3.melding van burgers
4.waarneming ter plaatse
5.verklaringen van betrokkenen

1.Het verifi&#235;ren van registratiesystemen is van belang omdat het adres waarop iemand in een registratiesysteem staat ingeschreven, een belangrijke aanwijzing oplevert voor iemands feitelijke woonadres. Het is ook mogelijk dat iemand een &#8216;papieren&#8217; werkelijkheid heeft geconstrueerd om te voorkomen dat uit verificatie van registratiesystemen de feitelijke woonsituatie kan worden opgemaakt. E&#233;n van de manieren om er achter te komen of er sprake is van zo\n papieren werkelijkheid, is vergelijking van gegevens in verschillende registratiesystemen op mogelijke verschillen. Gemeenten mogen echter niet zonder meer van allerlei registraties gebruik maken om er achter te komen waar iemand feitelijk woont. De Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP) en privacyreglementen van de instanties die persoonsregistraties bijhouden stellen hieraan beperkingen. De voormalige Registratiekamer (tegenwoordig Commissie Bescherming Persoonsgegevens) heeft inmiddels aangegeven welke gegevensbestanden mogen worden geraadpleegd zonder dat daarmee de privacy van de betrokkenen wordt geschaad. Niet toelaatbaar zijn bijvoorbeeld de raadpleging van bestanden van wooncorporaties, bedrijfsverenigingen, nutsbedrijven en PTT-Telecom. Raadpleging van deze bestanden is pas mogelijk als daarvoor door de betrokkene (de verdachte bewoner) toestemming is gegeven. Overigens is in geen van de gevallen de houder van een persoonsregistratie verplicht tot medewerking. Dit betekent dat het mede van het beleid van de betreffende instantie zal afhangen of aan het verzoek om medewerking zal worden voldaan.

2.Als bewoners van recreatieverblijven niet in de GBA van de gemeente staan ingeschreven, dan geeft de informatie over de situatie op et adres waar ze wel staan ingeschreven, over het algemeen goede aanwijzingen over de feitelijke woonsituatie. Volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (25-7-2001) mogen gemeenten uitgaan van de juistheid van de GBA inschrijving. Samen met enkele andere constateringen rechtvaardigt de inschrijving het vermoeden van permanente bewoning. Indien de verdachte dit vermoeden niet kan weerleggen mag volgens de rechter er van uit worden gegaan dat er recreatiewoning als hoofdwoonverblijf wordt gebruikt.

3.Al dan niet anonieme tips van burgers over gevallen van permanente bewoning kunnen belangrijke aanwijzingen voor de gemeten opleveren. Naarmate de gemeente actiever handhaaft, zullen er ook meer meldingen van burgers komen. Meldingen van gevallen van permanente bewoning van recreatieverblijven zijn met name te verachten van mensen die zelf door de gemeente worden aangepakt. Deze personen zullen zicht achtergesteld voelen bij mensen waartegen de gemeente geen actie onderneemt. Overigens dient te worden opgemerkt dat de toegevoegde waarde van deze informatie gering is en die zin dat een dergelijk instrument moet worden bekeken in samenhang met andere bewijslast. De gemeente moet niet afhankelijk worden van het klikgedrag van degenen die reeds door de gemeente zijn aangeschreven. Het is maar de vraag of dergelijke informatie nog als objectief kan worden aangemerkt. Voorts kan het wel of niet aanpakken van illegale bewoners niet afhankelijk worden gesteld van het wel of niet aangegeven door omwonenden.

4.Waarnemingen ter plaatse kunnen de eerste aanwijzingen opleveren dat een recreatiewoonverblijf permanent wordt bewoond. Bovendien kunnen de resultaten van een dergelijke controle ook aanvullend bewijsmateriaal opleveren indien reeds vermoedens bestaan van permanente bewoning. De controle ter plaatse zal zich voornamelijk richten op de feitelijke aanwezigheid of afwezigheid van bewoners en op uiterlijke kenmerken van de recreatiewoonverblijven die aanwijzingen kunnen geven voor de wijze van bewoning.

5.Naast de gegevensverzameling door de gemeente, kunnen ook verklaringen van betrokkenen aanwijzingen voor permanente bewoning opleveren. In de praktijk blijken veel mensen die worden geconfronteerd met het vermoeden van de gemeente dat zij een recreatieverblijf permanent bewonen, toe te geven dat dit ook daadwerkelijk het geval is. Ook kan in zo&#8217;n geval de bewijslast worden omgekeerd in die zin dat betrokkene moet aantonen waar hij of zij dan wel feitelijk hoofdverblijf houdt.

Opgemerkt dient te worden dat deze lijst niet uitputtend is. Gezien de complexiteit van het probleem moeten alle mogelijke gegevens wordt aangewend in de bewijsvoering. Met namen de feitelijke controle is van belang. Dit is nog eens onderstreept door de rechter bij de aanpak van permanente bewoning door de gemeente Ermelo.

De ontwikkelaar van de recreatiewoningen (zomerwoning) Poelman Zandhandel B.V. is als deelnemer aan de revitalisering van het recreatiegebied Strandheem vanaf het begin betrokken geweest bij de ontwikkeling van de recreatiewoningen. Vanaf het begin van het traject werd duidelijk dat maximaal 15 recreatiewoningen gerealiseerd kunnen worden. Bij planvorming was bij de gemeente en de ontwikkelaar duidelijk dat permanente bewoning van de 15 recreatiewoningen niet is toegestaan. Aanvullend is dit bestuurlijk meermalen door het college benoemd, o.a. bestuurlijk overleg 8 oktober 2003 en bij brief van 25 augustus 2003 en 26 februari 2004. tijdens de overleggen en in de correspondentie is aangegeven dat de bedoelde woningen slechts mogen worden gebruikt voor recreatieve doeleinden en dat permanente bewoning niet is toegestaan. Eveneens wordt ter informatie gewezen op het feit dat als blijkt dat er sprake is van permanente bewoning, het college genoodzaakt is om tot handhaving over te gaan.

Ook in de overige correspondentie richting de ontwikkelaar is aangegeven dat permanente bewoning van recreatiewoningen niet is toegestaan. Een aantal belangstellenden voor de zomerwoningen heeft bij de gemeente ge&#239;nformeerd naar de gebruiksmogelijkheden van de woningen. In contacten die daar uit voorvloeiden is structureel aangegeven dat permanente bewoning niet is toegestaan.

In welke gevallen, naast Strandheem (Oude Trambaan), de gemeente handhavend zal optreden zal per geval worden beoordeeld.

Persoonsgebonden gedoogbeschikking (solitaire woningen)
Om tegemoet te komen aan bestaande situaties waar bewoners al lange tijd onrechtmatig wonen heeft de minister aangegeven dat gemeenten de mogelijkheid hebben om persoonsgebonden gedoogbeschikkingen af te geven. Het gaat met name om die situaties waarin gemeente en/of provincie geen bestemmingswijziging kan of wil overwegen. Voorwaarde is wel dat het pand voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit. Als, bijvoorbeeld bij verhuizing, de persoonsgebonden gedoogbeschikking afloopt, dan dient de gemeente handhavend op te treden.

Voor solitaire woningen geldt dat per geval wordt bekeken wat de voorschriften binnen het bestemmingsplan mogelijk maken. Bij solitaire woningen zal ook niet in elk geval sprake zijn van een recreatieve bestemming maar bijvoorbeeld het gebruik van een omgebouwde veestalling voor recreatieve doeleinden. Vervolgens zal moeten worden afgewogen of handhavend wordt opgetreden dan wel dat de situatie actief wordt gedoogd.

5 Aanpak

Om aan te kunnen tonen in welke gevallen er sprake is van een permanente bewoning, zal nagegaan moeten waar het hoofdverblijf van de bewoner is en zullen controles moeten worden uitgevoerd. Daarbij worden de volgende elementen gehanteerd:

Publicatie
Voor 1 januari 2005 publiceren en kenbaar maken welk beleid de gemeente gaat voeren.
In correspondentie structureel aangeven dat permanente bewoning niet is toegestaan.

Relevante info
Controleren van gemeentelijke registraties op de adressen aan de Oude Trambaan.
Controle van andere registraties en het achterhalen of de eigenaar een papieren schijnwereld heeft gecre&#235;erd.
Gegevens van de belastingdienst opvragen en andere mogelijkheden benutten die onrechtmatige bewoning kunnen aantonen.

Controle
Controle ter plaatse van verdachte recreatiewoningen. Bij controles zal de feitelijke situatie worden opgenomen door &#233;&#233;n of twee van het bureau BWT, BZ en/of R.O. Het doel van de controles os om het bewijsmateriaal dat is verzameld bij de registratiecontrole te verstevigen met extra belastend materiaal.

Wanneer de controles voldoende aanwijzingen hebben opgeleverd dat er sprake is van permanenten bewoning, gaat de gemeente over tot het opleggen van een dwangsom. Daarbij zal ook de openbaar ministerie worden ingelicht.

Handhaven
Bij constatering van permanente/ onrechtmatige bewoning ontvang te de overtreder een vooraankondiging dwangsom. Dit betekend dat de overtreder in de gelegenheid wordt gesteld om, binnen gestelde termijn, de situatie in overeenstemming te brengen met het bestemmingsplan. Mocht na de gestelde termijn blijken dat de strijdigheid voortduurt dan zal een last onder dwangsom worden opgelegd. In last onder dwangsom wordt een termijn gesteld waarbinnen de overtreding moet zijn opgeheven. Na afloop van deze termijn wordt een dwangsom verbeurt. In de eerste maand verbeurt de overtreder een bedrag van &#8364;500,--. In de daarop volgende maanden volgt een maandelijkse verbeuring van &#8364;2000,-- dat de strijdigheid voortduurt tot een maximum van &#8364;22.500,-- (12 maanden) verbeuren. Na het verlopen van de maximum termijn van 12 maanden kan een nieuwe dwangsom worden opgelegd.

In gevallen waar sprake is van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald of er een persoongebonden beschikking wordt afgegeven.

Grootegast. 16 november 2004

Het college van Burgemeester en Wethouders,

W.P. van Boggelen, secretaris	K.B. Dijkstra, burgemeester
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Notitie &#8220;beroep en bedrijf aan huis&#8221;" url="verordening-d0c5d4662c1aff7d012c356373520079/versie-d0c5d4662c1aff7d012c35637352007a.html">
	<tekst>
	Notitie &#8220;beroep en bedrijf aan huis&#8221;

April 2004
1. Algemeen

1.1. Inleiding
Steeds vaker wordt de gemeente Grootegast geconfronteerd met aanvragen ofwel bestaande situaties die het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis dus vanuit een woning betreffen. Hiermee worden overigens niet de bedrijfswoningen en agrarische bedrijfswoningen bedoeld. Bij deze woningen is reeds sprake van (agrarische) bedrijfsactiviteiten en bovendien een geheel ander toetsingskader vanwege een andere (niet gevoelige) bestemming.

Onlangs was in de gemeente nog sprake van een aanvraag voor het oprichten van een hondentrimsalon bij een woning. Hieraan kon geen medewerking worden verleend. Een aantal overwegingen hebben hieraan ten grondslag gelegen. 
De activiteit valt ten eerste niet onder aan huis verbonden beroepen zoals de huisarts en notaris. Een dergelijke activiteit kan alleen plaatsvinden in panden met een bedrijfs- of detailhandelsbestemming. De vigerende bestemming van &#8220;wonen met beperkte agrarische activiteiten&#8221; voorziet hier derhalve niet in. Bovendien heeft deze activiteit geen relatie met het buitengebied en een niet agrarisch bedrijf zou worden toegevoegd aan het buitengebied. Hetgeen ook in strijd is met het provinciaal beleid. 

Hierbij worden een aantal argumenten aangehaald op grond waarvan een dergelijke activiteit niet kan worden toegestaan bij een woning. Uniforme regelgeving ten aanzien van het toestaan van bepaalde vormen van beroep en bedrijf aan huis is binnen de gemeente echter niet aanwezig. Deze notitie tracht een kader te scheppen zodanig dat de ontwikkeling van beroep en bedrijf aan huis uniform kan worden gereguleerd. 
Allereerst worden in paragraaf 1.2 en 1.3 de centrale begrippen toegelicht.

1.2. Aan huis verbonden vrije beroepen
Voor een aan huis verbonden vrij beroep geldt dat dit is aan te merken als gebruik overeenkomstig de bestemming &#8220;wonen&#8221; en er derhalve geen sprake is van strijdig gebruik. Uit jurisprudentie blijkt dat het vestigen van een vrij beroep in een woning niet in strijd is met de bestemming, mits de woonfunctie als overwegende functie blijft gehandhaafd. Over het algemeen wordt de grens gesteld op 70% bewoning en 30% ten behoeve van de vrije bedrijfsuitoefening. Een vrijstelling van de gebruiksvoorschriften voor de vestiging van een vrij beroep is dan niet vereist. In een bestemmingsplan kan echter expliciet worden aangegeven dat alleen wonen wordt bedoeld. In zo&#8217;n geval is de vestiging van een vrij beroep wel in strijd met de bestemming. Een vrijstelling van de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan is dan wel vereist.
Gewoonlijk wordt bij vrije beroepen gedacht aan: arts, tandarts, fysiotherapeut, dierenarts, advocaat, notaris, accountant en makelaar. Dit zijn beroepen die reeds van oudsher in een deel van de woning worden uitgeoefend. 

1.3 Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten
Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten die niet onder de (traditionele) vrije beroepen vallen, passen in beginsel niet binnen de geldende woonbestemming. Hierbij kan worden gedacht aan: optici&#235;ns, verzekeringsagenten, kap- en schoonheidssalons, uitzend- en andere advies- en/of servicebureaus, kleine winkeltjes en hondentrimsalons. Deze opsomming is niet uitputtend. Geregeld manifesteren zich nieuwe vormen van bedrijfsuitoefening in woningen.
Naar aanleiding van de jurisprudentie ontstaat vaak de discussie of nu wel zoveel verschil bestaat tussen bijvoorbeeld een artsenpraktijk en een kapsalon in een wijk met primair een woonfunctie. In tegenstelling tot de traditionele vrije beroepen kunnen deze zogenoemde moderne beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten vaak niet zonder meer worden toegestaan, ondanks het feit dat deze qua aard, karakter en hinder niet wezenlijk afwijken van de aan huis verbonden vrije beroepen.
De Afdeling bestuursrechtspraak kijkt in dit kader tegenwoordig steeds meer naar de ruimtelijke uitwerking bij gebruik anders dan &#8220;vrije beroepsuitoefening&#8221;. De vraag of een bepaald gebruik strijdig is met de woonbestemming, moet worden beantwoord aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft. Gekeken moet worden of de ruimtelijke uitstraling te rijmen valt met de woonfunctie. 

Voorbeeld 1: 
Een kantoorruimte aan huis voor het beheer van onroerende goed zaken kan planologisch niet op een lijn worden gesteld met het uitoefenen van een vrij beroep. Toch blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak dit nog zou kunnen accepteren wanneer het perceel in overwegende mate geschikt blijft overeenkomstig de woonbestemming (geen omvangrijk kantoorgebruik).

Voorbeeld 2:
In een uitspraak van de rechtbank Haarlem van 13 maart 2002 ten aanzien van het gebruik van een deel van een woning als Zon- en Afslankstudio blijkt tevens het belang van de ruimtelijke uitstraling. Het verzoek om voorlopige voorziening van de uitbaters van de Zon- en Afslankstudio wordt in deze uitspraak afgewezen. Er is een dwangsom opgelegd om de activiteiten ten behoeve van de Zon &amp; Afslankstudio te staken en gestaakt te doen houden. Verweerders, in dit geval de gemeente Velsen, hebben aangegeven dat een verzoek tot vrijstelling van de bepalingen van het bestemmingsplan niet zal worden gehonoreerd vanwege de grootschaligheid die als ongewenst wordt geacht. Binnen de gemeente is daarbij geen sprake van willekeur aangezien de gemeente reeds bezig was met het onderzoeken van andere vergelijkbare lichaamsverzorgingpraktijken binnen de gemeente.

2. Bestaand gemeentelijk beleid

In alle bestemmingsplannen van de gemeente zijn bepalingen omtrent het gebruik van gronden en opstallen opgenomen. Hiermee beschikken de bestemmingsplannen over (algemene) gebruiksbepalingen. Ingevolge deze gebruiksbepalingen mag een woning niet voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor deze is bestemd, namelijk voor woondoeleinden. 

2.1 Uitzondering
De uitzondering hierop zijn de bij de woonbestemming aangegeven nadere aanduidingen in de bestemmingsplannen voor het buitengebied van de gemeente Grootegast. Wanneer in het bestemmingsplan &#8220;Buitengebied Grootegast 1e fase&#8221; de &#8220;woning&#8221; is voorzien van de aanduiding &#8220;beperkt agrarische bebouwing&#8221; dan wel &#8220;beperkt niet-agrarische bebouwing&#8221; mag een groter oppervlakte aan bijgebouwen worden gebouwd (ten hoogste 100 m&#178;) en mogen de bijbehorende bijgebouwen tevens voor respectievelijk agrarische doeleinden worden gebruikt dan wel ambachtelijke bedrijfsdoeleinden.
Ook in het bestemmingsplan &#8220;Buitengebied Oldekerk 2e fase&#8221; is voor de bestemming &#8220;woonbebouwing&#8221;, indien aangeduid met &#8220;beperkt agrarische bebouwing&#8221;, een ruimere gebruiksbepaling opgenomen. De totale oppervlakte aan bijgebouwen per woning mag hier eveneens ten hoogste 100 m&#178; bedragen en de bijgebouwen mogen tevens gebruikt worden voor agrarische doeleinden. 

In de meeste bestemmingsplannen is echter geen expliciete regeling opgenomen die een ruimer gebruik toestaat dan het woongebruik. De genoemde aan huis gebonden vrije beroepen, indien aanwezig binnen de gemeente, zijn wel geaccepteerd. 
Voor de meeste aanvragen echter die een verzoek inhouden omtrent het vestigen van een beroep of bedrijf aan huis geldt dat op dit moment individueel wordt getoetst aan de ruimtelijke criteria. Steeds vaker heeft dit geleid tot afwijzing om precedentwerking of willekeur te voorkomen.

Overigens wordt vanuit Beroepsgroepen die gebruikelijk zijn gevestigd in winkelpanden of andere specifieke bedrijfspanden, zoals bijvoorbeeld kappers, soms gesteld dat het uitoefenen van die beroepen aan huis een vorm van valse concurrentie is die door de overheid zou moeten worden tegengegaan. De bevoegdheid van de gemeente reikt met het bestemmingsplan niet verder dan het voorkomen of tegengaan van activiteiten voorzover die uit planologisch oogpunt ongewenst zouden zijn. Motieven die worden ingegeven vanuit de kennelijke behoefte de onderlinge economische verhoudingen tussen burgers te regelen mogen niet maatgevend zijn. 
Daarnaast geeft het hebben van een vergunning op grond van de Vestigingswet nog geen recht om het bedrijf te gaan uitoefenen. Het zegt slechts iets over de vakbekwaamheid. Uiteindelijk is het de gemeente die beslist of een activiteit op een bepaalde locatie wel of niet binnen de bestemming past.

3. Voorstel nieuw beleid

3.1 Inleiding
Alvorens het nieuwe beleid te introduceren geeft paragraaf 3.2 de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt en waarom juist wel of niet voor deze mogelijkheden moet worden gekozen. Dit geeft enerzijds inzicht in de werking van de begrippen aan huis verbonden beroep en bedrijfs- of beroepsmatige activiteiten en maakt anderzijds duidelijk om welke redenen is gekozen voor het beleid zoals voorgesteld in paragraaf 3.3. Aanvullend is ingegaan op de toepassing van het beleid in het buitengebied.

3.2 De mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt
Aan huis verbonden vrije beroepen
In de meeste bestemmingsplannen is middels een algemeen gebruiksverbod bepaald dat het verboden is gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of doel strijdig met de bestemming. Niet ongebruikelijk is om naast of in plaats van een algemeen gebruiksverbod ook een specifiek gebruiksverbod op te nemen. Een dergelijk specifiek gebruiksverbod zou bij woondoeleinden als volgt kunnen luiden: onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen de uitoefening van enige vorm van handel en/of bedrijf.
Bij een algemeen verbruiksverbod is een gebruiksvrijstelling voor de vrije beroepen niet nodig, voorwaarde is wel dat de woning in kwestie in overwegende mate zijn woonfunctie blijft behouden. In geval het bestemmingsplan een specifiek gebruiksverbod kent waarin dus ieder vorm bedrijfs- en beroepsuitoefening is verboden is een gebruiksvrijstelling wel nodig. Een voorbeeld voor een specifieke gebruiksvrijstelling voor de vrije beroepen zou kunnen luiden:
1.Het is verboden de in het plan begrepen bouwwerken en gronden te gebruiken in strijd met de bestemming.
2.Onder strijdig gebruik wordt bij woondoeleinden in ieder geval begrepen:
-het gebruik van de in het plangebied aanwezige gebouwen als beroeps- of bedrijfsmatige werkruimte.
3.B&amp;W kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 2 voor de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis, mits:&#8230;&#8230;

Het vervolg is vaak dat een limitatieve opsomming van activiteiten wordt opgesteld van activiteiten die toelaatbaar worden geacht. Deze limitatieve opsomming zal echter binnen een langere periode niet volledig blijken te zijn. Het gevolg is dat niet kan worden voldaan aan de criteria van een binnenplanse vrijstelling en andere meer omvangrijke vrijstellingsprocedures moeten worden overwogen.
De rechter zal zich namelijk, bij de beoordeling of een activiteit een vrij beroep is, beperken tot de in het plan beschreven beroepen. Een rechter beperkt zich dan tot de vermelde beroepen en zal niet een redenering naar analogie toepassen. Een limitatieve opsomming in zo&#8217;n vrijstellingsbepaling is dan ook niet wenselijk.

Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten
Beroeps&#8211; en bedrijfsmatige activiteiten die niet vallen onder de zogenaamde vrije beroepen passen niet in de bestemming wonen. Op grond van de genoemde algemene of specifieke gebruiksbepalingen worden deze activiteiten verboden. Om toch enige bedrijvigheid bij het wonen toe te kunnen staan, kan hiervoor een vrijstellingsbepaling in het bestemmingsplan worden opgenomen. 
De verplichte combinatie met wonen blijft essentieel: de bedrijvigheid mag het wonen niet verdringen. Dit zou een wijziging naar een andere bestemming betekenen. 
Een limitatieve opsomming van bedrijfsmatige activiteiten is ook in dit geval niet wenselijk. Geregeld manifesteren zich nieuwe vormen van bedrijfsuitoefening van woningen. Op langere termijn zal een dergelijke lijst dan ook niet volledig blijken te zijn.

Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het gebruik van een limitatieve lijst voor beroepen en/of bedrijven aan huis die bij vrijstelling kunnen worden toegestaan niet effectief is en beperkt houdbaar. Nieuwe ontwikkelingen op het gebied van beroep en/of bedrijf aan huis zullen de lijst al snel inhalen. In plaats van een limitatieve lijst te gebruiken kan gekozen worden voor meer algemene criteria die als toetsingskader kunnen dienen of een beroep of bedrijf kan worden toegestaan aan huis c.q. bij de woonfunctie.

Algemene criteria die zowel bij vrije beroepen als bij andere beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteiten van belang kunnen zijn, kunnen na de bestemmings- of doeleindenomschrijving worden opgenomen. Mogelijke criteria kunnen zijn:
1.Het gebruik moet van ondergeschikte betekenis zijn, in die zin dat de woning in overwegende mate de woonfunctie moet blijven behouden.
2.Het gebruik mag geen onevenredige aantasting van het woon- en leefmilieu en van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Dat betekent dat aan het vestigen van bedrijven geen medewerking dient te worden verleend, die vergunningplichtig zijn krachtens de milieuwetgeving.
3.Het gebruik mag geen afbreuk doen aan het karakter van de buurt.
4.Het vestigen van het bedrijf mag niet leiden tot een onaanvaardbare aantrekking van verkeer en parkeeroverlast.
5.Er moet voldoende parkeergelegenheid zijn voor werknemers.
6.Degene die de activiteiten verricht moet tevens de gebruiker van de eigenlijk woning zijn.
7.Geen detailhandel, anders dan in ter plaatse vervaardigde goederen.

Extra vrijstelling: de toverformule
In ieder bestemmingsplan is een algemene verbodsbepaling opgenomen, volgens welke het verboden is gronden of opstallen in strijd met de volgens het plan geldende bestemming te gebruiken. Bij dit algemene gebruiksverbod behoort de zogenaamde toverformule, welke luidt:

&#8220;Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling indien strikte toepassing van het verbod leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd&#8221;.

Het meest doelmatige gebruik mag derhalve niet beperkt worden. Daarbij worden de volgende punten in acht genomen:
1.Het gebruik overeenkomstig de bestemming is in beginsel het meest doelmatige gebruik.
2.Kan het pand objectief bezien overeenkomstig de bestemming gebruikt worden?
aja: dan is er geen mogelijkheid om ten behoeve van het nieuwe gebruik vrijstelling te verlenen.
bnee: dan moet vrijstelling verleend worden, tenzij (afhankelijk van tijd en plaats):
3.er dringende redenen zijn die zich tegen het voorgenomen gebruik verzetten (zwaarwegende redenen van planologische aard, zoals sterk verkeersaantrekkende werking, parkeeroverlast, onevenredige  aantasting van het (woon)karakter van de buurt c.q. omgeving, duurzame ontwrichting van het voorzieningenpatroon e.d.);
4.het voorgenomen gebruik een feitelijk onomkeerbare bestemmingsplanwijziging tot gevolg heeft (in een dergelijk geval ligt de weg van een planherziening en/of de procedure ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening meer voor de hand).

Vrijstelling op grond van bovengenoemde bepaling mag, zoals reeds is beschreven, alleen worden toegepast indien het pand objectief gezien niet (meer) geschikt is om overeenkomstig de bestemming te worden gebruikt. Hiervan is echter bijna nooit sprake (er bestaat immers bijna geen woning die niet als zodanig kan worden gebruikt) en derhalve zal deze vrijstelling zeer sporadisch kunnen worden toegepast. 
Deze vrijstellingsbepaling is in veel bestemmingsplannen reeds opgenomen en kan bij een nieuw bestemmingsplan opnieuw worden opgenomen.

3.3 Nieuw beleid
In het voorgaande is een aantal mogelijkheden genoemd op welke manier een invulling kan worden gegeven aan het reguleren van aan huis verbonden vrije beroepen en beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis. De voor- en nadelen zijn daarbij aan het licht gekomen. Geconcludeerd kan worden dat een limitatieve lijst van toegestane activiteiten niet werkt en derhalve zal worden uitgegaan van een aantal algemene criteria die het toetsingskader vormen. Aanvullend hierop kan de extra vrijstelling worden gebruikt ofwel de zogenaamde toverformule.  

In principe hoeven de vrije beroepen niet gereguleerd te worden met een vrijstellingsbepaling en dus te worden getoetst aan de criteria. Echter ook de vrije beroepen moeten te allen tijde voldoen aan het criterium dat het gebruik ten behoeve van beroep of bedrijf van ondergeschikte betekenis is, in die zin dat de woning in overwegende mate de woonfunctie moet blijven behouden. Daarbij moet het gebruik worden beperkt tot maximaal 30% van de woning met een maximum oppervlakte van 50 m&#178;. Indien sprake is van een specifiek gebruiksverbod voor woondoeleinden binnen het bestemmingsplan, dus wanneer expliciet alleen wonen wordt bedoeld, zal moeten worden getoetst aan alle criteria en zal ook bij een vrij beroep sprake zijn van een vrijstellingsbepaling. 

De lijst van algemene criteria die is genoemd kan derhalve dienen als toetsingskader voor zowel aan huis verbonden vrije beroepen als beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten bij een woning. Hieronder zijn ze verder uitgewerkt en bruikbaar gemaakt voor de gemeente Grootegast. De genoemde algemene criteria met betrekking tot de aard van toelaatbare activiteiten bij een woning kunnen als volgt worden omschreven:

1.Het gebruik moet van ondergeschikte betekenis zijn, in die zin dat de woning in overwegende mate de woonfunctie moet blijven behouden; 
2.Het gebruik moet worden beperkt tot maximaal 30% van de woning met een maximum oppervlakte van 50 m&#178;;
3.Het gebruik mag geen onevenredige aantasting opleveren van het woon- en leefmilieu en van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en  bouwwerken. Het gebruik mag derhalve ook geen afbreuk doen aan het (woon)karakter van de buurt c.q. omgeving. Dit betekent:
adat het gebruik een kleinschalig karakter moet hebben en behouden als genoemd in 1 en 2; schaalvergroting van bedrijvigheid dient te worden verwezenlijkt in panden met een daarvoor passende bestemming;
bdat het gebruik zowel naar de aard als wat betreft de visuele aspecten met het woonkarakter in overeenstemming moet zijn (bv. vitrines en lichtreclames zijn niet toegestaan, materiaal mag niet zichtbaar vanaf de weg opgeslagen zijn);
cdegene die de activiteiten in de woning en/of in het daarbij gelegen bijgebouw ontplooit, tevens gebruiker van de woning moet zijn.
4.Geen detailhandel van betekenis. Detailhandel dient zich te vestigen in de daarvoor bestemde panden of de daarvoor bestemde percelen. 
5.Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer. Er moet derhalve voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein zijn voor eventuele werknemers en bezoekers.

3.4 Buitengebied en bebouwde kom
Een belangrijke vraag is: Kunnen de criteria tevens van toepassing zijn voor de regulering van beroep en bedrijf aan huis in het buitengebied?

In eerste instantie wordt bij de regulering van beroep en bedrijf aan huis veelal uitgegaan van de ontwikkelingen binnen de bebouwde kom. Er wordt in het buitengebied echter ook gewoond en de woonfunctie manifesteert zich meer en meer in het buitengebied. Daarmee ontwikkelt zich ook de vraag naar beroep en bedrijf aan huis in het buitengebied.

In het Provinciaal Omgevingsplan (POP) wordt wonen zelfs aangegeven als economische impuls. &#8220;Het instandhouden en verbeteren van de werkgelegenheid en voorzieningenniveau is ook op het platteland een nadrukkelijk uitgangspunt, vooral in die gebieden waar door teruglopende werkgelegenheid in de landbouwsector gezocht wordt naar nieuwe economische impulsen.&#8221; Door de teruglopende werkgelegenheid in de landbouwsector en het fysieke gevolg daarvan (vrijkomende agrarische opstallen), is in het POP het uitgangspunt gekozen dat: &#8220;Wij willen meer mogelijkheden bieden voor het gebruik van vrijkomende waardevolle panden zoals oude boerderijen om zo nieuwe en bestaande activiteiten op het gebied van wonen, werken en recre&#235;ren te stimuleren. Daarmee willen we bijdragen aan verbetering van de leefbaarheid van het platteland en het in stand houden van het cultureel erfgoed. Wij denken hier vooral aan het gebruik voor wonen en diverse vormen van kleinschalige bedrijvigheid en dienstverlening. Afgezien van geringe aanpassingen zullen deze functies binnen de bestaande bebouwing plaats moeten vinden. Bij de afweging op gemeentelijk niveau moet rekening worden gehouden met ongewenste effecten voor het landelijk gebied (bijvoorbeeld verkeersaantrekkende werking, opslag van materialen of structurele verstoring van bestaande winkelvoorzieningen).&#8221;

Aangezien het bestaande voorzieningenniveau, maar ook het te ontwikkelen voorzieningenniveau binnen de dorpen belangrijk is, moet voorkomen worden dat het voorzieningenniveau in de dorpen wordt aangetast door ook in het buitengebied vrije beroepen en beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten toe te staan. 
Bovendien bestaat het risico voor negatieve of verstorende invloeden in het buitengebied doordat de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zich niet verenigen met de ecologische aspecten, agrarische karakter ofwel andere specifieke facetten van het buitengebied.

Om zoveel mogelijk de negatieve aspecten die mogelijkerwijs aan de vestiging van vrije beroepen of beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis in het buitengebied verbonden zijn te beperken, kan voor het buitengebied gebruik worden gemaakt van het specifieke gebruiksverbod. Een dergelijk specifiek gebruiksverbod zou bij woondoeleinden (zoals eerder genoemd) als volgt kunnen luiden: onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen de uitoefening van enige vorm van handel en/of bedrijf. Dit betekent dat zowel voor de vrije beroepen als voor de beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis een vrijstelling van de gebruiksvoorschriften noodzakelijk is, waarbij de activiteiten worden getoetst aan alle criteria (paragraaf 3.3).

4. Slot 

Gelet op hiervoor genoemde uitgangspunten en criteria kan deze notitie worden beschouwd als basisstuk:
Voor de besluitvorming omtrent verzoeken (om vrijstelling) voor de vestiging van vrije beroepen en het beroeps- en bedrijfsmatig gebruik bij een woning;
Bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en (parti&#235;le) herzieningen van bestemmingsplannen. In een nieuw of herzien bestemmingsplan kunnen de criteria in de voorschriften worden vastgelegd en worden verbonden aan een (binnenplanse) vrijstellingsbepaling. 

Hieruit kan worden geconcludeerd dat reeds bestaande situaties die het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis, dus vanuit een woning, betreffen bij vaststelling van de notitie door de gemeenteraad niet actief zullen worden getoetst aan de criteria.

Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan of bij een (parti&#235;le) herziening van een bestemmingsplan zullen echter de met dit nieuwe bestemmingsplan strijdige situaties onder het overgangsrecht worden geplaatst. Dit zijn in dit geval alle situaties waarbij sprake is van bedrijvigheid bij een woning die niet kan voldoen aan de criteria. 
Door middel van het gebruik van een overgangsbepaling wordt voorkomen dat de gevestigde belangen worden aangetast. Het overgangsrecht is wel gericht op het be&#235;indigen van bestaand gebruik van gronden en opstallen dat afwijkt van het bestemmingsplan. 


Voorbeelden toepassing nieuw beleid
In sommige andere gemeenten is reeds overgegaan tot het reguleren van beroep en bedrijf aan huis. Op welke manier hieraan invulling is gegeven blijkt uit onderstaande voorbeelden van voorschriften en definities.

Voorbeeld voorschriften
Bestemmingsplanbepalingen die invulling geven aan de planologie van een aan huis verbonden beroep of bedrijf (gebaseerd op het Bestemmingsplan &#8220;aan huis gebonden beroepen en bedrijven&#8221; (d.d. 15-10-96) van de gemeente Ammerzoden en planvoorschriften uit de gemeente Waalre):

Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de bestemming.
Van dit verbod moet worden afgeweken indien het een aan huis gebonden beroep betreft (vrij beroep).

bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen en het vergroten of verkleinen van een bouwwerk;

aan huis gebonden beroep
het uitoefenen van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, kunstzinnig, of ontwerptechnisch dan wel daarmee gelijk te stellen gebied, door de gebruik(st)er van de woning;

aan huis gebonden bedrijf
het uitoefenen van een bedrijf dat is gericht op het vervaardigen van producten of het leveren van diensten, door de gebruik(st)er van de woning;

detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor het gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

vrijstelling
een vrijstelling, als bedoeld in artikel 15 lid 1 sub a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

voorschriften in verband met aan huis gebonden beroepen en bedrijven.

1.de gronden op de plankaart aangewezen voor &#8220;woondoeleinden, woningbouw&#8230;.&#8221; en &#8220;woongebied&#8221; zijn tevens bestemd voor aan huis gebonden beroepen, mits de woonfunctie als overwegende functie blijft gehandhaafd; 
2.vrijstelling kan worden verleend ten behoeve van het gebruik van de woning voor een aan huis gebonden bedrijf mits:
ahet gebruik van ondergeschikte betekenis is, in die zin dat de woning in overwegende mate de woonfunctie moet blijven behouden;
bhet gebruik geen onevenredige aantasting oplevert van het woon- en leefmilieu en van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken. Het gebruik mag derhalve ook geen afbreuk doen aan het (woon)karakter van de buurt c.q. omgeving. Dit betekent:
1)dat aan het vestigen van bedrijven, die vergunning- of meldingsplichtig zijn als gevolg van de Wet milieubeheer of ander milieuwetgeving geen medewerking wordt verleend;
2)dat het gebruik een kleinschalig karakter moet hebben en behouden; schaalvergroting van bedrijvigheid dient te worden verwezenlijkt in panden met een daarvoor passende bestemming;
3)dat het gebruik zowel naar de aard als wat betreft de visuele aspecten met het woonkarakter in overeenstemming moet zijn;
4)degene die de activiteiten in de woning en/of in het daarbij gelegen bijgebouw ontplooit, tevens gebruiker van de woning moet zijn.
3.geen detailhandel van enige betekenis zal plaatsvinden, anders dan in ter plaatse vervaardigde goederen. Detailhandel dient zich te vestigen in de daarvoor bestemde panden of de daarvoor bestemde percelen.
4.Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toeneming van de parkeerbehoefte veroorzaken. Er moet derhalve voldoende parkeergelegenheid zijn voor eventuele werknemers.

procedureregels voor vrijstelling
Een ontwerpbesluit strekkende tot vrijstelling ligt gedurende 2 weken ter inzage.
&#8230;

aanvullende bepaling:
Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in de leden&#8230; en &#8230;., indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Voorbeeld definities
Definities die ook worden toegepast voor een aan huis verbonden beroep zijn:

&#8220;Beroep of bedrijfsmatig verlenen van diensten &#8211; met uitzondering van detailhandel &#8211; op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en de daarbij behorende gebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend.&#8221;

&#8220;Een dienstverlenend beroep, dat in een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.&#8221;

&#8220;Een dienstverlenend beroep dat op kleine schaal in een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse&#8221;.

Definities die ook worden toegepast voor een aan huis verbonden bedrijf zijn:

&#8220;Het beroeps- of bedrijfsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, waarvan de omvang in een woning met bijbehorende gebouwen past en de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate blijft behouden.&#8221;

&#8220;Het verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke &#8211; geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen &#8211; bedrijvigheid, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteit in de woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie ter plaatse, kan worden uitgeoefend.&#8221;

Literatuurlijst

Notitie beroeps- en bedrijfsuitoefening in panden met een woonbestemming, VNG, 1997.
Woonbestemming en aan huis gebonden activiteiten, BWT krant SBOD overheidsinstelling, 2003.
Beleidsnota inzake het mede gebruik van woningen voor beroep en bedrijf, gemeente Littenseradiel, 1998.
Bestemmingsplan Brantgum, gemeente Dongeradeel, 2003.
Uitspraak rechtbank Haarlem, sector bestuursrecht, voorzieningenrechter, 13 maart 2002, op een verzoek om een voorlopige voorziening tegen opleggen dwangsom te be&#235;indigen Zon- &amp; Afslankstudio (Awb 02/318 en 02/333).
Aan huis verbonden beroep en het bestemmingsplan, Supplement 2002-1 Leergang Op dezelfde leest Nirov-Sectie Ruimtelijk Beleid en Recht, met medewerking van: F.P Doting, R. te Grotenhuis, E.M. Hendriksen, F.J.M. van der Putten, R.H.E.M. Uildriks, J. van der Velde en P.J. Woudstra.
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Procedureregeling planschadevergoeding" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b9d08cf1603cc/versie-d0c5d4661c0c5e38011c75d687ef00f4.html">
	<tekst>
	Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade 2008

De raad van de gemeente Grootegast;

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 22 augustus2008;

Gelet op artikel 6.7 Wet ruimtelijke ordening en artikel 6.1.3.3 Besluit ruimtelijke ordening;

Besluit vast te stellen de volgende

Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Grootegast

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:
a. 	aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade als bedoeld in
artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening indient;
b. 	adviseur: de door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen persoon als
bedoeld in artikel 6.1.1.1, onder c, Besluit ruimtelijke ordening;
c.	adviescommissie: schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van
deze verordening;
c.	besluit: Besluit ruimtelijke ordening;
e.	college: het college van burgemeester en wethouders;
f.	gemeente: gemeente Grootegast;
g. 	planologische maatregel: oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, Wet ruimtelijke
ordening;
h. 	planschade: schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, Wet ruimtelijke ordening;
i. 	wet: Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 2. Opdrachtverstrekking

Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in artikel 6.1.3.1 van het
besluit verstrekt het college aan &#233;&#233;n of meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van
een aanvraag advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 van het
besluit of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3. Adviseur of adviescommissie

1. 	Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking wordt door het college
een adviseur aangewezen die beschikt over voldoende deskundigheid inzake advisering
op het gebied van planschade.
2.	Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde
adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege
inkomensderving en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag,
behoefte bestaat aan extra deskundigheid wordt door het college een tweede adviseur
aangewezen die deskundig is op het gebied van accountancy of van financieel
economische bedrijfsvoering.
3. 	Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde
adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege
waardevermindering van een onroerende zaak en er, gezien de complexiteit, aard en
omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid wordt door het
college een tweede adviseur aangewezen die deskundig is ter zake van de waardering
van onroerende zaken en van waardevermindering daarvan als gevolg van een
planologische verslechtering.
4. 	Indien naar het oordeel van het college het tweede en het derde lid van toepassing zijn,
worden zowel de in het tweede als het derde lid bedoelde adviseurs aangewezen.
5. 	Bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze een adviescommissie, waarvan de in
het eerste lid bedoelde adviseur voorzitter is.
6. 	De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan.

Artikel 4. Deskundigheid en onafhankelijkheid

1. 	Voordat een persoon als adviseur wordt aangewezen, kan het college verlangen dat deze
aantoont op grond van opleiding en ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de in
artikel 3, eerste, tweede of derde lid, bedoelde aspecten waarop deze persoon de
aanvraag moet beoordelen.
2. 	Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijk van de raad. Eveneens mag
een adviseur niet betrokken zijn bij de planologische maatregel waarop de aanvraag
betrekking heeft.

Artikel 5. Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie

1.	Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in artikel 2 verstrekt, stelt het
college de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de
belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet schriftelijk
op de hoogte van de aanwijzing van:
a. een adviseur als bedoeld in artikel 3, eerste lid, of
b. meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 3, vijfde lid.
2. 	De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de
belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet kunnen
binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en
voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van &#233;&#233;n of meerdere adviseurs bij het
college indienen.
3. 	Het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid
bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van &#233;&#233;n of meerdere adviseurs.

Artikel 6. Werkwijze adviseur of adviescommissie

1. 	Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de aanvraag betrekking
hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de
adviseur of van de adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking.
2. 	Het college wijst uit de ambtelijke organisatie &#233;&#233;n of meer personen aan die de adviseur
of de adviescommissie bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaat.
3. 	De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert &#233;&#233;n of meerdere
hoorzittingen, waar de aanvrager en de in het tweede lid bedoelde ambtelijke
vertegenwoordiger(s) in de gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten,
onderscheidenlijk de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te
verschaffen, dan wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur
of de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken bestuursorganen,
alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet
worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken.
4. 	De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het tijdstip waarop de
adviseur of de adviescommissie de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de
aanvrager voor de plaatsopneming uit.
5. 	Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak, wordt
door de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie met de aanvrager een afspraak
gemaakt.
6. 	Van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de in het vierde lid bedoelde
bezichtiging wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid van, de adviseur of de
voorzitter van de adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit
te brengen advies.
7. 	Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de adviescommissie binnen
zestien weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan
aan de gemeente, aan de aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganen
en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet.
De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van
redenen met een daarbij aan te geven termijn met ten hoogste vier weken verlengen.
8. 	De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de
belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden in
de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het concept advies
schriftelijk hierop te reageren.
9.	 In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie
binnen vier weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies
uit aan het college, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken.
10. 	In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de
adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde
termijn een advies uit aan het college.

Artikel 7. Slotbepalingen

1. 	Deze verordening treedt in werking op 18 september 2008;
2.	Deze verordening wordt aangehaald als &#8220;Procedureverordening voor advisering
tegemoetkoming in planschade 2008&#8221;.


Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 2 september 2008


De voorzitter,


De griffier,
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Stimuleringsregeling Gevelrenovatie Hoofdstraat Grootegast" url="verordening-d0c5d4662ec5c79e012f20c2d9140001/versie-d0c5d4662ec5c79e012f20c2d9340002.html">
	<tekst>
	de raad van de gemeente Grootegast;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 22 februari 2011;

gelet op het bepaalde in titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (afdelingen 4.2.1 t/m 4.2.7) en de Subsidieverordening Grootegast;

overwegende dat de raad op 11 maart 2008 de Beeldkwaliteitsvisie Hoofdstraat Grootegast, inclusief de Welstandscriteria Centrumplan, heeft vastgesteld;

dat het wenselijk wordt geacht voor de duur van &#233;&#233;n jaar een regeling te cre&#235;ren waarbij een financi&#235;le tegemoetkoming aan eigenaren en ondernemers kan worden verstrekt in de kosten van verbetering van het uiterlijk aanzien van woon- en winkelpanden in het winkelgebied van de Hoofdstraat te Grootegast;

besluit vast te stellen de volgende regeling:

Stimuleringsregeling Gevelrenovatie Hoofdstraat Grootegast

Artikel 1. Begripsomschrijvingen en reikwijdte
1.In deze regeling wordt verstaan onder:
aCollege: het college van burgemeester en wethouders.
bPlangebied: het gebied binnen het gedeelte van de Hoofdstraat te Grootegast, gelegen tussen huisnummer 80 (ter hoogte van de kruising met Het Steen) en huisnummer 126 (ter hoogte van de kruising met de G. P. Beukemalaan).
cPand: een pand in het plangebied dat wordt gebruikt ten behoeve van de functie wonen, winkel, horeca of ambachtelijke onderneming, en dat tevens als zodanig is bestemd.
dGevelrenovatie: verandering, verbetering of vernieuwing van de voor- en/of zijgevel (daaronder begrepen de entree, buitenmuur, pui of buitenluifel) van een pand, passend in de kaders van de Beeldkwaliteitsvisie Hoofdstraat Grootegast.
eZelfwerkzaamheid: de werkzaamheid die een rechthebbende zelf uitvoert ten behoeve van de realisatie van de renovatie, zonder inschakeling van derden.
fRechthebbende: de zakelijk gerechtigde op een pand in het plangebied.
gSubsidie: de aanspraak op financi&#235;le middelen als bedoeld in art. 4:21 van de wet.
hSubsidieplafond: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidie krachtens deze regeling, zoals bedoeld in artikel 4:22, lid 1 van de wet.
iWet: de Algemene wet bestuursrecht.
jVerordening: de Subsidieverordening gemeente Grootegast, vastgesteld bij raadsbesluit van 28 september 2010.
2.Deze regeling is van toepassing op de verlening van subsidie ten behoeve van de renovatie van gevels van panden met een woon-, winkel-, horeca- of ambachtelijke bestemming in het plangebied.
3.Voorzover daarvan in deze regeling niet wordt afgeweken, is op deze regeling het bepaalde in titel 4.2., afdelingen 4.2.1 t/m 4.2.7, van de wet en in de verordening onverminderd van toepassing.

Artikel 2. Doel van de subsidie
Het college kan aan een rechthebbende op een pand subsidie toekennen in de kosten van renovatie van de gevel, indien deze renovatie past binnen de gewenste uitstraling van het gebied zoals neergelegd in de Beeldkwaliteitsvisie Hoofdstraat Grootegast.

Artikel 3. De aanvraag van de subsidie
1Aanvragen worden bij het college ingediend via het daarvoor bestemde aanvraagformulier.
Bij de aanvraag dienen de volgende bescheiden te worden overgelegd:
een gespecificeerde offerte ten behoeve van de uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve van gevelrenovatie;
een gedetailleerde werkomschrijving of bestek van het plan;
tekeningen en foto&apos;s van de bestaande en tekeningen en/of foto&apos;s van te realiseren nieuwe toestand van de gevel (geveltekeningen minimaal schaal 1:100 en detailtekeningen vorm bepalende details schaal 1:5);kleurenvoorstel en materiaalkeuze voor de betreffende onderdelen van de renovatie;
naam en adres van de architect en/of (onder)aannemers.
2Indien niet alle gegevens zijn ingediend of nadere bescheiden noodzakelijk worden geacht, stelt het college de aanvrager in de gelegenheid de ontbrekende gegevens binnen een termijn van twee weken in te dienen.
3Indien niet of niet afdoende is voldaan aan de eisen gesteld in of krachtens de voorgaande leden wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.

Artikel 4. Subsidieplafond en wijze van verdeling
1.Het subsidieplafond wordt voor het tijdvak 1 mei 2011 tot 1 mei 2012 vastgesteld op &#8364; 50.000,00.
2.Aanvragen worden in behandeling genomen in volgorde van binnenkomst. Een aanvraag geldt eerst als ontvangen, indien deze, gelet op het bepaalde in het vorige artikel, als volledig zijn te beschouwen.
3.Een aanvraag geldt eerst als ontvangen als deze volledig is, overeenkomstig het bepaalde in deze regeling.

Artikel 5. Hoogte van de subsidie en subsidiabele kosten
11.De subsidie bedraagt 50% van de totale kosten van de gevelrenovatie, met een maximum van &#8364; 5.000,00 per pand.
2Indien een pand zowel ten behoeve van de functie wonen als ten behoeve van een winkel-, horeca- en/of ambachtelijke bestemming wordt gebruikt, kan de maximaal te verlenen subsidie slechts &#8364; 5.000,00 voor het gehele pand bedragen.
3Indien en voor zover het maximaal per pand te verlenen subsidiebedrag nog niet is bereikt, kan voor dat pand voor het resterende bedrag opnieuw gebruik worden gemaakt van deze stimuleringsregeling.
4De volgende kosten worden als subsidiabel aangemerkt:
de kosten van ontwerp door een architect of een persoon die naar het oordeel van de gemeente aan de hand van gerealiseerd of ontworpen werk heeft bewezen over voldoende kwaliteiten op dit gebied te beschikken;
de kosten van bouwtekeningen en -berekeningen;
de loon- en materiaalkosten van de uit te voeren werkzaamheden;
de eventueel noodzakelijke kosten van een adviseur;
de kosten van leges;
de uren aan zelfwerkzaamheid als geraamd in de bij de aanvraag gevoegde werkomschrijving of bestek, tot een bedrag van &#8364; 20,00 per uur.

Artikel 6. Beoordelingscriteria
De subsidie-aanvragen worden beoordeeld op basis van de volgende criteria beoordeeld door de Welstandscommissie:
&#8211; de Beeldkwaliteitsvisie Hoofdstraat Grootegast;
&#8211; de integraliteit van de gevelrenovatie;
&#8211; de duurzaamheid en materiaalbestendigheid.

Artikel 7. Weigeringsgronden
Onverminderd het bepaalde in artikel 4:25, lid 2 en artikel 4:35 van de wet, kan subsidieverlening worden geweigerd indien:
&#8211; met de werkzaamheden reeds een aanvang is gemaakt voordat op de aanvraag een besluit is genomen;
&#8211; de voorgenomen activiteiten vergunning-/ontheffingsplichtig zijn ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of andere bijzondere wetten en de vereiste vergunningen en/of ontheffingen niet zijn of kunnen worden verleend;
&#8211; de beoordeling op basis van de criteria zoals benoemd in artikel 6 leidt tot een negatieve uitkomst.

Artikel 8. Subsidieverlening; voorwaarden en verplichtingen
1.Subsidie wordt verleend onder de voorwaarden dat de voor de gevelrenovatie benodigde vergunningen en/of ontheffingen ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of andere bijzondere wetten, zijn of worden verleend.
2.Subsidie wordt voorts verleend onder de voorwaarde dat binnen 13 weken na bekendmaking van het besluit tot subsidieverlening, dan wel na bekendmaking van de in het vorige lid bedoelde vergunningen en/of ontheffingen, een aanvang is gemaakt met de werkzaamheden.
3.De werkzaamheden dienen uiterlijk 52 weken na de subsidieverlening te zijn afgerond.

Artikel 9. Rekening en verantwoording; subsidievaststelling
De subsidie-ontvanger is verplicht binnen 13 weken na afronding van de gevelrenovatie verantwoording af te leggen aan het college. Het bepaalde in de verordening ten aanzien van rekening en verantwoording en subsidievaststelling is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10. Vaststelling zonder voorafgaande verleningsbeschikking
Indien het college besluit de subsidie vast te stellen zonder voorafgaande verleningsbeschikking, is het overigens in deze regeling bepaalde van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11. Betaling en voorschot
1.Binnen vier weken na vaststelling van de subsidie wordt het subsidiebedrag uitbetaald op de door de subsidie-ontvanger aangegeven bank- of girorekening.
2.Op verzoek van de subsidie-ontvanger kan het college besluiten tot het verstrekken van een voorschot.

Artikel 12. Intrekken subsidie
Onverminderd het bepaalde in de wet, kan het college besluiten tot het geheel of gedeeltelijk intrekken en terugvorderen van verleende of vastgestelde subsidie indien niet is voldaan aan het gestelde bij of krachtens deze regeling.

Artikel 13. Hardheidsclausule
Indien toepassing van deze regeling zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard, kan het college in bijzondere gevallen afwijken van het bepaalde in deze regeling.

Artikel 14. Inwerkingtreding en duur regeling
Deze regeling treedt na publicatie in werking op 1 mei 2011 en heeft een geldigheidsduur van &#233;&#233;n jaar.

Artikel 15. Citeertitel
Deze regeling kan worden aangehaald als Stimuleringsregeling Gevelrenovatie Hoofdstraat Grootegast.


Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van
de gemeenteraad van Grootegast op 29 maart 2011


H.R. Kastermans, griffier K.B. Dijkstra, voorzitter
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Toekomstvisie paardenhouderijen" url="verordening-d0c5d4661c0c5e38011dd33738af02dc/versie-d0c5d4661c0c5e38011dd33738af02dd.html">
	<tekst>
	1 Inleiding 

Binnen de grenzen van de gemeente Grootegast lijkt het aantal activiteiten met paarden sterk toe te nemen. Indicatoren hiervoor zijn de toename van het aantal aanvragen voor het aanleggen van paardenbakken, het bouwen van stalruimten en verzoeken voor het vestigen van paardenhouderijen op voormalige agrarische bedrijfslocaties. Het toenemende aantal verzoeken (paardenactiviteiten) lijkt een autonoom proces te herbergen dat wordt gevoed door het groeiende aantal paardenhouderijen. Paardensport lijkt een &#8216;volkssport&#8217; te worden. Het groeiende aantal locaties waar de paardenhouderijen worden gevestigd heeft ruimtelijke gevolgen. De ruimtelijke gevolgen van de paardenhouderijen komen regelmatig in conflict met het gevoerde ruimtelijke beleid door gemeente en provincie ten aanzien van de traditionele agrarische bedrijven en het landschap in het buitengebied. Het probleem kan als volgt worden omschreven.    
 
Probleem: Het proces van het toenemende aantal locaties met paardenhouderij activiteiten in de gemeente Grootegast conflicteert met het huidige locale en regionale ruimtelijk beleid en opvattingen.    

Het doel van deze discussienota is om te analyseren en te beschrijven op welke wijze het toenemende aantal paardenhouderijen landschapsonderhoud kan stimuleren ten behoeve van wonen en recre&#235;ren en een nieuwe economische drager kan bieden voor het agrarisch gebied. 

In deze notitie worden de volgende vragen geanalyseerd en beantwoord:
Om welke reden neemt het aantal paardenhouderijen toe en leidt dit tot een trend?
Wat is het huidige gevoerde locale en regionale ruimtelijk beleid ten aanzien van paardenhouderijen?
Op welke wijze conflicteert ruimtelijk beleid en opvattingen van overheden met de paardenhouderijen?
Is het mogelijk om paardenhouderijen in te zetten als nieuwe economische drager voor het landelijk gebied van Grootegast en het Westerkwartier?
Welke beleidsverandering is nodig om de nieuwe benadering te bewerkstelligen? 
Op welke wijze zijn ruimtelijke oplossingen te vinden?

In de volgende hoofdstukken wordt de problematiek geanalyseerd met behulp van onder andere landbouwtellingen en ruimtelijke documenten. Aan de hand van de analyse wordt een nieuwe benadering beschreven die een oplossing zou kunnen bieden voor het geschetste probleem. In de conclusie volgt een beschrijving op welke wijze de analyse en de nieuwe benadering een oplossing biedt voor het probleem en op welke wijze de oplossing uitgewerkt kan worden tot een ruimtelijke invulling en concrete projecten. 

Albert-jan T. Zijlstra

November 2006
 
2 Analyse 

2.1 Inleiding
Om te kunnen bepalen in welke mate het proces van afname van het aantal bedrijven in de gemeente Grootegast zich afspeelt volgt een korte analyse van de landbouwtellingen. Een daling van het aantal agrarische bedrijven heeft gevolgen voor het ruimtegebruik en het landschapsonderhoud. De landbouwtellingen geeft het aantal paarden weer dat op bedrijven wordt gehouden. Cijfers over het aantal paarden dat in de priv&#233; sfeer wordt gehouden zijn niet aanwezig. De vraag die zal worden beantwoord is om welke reden het aantal paardenhouderijen toeneemt. In eerste instantie wordt bekeken wat de huidige trend is binnen de agrarische sector en of het aantal paardenhouderijen ook daadwerkelijk toeneemt. De tellingen in absolute aantallen voor Nederland, de provincie Groningen en de gegevens voor Grootegast geven dit proces weer. Door de drie verschillende figuren met elkaar te vergelijken kan een trend worden bepaald. De figuren zijn opgenomen in de bijlage. 

2.2 Trends agrarische sector.
In figuur 1 is de situatie van het aantal verschillende bedrijfstypen in Nederland weergegeven. In deze figuur valt op dat het aantal rundveehouderijen vanaf 1980 sterk afneemt. Deze afname van het aantal bedrijven wordt niet opgevangen door een ander bedrijfstype. Eind jaren tachtig neemt wel het aantal schapenhouderijen toe maar na een korte periode zet ook hier weer een daling van het aantal bedrijven in. Eveneens neemt het aantal varkensbedrijven af. Dit betekent dat het aantal agrarische bedrijven in Nederland in zijn totaliteit vanaf 1980 sterk afneemt. Het aantal paardenhouderijen blijft vrij constant. Voor de provincie Groningen, figuur 2, geldt dezelfde situatie als voor Nederland. Echter laat het aantal paardenhouderijbedrijven in de provincie Groningen een lichte daling zien. 

In het Landbouwstructuuronderzoek Groningen beschrijft de Dienst Landelijk Gebied (DLG 2004) de ontwikkeling van de melkrundveehouderijen in de provincie Groningen. De melkrundveehouderij is de grootse agrarische bedrijfstak in de provincie die ook de sterkste daling van het aantal bedrijven kent. In het onderzoek wordt ten aanzien van de schaalvergroting in de provincie en in het Westerkwartier het volgende aangegeven. Het rapport stelt dat twee mechanismen actief zijn, enerzijds de afname van het totaal aantal bedrijven en anderzijds de toename van het aantal grote bedrijven (incl. groeiende bedrijven). Echter, geldt voor de gebieden Westerwolde, de Veenkoloni&#235;n en in iets mindere mate voor het Westerkwartier dat de groei van het aantal grote bedrijven achter blijft (DLG 2004). Dit betekent dat de schaalvergroting en daarmee ook het groeiende oppervlak aan grond per bedrijf achter blijft ten opzichte van het toenemende oppervlak beschikbare agrarische grond. 

Dit heeft tot gevolg dat percelen niet meer worden beheerd en daarmee de economische waarde vermindert. Een deel van de vrijkomende grond is inmiddels overgenomen en in gebruik door de realisering van de ecologische hoofdstructuur (EHS). De mogelijkheden en de beschikbaarheid voor subsidie voor ontwikkeling van deze gebieden neemt echter af waardoor de kosten voor het onderhoud oplopen. Het onderhouden van de EHS en natuurgebieden in het algemeen wordt onbetaalbaar. 

De situatie voor de gemeente Grootegast komt sterk overeen met de situatie in Nederland en de provincie Groningen. De lijnen in de figuur zijn sterker gebogen doordat is gerekend met kleinere aantallen. Ook in Grootegast daalt het aantal agrarische bedrijven sterk. Het aantal schapenhouderijen kent ook hier een toename in de jaren negentig waarna het aantal bedrijven weer afneemt. Het aantal paardenhouderijen in de gemeente Grootegast laat vanaf de jaren tachtig een toename zien die na een lichte daling in 2003, weer terug is op het niveau van het begin van de jaren tachtig. Daarmee blijft het aantal bedrijven redelijk constant. De knik die de figuur toont bij de rundveehouderijen rond de jaren negentig wordt veroorzaakt door de gemeentelijke herindeling. Met het samenvoegen van de gemeenten Oldekerk (gedeelte) en Grootegast is het aantal agrarische bedrijven in de nieuwe gemeente Grootegast toegenomen. De gevolgde trend van de nieuwe gemeente is wel overeenkomstig met de oude situatie. Het grondgebied van de gemeente Oldekerk bestond voornamelijk uit open agrarisch gebied. Het aantal rundveehouderijen is daardoor sterker toegenomen ten opzichte van de intensieve bedrijven.  

2.3 Trends paardenhouderijen
In de vorige paragraaf is aangegeven dat voor Nederland, de provincie Groningen en de gemeente Grootegast, het aantal paardenhouderijen redelijk constant is. Uit nadere bestudering van de gegevens blijkt dat de situatie genuanceerder ligt. Het bedrijfstype paardenhouderij bestaat uit de categorie &#8216;tot 5 paarden&#8217; en de categorie &#8216;vanaf 5 paarden&#8217;. Het hobbymatig houden van paarden en het bedrijfsmatig houden van paarden valt binnen het totaal aantal van het bedrijfstype. De ruimtelijke omvang tussen deze twee categorie&#235;n is niet gelijk. Over het algemeen wordt het houden van vijf paarden gezien als een hobbymatige activiteit. Het houden van maximaal vijf paarden vraagt om minder grote faciliteiten zoals stallingruimte en voeropslag dan een bedrijf dat meer dan vijf paarden houdt. Ook het grondgebruik van een bedrijfsmatige paardenhouderij is groter dan het hobbymatig houden van paarden. 

Bij het analyseren van de gegevens voor het noorden geeft figuur 4 een daling van het aantal bedrijven met paarden of pony&#8217;s weer. Bij het onderverdelen van de gegevens uit figuur &#233;&#233;n, twee en drie in de twee categorie&#235;n laat figuur 4 zien dat het aantal hobbyisten sterk is gedaald, maar dat het aantal bedrijven is gestegen. Dit kan eveneens betekenen dat het aantal hobbymatige situaties is uitgegroeid tot een bedrijf. Ook voor de provincie Groningen zijn de gegevens geanalyseerd en weergegeven in figuur 5. De oorzaak van de knik in 1984 is niet bekend. Het is onduidelijk of er een herschaling van de gegevens heeft plaatsgevonden of dat de paardensector door een gebeurtenis is be&#239;nvloed.
In figuur 6 is de situatie voor de paardenhouderijen in de gemeente Grootegast weergegeven. Ook deze figuur laat een gelijke trend zien die is waargenomen in de figuren vier en vijf. Het aantal hobbyisten is in de gemeente, na een lichte daling en stijging, gedaald van 88 in 1980 tot 58 in 2004. Het aantal bedrijfsmatige paardenhouderijen is sinds 1980 gestegen van 10 naar 40 bedrijven. Het stijgende aantal bedrijven compenseert de daling van het aantal hobbyisten, waardoor het totaal aantal paardenhouderijen een constante trend weergeeft. 

Een deel van de sector professionaliseert en het aantal nieuwe bedrijven neemt toe. Een aantal hobbyisten is gestopt of hebben hun paarden ondergebracht bij een pensionstal in plaats van thuis. Bij een toename van het aantal bedrijven neemt ook de spreiding van de bedrijven toe en is de beschikbaarheid van pensionstalling groter. Het onderbrengen van een paard van een particulier bij een pensionstal zorgt voor een afname van het aantal hobbyisten en genereert werk voor het bedrijf.   

Figuur 6, bron CBS
 
2.4 Groei van het aantal paardenhouderijen
Veel mensen hebben de paardensport ontdekt. Volgens de Federatie Nederlandse Ruitersportcentra is de groei van het aantal paarden de afgelopen tien jaar explosief. Het NFRS verklaart dit uit de toename van vrije tijd en de beschikbaarheid van geld. Een aantal agrari&#235;rs bouwt schuren om tot paardenstalling of verkoopt het pand aan een particulier die paarden wil gaan houden. 

In Nederland zijn ongeveer 400.000 actieve paardensportbeoefenaars, waarvan 150.000 zijn aangesloten bij de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportbond (KNHS) (sectorraad Paarden 2004). Daarnaast is nog een grote groep passieve paardensporters. De Sectorraad (2004) schat het aantal paarden eveneens op 400.000. De KNHS verwacht dat de populariteit van de paardensport de omzet en de werkgelegenheid in de sector zal laten stijgen. Aantallen en cijfers over deze bedrijfstak zijn niet voorhanden omdat een groot deel van de activiteiten plaats vindt bij bedrijven die niet zijn aangesloten bij een overkoepelende organisatie. 

Figuur 7 Bron: LNV 2006

Het ministerie van LNV heeft in haar Visie Paard en Landschap (2006), een overzicht weergegeven van de spreiding van het aantal paardenbedrijven over heel Nederland. Het aantal paardenbedrijven per 25 vierkante kilometer is geclusterd. Figuur 7 geeft het overzicht van alle paardenbedrijven van de drie noordelijke provincies. In het kaartbeeld is duidelijk een clustering van het aantal paardenbedrijven te onderscheiden ten opzichte van de andere regio&#8217;s binnen de provincie Groningen. Het Westerkwartier is daarmee een paardenregio bij uitstek. 

3 Beleid en opvattingen

3.1 Inleiding
Het vestigen van nieuwe recreatieve ruitersportbedrijven in het buitengebied leidt tussen overheden vaak tot discussie. Met name de vestigingsfactoren en de ruimtelijke inbreuk in het buitengebied zijn de kernpunten. In dit hoofdstuk volgt een beschrijving in welke mate het ruimtelijke beleid en opvattingen van overheden conflicteert met de paardenhouderijen. In Grootegast zijn twee voorbeelden te noemen waar discussie is ontstaan over de vestigingsplaats in relatie tot de activiteiten en de diversiteit in de bedrijfsvoering.
 
3.2 Rijk en Sectorraad paarden

Rijk
De Nota Ruimte geeft ten aanzien van de recreatie aan dat het huidige aanbod van toeristisch-recreatieve voorzieningen onvoldoende voldoet aan de recreatiewensen van de samenleving. De samenstelling van  de bevolking en het toenemende belang van vrijetijdsbesteding vragen om nieuwe vormen van openlucht- en verblijfsrecreatie en om aanpassing van het huidige toeristische recreatieve aanbod (Nota Ruimte 2004). De recreatiesector moet de ruimte krijgen om te kunnen anticiperen op de veranderende behoefte van de samenleving en om zich tot een economische drager van (delen) van het platteland te ontwikkelen (Nota Ruimte 2004). Tevens geeft de nota aan dat provincies voldoende ruimte dienen te scheppen in hun streekplannen om de veranderende behoefte aan toeristisch-recreatieve voorzieningen in de samenleving te faciliteren. Concreet betekent dit dat rekening moet worden gehouden met nieuwe vormen van recreatie en toerisme en met uitbreiding en aanpassing van bestaande toeristische en verblijfsrecreatieve voorzieningen (Nota Ruimte 2004). Het gaat daarbij ook om vergroting van de mogelijkheden voor recreatie als nevenactiviteit op agrarische bedrijven (Nota Ruimte 2004). Eveneens biedt de zogenaamde saldobenadering de mogelijkheid om combinatieprojecten te ontwikkelen die leiden tot versterking van de ecologische hoofdstructuur. Door bijvoorbeeld een manege te koppelen aan natuurgebied waarin een ruiterpadenstructuur is aangelegd ontstaan meerdere elementen die in &#233;&#233;n project kunnen worden uitgevoerd. De nota geeft aan dat de primaire verantwoordelijkheid voor de basiskwaliteit van het Nederlandse landschap ligt bij de provincies.  

Ten aanzien van de grondgebonden agrarische bedrijven geeft de Nota Ruimte aan dat van de provincies wordt verwacht dat zij sturing geeft aan verdere ontwikkeling.

In de Visie Paard en Landschap (LNV 2006) geeft het ministerie een aanzet op welke wijze de provincies en gemeenten om moeten gaan met paardenbedrijven qua economische groei en landschappelijke inpassing. In het volgende hoofdstuk volgt een verdere uitleg van deze visie. 

Sectorraad paarden
De Sectorraad Paarden, onderdeel van het productschap Vee, vlees en eieren, heeft vanuit haar invalshoek de nota Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening (2004) opgesteld. In de nota wordt de positie van paardenhouderijen in Ruimtelijke Ordening aangegeven waarbij een groot aantal bedrijfstypen en vormen van paardenhouderijen aan bod komen. In een matrix, figuur 8, worden de bedrijfstypen gecategoriseerd in drie soorten vestigingslocaties. De drie locaties zijn: Agrarische bestemming, Semi-agrarische bestemming en de Randstedelijke- en recreatiegebieden. Bij ieder bedrijfstype is aangegeven welke locatie geschikt is voor vestiging. 
 
De matrix is als volgt:

Bedrijfstype
Agrarische bestemming
Semi-agrarische bestemming
Randstedelijke en recreatieve gebieden
Hengstenhouderij
X
X

Merriehouderij
X


Opfokbedrijf
X


Africhtstal
X
X

Sportstal
X
X
X
Stalhouderij
X
X

Handelstal
X
X

Spermawinstation
X
X

Embryotransplantatie
X


Paardenmelkerij
X


Verenigingsaccommodatie


X
Manege


X
Pension stal
X
X
X
Hobbystal
X
X
X
Figuur 8 Bron: Sectorraad paarden		
 
Een van de opmerkelijkheden die de Sectorraad hanteert is de overlap van de diverse bedrijfsvormen ten opzichte van de drie vestigingsplaatsen. Bepaalde bedrijfsvormen zijn op meerdere vestigingsplaatsen mogelijk. In de meeste gevallen wordt ruimtelijk gezien bij provincie en gemeente namelijk een scheiding gemaakt tussen de bestemmingen en functies.  

De matrix geeft alleen voor de verenigingsaccommodatie en de manege aan dat vestiging van dergelijke bedrijven alleen in de randstedelijke en recreatieve gebieden plaats kunnen vinden. Dit heeft volgens de raad te maken met het verzorgingsgebied van de bedrijven. De meeste klanten van deze bedrijven komen uit de omliggende dorpen en steden. Ook de manege en de verenigingsaccommodatie verdienen volgens de raad wel een plek in het buitengebied in plaats van op een industrieterrein. Daarnaast geeft de raad aan dat binnen de verschillende bedrijfstypen ook diverse mengvormen voorkomen. Voor de mengvormen is eveneens een matrix opgenomen, evenals een matrix voor de benodigde (ruimtelijke) voorzieningen die per bedrijfstype nodig zijn.

De sectorraad stelt een aantal beleidscriteria die gehanteerd zouden moeten worden bij de herziening van de bestemmingsplannen. Zo stelt de raad ondermeer dat bestemmingsplannen een afzonderlijk hoofdstuk &#8216;paardenhouderij&#8217; zou moeten bevatten met bijbehorende doeleindenomschrijving en voorschriften. Daarnaast dient onderscheid  te worden gemaakt tussen productiegericht, gebruiksgericht en het hobbymatig houden van paarden. Bij het toetsen van een bouwaanvraag/ verzoek om vrijstelling dient een bedrijfsplan te worden overhandigd om de levensvatbaarheid van het bedrijf te kunnen aantonen. Bij het beoordelen van een aanvraag kunnen gemeenten advies vragen aan de regionale beoordelingscommissie.    

3.3 Provincie
Volgens het Provinciaal Omgevingsplan (POP, 2000) dienen nieuwe niet-agrarische of aan de landbouw verwante activiteiten op een bedrijventerrein te worden gevestigd. Daarbuiten wordt alleen ruimte geboden aan kleine bedrijven die zich willen vestigen in vrijkomende waardevolle panden. De recreatieve ruitersport wordt in het provinciaal beleid geschaard onder de niet-agrarisch of aan de landbouwverwante bedrijven en heeft geen functionele binding met het buitengebied. Dit wordt eveneens aangegeven in de uitspraak van de voorzieningen rechter ABRS 5 februari 2003, nr. 200203946/1. 

De provincie geeft ten aanzien van maneges aan dat de vestiging van maneges, gezien de ruimtelijke en functionele effecten, thuishoort in de kernrandzone, tussen onbebouwd en bebouwd gebied. Daarnaast is het mogelijk, in bepaalde omstandigheden, een manege te vestigen in vrijkomende waardevolle bebouwing. Paardenhouderijen zoals fokkerijen en stoeterijen worden in het provinciaal beleid gezien als agrarische activiteit. De recreatieve paardenhouderijen zoals een sportstal worden niet gezien als agrarische activiteit omdat ze de binding missen met het agrarisch gebied. Dit betekent dat de recreatieve ruitersport zich niet in het buitengebied mag vestigen tenzij het in bijzondere gevallen een vrijkomend waardevol pand betreft. Met name het beperken van de grote bedrijfsgebouwen in het buitengebied die de recreatieve ruitersport nodig heeft om het bedrijf te kunnen exploiteren, vormen de basis van het gevoerde beleid. De verschillende andere bedrijfsvormen en combinaties worden niet verwoord en uitgewerkt in het provinciaal beleid terwijl de combinatievormen veel voorkomen in het buitengebied. 

Op dit moment worden de voorbereidingen getroffen voor de ontwikkeling van een nieuw Provinciaal Omgevingsplan ter opvolging van het POP (14 december 2000) dat is vastgesteld door Provinciale Staten en een tussentijdse herziening van het POP, het zogenaamde POP II. Deze visie kan een belangrijke bijdrage leveren aan het nieuwe POP.

3.4 Gemeente

Koers Verlegd
In de nota De Koers Verlegd verwoordt de gemeente haar beleidskeuze om van agrarische gemeente te groeien naar een woon- en recreatiegemeente. De nota beschrijft de keuze van het college dat door autonome processen de gemeente transformeert van agrarische gemeente naar een woon- en recreatiegemeente. De landschappelijke kwaliteit herbergt veel mogelijkheden voor een prettig woon en leefklimaat. Deze visie biedt kansen voor de recreatie sector om zich verder te manifesteren. Ook de recreatieve ruitersport kan hier van profiteren.  

Hobbymatig en bedrijfsmatig houden van paarden
De gemeente Grootegast heeft in de notitie &#8216;Hobbymatig en bedrijfsmatig houden van paarden&#8217; (2003) haar huidige beleid ten aanzien van dit onderwerp verwoord. De notitie maakt onderscheid tussen het hobbymatig en het bedrijfsmatig houden van paarden. Het hobbymatig houden van paarden is mogelijk bij een bestemming woondoeleinden, mits dit binnen het bouwvlak van de bestemming plaatsvindt. Het hobbymatig houden van paarden kan worden beschouwd als verhoging van het woongenot. Binnen de woonbestemming mogen in het huidige beleid 5 tot 10 paarden worden gehouden. Afhankelijk van de milieucategorie varieert het aantal paarden van maximaal 5 (bij een categorie 1 en 2) tot maximaal 10 (bij een categorie 3 en 4) paarden/pony&#8217;s. Deze categorie-indeling komt overeen met de afstandsgrafiek die wordt toegepast in de Brochure Veehouderij en Hinderwet. Het houden van 11 of meer paarden wordt in de notitie gezien als bedrijfsmatig.

Het hobbymatig houden van paarden bij een bestemming &#8216;Agrarische doeleinden&#8217; is eveneens mogelijk. Het houden van paarden voor eigen gebruik naast een agrarisch bedrijf kan worden beschouwd als ontspanning. In feite is dit te vergelijken met het hobbymatig houden van paarden bij de woonbestemming. De nadruk dient hier echter te liggen op het eigen gebruik. Het vragen van vergoedingen, het aanbieden van stallingruimte e.d. valt daarmee buiten het hobbymatig gebruik. Dit wordt in de nota gezien als het bedrijfsmatig houden van paarden. 

Bij het bedrijfsmatig houden van paarden (meer dan 11 paarden) kent de notitie twee typen, het productiegericht en het gebruiksgericht houden van paarden. De productie gerichte benadering houdt in dat het paard zelf centraal staat terwijl bij de gebruiksgerichte benadering de activiteit met het paard centraal staat. Een paardenfokkerij is productie gericht en een manege is een gebruiksgerichte activiteit met paarden. Productie gerichte bedrijven worden gelijk gesteld met agrarische bedrijven. Een aanvraag voor een nieuw vestiging van een manege in de gemeente wordt getoetst aan een aantal criteria.

In de conceptontwikkelingsvisie Marum &#8211; Grootegast alsmede in de nota &#8220;De Koers Verlegd&#8221; is gekozen maneges voornamelijk toe te staan in het gebied rondom Opende, omdat in dit gebied agrarische bestemmingen zijn en/of zullen vrijkomen als gevolg van een terugtredende agrarische sector. In combinatie met de recreatieplas Strandheem is dit gebied aangewezen als uitvalsbasis voor de paardensport. Ons college handhaaft onverkort dit standpunt. Desalniettemin zijn wij bereid ook elders in de gemeente dergelijke vestigingsmogelijkheden voor maneges te bieden, waarbij de navolgende criteria zouden moeten worden gehanteerd:

de betreffende locatie moet zijn gelegen in de directe nabijheid van de ecologische hoofdstructuur en/ of gebieden A t/m D, aangewezen in de ontwerpbeleidsnota Recreatie en Toerisme: Toerist in Zicht;
ligging bij voorkeur in de dorpsrandzone;
het leveren van een deugdelijke economische onderbouwing;
de activiteiten mogen de agrarische functie van aangrenzende, niet bij het bedrijf behorende gronden en woonbebouwing niet belemmeren;
de activiteiten mogen niet leiden tot onevenredige aantasting van het landschap;
de activiteiten moeten zoveel mogelijk de uiterlijke verschijningsvorm van de betreffende bebouwing in stand houden, en zoveel mogelijk binnen de bestaande bebouwing gerealiseerd  worden;
voldoen aan de eisen van de milieuwetgeving;
de activiteiten mogen geen onevenredig grote verkeersbelasting met zich meebrengen;
het bedrijf dient adequaat ontsloten te zijn voor verkeer;
het parkeren dient volledig op eigen terrein te geschieden.

De paardennotitie van de gemeente is gericht op de recreatieve ruitersport. Toch wordt in de notitie alleen gesproken over vestigingseisen ten aanzien van de nieuwvestiging van een manege. Voor de overige bedrijfsvormen die de recreatieve ruitersport kent, zijn geen vestigingscriteria opgenomen omdat deze een andere ruimtelijke uitstraling hebben dan de manege&#8217;s.  

Paardenbakken
De aanleg van paardenbakken is al enige jaren in discussie. Onder paardenbakken wordt verstaan: &#8220;een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony&#8217;s en/of zonder de daarbij komende voorzieningen&#8221;. Met name de zandbakken die omgeven zijn met witte hekken in het agrarisch gebied zijn veel gemeenten een doorn in het oog. Het toestaan van paardenbakken buiten het bouwblok, in het agrarisch gebied, leidt tot vrijstellingsprocedures waarbij vaak maatwerk geleverd moet worden ten aanzien van de landschappelijke inpassing, lichtmasten en de omheining. Het aanleggen van paardenbakken op een perceel in het agrarisch gebied is feitelijk een functiewijziging van het agrarisch productiegebied en dienen binnen het bouwblok van de woonbestemming of de agrarische bedrijfsbestemming te worden aangelegd. Over deze beleidslijn is de gemeente in het gelijk gesteld door de Commissie voor Bezwaar en beroepsschriften.
 
3.5 Conflicten in het beleid
 
Rijk
Het rijksbeleid zet in op een versterking van het buitengebied door middel van het stimuleren van recreatieve initiatieven in combinatie met natuurontwikkeling. De nieuwe inzichten in de nota Ruimte zijn nog niet doorvertaald op provinciaal niveau. Het Rijk geeft wel aan dat de bevoegdheid voor het uitvoeren van het nieuwe beleid een taak is van de provincies. De provincie Groningen zal de nota ruimte door moeten vertalen in haar eigen ruimtelijke beleid. 

Sectorraad
Ten aanzien van de gebruiksgerichte bedrijven geldt alleen voor maneges dat de notitie aanvullende eisen stelt aan de locatie. De notitie gaat daarbij voorbij aan een aantal andere vormen van gebruiksgerichte paardenhouderijen zoals de dressuurscholen, pensionstallen e.d. Deze bedrijfsvormen vragen een andere ruimtelijke benadering dan de maneges. Ook komt een aantal mengvormen voor waaronder ook mengvormen tussen gebruiks- en productie gericht houden van paarden. In die situaties zou de notitie een minder rechtlijnig regime moeten kunnen bieden. De uitgangspunten van de notitie zijn echter al ruimer dan de regeling van de provincie toestaat.   

Provincie
Het provinciaal beleid POP uit 2000 komt niet op alle vlakken overeen met de nieuwe nota Ruimte. De nota Ruimte geeft aan dat recreatieve voorzieningen een bijdrage kunnen leveren aan het platteland. Eveneens kan gebruik worden gemaakt van de recreatieve sector als het gaat om de realisering van de EHS in de vorm van combinatie projecten. In het provinciaal beleid wordt de recreatieve ruitersport door haar vraag aan ruimte en gebouwen verwezen naar een bedrijventerrein omdat zij de binding mist met het buitengebied. De sectorraad bestrijdt dit en geeft aan dat de recreatieve ruitersport wel degelijk een binding heeft met het buitengebied. Vanuit de sector is de behoefte om activiteiten in het buitengebied te verrichten vele malen sterker dan op een bedrijventerrein.  

Gemeente
De nota van de sectorraad (2004) komt sterk overeen met het gemeentelijk beleid (2003) als het gaat om de productie en gebruiksgerichte benadering. Toch wordt in het gemeentelijk beleid een scheiding gemaakt tussen gebruiksgerichte bedrijven en de productie gerichte bedrijven en kent de gemeentelijke nota geen overlap in verschillende bestemmingen en gemengde bedrijfsvormen. Dit heeft als gevolg dat bij het toetsen van aanvragen niet alle activiteiten binnen &#233;&#233;n bestemming te vatten zijn waardoor de ruimtelijke afweging problemen oplevert als het gaat om het bepalen van de hoofdactiviteit. In vele gevallen wordt negatief geadviseerd als het een aanvraag betreft waar de hoofdactiviteit de recreatieve ruitersport betreft.  

Ten opzichte van het provinciaalbeleid is het gemeentelijk beleid ruimer in haar opvatting om recreatieve ruitersport in het buitengebied toe te staan. Echter is de gemeente afhankelijk van de beslissingen van de provincie als het een vrijstellingsprocedure betreft. In twee gevallen in de gemeente heeft de provincie in afwijking van haar beleid besloten een verklaring van geen bezwaar af te geven voor een functiewijziging van een priv&#233;-stal naar een manege en een uitbreiding van een dressuurschool.

Ten aanzien van de paardenbakken kan worden gesteld dat het aantal bakken dat bij woningen wordt aangelegd, toeneemt. Dit gaat in de toekomst vaker leiden tot overlast door opwaaiend zand en vliegen. Met name waar de bebouwingsstructuur geconcentreerder is gaat dit tot meer problemen leiden. 

In het volgende hoofdstuk zal nader worden ingegaan op deze vraag en wordt een voorstel gedaan voor een nieuwe benadering van de paardenhouderij in combinatie met het buitengebied.  

4 Ruimtelijke visie

4.1 Inleiding
De agrarische sector is van oorsprong de belangrijkste ruimtegebruiker die het huidige landschap in het Westerkwartier heeft gevormd. Doordat in het Westerkwartier geen grootschalige landinrichting heeft plaatsgevonden is het kleinschalige landschap grotendeels in tact gebleven. In het buitengebied zijn meerdere nieuwe functies ontstaan nadat de agrarische sector zich ging terugtrekken. Het onderhoud en de instandhouding van het landschap komt door een terugloop van het aantal agrarische bedrijven sterk onder druk te staan. De landschappelijke kwaliteiten zijn van groot belang voor de recreatieve sector, waaronder ook de recreatieve ruitersport. Als het landschapsonderhoud niet meer kan worden gegarandeerd dan betekent dit dat de basiskwaliteit van het recreatieve gebruik wordt bedreigd. Het vinden van een nieuwe economische drager voor het buitengebied in de vorm van recreatie zal zich, bij het wegvallen van de landschappelijke kwaliteit en mogelijkheden, niet in stand kunnen houden of verder ontwikkelen. Het vestigen van recreatieve ruitersport op locaties in het buitengebied heeft als neveneffect dat door de externe werking en uitstraling een positieve bijdrage wordt geleverd aan het landschap en landschapsonderhoud doordat meerdere hectares aan grond door de recreatieve ruitersport in gebruik is. Dit in tegenstelling tot de diverse bedrijven die zich nu in het buitengebied vestigen zoals staalconstructiewerk, handel in sierbestrating en opslag. Dergelijke bedrijven hebben een intern gerichte bedrijfsvoering en uitstraling en hebben geen rol in het onderhoud van het landschap.

In dit hoofdstuk wordt een aantal oplossingen aangedragen om de spanning tussen het wel of niet toelaten van recreatieve ruitersport in het landelijk gebied te doorbreken. Daarnaast wordt een antwoord geformuleerd op de vraag of het mogelijk is om paardenhouderijen in te zetten als nieuwe economische drager voor het landelijk gebied van Grootegast en welke beleidsverandering nodig is om de nieuwe benadering te bewerkstelligen? En is dit een haalbare zaak?

4.2 Beleidsmatig
De keuze voor de recreatieve ruitersport in het buitengebied levert strijdigheid in het beleid tussen provincie en gemeente. 

Op het moment dat op een voormalige agrarische bedrijfslocatie een gebruiksgerichte paardenhouderij wordt gevestigd of dat een productie gericht bedrijf ook gebruiksgerichte ruitersport activiteiten gaat ontplooien wordt de situatie divers benaderd. In die gevallen handelt de gebruiker in strijd met de agrarische bedrijfsbestemming. De gemeente staat voor de keuze of zij handhavend gaat optreden, dan wel dat de situatie wordt gelegaliseerd. Als de gemeente besluit om de situatie te legaliseren dan zal hiervoor goedkeuring moeten worden verkregen van de provincie. De provincie toetst de aanvraag aan het huidige POP en zal haar voorkeur uitspreken voor vestiging van de recreatieve paardenhouderij op een bedrijventerrein of in de dorpsrandzone. Bij een combinatiebedrijf (productie en gebruiksgericht) zal de aanvraag leiden tot een discussie over de juiste locatie. Vestiging op een bedrijventerrein of in het buitengebied? Het beleid van de gemeente komt daarin niet overeen met de provincie. Toch zijn de gemengde bedrijven de meest voorkomende vorm in de paardensector. Dit betekent dat de vraag over de juiste locatie vaak ter discussie staat omdat geen duidelijk keuze is gemaakt over de beleidslijn.

Wij zijn van mening dat die strijdigheid niet onoverkomelijk is. De keuze voor dergelijke bedrijven op een bedrijventerrein vindt zijn oorzaak in de oppervlakte en de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwen. Het vestigen van een manege op een bedrijventerrein is ge&#239;nitieerd vanuit de uitstraling en inrichting van de gebouwen. Vanuit de Hippische bond wordt echter vanuit de paardensport geredeneerd waarbij beleving, veiligheid en de paardensport het uitgangspunt is. Paardrijden op een industrieterrein spreekt dan ook niet tot de verbeelding. Buitenritten die vanaf een industrieterrein worden gemaakt worden zowel door verkeersdeelnemers als ruiters niet als veilig ervaren. Het gebruik van doorgaande wegen leidt vaak tot onveilige verkeerssituaties omdat beide partijen moeilijk op elkaar kunnen anticiperen. 

Daarnaast is het houden van dieren in een industri&#235;le omgeving een ongewenste combinatie die niet past binnen de rurale levensstijl van vele bewoners van het buitengebied. Het houden van dieren is primair voorbehouden aan het buitengebied. Het houden van koeien in relatief goedkope stallen van damwandprofiel is geen probleem. Het houden van paarden in een dergelijk gebouw betekent dat het bedrijf zich op een industrieterrein dient te vestigen. Terwijl in beide situaties de gebouwen onderdak bieden aan dieren. Nieuwe invulling van vrijkomende agrarische bebouwing dient volgens ons juist bij voorkeur plaats te vinden door paardenliefhebbers in plaats van bedrijfsactiviteiten die totaal geen binding heeft met het buitengebied.  

Om de recreatieve ruitersport te stimuleren en een plek te bieden in het agrarisch landschap kan hiervoor een afzonderlijke bestemming worden opgenomen in het bestemmingsplan. Dit betekent dat voor ieder recreatief ruitersportbedrijf een vrijstelling of een wijzigingsprocedure moet worden gevoerd, wat leidt tot een lange proceduretijd. Aangezien de recreatieve ruitersport in deze visie wordt aangemerkt als bedrijfstak die weldegelijk een binding heeft met het buitengebied dienen deze bedrijven te worden opgevat als agrarisch bedrijf die gebruik kan maken van de bebouwingsmogelijkheden.  

De groeiende paardensector wordt door ons niet als bedreiging ervaren voor het buitengebied, maar is een kans voor het behouden van de landschappelijke kwaliteit en het cre&#235;ren van een recreatieve infrastructuur. Voor de paardensector betekent dit dat de recreatieve ruitersport als nieuwe economische drager zou kunnen worden ingezet in het landelijk gebied. Eventueel in combinatie met de saldobenadering van de Nota Ruimte, beschreven in hoofdstuk 3.1 van deze visie, zou de recreatieve ruitersport een versterking van de Ecologische Hoofdstructuur kunnen genereren. Ten aanzien van de agrarische paardenhouderijen geldt dat het huidige beleid van de reguliere agrarische bedrijven wordt gevolgd.       

In het onderstaande overzicht is aangeven welke vormen van het houden van paarden volgens deze visie binnen een aangegeven bestemming van de bestemmingsplannen mogelijk zijn. Ten opzichte van het schema van de Sectorraad is de categorie wonen en het bedrijfstype hobbystal toegevoegd. De reden hiervoor is dat in het buitengebied niet alleen bedrijfsmatige situaties voorkomen maar met name ook hobbymatig veel paarden worden gehouden.

Het schema maakt gebruik van de invulling van de Kadernota voor het bestemmingsplan Buitengebied voor de vier gemeenten, waar naast de agrarische bedrijfsbestemming ook een agrarische tussen bestemming is gecre&#235;erd om ook hobbyboeren wat meer ruimte te bieden. De voorgestelde beleidslijn is in een viertal thema&#8217;s te onderscheiden; woonbestemmingen, agrarische bedrijven, semi-agrarische bedrijven en manege&#8217;s. In de volgende paragrafen wordt figuur 9 nader toegelicht. 

Bedrijfstype
Wonen
Agrarische bestemming (1 ha of meer bouwvlak)
Semi-agrarische bestemming(0,5 ha bouwvlak)
Manege/ Verenigings- accommodatie (1 ha)
Hengstenhouderij

X
X

Merriehouderij

X
X

Opfokbedrijf

X
X

Africhtstal

X
X
X
Sportstal

X
X
X
Stalhouderij

X
X
X
Handelstal

X
X
X
Spermawinstation

X


Embryotransplantatie

X


Paardenmelkerij

X


Verenigingsaccommodatie



X
Manege



X
Pension stal

X
X
X
Hobbystal met bak
X
X
X

Figuur 9 			

4.3 Woonbestemmingen
Het eerste thema in het overzicht is de woonbestemming. In toenemende mate worden bij de woonbestemming paarden gehouden. Bij de woningen worden faciliteiten gecre&#235;erd om het houden van paarden mogelijk te maken zoals de aanleg van een mestopslag, paardenbak en stal. 

Kernen
De woonbestemmingen in het buitengebied bieden qua omgevingsfactoren voldoende ruimte om deze faciliteiten te herbergen. Het houden van paarden in de woonomgeving van de dorpen levert echter regelmatig overlast op in de vorm van vliegen en opwaaiend stof. Om de overlast in de kernen te beperken worden de woonbestemmingen in de kernen onderscheiden van de woningen in het buitengebied. De begrenzing tussen buitengebied en kern is gebaseerd op de begrenzing van het bestemmingsplan buitengebied Westerkwartier en de geactualiseerde bestemmingsplannen voor de kernen. 

In de bestemmingsplannen voor de kernen is geen afzonderlijke regeling op genomen voor het houden van paarden. Het houden van paarden in de dorpen wordt beperkt om de overlast naar derden te verminderen. Op het eigen erf, binnen het bouwblok mogen activiteiten ten behoeve van de ruitersport worden ontplooid. Aan het cre&#235;ren van paardenbakken en andere faciliteiten buiten het bouwblok wordt geen medewerking verleend. In die situaties waar sprake is van schadelijkheid voor de volksgezondheid kan het college op grond van de APV gebieden aanwijzen waar geen paarden of andere dieren mogen worden gehouden. 

Buitengebied
Het &#8216;koloniseren&#8217; van het buitengebied in de vorm van uitbreiding van erven en het aanleggen van paardenbakken in het agrarisch gebied is in het huidige beleid niet toegestaan. Veel bewoners van het buitengebied zijn echter in het buitengebied gaan wonen vanwege de mogelijkheden voor het houden van paarden en de ruimte op het erf. Volgens de huidige beleidslijn zijn paardenbakken binnen het aangegeven bouwblok van de woning wel toegestaan. Het aanleggen van een paardenbak verhoogt het woongenot en kan zonder beperking op het eigen erf worden aangelegd. Echter worden veel paardenbakken buiten het bouwblok van de woning aangelegd omdat het bouwblok te weinig ruimte biedt of een naastgelegen perceel is aangekocht. De vraag is of dergelijk paardenbakken in het buitengebied gewenst zijn? 

Het aanleggen van een buitenbak heeft een andere achtergrond dan bijvoorbeeld het inrichten van een terrein voor de opslag van voertuigen of machines. Het rijden met een paard komt voort uit een andere beleving die gekoppeld is aan een emotionele verbintenis van de berijder met het buitengebied en de rurale levensstijl. Het veranderen van de functie en het gebruik van agrarische percelen tot een paardenbak leidt tot strijdigheid met de agrarische bestemming. Een agrarische productieperceel wordt immers omgevormd tot een terrein voor de recreatieve ruitersport. Om duidelijkheid te bieden in deze problematiek dienen om die reden paardenbakken, volgens het huidige beleid, binnen de bouwblokken te worden gerealiseerd. Veel bouwblokken zijn echter dusdanig klein dat het aanleggen van een buitenbak niet bij iedere woning mogelijk is. 

De gemeenteraad van de gemeente Grootegast heeft bij de vaststelling van de Kadernota voor het gezamenlijke bestemmingsplan buitengebied (juli 2006) benadrukt dat zij grotere bouwblokken voorstaan voor het hobbymatig houden van dieren. In de kadernota voor het bestemmingsplan buitengebied gaat de nieuwe zogenaamde agrarische tussenbestemming uit van een bouwblok van 0,5 ha en dient een aantal paarden te worden gehouden dat ligt tussen de 20 en 40 NGE, ongeveer zes tot vijftien paarden. 

Bewoners die minder dan zes paarden houden zijn binnen de voorgestelde systematiek aangewezen op het huidige vastgestelde bouwblok. Dit leidt vaak tot onbegrip en een gang naar de commissie voor bezwaar en beroepsschriften. Het hanteren van de bouwblokken als begrenzing voor de paardenbakken biedt de meeste rechtszekerheid voor de omwonenden van bewoners die een paardenbak willen aanleggen. Het aanleggen van een paardenbak met hekwerken en lichtmasten is bouwvergunningplichtig. Het aanleggen van een bak buiten het bouwblok is strijdig met de agrarische bestemming. Het college heeft de bevoegdheid om vrijstelling te verlenen op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. In het vrijstellingsbesluit kunnen voorwaarden worden opgenomen ter voorkoming van het cre&#235;ren van overlast. In die gevallen waar het college vrijstelling kan verlenen voor het mogelijk maken van paardenbakken in het buitengebied, buiten het bouwblok dient de bak:

in zijn geheel maximaal 25 meter buiten het bouwblok te steken en minimaal 25 meter van een woning van derden te worden gesitueerd. 
gevuld te zijn met materiaal met een minimale verstuiving zoals bijvoorbeeld schorsmateriaal.
in het half open en besloten landschap met streekeigen beplanting landschappelijk te worden ingepast, waarbij het toepassen van witte hekken of witte afscheiding niet is toegestaan. 
alleen voor eigengebruik bij de woning is bedoeld.
Geen stallen of andere bouwwerken mogen worden gebouwd of aangelegd buiten het aangegeven bouwvlak.

Onder deze voorwaarden is het verlenen van vrijstelling voor paardenbakken beheersbaar waarbij voorop staat dat vrijstelling slechts een bevoegdheid is en het hanteren van de begrenzing van de bouwblokken de beste rechtsbescherming biedt. Het toepassen van een aanlegvergunningstelsel heeft niet de voorkeur omdat het stellen van aanvullende voorwaarden die geen rekening houdt met de ter plaatse geldende situatie. 

4.4 Agrarische bedrijven en recreatieve ruitersport

Agrarische bedrijven
De huidige agrarische bedrijven, waaronder de paardenhouderijen, -melkerijen en &#8211;fokkerijen hebben voldoende ruimte binnen de agrarische bouwblokken systematiek of krijgen in de actualisering van het bestemmingsplan meer ruimte. De meeste voorzieningen zijn binnen de huidige bestemming onder te brengen mits deze productie gericht zijn. 

Het hobbymatig houden van paarden bij een agrarische bedrijfsbestemming is volgens de huidige notitie &#8216;Hobbymatig- en bedrijfsmatig houden van paarden&#8217; mogelijk. Het houden van paarden voor eigen gebruik naast een agrarisch bedrijf kan worden beschouwd als ontspanning. In feite is dit vergelijkbaar met het hobbymatig houden van paarden bij de woonbestemming. De nadruk dient te liggen op het eigen gebruik waarbij alle voorzieningen binnen het bouwblok van het agrarisch bedrijf dienen te worden aangelegd. 

Recreatieve ruitersport
De recreatieve ruitersportbedrijven kunnen zich volgens de huidige voorschriften in het bestemmingsplan en de beleidslijnen van de notitie Hobbymatig- en bedrijfsmatig houden van paarden en het provinciaal beleid niet vestigen op dergelijke locaties. In de afgelopen drie jaar is tijdens controles op het huidige beleid regelmatig geconstateerd dat ook de paardenfokkerijen verbrede activiteiten verrichten in de vorm van de recreatieve ruitersport. De economische marges binnen de fokkerij blijken minimaal. Om een goed inkomen te kunnen genereren zijn veel fokkerijen genoodzaakt om verbreding van activiteiten en daarmee risicospreiding toe te passen. De sectoren die in figuur 9 zijn aangeven, met uitzondering van de verenigingsaccommodatie en de manege, zijn opgenomen binnen de agrarische en semi-agrarische bestemming. De keuze om ook deze sectoren te vatten binnen de agrarische bestemming komt voort uit de visie dat het houden van dieren een agrarische activiteit is en dat de uiterlijke verschijningsvorm van de bedrijfsgebouwen van invloed is op de ruimtelijk kwaliteit. Het maakt niet uit wat voor dieren er in een gebouw staan, mits er sprak is van een bedrijf of een semi-agrarisch bedrijf. Ten tweede stimuleert deze visie de vestiging van paardenhouderijen in het buitengebied als nieuwe economische drager voor het buitengebied. Het onderscheiden van verschillende sectoren (die qua inhoud weinig verschillen) in diverse bestemmingen in het bestemmingsplan leidt tot een star en weinig flexibel en ontwikkelingsgericht bestemmingsplan. Gezien de verscheidenheid aan activiteiten die plaatsvinden binnen de recreatieve ruitersport is een indeling in diverse sectoren de afgelopen drie jaar niet werkbaar gebleken. De recreatieve ruitersport, met uitzondering van de verenigingsaccommodatie en de manege, dienen binnen de begripsbepaling van de agrarische bedrijfsbestemming van het bestemmingsplan Buitengebied voor de vier gemeenten te worden opgenomen, waarbij de indeling van figuur 9 wordt gehanteerd.    

Maneges en verenigingsaccommodaties
Binnen de recreatieve ruitersport gelden twee belangrijke uitzonderingen van bedrijven die niet binnen de agrarische bedrijfsbestemming uitgeoefend kunnen worden. De verenigingsaccommodatie en de manege hebben een dusdanige ruimtelijke uitstraling en invloed op de omgeving dat dergelijke bedrijven zich niet overal kunnen vestigen. De verkeersaantrekkende werking en grote aantallen mensen die maneges en verenigingsaccommodaties bezoeken hebben gevolgen voor de omgeving. Ten tijde van de behandeling van de notitie &#8216;Hobbymatig en bedrijfsmatig houden van paarden&#8217; heeft de raad van de gemeente Grootgast aangegeven bij ieder dorp in de gemeente een manege/ verenigingsaccommodatie toe te willen staan. In de drie jaar dat het beleid heeft gefunctioneerd is die doelstelling bijna voltooid. In Oldekerk/ Niekerk heeft de manege aan de Kuzemerweg deze functie inmiddels. Evenals de manege aan de Kolonieweg te Opende. Alleen Grootegast, Lutjegast en Doezum/Kornhorn hebben nog geen manege die formeel is geregeld en fungeert als voorziening voor het dorp. Medewerking aan deze voorziening kan alleen via een vrijstelling van het bestemmingsplan gezien de gevoeligheid van de bedrijven ten opzichte van de omgeving. Hierbij moeten de volgende voorwaarden aan de vrijstelling in acht worden genomen:  

de betreffende locatie moet zijn gelegen in de directe nabijheid van de ecologische hoofdstructuur en/ of gebieden, aangewezen in het Toetsings- en afwegingskader Recreatie en Toerisme;
ligging bij voorkeur in de dorpsrandzone;
een bouwblok van 1 ha met maximaal 4000 m2 aan bebouwing;
het leveren van een deugdelijke economische onderbouwing;
de activiteiten mogen de agrarische functie van aangrenzende, niet bij het bedrijf behorende gronden en woonbebouwing niet belemmeren;
de activiteiten mogen niet leiden tot onevenredige aantasting van het landschap;
de activiteiten moeten zoveel mogelijk de uiterlijke verschijningsvorm van de betreffende bebouwing in stand houden, en zoveel mogelijk binnen de bestaande bebouwing gerealiseerd  worden;
voldoen aan de eisen van de milieuwetgeving;
de activiteiten mogen geen onevenredig grote verkeersbelasting met zich meebrengen;
het bedrijf dient adequaat ontsloten te zijn voor verkeer;
het parkeren dient volledig op eigen terrein te geschieden.

Alleen na instemming met de hiervoor gestelde voorwaarden heeft het college de bevoegdheid om vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan Buitengebied. Binnen de bestemming kunnen ook de stalling van pensionpaarden en de handel in paarden plaatsvinden en een sportstal en stalhouderij worden ontplooid. Het cre&#235;ren van een manege of verenigingsaccommodatie in de dorpskernen is uitgesloten vanwege de ruimtelijke uitstraling en milieutechnische eisen.  

4.5 Landschappelijke inpassing
De keuze om nieuwe recreatieve paardensportbedrijven toe te staan in het buitengebied komt voort uit de wens om de landschappelijk kenmerken van het Westerkwartier te behouden en te verbeteren. Vestiging van dergelijke bedrijven op een bedrijventerrein doet naar onze mening geen recht aan het product (paarden) maar is gebaseerd op ruimtelijke argumenten. De ruimtelijke terughoudendheid kan worden weggenomen als met zorg naar de locaties wordt gekeken wanneer het gaat om de beeldkwaliteit en hergebruik van bestaande panden. Naast de ruimtelijke aspecten heeft de groei van de paardensector gevolgen voor de aanverwante bedrijven en toeleveranciers. Hoefsmeden, gebitsverzorgers, loonbedrijven, enzovoort profiteren van de nieuwe bedrijven.

Recreatieve infrastructuur/ wensbeeld
De opsomming aan elementen in de vorige alinea&#8217;s staan niet los van elkaar. Een combinatie van bedrijven, oppervlakte aan grond en particuliere initiatieven moet uiteindelijk leiden tot landschapsontwikkeling en een recreatieve infrastructuur. Door een terugloop van het aantal rundveehouderijen ontstaan mogelijkheden om de recreatieve ruitersport verder te ontwikkelen. Dit betekent niet alleen dat de gemeente nieuwe paardenhouderijen positief zal benaderen in de ruimtelijke afweging, maar ook het ontwikkelen van een recreatieve infrastructuur in de vorm van ruiter- en menroutes met voorzieningen zal moeten stimuleren om de transformatie in te kunnen bedden. 

Figuur 10	

Het standpunt van het rijk ten aanzien van het realiseren van combinatieprojecten met recreatie en het realiseren van de EHS levert eveneens een belangrijke bijdrage in het implementeren van de recreatieve ruitersport als nieuwe economische drager voor het buitengebied van de gemeente Grootegast. In de notitie van LNV (2006) is een aanzet geven op welke wijze de erfinrichting van ruitersportbedrijven kan worden georganiseerd. 

Het realiseren van ruiterpaden in combinatie met de paardenbedrijven en faciliteiten voor overnachtingen, stalling en dagrecreatie moet leiden tot een nieuwe impuls van de recreatieve sector. Een kernpunt van het routenetwerk is de aansluiting op de ontwikkelingen rondom Trimunt en Strandheem, een gebied waar intensievere vormen van recreatie mogelijk zijn. Het ontwikkelen van een uitgebreide routestructuur die aansluit op de bestaande routes van de gemeenten Leek, Marum, Noordenveld en Achtkarspelen dient bij te dragen aan een ruitersport product met routestructuren, faciliteiten en voorzieningen. Met name de nieuwe subsidieregeling Investeringsbudget Landelijk Gebied kan een bijdrage leveren om deze transformatie op gang te brengen. Door verblijfsaccommodaties te combineren met paardenstallingen en ruitervoorzieningen kunnen de bedrijven een bredere economische basis ontwikkelen en wordt tevens een oplossing geboden voor een aantal hectares grond die momenteel in de markt blijft &#8216;hangen&#8217;. 

Ten aanzien van de vorm van de gebouwen in relatie tot de omgeving kunnen eisen worden gesteld aan de bouwvorm en het materiaalgebruik. De bedrijfsgebouwen dienen een duidelijke relatie te hebben met de omgeving waarin het wordt geplaatst. De twee foto&#8217;s in figuur 10 geven twee bouwvormen weer waarbij de vorm en het materiaal gebruik sterk verschilt. Dit heeft gevolgen voor de ruimtelijke uitstraling en het beeld dat beide loodsen uitdragen. De donker gekleurde houten schuur oog pittoresker dan de loods van damwandprofiel. Beide vormen verschillen echter ook sterk in prijs. Om de ruimtelijk kwaliteit te waarborgen en te verbeteren mede ten behoeve van de recreatieve uitstraling van het gebied zal ingezet worden op paardenaccommodaties van hoge kwalitatieve waarde. Het bepalen van de balans tussen de waarde en de landschappelijke kwaliteit dient in samenwerking met welstand en de sector tot stand te worden gebracht. 

Figuur 11 Bron: LNV 2006

Ten aanzien van de ruimtelijke invulling dienen de percelen binnen de ruimtelijke omgeving te worden ingepast. Dit betekent niet dat ieder perceel per definitie omzoomd moet worden met beplanting. In figuur 11 is een viertal situaties weergeven van inrichtingen van het erf van paardenhouderijen. De erfsituaties zijn nader omschreven in de Visie Paard en Landschap LNV (2006). Een locatie in het opengebied dient anders ingevuld te worden dan een locatie in het coulisselandschap. Ook hier zal een individuele benadering nodig zijn en dienen uitgangspunten voor het Westerkwartier beschreven te worden. Het toepassen van erfbeplanting of aankleding van het erf is niet binnen de regelgeving van het bestemmingsplan af te dwingen, ook niet via een aanlegvergunningenstelsel. Alleen in situaties die via een vrijstelling artikel 19 WRO tot stand komen, kunnen afspraken worden gemaakt ten aanzien van de erfaankleding. In een bouwvergunning of via de bouwverordening zijn dergelijke afspraken niet op te nemen.

4.6 Haalbaarheid en realisering visie
De grote vraag is echter hoe deze visie haalbaar en afdwingbaar is? Ten aanzien van de ruimtelijke aspecten zijn diverse oplossingen te bedenken om de maatschappelijke bezwaren tegen de recreatieve ruitersport en de daarmee samenhangende bebouwing in het buitengebied te doorbreken en de nieuwbouw op een goede manier vorm te geven. De grote vraag is echter op welke wijze kan de overheid hier sturing aangeven en zijn dergelijke eisen afdwingbaar?

In de nota &#8216;Ontwikkelingsbijdragen bij herbestemmen van bebouwing in het buitengebied&#8217; (2005) is omschreven wat de mogelijkheden en met name de beperkingen zijn van het stellen van landschappelijke eisen. De enige instrumenten om actief te sturen op een functieverandering en landschapsontwikkeling is doormiddel van: verevening, vrijstelling WRO, baatbelasting of het voeren van actief grondbeleid.

De mogelijkheden voor een actief optreden van de gemeente om een functiewijziging en landschapsontwikkeling te bewerkstelligen zijn echter zeer beperkt. Alleen op basis van vrijwilligheid van de initiatiefnemer of door middel van het voeren van vrijstellingsprocedures zijn in beperkte mate voorwaarden te stellen. In de komende jaren zullen andere oplossingen bedacht moeten worden wil deze visie tot een goede realisatie komen. Alleen in samenwerking met de Regio West kunnen creatieve oplossingen worden gevonden om actieve functiewijziging en het realiseren van een recreatieve infrastructuur mogelijk te maken.
 
5 Conclusie

Deze visie geeft een voorzet naar de mogelijkheden voor het cre&#235;ren van een nieuwe economische drager voor het buitengebied in het Westerkwartier waarbij de landschappelijke waarden en de paardensector, waar het gebied haar status aan ontleent, de inzet is.

Uit de figuren &#233;&#233;n, twee en drie blijkt dat het aantal rundveehouderijbedrijven vanaf 1980 zowel landelijk als voor de provincie Groningen en de gemeente Grootegast sterk is gedaald. Binnen de sector wordt de daling onvoldoende gecompenseerd door bedrijven uit andere sectoren. Compensatie vindt slechts deels plaats door schaalvergroting van de bestaande agrarische bedrijven. De schaalvergroting geldt alleen niet voor elk gebied. In Westerwolde, Veenkoloni&#235;n en in iets mindere mate het Westerkwartier blijft de schaalvergroting achter. Het oppervlak aan agrarische grond dat vrijkomt in gebruik is bij rundveehouderijen en dus ook gekoppeld aan het aantal bedrijven dat stopt. De vrijkomende grond in het Westerkwartier wordt onvoldoende hergebruikt voor de schaalvergroting. Dit betekent dat steeds meer grond in het Westerkwartier haar agrarische functie verliest en een waardevermindering tot gevolg heeft door een overschot aan beschikbare grond. Een deel van het oppervlak is inmiddels in gebruik voor het realiseren van de ecologische hoofdstructuur en voor het houden van paarden door de nieuwe bewoners van het buitengebied. Door het wegvallen van subsidies dreigt het onderhoud van het landschap en de EHS gebieden echter onbetaalbaar te worden. De noodzaak om een economische drager te vinden om dergelijke gebieden en gronden te onderhouden neemt toe. 

De figuren vier, vijf en zes geven aan dat het aantal hobbymatige activiteiten afneemt en dat het aantal bedrijfsmatige paardenhouderijen toeneemt. Het aantal hobbyisten groeit uit tot volwaardige paardenhouderijen en het aantal nieuwe bedrijfsmatige paardenhouderijen stijgt. Het Westerkwartier wordt een uitgesproken paardenregio. Gezien de ontwikkelingen die de paardensector de komende jaren nog zal nemen, verwachten verschillende organisaties dat de omzet in de paardensector verder zal stijgen. De verwachting is dat daarmee het aantal paardenhouderijen eveneens stijgt. 

Het ruimtelijk beleid ten aanzien van de paardenhouderijen is niet eenduidig bij de verschillende overheden. In grote lijn wordt door de overheden en het productschap onderscheid gemaakt tussen gebruiksgericht en productiegericht houden van paarden. De kern van het probleem tussen provincie en gemeente ligt in het functiegericht denken. De denkwijze komt niet overeen met de gecombineerde bedrijfsvormen van de paardenhouderijen. Het functiegericht denken is gericht op &#233;&#233;n functie per bestemming terwijl de sector juist meerdere agrarische en niet-agrarische activiteiten verricht op &#233;&#233;n locatie. Het onderscheiden van het productiegericht en gebruiksgericht houden van paarden is moeilijk te onderscheiden omdat combinaties vaak voorkomen. De keuze wordt onmogelijk als gekozen moet worden tussen het vestigen van een bedrijf op een bedrijventerrein of in het buitengebied. De hoofdactiviteit is dan bepalend voor de locatie. De vraag is echter of een bedrijf waar dieren het product zijn, thuis horen op een bedrijventerrein? Het houden van dieren is onlosmakelijk verbonden met het buitengebied. Het bepalen van de vorm en de omvang is een esthetische keuze en is niet van dieren afhankelijk. 

Het huidige beleid rondom de woonbestemming kan worden gehandhaafd. Hobbymatig dienen alle activiteiten binnen de bestemming wonen en het aangegeven bouwblok plaats te vinden. Hierbij wordt opgemerkt of de huidige bouwblokken van de woonbestemmingen voldoende ruimte bieden. Een oplossing is deels gevonden in semi-agrarische bestemming die wordt gehanteerd in de Kadernota voor het Buitengebied en het overwegen van vrijstellingen op grond van de WRO.   

Het uitgangspunt van de visie ten aanzien van de agrarische bedrijven en de recreatieve ruitersport is gericht op het vinden van een nieuwe economische drager voor het buitengebied, het garanderen van het landschapsonderhoud en het ontwikkelen van een recreatieve infrastructuur. Binnen de agrarische bedrijfsvoering zou verbreding van de agrarische activiteiten met recreatieve ruitersport mogelijk moeten zijn. De notitie Hobbymatig en bedrijfsmatig houden van paarden is te beperkend omdat binnen de sector meerdere takken binnen een bedrijf worden beoefend. Het verbreden van de bedrijfsvoering biedt een betere economische basis en sluit beter aan op de situatie zoals die in de praktijk voorkomt. Dit betekent dat ondermeer ook een pensionstal en een sportstal binnen de agrarische bedrijfsbestemming of semi-agrarische bestemming uitgeoefend kunnen gaan worden. Daarnaast geldt voor de manege&#8217;s en de verenigingsaccommodatie dat deze ten allen tijde via vrijstelling afzonderlijk door het gemeentebestuur worden afgewogen. 

Het grote probleem voor het realiseren van deze visie en daarmee tevens de beperking van de visie is de afdwingbaarheid. Via verevening, vrijstelling, baatbelasting of het voeren van actief grondbeleid zijn al dan niet risicovolle oplossingen te vinden om een actieve functieverandering en landschapsontwikkeling te bewerkstelligen. Het stellen van voorwaarden aan de vrijstelling is een goed instrument om, op basis van deze visie, functieverandering mogelijk te maken. Ter versterking van de te stellen eisen dienen de overheden de omgevingsfactoren te optimaliseren ten dienste van de paardenhouderijen door bijvoorbeeld de aanleg van een recreatieve paardenroutestructuur. Dit schept kansen voor nieuwe bedrijven en mogelijkheden om in de vorm van baatbelasting de paardenbedrijven te laten bijdragen aan het ontwikkelen en onderhouden van het landschap. In de komende jaren dienen en zullen innovatieve oplossingen worden gevonden om functieverandering mogelijk te maken. De Regio West kan hieraan een belangrijk bijdrage leveren. Hiervoor is politiek risico en durf nodig&#8230;...
	</tekst>
</verordening>
<verordening name="Verordening straatnaamgeving en huisnummering" url="verordening-d0c5d466192e0ce6011b9d461d9b03e1/versie-d0c5d466192e0ce6011b9d461d9b03e2.html">
	<tekst>
	De raad van de gemeente Grootegast;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 25 november 1997, agendapunt 17;

overwegende dat de straatnaamgeving tot 1 januari 1994 haar grond vond in artikel 174 van de gemeentewet en de gemeente vastgoedobjecten nummerde op grond van artikel 41 van het Besluit bevolkingsboekhouding, welke regelingen hun kracht hebben verloren;

dat de bevoegdheid tot straatnaamgeving en de huisnummering door de gemeente nu wordt ontleend aan de artikelen 108 en 149 van de gemeentewet;


BESLUIT

vast te stellen de volgende:

Verordening op het benoemen van openbare ruimte en het nummeren van bouwwerken, gebouwen, complexen, afgebakende terreinen, lig- en standplaatsen

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1
In deze verordening wordt verstaan onder: 
a.Openbare ruimte: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden, pleinen, plaatsen, plantsoenen en alle wateren die, al dan niet met enige beperking, voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn, alsmede daarin begrepen alle bouw- en kunstwerken die daar onderdeel van uitmaken; 
b.Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond en bedoeld om ter plaatse te functioneren; 
c.Gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 
d.Complex: een afgebakend samengesteld geheel van ontroerende zaken (industriecomplex, ziekenhuiscomplex, complex van vakantiehuisjes enzovoort); 
e.Afgebakend terrein: een terrein, waarop zich geen bouwwerken bevinden en dat afzonderlijk wordt gebruikt; 
f.Ligplaats: een deel van het openbare water dat door burgemeester en wethouders is aangewezen voor het permanent afmeren van een woonschip of een woonark; 
g.Standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, van andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten; 
h.Burgemeester en wethouders: het college van burgemeester en wethouders; 
i.Nummer: een nummer bestaande uit een of meer Arabische cijfers, al dan niet met toevoeging van een letter; 
j.Object: een bouwwerk, gebouw, complex, afgebakend terrein, ligplaats of standplaats; 
k.Rechthebbende: ieder, die krachtens eigendom of een beperkt zakelijk recht zodanig beschikking heeft over een onroerende zaak, dat hij naar burgerlijk recht bevoegd is met betrekking tot die zaak te handelen als in de verordening is voorgeschreven, zomede de beheerder; 
l.Uitvoeringsvoorschriften: nadere bepalingen van technische en administratieve aard. 

Hoofdstuk 2 Het benoemen van openbare ruimte en het nummeren van bouwwerken, gebouwen, complexen, afgebakende terreinen en van ligplaatsen of standplaatsen 

Artikel 2
1.Burgemeester en wethouders verdelen de gemeente in wijken en/of straten, en duiden deze aan met nummers, zo nodig aangevuld met letters of namen. 
2.Burgemeester en wethouders kunnen namen toekennen aan delen van de openbare ruimte en gemeentelijke bouwwerken. 

Artikel 3
1.Burgemeester en wethouders kunnen aan een object of aan een te onderscheiden deel daarvan een nummer toekennen. 
2.Aan een object dat een nummer heeft gekregen moet het nummer op een doeltreffende wijze zijn aangebracht. 
3.Het aanbrengen van een huisnummer gebeurt een keer door en op kosten van de gemeente. 

Artikel 4
1.De door burgemeester en wethouders aan delen van de openbare ruimte en aan gemeentelijke bouwwerken toegekende namen worden zichtbaar en in voldoende aantallen ter plaatse aangebracht. 
2.Het is een ieder, die daartoe niet bevoegd is, verboden aan delen van de openbare ruimte, aan de daaraan liggende gemeentelijke bouwwerken en aan ligplaatsen of standplaatsen namen of nummers toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen.
3.Het is een ieder, die daartoe niet bevoegd is, verboden aan zijn onroerende zaak nummers toe te kennen door deze op een zichtbare wijze aan te brengen. 

Hoofdstuk 3 Plaatsen van naam- en nummerborden

Artikel 5
1.Indien burgemeester en wethouders het nodig oordelen dat borden met een wijk- of buurtaanduiding, borden met straatnamen, huisnummer-verzamelborden en verwijsaanduidingen aan een bouwwerk, een gebouw, een muur, paal, schutting of ander soort terreinafscheiding worden aangebracht is de rechthebbende verplicht toe te laten dat de hier bedoelde borden vanwege of op verzoek en overeenkomstig de aanwijzingen van burgemeester en wethouders worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 
2.De rechthebbende dient er zorg voor te dragen dat naamborden vanaf de openbare weg duidelijk leesbaar blijven. 

Artikel 6
1.Tenzij door burgemeester en wethouders anders is besloten, is de rechthebbende van een object verplicht het nummer, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, aan te brengen op een wijze zoals in artikel 7, eerste lid is bepaald. 
2.De rechthebbende is verplicht het in het eerste lid genoemde nummer binnen vier weken na kennisgeving van het besluit van burgemeester en wethouders aan te brengen. 
3.Indien een object nog niet is voltooid, wordt het nummer binnen vier weken na de voltooiing aangebracht. 
4.Burgemeester en wethouders kunnen de in het tweede en derde lid genoemde termijn verlengen. 

Hoofdstuk 4 Uitvoeringsvoorschriften

Artikel 7
1.Door het college van burgemeester en wethouders zal in verband met de straatnaamgeving samenspraak met Vereniging van Dorpsbelangen/Plaatselijk Belang van het betreffende dorp worden gehouden.  
2.Alvorens burgemeester en wethouders een besluit nemen terzake van de vaststelling van straatnamen, wordt de commissie Openbare Werken en Ruimtelijke Ordening gehoord. 
3.Door het college van burgemeester en wethouders, zal indien hij gebruik maakt van zijn bevoegdheid mededeling worden gedaan aan de raad. 
4.Burgemeester en wethouders kunnen nadere technische uitvoeringsvoorschriften vaststellen voor de wijze van nummeren en voor het aanbrengen van nummerborden. 
5.Burgemeester en wethouders kunnen met oog op het interbestuurlijk en maatschappelijk belang van een systematische registratie van door hen uitgegeven namen en nummers, nadere registratieve voorschriften stellen.  

Hoofdstuk 5 Straf-, overgangs- en slotbepalingen 

Artikel 8 Strafbepaling
1.Overtreding van artikel 4, tweede en derde lid, of het niet voldoen aan de bepalingen in de artikelen 5 en 6, eerste en tweede lid, wordt gestraft met een geldboete van het eerste categorie. 
2.De opsporing van de in het eerste lid strafbaar gestelde feiten is, naast de in artikel 41 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door burgemeester en wethouders met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, ieder voor zover het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn vermeld. 

Artikel 9 Inwerkingtreding
De verordening treedt inwerking op de achtste dag na die van bekendmaking op de wijze als bedoeld in artikel 139 van de Gemeentewet. 

Artikel 10 Vervallen oude regels
Met de inwerkingtreding van deze verordening vervallen alle eerdere gemeentelijke regels en voorschriften voor het benoemen van delen van de openbare ruimte en het nummeren van de daaraan liggende objecten. 

Artikel 11 Overgangsbepaling
1.Namen en nummers, die op grond van de in artikel 10 genoemde regels en voorschriften aan objecten zijn toegekend, blijven na het inwerking treden van deze verordening bestaan. 
2.Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het eerste lid besluiten dat de op grond van de in het eerste lid genoemde regels en voorschriften aangebrachte namen en nummers binnen een door hen te bepalen termijn moeten worden vervangen door namen en nummers die voldoen aan de bij of krachtens deze verordening gestelde voorschriften. 
3.Bij het wijzigen van een naam of een nummer, bedoeld in het eerste en tweede lid, zullen zowel de oude en de nieuwe naam als het oude en nieuwe nummer gedurende een jaar mogen worden gebruikt op de wijze bepaald in artikel 7, eerste lid. 

Artikel 12 Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als &#8220;Verordening straatnaamgeving en huisnummering&#8221;. 

Aldus besloten in de openbare vergadering van 2 december 1997,

K.B. Dijkstra, voorzitter

mr. Joh. Kooistra, secretaris
	</tekst>
</verordening>
</folder>
</root>
