Disclaimer

In het onderdeel Regelgeving vindt u geldende Algemeen Verbindende Voorschriften (verordeningen) en beleidsregels van de gemeente Grootegast. De complete tekst, waarin alle wijzigingen zijn verwerkt, is gepubliceerd. De informatie in dit onderdeel vormt geen bekendmaking in de zin van de Gemeentewet of de Algemene wet bestuursrecht. Alleen publicatie in "De Streekkrant" heeft een officieel karakter.

  

Beleidsnotitie vrijkomende agrarische bebouwing

Voor deze verordening versie is geen samenvatting ingevoerd.

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie Gemeente Grootegast
Officiële naam regeling Notitie vrijkomende agrarische bebouwing in het Westerkwartier
Citeertitel Notitie vrijkomende agrarische bebouwing in het Westerkwartier
Vastgesteld door college van burgemeester en wethouders
Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is vastgesteld)
Onderwerp Ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer
Opmerkingen m.b.t. de regeling Geen.
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Geen.
Betreft (aard van de wijziging) nieuwe regeling
Datum van inwerkingtreding van (een versie van) de regeling 21-07-2005
Datum terugwerkende kracht (t/m) van (een versie van) de regeling
Datum ondertekening van (een wijziging van) de regeling 21-06-2005
Bron bekendmaking van (een wijziging van) de regeling Het Westerkwartier, 13-07-2005
Kenmerk voorstel Onbekend.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Wet op de Ruimtelijke Ordening, art. 19, lid 2

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk
voorstel
21-07-2005 nieuwe regeling 21-06-2005
Het Westerkwartier, 13-07-2005
Onbekend.

1. Inleiding

 

Door de steeds verder voortschrijdende schaalvergroting en bedrijfsbeëindigingen in de landbouw komen steeds meer agrarische bedrijfsgebouwen vrij. Landinrichting en de (voorgenomen) realisatie van de ecologische hoofdstructuur hebben dit proces de afgelopen jaren mede beïnvloed. Dit veranderingsproces zal, gelet op de kleinschaligheid van het (Zuidelijk) Westerkwartier de komende jaren nog doorgaan; feitelijk gaat het om een autonoom proces. Ook het ontbreken van een bedrijfsopvolger is vaak aanleiding om de bedrijfsactiviteiten te staken. 

 

Blijkens onderstaande tabel is het aantal bedrijven de afgelopen 20 jaren in hoog tempo afgenomen. Indien deze trend zich voortzet steven we af op een halvering van het aantal bedrijven. 

 

(Figuur 1.) 

 

In het bovenstaande overzicht wordt geen onderscheid gemaakt naar bedrijfsgrootte. Indien een uitsplitsing van bedrijven plaatsvindt naar kansrijk (>40 NGE) en volwaardig (>70 NGE) ontstaat voor 2003 de volgende verdeling: 

<40 NGE 

 

388 bedrijven 

40-70 NGE 

 

91 bedrijven 

>70 NGE 

 

205 bedrijven 

Met name in de eerstgenoemde categorie zal naar verwachting een aanzienlijk deel van de bedrijven stoppen. 

 

Om verpaupering te voorkomen is het wenselijk in te kunnen spelen op deze ontwikkelingen en de mogelijkheden te bieden voor functiewijziging/ her gebruik van deze bebouwing. 

Ook vervangende nieuwbouw in de vorm van woning met bijgebouwen zouden onder omstandigheden tot de mogelijkheden moeten behoren. Hierbij moet concreet gedacht worden aan de situatie dat de vrijgekomen agrarische bebouwing vanwege bouwkundige staat, oppervlakte of inwendige vorm niet geschrikt is of redelijkerwijs geschikt kan worden gemaakt voor een wijze van gebruik (veelal wonen) die voldoet aan de geldende bouwkundige voorschriften dan wel aan de hedendaagse eisen van wooncomfort. 

 

Het geldende bestemmingsplan Buitengebied biedt onvoldoende mogelijkheden om adequaat op vorengeschetste ontwikkeling en daaruit voortvloeiende behoefte aan functiewijzing en vervangende nieuwbouw in te spelen. Ook hieronder te bespreken provinciale ruimtelijke beleid biedt op dit punt te weinig speelruimte. 

 

In afwachting van een regeling, op te nemen in het bestemmingsplan Buitengebied, zal in voorkomende gevallen met toepassing van artikel  19, lid 2 van de wet op de ruimtelijke ordening worden meegewerkt aan verzoeken om functiewijziging en/of vervangende nieuwbouw. Deze nota vormt het beoordelingskader voor dergelijke verzoeken en heeft status van ‘beleidsdocument voor een specifiek ruimtelijk onderwerp’ als bedoeld in de brief van Gedeputeerde Staten van Groningen van 24 mei 2004, nr. 2004-12.535b/21/A.6, RP.

 

2. rijksbeleid

Op 27 april 2004 heeft het kabinet de nota Ruimte vastgesteld. In deze nota is als uitgangspunt opgenomen, dat het hergebruik van vrijkomende of leegstaande gebouwen (waaronder agrarische bebouwing) gestimuleerd dient te worden. Voorts dienen de mogelijkheden die nieuwbouw biedt om de kwaliteit en vitaliteit van de groene ruimte te vergroten benut te worden. Het rijk vraagt hiertoe van de provincies om een planologisch kader op te stellen voor het thema bebouwing in het buiten gebied. Dit provinciale kader legt vast welke randvoorwaarden de provincie hanteert inzake: 

  • de mogelijkheden voor hergebruik van bestaande vrijkomende bebouwing; 

  • de mogelijkheden om bestaande onbruikbare of niet-waardevolle bebouwing te saneren met behulp van nieuwbouw van woningen (ruimte voor ruimte), en; 

  • de mogelijkheden voor nieuwbouw gekoppeld aan een substantiële kwaliteitsverbetering van natuur, water, landschap en/of recreatie. 

 

3. provinciaal beleid

De provincie staat in beginsel niet afwijzend tegenover het gebruik van vrijkomende waardevolle agrarische bebouwing voor andere functies als wonen, werken en zorg. Hiermee kan volgens de provincie worden bijgedragen aan de verbetering van de leefbaarheid van het platteland en de instandhouding van het culturele erfgoed. Gedeputeerde Staten hebben op 18 mei 2004 een (nieuw) besluit genomen tot aanwijzing van gevallen op grond van artikel 19, lid 2 van de wet op de ruimtelijke ordening. 

Op grond van deze aanwijzing kan door burgemeester en wethouders onder voorwaarden medewerking worden verleend aan ‘het hergebruiken en het inpandig verbouwen van aan het agrarisch gebruik onttrokken waardevolle bebouwing, zoals historische boerderijen en karakteristieke bedrijfswoningen, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen voor (burger)bewoning, een woon-/zorgfunctie, de uitoefening van kleinschalige bedrijfsactiviteiten en dienstverlening…..’.

Hergebruik ten behoeven van genoemde functies is in het algemeen mogelijk onder de volgende voorwaarden: 

  • functieverandering dient uitsluitend binnen de bestaande bebouwing plaats te vinden; 

  • bedrijvigheid mag uitsluitend lichte milieucategorieën betreffen; 

  • opslag op erf (bijv. caravans) moet worden verboden/gereguleerd; 

  • functieverandering mag, mede in relatie tot de bestaande verkeersinfrastructuur, geen onaanvaardbare verkeersaantrekkende werking hebben; 

  • de bestaande (karakteristieke) verschijningsvorm van de gebouwen en de landschappelijke kenmerken van het bijbehorende erf mogen niet worden aangetast; 

  • functieverandering mag niet leiden tot extra beperkingen van de exploitatie- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven; 

  • detailhandelactiviteiten dienen beperkt te blijven tot een vloeroppervlakte van 60 m2. 

Vrijstelling is slechte mogelijk indien door Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bezwaar is afgegeven. 

 

In de praktijk van het (Zuidelijk) Westerkwartier blijkt de door de provincie geboden beleidsruimte niet toereikend. In het gros van de gevallen gaat het in dit gebeid namelijk om functiewijziging in en/of het vervangen van agrarische bebouwing die niet als waardevol is aan te merken en dus buiten het toepassingsbereik van de provinciale vrijstellingslijst vallen. Het niet kunnen bieden van een alternatief voor niet als waardevol aan te merken vrijkomende agrarische bebouwing werkt leegstand en verpaupering in de hand, hetgeen ten koste gaat van de leefbaarheid in het buitengebied. In overleg van de provincie is gezocht naar mogelijkheden om aan deze problematiek het hoofd te bieden. Dit heeft geleid tot de volgende beleidsafspraken, die op 1 november 2004 door de Stuurgroep Regio West zijn bekrachtigd en door de betrokken colleges van burgemeester en wethouders in de inspraak zal worden gebracht (zie hoofdstuk 5). 

 

4. gemeentelijk beleid

Op grond van het geldende bestemmingplan Buitengebied kunnen burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 11 van de Wet op de ruimtelijke ordening de bestemming ‘agrarische doeleinden ’wijzigen in de bestemming ‘wonen’. Blijkens de plantoelichting is aan het gebruik van de wijzigingsbevoegdheid de voorwaarde verbonden, dat de bestaande verschijningsvorm van de vrijgekomen bebouwing gewaarborgd blijft. Op grond hiervan alsmede als gevolg van het onder punt 3 weergegeven provinciaal beleid, dat van latere datum is dan het bestemmingsplan Buitengebied, is het feitelijk gebruik van de wijzigingsbevoegdheid beperkt tot aan het agrarisch gebruik onttrokken waardevolle bebouwing. Verder zijn de aan het volgen van een wijzigingsprocedure verbonden bestuurlijke lasten aanzienlijk hoger en is de doorlooptijd van de procedure aanzienlijk langer, in vergelijking met een vrijstellingsprocedure op grond van artikel 19, lid 2 van de Wet op de ruimtelijke ordening. 

 

5. beoordelingscriteria

Voor vier onderscheiden categorieën van gevallen zijn beoordelingscriteria vastgesteld,die gehanteerd zullen worden bij de beoordeling van verzoeken om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, lid 2 van de Wet op de ruimtelijke ordening voor vrijkomende agrarische bebouwing. 

 

a. functiewijziging / hergebruik van waardevolle agrarische bebouwing 

Beoordelingscriteria: de criteria zoals opgenomen in het aanwijzingsbesluit van Gedeputeerde Staten van Groningen van 18 mei 2004 (bekendgemaakt bij brief van24 mei 2004, nummer 2004-12.535b/21b/A.6, RP), onderdeel Projecten in het landelijk gebied, categorie H. 

 

b. functiewijziging / hergebruik van niet als waardevol aan te merken bebouwing 

Beoordelingscriteria: de criteria zoals opgenomen in het aanwijzingsbesluit van Gedeputeerde Staten van Groningen van 18 mei 2004 (bekendgemaakt bij brief van24 mei 2004, nummer 2004-12.535b/21b/A.6, RP), onderdeel Projecten in het landelijk gebied, categorie H. 

 

c. sloop en vervangende nieuwbouw van waardevolle agrarische bebouwing 

In beginsel niet mogelijk. Beleid gericht op behoud en herstel. 

Voor de toepassing van deze beleidsnota worden tenminste als waardevolle agrarische bebouwing aangemerkt: agrarische bebouwing die is aangewezen als gemeentelijk monument of als rijksmonument (bijlage 2). Overigens zal van geval tot geval, aan de hand van de volgende criteria worden beoordeeld of er sprake s van waardevolle agrarische bebouwing: 

  • gaafheid; 

  • architectonische waarde’ 

  • cultuurhistorische waarde; 

  • het streekeigene; 

  • beeldbepalende waarde; 

  • belendende bebouwing; 

  • samenhang tussen landschap en bebouwing; 

  • de mate waarin het object als uniek te bestempelen is. 

 

d. sloop en vervangende nieuwbouw van niet als waardevol aan te merken bebouwing 

Beoordelingscriteria: de criteria zijn ontleend aan de gemeentelijke welstandsnota als bedoeld in artikel 12 van de Woningwet. Het gaat hierbij om criteria met betrekking tot ruimte, plaatsing, hoofdvorm aangezicht en opmaak. Deze criteria hebben een concrete ruimtelijke vertaling gekregen, in de sfeer van het benoemen van de maximaal toegestane maatvoering ingeval van vervangende nieuwbouw. 

 

Ruimtelijke vertaling:

 

Algemeen 

Algemeen uitgangspunt is dat de nieuw op te richten bebouwing zowel qua maatvoering als verschijningsvorm past in het overheersende bebouwingsbeeld. Hierbij dient aansluiting te worden gezocht bij het landelijke karakter c.q. de landschappelijke structuur van het gebied, grofweg uiteenvallend in een open een meer besloten gebied. In gebieden die door de aanwezigheid van bospercelen of beplante perceelscheidingen een overwegend besloten karakter hebben, bestaat de bebouwing veelal tot middelgrote boerderijen, afgewisseld door kleine arbeiderswoningen. De bebouwing is veelal haaks op de weg geplaatst met een wisselende afstand tot elkaar. In meer open gebieden wordt de overwegend traditionele boerderijbebouwing onder meer gekenmerkt door lage goten en een gedeeltelijke gerichtheid op de weg. 

 

 

Hoofdgebouwen 

Aangebouwde bijgebouwen 

Losstaande bijgebouwen 

Maximale bouwhoogte 

9 meter 

5.50 meter 

9 meter 

Maximale goothoogte 

5.50 meter 

3 meter 

3 meter 

Maximale oppervlakte 

120 m2 

50 m2 

130 m2 

dakhelling 

Maximaal 35* 

Maximaal 22* 

 

Voor het oprichten van losstaande bijgebouwen gelden aanvullend de volgende voorwaarden: 

 

6. procedure

Voor de toepassing van de aangewezen projectprocedure (artikel 19, lid 2 van de Wet op de ruimtelijke ordening) komen onder andere in aanmerking: projecten die passen in een beleidsdocument voor specifieke ruimtelijke onderwerpen, mits deze documenten niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Blijkens het aanwijzingsbesluit van Gedeputeerde Staten van 18 mei 2004 kan een dergelijk beleidsdocument als basis dienen voor de ruimtelijke onderbouwing van projecten indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: 

 

Het voorliggende beleidsdocument ‘Vrijkomende agrarische bebouwing in het Westerkwartier’ is bedoeld beleidsdocument voor een specifiek ruimtelijk onderwerp. 

 

De Stuurgroep Regio West heeft op 1 november 2004 met het document ingestemd en de besturen van de gemeenten Grootegast, Leek, Marum en Zuidhorn geadviseerd afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op de totstandkoming van het document van toepassing te verklaren, hetgeen concreet betekend: 

 

7. evaluatie

De in deze nota beschreven werkwijze en de feitelijke toepassing van het daarin opgenomen beleid door de gemeenten zal 1 jaar nadat de beleidsnota in werking is getreden door provincie en gemeente worden geëvalueerd.